Jeremia
Inleiding 1-9 De eenzaamheid van Jeremia 10-13 De oorzaak van het oordeel 14-15 Herstel van het land 16-18 Volledige vergelding 19-21 De volken in de zegen
Inleiding

In het gedeelte dat nu onze aandacht vraagt, horen we niet meer de zachtmoedige smeekbede van de ziener ten gunste van Juda. Hij heeft onvermoeid gepleit, terwijl er hoop leek te zijn op het afwenden van de dreigende ramp. Maar er is geen berouw van de kant van het volk.

De heiligheid van God eist dat aan de zonde in hen die zo nauw verbonden zijn met Zijn Naam, niet lichtvaardig wordt voorbijgegaan. Dit gedeelte is een ernstige aanklacht van Zijn kant, die laat zien waarom Zijn hand tegen hen moet zijn, hoezeer Zijn hart ook nu nog naar hen uitgaat.


De eenzaamheid van Jeremia

1Het woord van de HEERE kwam tot mij: 2U mag u geen vrouw nemen en in deze plaats geen zonen en dochters hebben, 3want zo zegt de HEERE over de zonen en over de dochters die in deze plaats geboren worden, en over hun moeders die hen baren, en over hun vaders die hen verwekken in dit land: 4Zij zullen sterven aan dodelijke ziekten, er zal over hen geen rouw bedreven worden en zij zullen niet begraven worden, [maar] tot mest op de aardbodem zijn. Zij zullen door het zwaard en door de honger omkomen, en hun dode lichamen zullen tot voedsel zijn voor de vogels in de lucht en voor de dieren op de aarde. 5Want zo zegt de HEERE: U mag het huis van hem die een rouwmaaltijd houdt, niet binnengaan. U mag [er] niet heen gaan om rouw te bedrijven en u mag hen geen medeleven betuigen, want Ik heb van dit volk – spreekt de HEERE – Mijn vrede, de goedertierenheid en de barmhartigheid weggenomen. 6Groten en kleinen zullen sterven in dit land. Zij zullen niet begraven worden. Er zal over hen geen rouw bedreven worden, men zal [het lichaam] niet kerven of zich voor hen kaal maken. 7Ook zal men geen [brood] voor hen breken vanwege de rouw, om iemand te troosten over een gestorvene, en men zal hun niet te drinken geven uit de troostbeker vanwege iemands vader of vanwege iemands moeder. 8Een huis [waar] een feestmaal [gehouden wordt], mag u niet binnengaan om bij hen aan te zitten, om te eten en te drinken. 9Want zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Zie, uit deze plaats doe Ik voor uw ogen en in uw dagen ophouden de stem van de vreugde en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid.

Het woord van de HEERE komt tot Jeremia (vers 11Het woord van de HEERE kwam tot mij:). De HEERE zegt tegen hem dat hij niet mag trouwen en dus ook geen zonen en dochters zal hebben (vers 22U mag u geen vrouw nemen en in deze plaats geen zonen en dochters hebben,). Met “deze plaats" wordt Jeruzalem bedoeld. Zo’n bevel of verbod is bijzonder. Trouwen – en direct daaraan verbonden het krijgen van kinderen – hoort bij Gods plan voor het leven (Gn 1:2828En God zegende hen en God zei tegen hen: Wees vruchtbaar, word talrijk, vervul de aarde en onderwerp haar, en heers over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht en over al de dieren die over de aarde kruipen!; 2:1818Ook zei de HEERE God: Het is niet goed dat de mens alleen is; Ik zal een hulp voor hem maken als [iemand] tegenover hem.; Dt 7:1414Gezegend zult u zijn boven al de volken; onder u zal geen man of vrouw onvruchtbaar zijn, onder uw dieren evenmin.). Het gebod om niet te trouwen of de wens om niet te trouwen is uitzonderlijk. Het is niet te vergelijken met het advies van Paulus dat het beter is om niet te trouwen, want dat advies geeft hij met het oog op “de tegenwoordige nood” waarin de mensen van de wereld verkeren (Mt 19:12b12want er zijn gesnedenen die zó uit [de] moederschoot geboren zijn; en er zijn gesnedenen die door de mensen zijn gesneden; en er zijn gesnedenen die zichzelf hebben gesneden om het koninkrijk der hemelen. Wie het kan vatten, laat hij het vatten.; 1Ko 7:2626Ik denk dan, dat het goed is, om de tegenwoordige nood, – dat het goed voor een mens is zo te blijven.).

