Jeremia
1 Geen gebed voor Juda 2-9 De straf vastgesteld 10-11 De klacht van Jeremia 12-14 Het onvermijdelijke oordeel 15-18 Jeremia twijfelt aan de HEERE 19-21 Berisping van God en bemoediging
Geen gebed voor Juda

1De HEERE zei tegen mij: Al stond Mozes of Samuel voor Mijn aangezicht, dan [nog] zou Mijn ziel niet met dit volk van doen willen hebben. Stuur [hen] van voor Mijn aangezicht weg, laten zij weggaan!

Hier komt het antwoord van de HEERE op de vorige ‘waaromvraag’ (Jr 14:1919Hebt U Juda dan helemaal verworpen,
of walgt Uw ziel van Sion?
Waarom hebt U ons [zo] geslagen dat er geen genezing voor ons [meer mogelijk] is?
Wij zien uit naar vrede, maar er is niets goeds,
naar een tijd van genezing, maar zie, er is verschrikking.
)
. Het is weer een hard antwoord (vers 11De HEERE zei tegen mij: Al stond Mozes of Samuel voor Mijn aangezicht, dan [nog] zou Mijn ziel niet met dit volk van doen willen hebben. Stuur [hen] van voor Mijn aangezicht weg, laten zij weggaan!). Het gebed van een rechtvaardige vermag veel, maar in dit geval zal voorbede van de meest invloedrijke Godsmannen, mannen van gebed, niet baten voor een volk dat zozeer van de HEERE is afgeweken. Mozes (Ex 32:6,11-146Zij stonden de volgende dag vroeg op, brachten brandoffers en brachten [ook] dankoffers. Het volk ging daarna zitten om te eten en te drinken; vervolgens stonden zij op om uitbundig feest te vieren.11Maar Mozes trachtte het aangezicht van de HEERE, zijn God, gunstig te stemmen, en zei: HEERE, waarom zou Uw toorn ontbranden tegen Uw volk, dat U met grote kracht en sterke hand uit het land Egypte geleid hebt?12Waarom zouden de Egyptenaren zeggen: Met kwade [bedoelingen] heeft Hij hen uitgeleid, om hen in de bergen te doden en hen van de aardbodem te vernietigen? Laat Uw brandende toorn varen, en heb berouw over het kwaad voor Uw volk.13Denk aan Abraham, aan Izak en aan Israël, Uw dienaren, aan wie U bij Uzelf hebt gezworen en tot hen gesproken hebt: Ik zal uw nageslacht talrijk maken als de sterren aan de hemel, en dit hele land waarover Ik gesproken heb, zal Ik aan uw nageslacht geven, zodat zij het voor eeuwig in erfbezit nemen.14Toen kreeg de HEERE berouw over het kwaad dat Hij gesproken had Zijn volk te zullen aandoen.) en Samuel (1Sm 7:99Toen nam Samuel een melklammetje en offerde het in zijn geheel als brandoffer voor de HEERE. Samuel riep tot de HEERE voor Israël en de HEERE verhoorde hem.; 12:2323En wat mij betreft, er is bij mij geen sprake van dat ik tegen de HEERE zou zondigen door op te houden voor u te bidden; maar ik zal u de goede en juiste weg leren.) hebben beiden bij God gepleit voor het volk en Hij heeft hun gebeden verhoord (Ps 99:6-86Mozes en Aäron waren onder Zijn priesters,
Samuel onder wie Zijn Naam aanriepen;
zij riepen tot de HEERE
en Híj verhoorde hen.
7Hij sprak tot hen in een wolkkolom;
zij hebben Zijn getuigenissen in acht genomen
en de verordeningen [die] Hij hun had gegeven.
8HEERE, onze God, Ú hebt hen verhoord;
U bent voor hen een vergevend God geweest,
hoewel U wraak oefende over hun daden.
)
. Maar met een dergelijk volk zoals het nu is, kan Hij niet van doen hebben.

De HEERE zegt tegen Jeremia dat hij, in plaats van voor hen te bidden dat Hij hen zal aannemen, hen moet wegsturen van voor Zijn aangezicht. In plaats van hen in gebed voor Gods aangezicht te brengen wil Hij hen niet meer zien, ze moeten weggaan. Als God iemand niet meer wil zien, is dat een vreselijk oordeel. Zo iemand wordt overgegeven aan de dood.


De straf vastgesteld

2En het zal gebeuren, wanneer zij tegen u zeggen: Waar moeten wij naartoe gaan? dat u tegen hen moet zeggen: Zo zegt de HEERE:
Wie [bestemd is] voor de dood, naar de dood;
wie [bestemd is] voor het zwaard, naar het zwaard;
wie [bestemd is] voor de honger, naar de honger;
en wie [bestemd is] voor de gevangenis, naar de gevangenis.
3Ik zal hen [op] vier manieren straffen, spreekt de HEERE: [door] het zwaard om [hen] te doden, [door] de honden om [hen] weg te slepen, [door] de vogels in de lucht en de dieren op de aarde om [hen] te verslinden en te gronde te richten. 4Ik zal hen stellen tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken van de aarde, vanwege Manasse, de zoon van Hizkia, de koning van Juda, om wat hij in Jeruzalem gedaan heeft.
5Want wie heeft medelijden met u, Jeruzalem?
Wie betuigt u zijn medeleven,
wie zal [van de weg] afgaan om te vragen
naar uw welstand?
6Ú hebt Mij verlaten,
spreekt de HEERE,
u ging achterwaarts.
Daarom strek Ik Mijn hand tegen u uit, Ik richt u te gronde,
Ik ben het berouw hebben moe.
7Ik zal hen wannen met een wan
in de poorten van het land.
Ik heb Mijn volk van kinderen beroofd, [het] doen ondergaan.
Zij zijn van hun wegen niet teruggekeerd.
8Hun weduwen zullen voor Mij talrijker zijn
dan het zand van de zeeën.
Ik laat over hen, over de moeder,
een jongeman komen, een verwoester, midden op de dag.
Plotseling laat Ik op hen vallen
angst en verschrikkingen.
9Zij die er zeven baarde, verkommert,
zij blaast haar [laatste] adem uit.
Haar zon gaat onder als het nog dag is,
zij schaamt zich en wordt rood van schaamte.
Wat van hen nog overblijft, zal Ik overgeven aan het zwaard
voor het oog van hun vijanden,
spreekt de HEERE.

De HEERE bereidt Jeremia erop voor dat hij de vraag van het volk zal krijgen waar ze heen moeten gaan (vers 22En het zal gebeuren, wanneer zij tegen u zeggen: Waar moeten wij naartoe gaan? dat u tegen hen moet zeggen: Zo zegt de HEERE:
Wie [bestemd is] voor de dood, naar de dood;
wie [bestemd is] voor het zwaard, naar het zwaard;
wie [bestemd is] voor de honger, naar de honger;
en wie [bestemd is] voor de gevangenis, naar de gevangenis.
)
. Die vraag staat in nauw verband met vers 11De HEERE zei tegen mij: Al stond Mozes of Samuel voor Mijn aangezicht, dan [nog] zou Mijn ziel niet met dit volk van doen willen hebben. Stuur [hen] van voor Mijn aangezicht weg, laten zij weggaan! waar de HEERE heeft gezegd dat ze niet bij Hem terecht kunnen en dat Hij hen niet meer wil zien. Het antwoord dat Jeremia moet geven, is niet dat ze zelf kunnen bepalen waar ze heen zullen gaan, maar dat ze op weg zijn naar hun zelf gekozen bestemming: naar de dood, waarmee mogelijk de pest wordt bedoeld, het zwaard, de honger en de gevangenis.

In vers 33Ik zal hen [op] vier manieren straffen, spreekt de HEERE: [door] het zwaard om [hen] te doden, [door] de honden om [hen] weg te slepen, [door] de vogels in de lucht en de dieren op de aarde om [hen] te verslinden en te gronde te richten. zegt de HEERE welke middelen Hij zal gebruiken om hen te straffen. Het zwaard zal de dood veroorzaken. De doden zullen geen eervolle begrafenis krijgen, maar de lijken zullen door de honden worden weggesleept terwijl ze die verscheuren en door de aasvogels en de wilde dieren worden verslonden. Het is de grootst denkbare vernedering voor een Jood als zijn dode lichaam niet wordt begraven en dan ook nog voedsel voor dieren wordt.