Het persoonlijke leven van de profeten staat in de dienst van de HEERE (vgl. Js 8:1818Zie, ik en de kinderen die de HEERE mij gegeven heeft, dienen tot tekenen en wonderen in Israël,
afkomstig van de HEERE van de legermachten, Die op de berg Sion woont.
; Ez 24:15-2715Het woord van de HEERE kwam tot mij:16Mensenkind, zie, Ik ga [haar die] de lust van uw ogen is, door een [plotselinge] slag van u wegnemen. Toch mag u geen rouw bedrijven, u mag niet huilen en geen traan laten.17Kerm in stilte, u mag geen rouw over de dode bedrijven. Bind uw tulband om en doe uw schoenen aan uw voeten; u mag uw baard en snor niet bedekken en van het brood dat mensen [u brengen], mag u niet eten.18's Morgens sprak ik tot het volk en 's avonds stierf mijn vrouw. De [volgende] morgen deed ik zoals mij geboden was.19Toen zei het volk tegen mij: Wilt u ons niet vertellen wat deze dingen voor ons [betekenen], nu u [dit] doet?20Toen zei ik tegen hen: Het woord van de HEERE is tot mij gekomen:21Zeg tegen het huis van Israël: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga Mijn heiligdom ontheiligen, uw sterke trots, de lust van uw ogen en het dierbaarste voor uw ziel. Uw zonen en uw dochters, die u achtergelaten hebt, zullen door het zwaard vallen.22Dan zult u doen zoals ik heb gedaan. U zult uw baard en snor niet bedekken en van het brood dat mensen [u brengen], zult u niet eten.23Uw tulbanden zullen om uw hoofd zijn en uw schoenen aan uw voeten. U zult geen rouw bedrijven en niet huilen. U zult in uw ongerechtigheden wegkwijnen, en elkaar [uw] nood klagen.24Zo zal Ezechiël voor u een wonderteken zijn: geheel zoals hij gedaan heeft, zult u doen. Wanneer het komt, zult u weten dat Ik de Heere HEERE ben.25Wat u betreft, mensenkind, zal het niet [zo] zijn op de dag dat Ik hun kracht, de luister waarin zij zich verblijden, de lust van hun ogen, de verkwikking van hun ziel, hun zonen en hun dochters, van hen wegneem,26dat op die dag [iemand] die ontkomen is, bij u zal komen om [dat uw] oren te laten horen?27Op die dag zal uw mond met die van hem die ontkomen is, geopend worden, zodat u zult spreken en niet langer stom zijn. Zo zult u voor hen een wonderteken zijn. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.; Hs 1:2-32Het begin van het spreken van de HEERE door Hosea.
De HEERE zei tegen Hosea:
Ga! Neem voor u een vrouw van de hoererijen
en kinderen van de hoererijen,
want het land wendt zich in schandelijke hoererij
van de HEERE af.3Hij ging en nam Gomer, een dochter van Diblaïm; zij werd zwanger en baarde hem een zoon.
)
. De profeten hebben niet alleen met hun woorden tot het volk gepredikt, maar ook door hun persoonlijke omstandigheden. Normaliter trouwt een man. Dat Jeremia niet mag trouwen, houdt voor de inwoners van Jeruzalem de boodschap in dat het oordeel zal komen en het daarom voor hem zinloos is om een gezin te stichten. Het duidt op het einde van de verbinding tussen het volk en de HEERE. Dat hij geen kinderen zal hebben, wijst op de totale verlatenheid van de stad als het resultaat van het verbreken van de verbinding tussen de HEERE en Jeruzalem.

Wat de HEERE tegen Jeremia zegt, is geen algemene oproep aan allen die Godvrezend zijn om niet te trouwen. Ook is het geen advies aan gelovigen in landen waar de kans bestaat dat hun kinderen door de staat zullen worden opgevoed, zoals dat bijvoorbeeld met Mozes het geval is geweest. Het is ook geen aansporing om in tijden van oorlog maar niet te trouwen en geen kinderen te krijgen om daardoor zichzelf of eventuele kinderen de moeiten te besparen die deze zaken in een dergelijke tijd met zich meebrengen. Jeremia’s persoonlijke omstandigheden dienen als een teken voor het volk.