Dat zal hen tot een schrikbeeld maken voor alle koninkrijken van de aarde. De straffen komen vanwege Manasse, om wat hij in Jeruzalem heeft gedaan (vers 44Ik zal hen stellen tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken van de aarde, vanwege Manasse, de zoon van Hizkia, de koning van Juda, om wat hij in Jeruzalem gedaan heeft.
; 2Kn 21:1-161Manasse was twaalf jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde vijfenvijftig jaar in Jeruzalem. De naam van zijn moeder was Hefziba.2Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, overeenkomstig de gruweldaden van de heidenvolken die de HEERE van voor [de ogen van] de Israëlieten verdreven had.3Hij herbouwde de offerhoogten die Hizkia, zijn vader, vernield had; hij richtte altaren op voor de Baäl, maakte een gewijde paal zoals Achab, de koning van Israël, gemaakt had, en boog zich neer voor heel het leger aan de hemel en diende het.4Verder bouwde hij altaren in het huis van de HEERE, waarvan de HEERE gezegd had: In Jeruzalem zal Ik Mijn Naam vestigen.5Verder bouwde hij altaren voor heel het leger aan de hemel in beide voorhoven van het huis van de HEERE.6Hij liet zijn zoon door het vuur gaan, duidde wolken en deed aan wichelarij. Ook stelde hij dodenbezweerders en waarzeggers aan. Hij deed zeer veel kwaad in de ogen van de HEERE, om [Hem] tot toorn te verwekken.7Hij zette ook een beeld van Asjera dat hij gemaakt had, in het huis waarvan de HEERE gezegd had tegen David en zijn zoon Salomo: In dit huis en in Jeruzalem, dat Ik uit alle stammen van Israël verkozen heb, zal Ik voor eeuwig Mijn Naam vestigen.8Ik zal de voet van Israël nooit meer doen wijken uit dit land, dat Ik hun vaderen gegeven heb, alleen als zij nauwlettend doen overeenkomstig alles wat Ik hun geboden heb en overeenkomstig de hele wet die Mijn dienaar Mozes hun geboden heeft.9Maar zij luisterden niet, want Manasse deed hen dwalen, zodat zij erger deden dan de heidenvolken die de HEERE van voor [de ogen van] de Israëlieten weggevaagd had.10Toen sprak de HEERE door de dienst van Zijn dienaren, de profeten:11Omdat Manasse, de koning van Juda, deze gruweldaden gedaan heeft, erger dan al wat de Amorieten gedaan hebben, die er vóór hem geweest zijn, ja, ook Juda door zijn stinkgoden heeft doen zondigen –12daarom, zo zegt de HEERE, de God van Israël: Zie, Ik ga onheil over Jeruzalem en Juda brengen, zodat bij ieder die het hoort, zijn beide oren zullen tuiten.13Ik zal over Jeruzalem het meetlint van Samaria uitstrekken en het paslood van het huis van Achab. Ik zal Jeruzalem schoonvegen zoals men een schotel schoonveegt: men veegt hem schoon en keert hem ondersteboven.14Ik zal het overblijfsel van Mijn eigendom verlaten en hen in de hand van hun vijanden geven. Zij zullen tot plundering en tot buit worden voor al hun vijanden,15omdat zij gedaan hebben wat slecht was in Mijn ogen en Mij tot toorn verwekt hebben, vanaf de dag dat hun vaderen uit Egypte gegaan zijn, tot op deze dag.16Bovendien vergoot Manasse heel veel onschuldig bloed, totdat hij Jeruzalem [daarmee] vervuld had, van het ene einde tot het andere einde, afgezien van zijn [andere] zonde, waarmee hij Juda deed zondigen, door te doen wat slecht was in de ogen van de HEERE.; 2Kr 33:1-111Manasse was twaalf jaar oud toen hij koning werd, en hij regeerde vijfenvijftig jaar in Jeruzalem.2Hij deed wat slecht was in de ogen van de HEERE, overeenkomstig de gruweldaden van de heidenvolken die de HEERE van voor [de ogen van] de Israëlieten verdreven had.3Hij herbouwde de [offer]hoogten die Hizkia, zijn vader, afgebroken had; hij richtte altaren op voor de Baäls, maakte gewijde palen, en boog zich neer voor heel het leger aan de hemel, en diende het.4Verder bouwde hij altaren in het huis van de HEERE, waarvan de HEERE gezegd had: In Jeruzalem zal Mijn Naam voor eeuwig zijn.5Verder bouwde hij altaren voor heel het leger aan de hemel in beide voorhoven van het huis van de HEERE.6Hij was het die zijn zonen door het vuur liet gaan in het dal Ben-Hinnom, hij duidde wolken, deed aan wichelarij, deed aan toverij, en stelde dodenbezweerders en waarzeggers aan. Hij deed zeer veel slechts in de ogen van de HEERE, om Hem tot toorn te verwekken.7Hij zette ook een gesneden afgodsbeeld dat hij gemaakt had, in het huis van God, waarvan God tegen David en zijn zoon Salomo gezegd had: In dit huis en in Jeruzalem, dat Ik uit alle stammen van Israël verkozen heb, zal Ik voor eeuwig Mijn Naam vestigen.8Ik zal de voet van Israël nooit meer doen wijken uit dit land dat Ik voor hun vaderen bestemd heb, maar alleen als zij alles nauwlettend in acht nemen wat Ik hun geboden heb, overeenkomstig de hele wet, de verordeningen en de bepalingen door de hand van Mozes.9Manasse liet Juda en de inwoners van Jeruzalem dwalen, zodat zij erger deden dan de heidenvolken die de HEERE van voor [de ogen van] de Israëlieten weggevaagd had.10De HEERE sprak wel tot Manasse en tot zijn volk, maar zij sloegen er geen acht op.11Daarom bracht de HEERE over hen de bevelhebbers van het leger die de koning van Assyrië had. Zij namen Manasse met haken gevangen, bonden hem met twee bronzen ketenen en brachten hem naar Babel.)
. Manasse heeft niet alleen alle hervormingen van zijn Godvrezende vader Hizkia tenietgedaan, maar hij heeft bewust de afgodendienst en demonenverering ingevoerd om de HEERE te tarten. Dat Manasse hier nadrukkelijk “de zoon van Hizkia” wordt genoemd, is vanwege het contrast tussen een zo Godvrezende vader en een zo goddeloze zoon. Het optreden van Manasse heeft geruime tijd geleden plaatsgevonden. Als een zonde echter niet goed is beleden en weggedaan, blijven de gevolgen aanwezig. De HEERE wijst altijd op de oorsprong van de zonde en het oordeel.

In vers 55Want wie heeft medelijden met u, Jeruzalem?
Wie betuigt u zijn medeleven,
wie zal [van de weg] afgaan om te vragen
naar uw welstand?
worden drie vragen aan Jeruzalem gesteld. De vragen gaan erover wie medelijden met hen heeft, wie hun medeleven betuigt en wie naar hun welstand vraagt. Het antwoord ligt in de vraag opgesloten. Er zal niemand zijn die medelijden heeft of medeleven betuigt of vraagt naar hun welstand. De troost die gelegen is in het medelijden van anderen, zal er voor Jeruzalem niet zijn. Niemand zal de moeite nemen even van zijn weg af te wijken om te vragen hoe het met haar gaat.

Ze hebben dat aan zichzelf te wijten, want zíj hebben de HEERE verlaten, de Enige Die steeds medelijden met hen heeft gehad en naar hen heeft omgezien (vers 66Ú hebt Mij verlaten,
spreekt de HEERE,
u ging achterwaarts.
Daarom strek Ik Mijn hand tegen u uit, Ik richt u te gronde,
Ik ben het berouw hebben moe.
)
. Maar Zijn zorg hebben ze niet gewild en ze zijn achterwaarts gegaan. Daarom is de hand van de HEERE in oordeel tegen hen uitgestrekt om hen te gronde te richten. Het is over en uit met Zijn berouw over het kwaad dat Hij hen zal aandoen. Hij heeft het nu al zo vaak en zo lang uitgesteld, maar nu moet het toch komen. Hij is “het berouw hebben moe”.

De HEERE zal door de wan de goddelozen van Zijn volk in de poorten van het land, waar rechtgesproken wordt, oordelen (vers 77Ik zal hen wannen met een wan
in de poorten van het land.
Ik heb Mijn volk van kinderen beroofd, [het] doen ondergaan.
Zij zijn van hun wegen niet teruggekeerd.
)
. Met de wan wordt het kaf van het koren gescheiden. Het kaf zijn de goddelozen. Zij worden door de wan van het oordeel weggeblazen (Mt 3:1212Zijn wan is in Zijn hand en Hij zal Zijn dorsvloer door en door zuiveren en Zijn tarwe in de schuur samenbrengen, maar het kaf met onuitblusbaar vuur verbranden.). Daardoor zal Hij Zijn volk van kinderen beroven en daarmee het voortbestaan van het goddeloze volk onmogelijk maken. Nog eens wordt de reden gegeven, namelijk dat zij doorgaan op hun zondige wegen en er niet van tot Hem zijn teruggekeerd.

Ook zal er een groot aantal weduwen zijn, wat betekent dat veel mannen zullen sterven (vers 88Hun weduwen zullen voor Mij talrijker zijn
dan het zand van de zeeën.
Ik laat over hen, over de moeder,
een jongeman komen, een verwoester, midden op de dag.
Plotseling laat Ik op hen vallen
angst en verschrikkingen.
; vgl. 2Kr 28:66Pekah, de zoon van Remalia, doodde in Juda op één dag honderdtwintigduizend [man], allen dappere mannen, omdat zij de HEERE, de God van hun vaderen, verlaten hadden.)
. De HEERE brengt het oordeel over “de moeder”, dat is het volk, door “een jongeman”, dat is de jonge macht Babel. Tegelijk zegt de HEERE dat Hij Zelf het volk zal overvallen. Wat Babel doet, is niets anders dan Zijn wil uitvoeren. De plotselinge schrik die het volk overvalt als de vijand komt, wordt door Hem veroorzaakt.

De vruchtbare vrouw die er zeven baarde, stelt Israël voor onder de volkomen zegen van de HEERE (Dt 28:4a4Gezegend zal zijn de vrucht van uw schoot, de vrucht van uw land en de vrucht van uw vee, de dracht van uw koeien en de jongen van uw kleinvee.). Van die vruchtbaarheid is door hun ongehoorzaamheid niets over (Dt 28:18a18Vervloekt zal zijn de vrucht van uw schoot en de vrucht van uw land, de dracht van uw koeien en de jongen van uw kleinvee.). De vrouw, het volk, verkommert, kwijnt weg en zal haar laatste adem uitblazen (vers 99Zij die er zeven baarde, verkommert,
zij blaast haar [laatste] adem uit.
Haar zon gaat onder als het nog dag is,
zij schaamt zich en wordt rood van schaamte.
Wat van hen nog overblijft, zal Ik overgeven aan het zwaard
voor het oog van hun vijanden,
spreekt de HEERE.
)
. Terwijl de zon nog schijnt, de zon van Gods goedertierenheid, wordt het voor haar toch nacht vanwege haar zonden. Wat er nog aan mensen en goederen over is, wordt door de vijanden weggenomen.


De klacht van Jeremia

10Wee mij, mijn moeder, dat u mij gebaard hebt,
een man van onenigheid en een man van ruzie voor heel het land.
Ik heb niets uitgeleend en men heeft mij niets uitgeleend,
[toch] vervloekt ieder van hen mij.
11De HEERE zei: Voorwaar, [Ik zweer] dat Ik ten goede voor u heb gezorgd!
Voorwaar, [Ik zweer] dat Ik tegen de vijand voor u ben opgekomen,
in een tijd van onheil en in een tijd van benauwdheid!

De aankondiging van het niets sparende oordeel grijpt Jeremia opnieuw aan (vers 1010Wee mij, mijn moeder, dat u mij gebaard hebt,
een man van onenigheid en een man van ruzie voor heel het land.
Ik heb niets uitgeleend en men heeft mij niets uitgeleend,
[toch] vervloekt ieder van hen mij.
)
. Hij richt zich hierbij tot zijn moeder en spreekt er het wee over uit dat zij hem gebaard heeft (Jr 20:1414Vervloekt is de dag
waarop ik geboren ben.
De dag waarop mijn moeder mij gebaard heeft,
laat die niet gezegend zijn.
; vgl. Jb 3:3-103Laat de dag vergaan waarop ik geboren ben,
en de nacht [waarin] men zei: Er is een jongetje ontvangen.
4Laat die dag duisternis zijn;
laat God er vanuit de hoogte niet naar vragen,
en laat er geen lichtglans over schijnen.
5Laat de duisternis en de schaduw van de dood hem opeisen,
laat wolken hem overdekken,
laat verduisteringen van de dag hem angst aanjagen!
6Die nacht – laat donkerheid hem wegnemen,
laat hij zich niet verheugen onder de dagen van het jaar,
laat hij in het getal van de maanden niet komen!
7Zie, laat die nacht onvruchtbaar zijn,
laat geen vrolijk gezang erin voorkomen.
8Laten zij die de dag verwensen, hem vervloeken,
die klaar staan om de Leviathan te wekken.
9Laat de sterren van zijn schemering verduisterd worden,
laat hij wachten op het licht, maar laat het er niet zijn.
Laat hij de oogleden van de dageraad niet zien.
10Hij heeft immers de deuren van mijn buik niet gesloten,
en de moeite [niet] voor mijn ogen verborgen.
)
. Het wee betreft niet zijn moeder, maar zijn geboorte en daardoor de HEERE. Hij heeft haar een andere soort zoon gegund dan de zoon die hij is. Ze heeft geen plezier aan hem kunnen beleven, want zijn hele leven is een kwelling.