Het is een genade van de HEERE dat Hij Jeremia het leed bespaart dat over zijn nageslacht zou komen (vgl. Lk 23:2929Want zie, er komen dagen waarop men zal zeggen: Gelukkig de onvruchtbaren en de schoot die niet gebaard heeft en de borsten die niet gevoed hebben.). De zonen en dochters die wel in Jeruzalem geboren worden, zullen omkomen, samen met de moeders die hen hebben gebaard en de vaders die hen hebben verwekt (vers 33want zo zegt de HEERE over de zonen en over de dochters die in deze plaats geboren worden, en over hun moeders die hen baren, en over hun vaders die hen verwekken in dit land:). De gehuwden en hun kinderen zullen sterven aan dodelijke ziekten (vers 44Zij zullen sterven aan dodelijke ziekten, er zal over hen geen rouw bedreven worden en zij zullen niet begraven worden, [maar] tot mest op de aardbodem zijn. Zij zullen door het zwaard en door de honger omkomen, en hun dode lichamen zullen tot voedsel zijn voor de vogels in de lucht en voor de dieren op de aarde.).

Over hen zal geen rouw bedreven worden. Er zal geen begrafenisplechtigheid zijn waar aan rouw uiting kan worden gegeven. Ze zullen namelijk niet begraven worden, maar tot mest op de aardbodem zijn. Anderen zullen door het zwaard omkomen en weer anderen door de honger. Hun lichamen zullen voedsel zijn voor de aasvogels en de wilde dieren. Dit is wel een dramatische afloop van een huwelijk en de kinderen die daaruit geboren zijn.

De profeet mag ook geen begrafenissen bijwonen (vers 55Want zo zegt de HEERE: U mag het huis van hem die een rouwmaaltijd houdt, niet binnengaan. U mag [er] niet heen gaan om rouw te bedrijven en u mag hen geen medeleven betuigen, want Ik heb van dit volk – spreekt de HEERE – Mijn vrede, de goedertierenheid en de barmhartigheid weggenomen.). Hij mag zich niet verenigen met de rouw van het volk, omdat de HEERE “Mijn vrede, de goedertierenheid en de barmhartigheid” van hen heeft weggenomen. Het zijn juist deze eigenschappen van God die voor het leven in een eindtijd, waarin ook wij leven, zo nodig zijn. Deze eigenschappen mogen en moeten we elkaar toewensen (vgl. 1Tm 1:22aan Timotheüs, [mijn] echt kind in [het] geloof: genade, barmhartigheid en vrede van God <de> Vader en van Christus Jezus, onze Heer.). Als die worden weggenomen, zijn we reddeloos verloren. We zien dat hier. Gods oordeel rust op hen en dat moet Jeremia aanvaarden. Als de HEERE geen medelijden meer toont, mag hij dat ook niet tonen. Als hij zich met hun rouw zou verenigen, zou dat zijn boodschap krachteloos maken.

Het hele land zal één groot rouwcentrum worden (vers 66Groten en kleinen zullen sterven in dit land. Zij zullen niet begraven worden. Er zal over hen geen rouw bedreven worden, men zal [het lichaam] niet kerven of zich voor hen kaal maken.). “Groten en kleinen”, dat zijn de mensen van aanzien en de mensen van lage stand, zullen sterven, maar niet begraven worden. Er zal geen, geoorloofd, verdriet over de doden worden geuit. Maar er zullen ook geen, ongeoorloofde, heidense uitingen aan het verdriet worden gegeven. Het lichaam kerven en zich kaal maken zijn heidense gebruiken en voor Gods volk verboden (Lv 19:2828U mag vanwege een dode geen inkerving in uw lichaam maken en geen tatoeages bij uzelf aanbrengen. Ik ben de HEERE.; 21:55[Priesters] mogen op hun hoofd geen kale plek maken, de rand van hun baard niet afscheren en in hun lichaam geen inkervingen maken.; Dt 14:11U bent kinderen van de HEERE, uw God. U mag [uw lichaam] vanwege een dode niet kerven of een kale plek maken tussen uw ogen.). Deze praktijken worden echter onder Gods volk wel gevonden (Jr 41:55dat er mannen uit Sichem, uit Silo en uit Samaria aankwamen, tachtig man, met afgeschoren baard, gescheurde kleren, die [hun lichaam] gekerfd hadden, met in hun hand een graanoffer en wierook om in het huis van de HEERE te brengen.; 47:55Kaalheid is over Gaza gekomen,
Askelon is uitgeroeid,
[samen met] het overblijfsel van hun dal.
Hoelang zult u [uw lichaam] kerven?
; Ez 7:1818Zij zullen zich omgorden met rouwgewaden,
huiver zal hen bedekken,
schaamte zal op alle gezichten zijn,
en kaalheid op al hun hoofden.
: Am 8:1010Ik zal uw feesten in rouw veranderen,
al uw liederen in klaagzangen;
om alle heupen zal Ik een rouwgewaad aanbrengen,
elk hoofd zal kaal zijn,
omdat Ik het [land] in rouw dompel als over een enig [kind],
en wat ervan overblijft zal zijn als een bittere dag.
; Mi 1:1616Scheer [uw haar] af, ja, scheer u kaal
vanwege uw kinderen, die u lief zijn;
maak u zo kaal als een gier,
want zij zijn bij u weggegaan in ballingschap.
)
.