Zijn klacht betreft niet wat er over het land zal komen, maar wat er over hemzelf heen komt. Omdat niemand het met hem eens is en ieder zich tegen zijn prediking verzet, gaat hij twijfelen aan de zin van zijn leven en dienst. Hij ziet dat de mensen hem haten vanwege zijn oordeelsaanzeggingen. Overal waar hij komt en predikt, wordt wat hij zegt aanleiding tot verdeeldheid en ruzie. Ook wij kunnen ons soms de oorzaak van ruzie en onenigheid voelen. Wat een troost dat de Heer het dan, als we goed staan, voor ons opneemt.

De aanleiding is niet zijn gedrag met betrekking tot hebzucht, want daarop is niets aan te merken. Hij heeft bijvoorbeeld niet iets uitgeleend of iets van iemand geleend, wat een oorzaak van onenigheid en scheve verhoudingen zou kunnen zijn (Sp 22:77Een rijke heerst over armen,
en wie leent, wordt slaaf van de uitlener.
; Ne 5:1-131Er ontstond een luid geroep van het volk en van hun vrouwen tegen hun broeders, de Joden.2Er waren er die zeiden: Onze zonen, onze dochters [en] wijzelf zijn met velen. Dus moeten we aan graan zien te komen, zodat wij kunnen eten en in leven blijven.3Ook waren er die zeiden: Wij staan op het punt onze velden, onze wijngaarden en onze huizen tot onderpand te geven, zodat wij aan graan kunnen komen tegen de honger.4Verder waren er die zeiden: Wij hebben geld geleend voor de belasting aan de koning, [op] onze velden en onze wijngaarden.5Welnu, zoals het vlees van onze broeders is [ook] ons vlees; zoals hun zonen zijn [ook] onze zonen. En zie: wij staan op het punt onze zonen en onze dochters aan de slavernij te onderwerpen en er zijn er van onze dochters die [al aan de slavernij] zijn onderworpen, en dat buiten onze macht, en onze velden en onze wijngaarden [behoren] aan anderen toe.6Ik ontstak [in] hevige [woede] toen ik hun geroep en deze dingen hoorde.7Ik ging bij mijzelf te rade en ik riep de edelen en de machthebbers ter verantwoording en zei tegen hen: U leent geld uit tegen rente, ieder aan zijn broeder! Vervolgens belegde ik een grote vergadering tegen hen.8Ik zei tegen hen: Wíj hebben onze broeders, de Joden, die aan de heidenvolken verkocht waren, teruggekocht zoveel als in ons vermogen lag; gaat ú nu weer uw broeders verkopen zodat ze weer aan ons zouden worden verkocht? Toen zwegen zij en vonden geen antwoord.9En ik zei: Wat u doet, is niet goed. Moet u niet wandelen in de vreze van onze God vanwege de smaad van de heidenvolken, onze vijanden?10Lenen ook ik, mijn broers en mijn knechten geld en graan aan hen [tegen rente]? Laten we toch deze rente achterwege laten.11Geef hun toch vandaag nog hun velden, hun wijngaarden, hun olijfbomen en hun huizen terug, en [ook] het honderdste [deel] van het geld en het graan, de nieuwe wijn en olie, die u hun leent.12Toen zeiden ze: Wij zullen [het] teruggeven en wij zullen niets [meer] van hen eisen. Zo zullen we doen, zoals u [het] zegt. Toen riep ik de priesters en ik liet hen zweren om dienovereenkomstig te handelen.13Ook schudde ik de plooi [van] mijn [mantel] uit en ik zei: Zo moge God elke man die dit woord niet gestand zal doen, uitschudden uit zijn huis en uit zijn arbeid, en zo moge hij uitgeschud en leeg zijn. En de hele gemeente zei: Amen! En zij prezen de HEERE en het volk handelde dienovereenkomstig.)
.

In Zijn antwoord op de klacht herinnert de HEERE Jeremia er met een krachtig “voorwaar” aan dat Hij ten goede voor hem heeft gezorgd (vers 1111De HEERE zei: Voorwaar, [Ik zweer] dat Ik ten goede voor u heb gezorgd!
Voorwaar, [Ik zweer] dat Ik tegen de vijand voor u ben opgekomen,
in een tijd van onheil en in een tijd van benauwdheid!
)
. Hij is voor hem opgekomen tegen zijn vijanden, hoe die vijanden zich ook roerden. In elke tijd van onheil en elke tijd van benauwdheid is de HEERE er voor hem geweest. Dat Jeremia tegenstand zou ontmoeten, heeft Hij hem al gezegd toen Hij hem riep (Jr 1:19a19Zij zullen tegen u strijden, maar zij zullen niet tegen u op kunnen,
want Ik ben met u, spreekt de HEERE, om u te redden.
)
. Hij heeft ook beloofd dat Hij met hem zou zijn (Jr 1:19b19Zij zullen tegen u strijden, maar zij zullen niet tegen u op kunnen,
want Ik ben met u, spreekt de HEERE, om u te redden.
)
. Zo bemoedigt de HEERE hem.


Het onvermijdelijke oordeel

12Kan ijzer [soms] breken,
ijzer uit het noorden, of brons?
13Uw vermogen en uw schatten
zal Ik als buit geven,
zonder prijs, vanwege al uw zonden,
en in heel uw gebied.
14Ik zal [u] met uw vijanden overbrengen
naar een land [dat] u niet kent,
want een vuur is aangestoken in Mijn toorn,
het zal tegen u branden.

Het oordeel komt uit het noorden (vers 1212Kan ijzer [soms] breken,
ijzer uit het noorden, of brons?
)
. Zoals ijzer en brons niet met blote handen te breken zijn, zo zullen de mensen in Juda niet in staat zijn de macht van het Babylonische leger te breken. Alle rijkdom en het hele gebied zullen aan de vijand als buit worden gegeven, zonder dat ze er iets voor hoeven te betalen (vers 1313Uw vermogen en uw schatten
zal Ik als buit geven,
zonder prijs, vanwege al uw zonden,
en in heel uw gebied.
)
. Dat is het gevolg van hun zonden. De bewoners zullen worden weggevoerd naar een onbekend land (vers 1414Ik zal [u] met uw vijanden overbrengen
naar een land [dat] u niet kent,
want een vuur is aangestoken in Mijn toorn,
het zal tegen u branden.
)
. Dit oordeelsvuur dat tegen hen zal branden, is door de toorn van de HEERE aangestoken.


Jeremia twijfelt aan de HEERE

15U, HEERE, U kent [mijn onschuld],
denk aan mij en zie naar mij om,
wreek mij op mijn vervolgers.
Neem mij in Uw geduld niet weg,
weet dat ik omwille van U smaad draag.
16[Zodra] Uw woorden gevonden werden, at ik ze op.
Uw woord was mij tot vreugde
en tot blijdschap in mijn hart,
want Uw Naam is over mij uitgeroepen,
HEERE, God van de legermachten.
17Ik heb niet gezeten in een kring van spotters,
of sprong [daar] op van vreugde.
Vanwege Uw hand zat ik alleen,
want U hebt mij [met] gramschap vervuld.
18Waarom is mijn lijden er voor altijd,
en is mijn wond ongeneeslijk, weigert hij te genezen?
Bent U nu echt voor mij als een onbetrouwbare [beek],
water [dat] niet betrouwbaar is?

Jeremia richt zich opnieuw tot de HEERE (vers 1515U, HEERE, U kent [mijn onschuld],
denk aan mij en zie naar mij om,
wreek mij op mijn vervolgers.
Neem mij in Uw geduld niet weg,
weet dat ik omwille van U smaad draag.
)
. Het wordt hem allemaal te veel. Hij vraagt de HEERE om aan hem te denken en naar hem om te zien. Hij kent toch zijn onschuld? Waarom moet hij dan zo lijden? Jeremia roept de HEERE op hem te wreken op zijn vervolgers, de mensen die hem het leven zo moeilijk maken. Laat de HEERE toch geduld met hem hebben, want omwille van Hem draagt hij smaad. Jeremia stort zijn hart uit voor de HEERE. Hij is gewend aan Zijn tegenwoordigheid en spreekt vertrouwelijk met Hem over zijn nood.

De woorden van de HEERE zijn hem tot voedsel (vers 1616[Zodra] Uw woorden gevonden werden, at ik ze op.
Uw woord was mij tot vreugde
en tot blijdschap in mijn hart,
want Uw Naam is over mij uitgeroepen,
HEERE, God van de legermachten.
)
. Zodra hij ze had gevonden – wat wil zeggen dat zijn hart ernaar uitging – en gehoord, heeft hij ze opgegeten, ze intens in zich opgenomen, in tegenstelling tot het volk dat Gods woorden heeft verworpen (Jr 8:9b9De wijzen zullen beschaamd staan,
ontsteld zijn en gevangen worden.
Zie, zij hebben het woord van de HEERE verworpen,
wat voor wijsheid zouden zij dan hebben?
)
. We kunnen ook denken aan de vondst van Gods Woord in de tempel tijdens de regering van Josia (2Kn 22:1313Ga de HEERE raadplegen, voor mij, voor het volk en voor heel Juda, over de woorden van deze boek[rol] die gevonden is. Want de grimmigheid van de HEERE die tegen ons is ontstoken, is groot, omdat onze vaderen niet geluisterd hebben naar de woorden van deze boek[rol] en niet gehandeld hebben overeenkomstig alles wat voor ons geschreven is.; 23:22De koning ging naar het huis van de HEERE, en met hem iedere man uit Juda en alle inwoners van Jeruzalem, de priesters, de profeten en heel het volk, van de kleinste tot de grootste. En hij las ten aanhoren van hen al de woorden van het boek van het verbond dat in het huis van de HEERE gevonden was.).