De gebruikelijke rouwgewoonten zullen niet plaatsvinden (vers 77Ook zal men geen [brood] voor hen breken vanwege de rouw, om iemand te troosten over een gestorvene, en men zal hun niet te drinken geven uit de troostbeker vanwege iemands vader of vanwege iemands moeder.). Het is gebruikelijk om eten mee te nemen naar de familie van de overledene, met hen de maaltijd te gebruiken en hen te troosten in hun verdriet. In dit geval zal het niet gebeuren omdat er niemand is die kan troosten. Ook is er niemand die de troostbeker kan geven vanwege de dood van iemands vader of moeder.

Het brood breken en uit de beker drinken om een dode te gedenken zien we terug bij de instelling van het avondmaal door de Heer Jezus. Bij die gelegenheid geeft de Heer aan deze oude gewoonte een nieuwe, unieke betekenis en verbindt die met nieuwe waarheden (Mt 26:26-2826Terwijl zij nu aten, nam Jezus brood en nadat Hij had gezegend, brak Hij het en gaf het aan de discipelen en zei: Neemt, eet, dit is Mijn lichaam.27En Hij nam <de> drinkbeker, en nadat Hij gedankt had, gaf Hij hun die en zei: Drinkt allen daaruit.28Want dit is Mijn bloed van het <nieuwe> verbond, dat voor velen vergoten wordt tot vergeving van zonden.; 1Ko 10:1616De drinkbeker der zegening die wij zegenen, is die niet [de] gemeenschap van het bloed van Christus? Het brood dat wij breken, is dat niet [de] gemeenschap van het lichaam van Christus?). Hij verbindt deze gewoonte aan het Pascha, want dan stelt Hij het avondmaal in. Van het Pascha weten we dat het van Hem spreekt en van het verlossingswerk dat Hij heeft verricht (1Ko 5:7b7Zuivert het oude zuurdeeg uit, opdat u een nieuw deeg bent; u bent immers ongezuurd. Want ook ons Pascha, Christus, is geslacht.).

Jeremia mag ook geen feestelijke gelegenheden zoals bruiloften meer bijwonen (vers 88Een huis [waar] een feestmaal [gehouden wordt], mag u niet binnengaan om bij hen aan te zitten, om te eten en te drinken.). Dat hij zijn sociale verplichtingen niet meer mag vervullen, zoals het bezoeken van hen die rouwen of van hen die feestvieren, zal hem des te meer tot een voorwerp van verachting hebben gemaakt. Hij zal zich nog eenzamer voelen dan hij zich al voelt. Wat moet het voor Jeremia geweest zijn, altijd maar negatief te zijn, altijd maar oordeel aan te kondigen. Hij heeft wel een bijzonder zware dienst gehad.

Op de vraag naar zijn ‘asociale’ gedrag moet hij antwoorden dat “de HEERE van de legermachten, de God van Israël”, uit Jeruzalem alle vreugde zal doen ophouden (vers 99Want zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Zie, uit deze plaats doe Ik voor uw ogen en in uw dagen ophouden de stem van de vreugde en de stem van de blijdschap, de stem van de bruidegom en de stem van de bruid.). Jeremia zal er ooggetuige van zijn, want Hij zal dat voor zijn ogen doen. Als Jeruzalem overgegeven wordt in de hand van Nebukadnezar, is er geen stem van vrolijkheid meer te horen. Alle stemmen van blijdschap worden samengevat in “de stem van de bruidegom en de stem van de bruid”.