Het eten van de woorden van God symboliseert het zich vereenzelvigen met de geopenbaarde waarheid van het Woord van God (Ez 3:1-31Daarna zei Hij tegen mij: Mensenkind, eet wat u aantreft. Eet deze rol op, ga, spreek tot het huis van Israël.2Toen deed ik mijn mond open en Hij gaf mij die rol te eten.3Hij zei tegen mij: Mensenkind, geef uw buik te eten, vul uw binnenste met deze rol, die Ik u geef. Toen at ik en hij werd in mijn mond als honing zo zoet.; 2:8-108Maar u, mensenkind, luister naar wat Ik tot u spreek. Wees niet opstandig, zoals dit opstandige huis. Doe uw mond open en eet wat Ik u geef.9Toen zag ik, en zie, er was een hand naar mij uitgestoken. En zie, daarin was een boekrol.10En Hij spreidde die voor mijn gezicht uit: hij was vanvoren en vanachteren beschreven. Er waren klaagliederen, zuchten en weeklachten op geschreven.; Op 10:99En ik ging naar de Engel en zei tegen Hem mij het boekje te geven. En Hij zei tegen mij: Neem het en eet het op, en het zal uw buik bitter maken, maar in uw mond zal het zoet zijn als honing.). Jeremia is op en top profeet. Zijn grootste vreugde vindt hij in het Woord van God. Dat is zijn eten en drinken (vgl. Jh 4:3434Jezus zei tot hen: Mijn voedsel is, dat Ik de wil doe van Hem Die Mij heeft gezonden en Zijn werk volbreng.). Als hij Gods woorden hoort, wordt hij daar helemaal blij van in zijn hart. Hij luistert graag naar die woorden (Ps 19:1111Zij zijn begerenswaardiger dan goud,
ja, dan veel zuiver goud;
en zoeter dan honing
en honingzeem uit de raat.
; 119:103,111103Hoe zoet zijn Uw woorden voor mijn gehemelte,
[zoeter] dan honing voor mijn mond.
111Uw getuigenissen heb ik voor eeuwig in erfelijk bezit genomen,
want zij zijn de vreugde van mijn hart.
)
, want ze komen uit de mond van Hem Die Zijn Naam over hem heeft uitgeroepen (Jr 14:99Waarom zou U zijn als een radeloze man,
als een held [die] niet verlossen kan?
U bent toch in ons midden, HEERE,
en wij zijn naar Uw Naam genoemd,
verlaat ons niet.
)
. Hij is de God van de legermachten, de Almachtige, ook voor Jeremia.

Als een grote tegenstelling tot de grote vreugde die hij in het Woord vindt, zegt hij dat hij niet in de kring van de spotters heeft gezeten (vers 1717Ik heb niet gezeten in een kring van spotters,
of sprong [daar] op van vreugde.
Vanwege Uw hand zat ik alleen,
want U hebt mij [met] gramschap vervuld.
; Ps 1:1-31Welzalig de man
die niet wandelt in de raad van de goddelozen,
die niet staat op de weg van de zondaars,
die niet zit op de zetel van de spotters,
2maar die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE
en Zijn wet dag en nacht overdenkt.3Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken,
die zijn vrucht geeft op zijn tijd,
waarvan het blad niet afvalt;
al wat hij doet, zal goed gelukken.
)
. Hij heeft niet meegedaan met het platte plezier van mensen die met Gods Woord spotten. Hij heeft alleen gezeten, niet om in zijn eentje plezier te maken, maar omdat hij de hand van de HEERE zwaar op zich heeft voelen drukken en Zijn gramschap hem van binnen heeft gevuld.

Hij heeft ook niet in de gezindheid van de farizeeër zich in hoogmoed afgescheiden. Dat blijkt wel uit de vraag die hem kwelt waarom – de vierde ‘waaromvraag’ (Jr 12:11HEERE, U zou rechtvaardig blijken,
wanneer ik met U een rechtszaak zou voeren.
Toch wil ik met U [over Uw] oordelen spreken.
Waarom is de weg van de goddelozen voorspoedig,
[waarom] hebben rust, allen die in ontrouw trouweloos handelen?
; 14:9,199Waarom zou U zijn als een radeloze man,
als een held [die] niet verlossen kan?
U bent toch in ons midden, HEERE,
en wij zijn naar Uw Naam genoemd,
verlaat ons niet.19Hebt U Juda dan helemaal verworpen,
of walgt Uw ziel van Sion?
Waarom hebt U ons [zo] geslagen dat er geen genezing voor ons [meer mogelijk] is?
Wij zien uit naar vrede, maar er is niets goeds,
naar een tijd van genezing, maar zie, er is verschrikking.
)
– hij altijd maar moet lijden, waarom er geen genezing komt (vers 1818Waarom is mijn lijden er voor altijd,
en is mijn wond ongeneeslijk, weigert hij te genezen?
Bent U nu echt voor mij als een onbetrouwbare [beek],
water [dat] niet betrouwbaar is?
)
. Is zijn roepen tot Hem dan tevergeefs? Luistert Hij niet? Is Hij dan toch een bedrieger, dat Hij wel belooft dat Hij er voor hem is en hem helpt, maar niet doet wat Hij zegt (vgl. Jb 6:1515Mijn broeders hebben trouweloos gehandeld, als een beek;
zij gaan voorbij als stromende beken,
)
?