De blijdschap die bij het sluiten van een huwelijk aanwezig is, is de hoogste blijdschap die op aarde te vinden is. Die blijdschap, die God Zelf heeft gegeven omdat Hij Zelf het huwelijk heeft ingesteld, wordt nu door Hem Zelf weggenomen. Door het oordeel dat Hij voltrekt, zullen er geen huwelijken meer gesloten kunnen worden, vanwege het gebrek aan mensen.


De oorzaak van het oordeel

10Maar het zal gebeuren wanneer u dit volk al deze woorden aanzegt, dat zij tegen u zullen zeggen: Waarom heeft de HEERE heel dit grote onheil over ons uitgesproken, wat is onze ongerechtigheid en wat is onze zonde waarmee wij tegen de HEERE, onze God, gezondigd hebben? 11Dan zult u tegen hen zeggen: Omdat uw vaderen Mij hebben verlaten, spreekt de HEERE, en andere goden achterna zijn gegaan en die hebben gediend en zich voor hen hebben gebogen. Mij echter hebben zij verlaten en zij hebben Mijn wet niet in acht genomen. 12Wat u betreft, u hebt meer kwaad gedaan dan uw vaderen, want zie, ieder [van u] gaat zijn [eigen] verharde, boosaardige hart achterna door niet naar Mij te luisteren. 13Daarom zal Ik u uit dit land wegwerpen naar een land dat u niet gekend hebt, u evenmin [als] uw vaderen. Daar zult u dan dag en nacht andere goden dienen, omdat Ik u geen genade zal bewijzen.

Dat het volk verhard is, blijkt wel uit hun reactie, die de HEERE van tevoren kent (vers 1010Maar het zal gebeuren wanneer u dit volk al deze woorden aanzegt, dat zij tegen u zullen zeggen: Waarom heeft de HEERE heel dit grote onheil over ons uitgesproken, wat is onze ongerechtigheid en wat is onze zonde waarmee wij tegen de HEERE, onze God, gezondigd hebben?). Verbaasd, alsof ze zich van de prins geen kwaad weten, vragen ze waarom de HEERE zo met hen handelt. Ze geven daarmee in bedekte termen Hem de schuld van al het onheil dat hen treft. Wat hebben ze dan verkeerd gedaan, wat is dan hun ongerechtigheid en zonde waarmee ze tegen Hem gezondigd zouden hebben? Laat Hij dat dan maar eens vertellen. Het is de hoogmoedige taal van een volk dat zich inbeeldt God te dienen, terwijl ze daar op een eigenzinnige manier invulling aan geven (vgl. Ml 1:6-76Een zoon eert zijn vader en een slaaf zijn heer. Als Ik dan een Vader ben, waar is de eerbied voor Mij? En als Ik een Heer ben, waar is de vrees voor Mij? zegt de HEERE van de legermachten tegen u, priesters die Mijn Naam verachten. Maar u zegt: Waardoor verachten wij Uw Naam?7[Doordat] u onrein brood op Mijn altaar brengt. En u zegt: Waardoor maken wij U onrein? Doordat u zegt: De tafel van de HEERE, die is verachtelijk.; 2:1717U vermoeit de HEERE met uw woorden,
toch zegt u: Waarmee vermoeien wij [Hem]?
Doordat u zegt: Iedereen die kwaad doet,
is in de ogen van de HEERE goed,
Híj is hun genegen.
Of: Waar is de God van het oordeel?
; 3:7-8,137Sinds de dagen van uw vaderen bent u afgeweken van Mijn verordeningen,
en hebt u ze niet in acht genomen.
Keer terug naar Mij,
en Ik zal naar u terugkeren,
zegt de HEERE van de legermachten.
Maar u zegt: In welk opzicht moeten wij terugkeren?8Zou een mens God beroven?
Werkelijk, u berooft Mij!
En dan zegt u: Waarvan beroven wij U?
Van de tienden en het hefoffer!
13Uw woorden tegen Mij waren te hard, zegt de HEERE.
Maar u zegt: Wat hebben wij onder elkaar tegen U gesproken?
)
.

Ze zijn zo verhard door de zonde, dat ze er geen enkel besef van blijken te hebben dat Gods onheil hen treft vanwege hun zonden en afwijking van Hem. Zonde wordt niet meer gevoeld. Naar Gods wil wordt niet gevraagd. In Zijn onbegrijpelijke geduld met dit afvallige volk zegt de HEERE wat Jeremia moet antwoorden (vers 1111Dan zult u tegen hen zeggen: Omdat uw vaderen Mij hebben verlaten, spreekt de HEERE, en andere goden achterna zijn gegaan en die hebben gediend en zich voor hen hebben gebogen. Mij echter hebben zij verlaten en zij hebben Mijn wet niet in acht genomen.). Eerst wijst Hij het volk erop wat hun vaderen hebben gedaan, hoe zij Hem hebben verlaten en andere goden achterna zijn gegaan en die hebben gediend en aangebeden. Zijn wet hebben ze niet in acht genomen, dus zijn ze ongehoorzaam geworden.

Maar zij, hun kinderen, hebben het niet beter gedaan (vers 1212Wat u betreft, u hebt meer kwaad gedaan dan uw vaderen, want zie, ieder [van u] gaat zijn [eigen] verharde, boosaardige hart achterna door niet naar Mij te luisteren.). Integendeel, ze hebben nog meer kwaad gedaan dan hun vaderen. Zij gaan niet alleen de afgoden achterna, maar ook hun eigen verharde boosaardige hart. Dat laten ze duidelijk zien door niet naar Hem te luisteren. Ze hebben niet alleen dezelfde zonden gedaan, maar ze met grotere gretigheid bedreven, terwijl ze veel meer waarschuwende voorbeelden hebben dan zij. Hun hardnekkigheid en opstandigheid is groter dan die van hun vaderen.

“Daarom”, om die reden, zal de HEERE hen uit dit land, waarin ze nu nog wonen, wegwerpen naar een ander land dat zij niet gekend hebben en dat ook hun vaderen niet gekend hebben (vers 1313Daarom zal Ik u uit dit land wegwerpen naar een land dat u niet gekend hebt, u evenmin [als] uw vaderen. Daar zult u dan dag en nacht andere goden dienen, omdat Ik u geen genade zal bewijzen.). Het woord “wegwerpen” geeft zowel de kracht als de verachting aan waarmee de HEERE deze handeling verricht. In dat vreemde land zullen ze helemaal overgeleverd zijn aan andere goden die ze “dag en nacht”, dus onophoudelijk zullen dienen.

Wat ze in hun eigen land vrijwillig hebben gedaan, zullen ze in het land van hun ballingschap gedwongen en onophoudelijk moeten doen door als slaven de afgodendienaars te dienen. Het eerste, het vrijwillig dienen van de afgoden, is hun zonde; het tweede, het gedwongen dienen van andere goden, is hun straf. Ze ondergaan deze straf “omdat” de HEERE hun Zijn genade onthoudt. De genade die dient om personen in nood te ondersteunen, zal hun niet worden bewezen. Van hen die ze moeten dienen, komt geen genade en ook niet van de HEERE. Dat zal hun straf nog zwaarder maken.


Herstel van het land

14Daarom, zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat er niet meer gezegd zal worden: [Zo waar] de HEERE leeft, Die de Israëlieten uit het land Egypte geleid heeft, 15maar: [Zo waar] de HEERE leeft, Die de Israëlieten uit het land in het noorden en uit al de landen waarheen Hij hen verdreven had, geleid heeft. Ik zal hen terugbrengen in hun land, dat Ik hun vaderen gegeven heb.

Als we deze twee verzen lezen, kunnen we bijna niet geloven dat het waar is wat hier staat. Na de meest verschrikkelijke oordeelsaankondigingen, waarbij het volk op geen enkele wijze toont enig besef te hebben van hun toestand, komt als uit het niets deze heilsaankondiging. Wat een troost voor de gekwelde en geteisterde profeet!

De HEERE onderbreekt even Zijn oordeelsaankondiging om duidelijk te maken dat Zijn oordelen niet betekenen dat Israël niet meer Zijn verbondsvolk is (vers 1414Daarom, zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat er niet meer gezegd zal worden: [Zo waar] de HEERE leeft, Die de Israëlieten uit het land Egypte geleid heeft,). Hij wijst op dagen die komen zullen, waarmee Hij de eindtijd bedoelt, als Hij terugkomt en Zijn vrederijk opricht. Dan zullen ze niet langer terugkijken naar hun uittocht uit Egypte als het grote bewijs van Zijn bewaring en bevrijding. Er zal namelijk een nieuwe uittocht plaatsvinden en wel vanuit het noorden, Babel, en al de andere landen waarheen Hij Zijn volk verdreven heeft (vers 1515maar: [Zo waar] de HEERE leeft, Die de Israëlieten uit het land in het noorden en uit al de landen waarheen Hij hen verdreven had, geleid heeft. Ik zal hen terugbrengen in hun land, dat Ik hun vaderen gegeven heb.). Zo hebben we hier ineens weer een woord van bemoediging, wat de HEERE in de toekomst ten gunste van Zijn volk zal doen.

De HEERE belooft hier dat Hij Zijn volk naar het beloofde land zal terugbrengen, nadat Zijn tucht over hen het door Hem beoogde doel heeft bereikt. De terugkeer uit de Babylonische ballingschap is van deze belofte slechts een gedeeltelijke vervulling. Het gaat om een terugkeer van Zijn volk vanuit de hele wereld. Wat we vandaag zien in de terugkeer van vele Joden naar Israël, is nog geen volle vervulling van deze belofte. Voor de volle vervulling is berouw over en belijdenis van de zonden noodzakelijk en die zijn nog niet aanwezig.


Volledige vergelding

16Zie, Ik ga [boden] tot vele vissers zenden, spreekt de HEERE, dat zij hen moeten opvissen. En daarna zend Ik [boden] tot vele jagers, dat die hen moeten opjagen van elke berg en van elke heuvel, en uit de kloven van de rotsen. 17Want Mijn ogen zijn [gevestigd] op al hun wegen. Ze zijn voor Mijn aangezicht niet verborgen en hun ongerechtigheid kan zich niet voor Mijn ogen verhullen. 18Ik zal eerst hun ongerechtigheid en hun zonde dubbel vergelden, omdat zij Mijn land ontheiligd hebben: zij hebben Mijn eigendom met de dode lichamen van hun afschuwelijke [afgoden] en hun gruweldaden vervuld.

Na de verzekering van de terugkeer naar het land in de vorige beide verzen gaat de HEERE verder met het beschrijven van Zijn dreigende oordelen. Hij vergelijkt de Babyloniërs met vissers en jagers (vers 1616Zie, Ik ga [boden] tot vele vissers zenden, spreekt de HEERE, dat zij hen moeten opvissen. En daarna zend Ik [boden] tot vele jagers, dat die hen moeten opjagen van elke berg en van elke heuvel, en uit de kloven van de rotsen.). Zij zullen de Joden in hun netten vangen en meevoeren (vgl. Ez 12:13a13Ik zal Mijn net over hem uitspreiden, zodat hij in Mijn vangnet gevangen raakt. Ik zal hem brengen naar Babel, het land van de Chaldeeën, maar [ook] dat zal hij niet zien, hoewel hij daar zal sterven.). Allen die ontkomen zijn aan de netten, zullen ze opjagen uit de plaatsen waar ze zich verscholen hebben, want het is onmogelijk om zich voor de HEERE te verbergen (Am 9:1-41Ik zag de Heere staan bij het altaar, en Hij zei:
Sla tegen het kapiteel,
zodat de drempels beven,
en breek ze stuk op het hoofd van hen allen.
En wie van hen overblijft, dood Ik met het zwaard.
Niemand van hen die vluchten, zal ontvluchten,
en niemand van hen die ontkomen, zal gered worden.2Al drongen zij door tot in de hel,
Mijn hand zou hen vandaar weghalen;
en al stegen zij naar de hemel op,
Ik zou hen vandaar doen neerdalen.3Al verscholen zij zich op de top van de Karmel,
Ik zou hen opsporen om hen daar weg te halen;
en al verborgen zij zich van voor Mijn ogen op de zeebodem,
daar zou Ik een slang opdracht geven hen te bijten.4Al gingen zij voor hun vijanden uit in gevangenschap,
daar zou Ik het zwaard opdracht geven hen te doden.
Ik zal Mijn ogen op hen richten
ten kwade en niet ten goede.
)
.

Niemand zal ontkomen aan het oordeel, want de HEERE ziet hen overal en Hij ziet ook al hun wegen (vers 1717Want Mijn ogen zijn [gevestigd] op al hun wegen. Ze zijn voor Mijn aangezicht niet verborgen en hun ongerechtigheid kan zich niet voor Mijn ogen verhullen.). Hij is alwetend en alomtegenwoordig. Wie ze zijn, waar ze zijn en wat ze doen, alles is voor Hem een open boek. Ze kunnen zichzelf niet verbergen, maar ze kunnen ook hun zondige daden niet voor Hem verbergen of bedekken.

De HEERE zal hen dubbel straffen voor de verontreiniging van wat Hij nadrukkelijk “Mijn eigendom” noemt, dat is Zijn land (vers 1818Ik zal eerst hun ongerechtigheid en hun zonde dubbel vergelden, omdat zij Mijn land ontheiligd hebben: zij hebben Mijn eigendom met de dode lichamen van hun afschuwelijke [afgoden] en hun gruweldaden vervuld.; vgl. Js 40:2b2spreek naar het hart van Jeruzalem
en roep haar toe
dat haar strijd vervuld is,
dat haar ongerechtigheid verzoend is,
dat zij uit de hand van de HEERE het dubbele ontvangen heeft
voor al haar zonden.
)
. De dubbele straf, waarmee ook volkomen straf wordt bedoeld, is voor een dubbele zonde. Ze hebben Zijn eigendom op gruwelijke wijze in dubbel opzicht verontreinigd. Dat is gebeurd door Zijn land, Zijn eigendom, te vervullen met de dode lichamen van hun afschuwelijke afgoden – afgoden zijn dode dingen – en hun gruweldaden. De gebruikte taal laat de afschuw voelen die de HEERE over hun handelingen heeft. Hij vindt dit verschrikkelijk en totaal verwerpelijk.


De volken in de zegen

19HEERE, mijn kracht en mijn burcht,
mijn toevlucht op de dag van de benauwdheid,
tot U zullen de heidenvolken komen
van de einden der aarde, en zeggen:
Onze vaderen hebben enkel leugen in erfelijk bezit gekregen,
[en] nietige [dingen], niets ervan is van nut.
20Zou een mens zich goden maken?
Dat zijn toch geen goden!
21Daarom, zie, Ik doe hen erkennen,
deze keer doe Ik hen
Mijn hand en Mijn macht erkennen.
Dan zullen zij weten dat Mijn Naam HEERE is.

In die situatie is de HEERE voor Jeremia heel persoonlijk “mijn vesting en mijn burcht, mijn toevlucht” (vers 1919HEERE, mijn kracht en mijn burcht,
mijn toevlucht op de dag van de benauwdheid,
tot U zullen de heidenvolken komen
van de einden der aarde, en zeggen:
Onze vaderen hebben enkel leugen in erfelijk bezit gekregen,
[en] nietige [dingen], niets ervan is van nut.
)
. Elk van deze drie woorden wijst op de bescherming die de HEERE voor hem is. Die bescherming heeft hij nodig, want het is voor hem en voor iedere Godvrezende een “dag van benauwdheid”.

Jeremia kijkt echter ook verder dan de tijd van benauwdheid waarin hij leeft. Hij zegt tegen de HEERE dat de heidenvolken naar Hem toe zullen komen van de einden van de aarde. Ze zullen komen met een belijdenis over de nutteloosheid van de afgoden. Dat zal gebeuren wanneer Christus regeert en zij tot Hem komen, Die de HEERE is.

Wie zich aan de afgoden overgeeft, krijgt leugen als erfelijk bezit, een bezit dat niet een blijvend eigendom is. Alles wat afgoden geven – dat wil zeggen de demonen die achter de afgoden schuilgaan, want afgoden zelf zijn dode dingen – is bedrog en stelt teleur. De conclusie luidt dan ook vragenderwijs of een mens zich goden zou maken, met direct het antwoord dat dát toch geen goden zijn (vers 2020Zou een mens zich goden maken?
Dat zijn toch geen goden!
)
.

Als de volken, en ook Gods volk, Zijn hand en Zijn macht erkennen, zullen ze weten Wie Hij is (vers 2121Daarom, zie, Ik doe hen erkennen,
deze keer doe Ik hen
Mijn hand en Mijn macht erkennen.
Dan zullen zij weten dat Mijn Naam HEERE is.
)
. De uitkomst van de druk van Gods hand en de uitoefening van Zijn macht is, dat zij zullen erkennen dat Hij met hen bezig is geweest, Hij, Wiens Naam HEERE is. Het kan zijn dat met “hen” die Hij Zijn hand en Zijn macht doet erkennen, de Joden worden bedoeld; het kan ook zijn dat daarmee de heidenen worden bedoeld. Het geldt in elk geval voor beide groepen (Ez 36:2323Ik zal Mijn grote Naam heiligen, die onder de heidenvolken ontheiligd is, die u in hun midden ontheiligd hebt. Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, spreekt de Heere HEERE, als Ik in u voor hun ogen geheiligd word.).


Lees verder