Deze ‘waaromvraag’ is eigenlijk geen vraag, maar een aanklacht. Jeremia verwijt de HEERE dat Hij als een onbetrouwbare beek voor hem is, een beek die verkwikking belooft, maar niet geeft. Dit zijn de ‘waaromvragen’ van Job. Ook Mozes, Jozua en Habakuk hebben tot de HEERE hun twijfels over Zijn wegen uitgesproken, evenals de discipelen van de Heer (Nm 11:1111En Mozes zei tegen de HEERE: Waarom hebt U Uw dienaar kwaad gedaan en waarom heb ik geen genade gevonden in Uw ogen, dat U de last van heel dit volk op mij legt?; Jz 7:77En Jozua zei: Ach, Heere HEERE, waarom hebt U dit volk de Jordaan [toch] laten oversteken, om ons in de hand van de Amorieten te geven, om ons te vernietigen? Hadden wij maar besloten aan de overzijde van de Jordaan te blijven!; Hk 1:2-32HEERE, hoelang roep ik om hulp en luistert U niet,
roep ik tot U: Geweld! en verlost U niet?3Waarom doet U mij onrecht zien en aanschouwt U de moeite?
Ja, verwoesting en geweld zijn tegenover mij,
er ontstaat onenigheid, ruzie verheft zich.
; Mk 4:3838En Hij lag in het achterschip op het kussen te slapen; en zij wekten Hem en zeiden tot Hem: Meester, bekommert U Zich er niet om dat wij vergaan?)
.


Berisping van God en bemoediging

19Daarom, zo zegt de HEERE:
Als u terugkeert, laat Ik u terugkeren,
u zult voor Mijn aangezicht gaan staan.
Als u wat kostbaar is, afscheidt van wat waardeloos is,
zult u als Mijn mond zijn.
Laten zíj terugkeren naar u,
maar ú mag niet terugkeren naar hen.
20Ik zal u vóór dit volk stellen
als een bronzen vestingmuur.
Ze zullen wel tegen u strijden,
maar u niet aankunnen,
want Ik ben met u,
om u te verlossen en te redden, spreekt de HEERE.
21Ik zal u redden uit de hand van de kwaaddoeners,
Ik zal u verlossen uit de greep van de geweldplegers.

De HEERE antwoordt Jeremia op zijn klacht dat hij moet terugkeren tot Hem als hij zijn vertrouwen in Hem in enige mate is kwijtgeraakt. Jeremia moet zich bekeren. Hier zien we de bekering van iemand die al bekeerd is. Als een gelovige afwijkt van de weg van vertrouwen op de Heer, moet hij zich van zijn dwaalweg bekeren en terugkeren tot de Heer.

Het antwoord van de HEERE is weer een correctie op de houding van Jeremia. Jeremia moet tot inkeer komen, anders kan de HEERE niet met hem verdergaan. Als hij terugkeert, dat wil zeggen ernaar verlangt de HEERE weer te vertrouwen, zal Hij Jeremia tot Zichzelf terug laten keren. Hij zegt hem Zijn hulp toe. Dan zal hij weer voor Zijn aangezicht staan.

In Gods tegenwoordigheid kan Jeremia het kostbare van het waardeloze afscheiden en het juiste besef hebben van goed en kwaad. Met “wat kostbaar is” worden de woorden bedoeld die de HEERE heeft gesproken. Met “wat waardeloos is” worden de woorden bedoeld die hij als zwak mens verwijtend tot de HEERE heeft gesproken. Als hij weer weet wat kostbaar is, zal hij in staat zijn als de mond van de HEERE te zijn.

De toepassing is dat wij altijd het goede van het kwade, het kostbare van het waardeloze moeten scheiden. De satan zal altijd proberen dat te vermengen en hoe is hem dat in de christenheid gelukt. De gelovige kan door de Geest van God weten wat kostbaar is, wat in overeenstemming met Gods Woord is en zich daarmee bezighouden.

Wat het volk betreft, zij moeten zich bij Jeremia voegen en ook voor de HEERE gaan staan. Jeremia mag in geen geval tot het volk terugkeren, dat wil zeggen zich zo uiten en gedragen als zij doen en wat hij zojuist in zijn verwijten heeft gedaan. We moeten Jeremia het maar niet al te zeer kwalijk nemen. Hij is een gekwelde man door alles wat hij om zich heen ziet, terwijl hij ook de totale onwil van het volk waarneemt om ook maar enigszins naar zijn boodschap te luisteren. Het volk is gevoelloos en gaat gewoon door met hun kwalijke praktijken. Daardoor is hij even de weg kwijt en daarom moet hij terug naar de HEERE en Zijn woorden weer gaan spreken.

Eenmaal bij de HEERE, in Zijn tegenwoordigheid en dienst, mag er geen terugkeer zijn naar de ontrouwen en geen aanpassing aan de eigenzinnige verlangens van een volk dat ongehoorzaam is aan Gods Woord. De getrouwen moeten worden opgeroepen zich van dat volk af te zonderen en ook in de tegenwoordigheid van de HEERE te komen. We zien hier ook dat de getrouwe het ontrouwe volk niet veracht, maar in zijn hart de pijn voelt van de positie waarin het ontrouwe volk zich bevindt.

De HEERE herhaalt Zijn toezegging die Hij Jeremia bij zijn roeping heeft gedaan (vers 2020Ik zal u vóór dit volk stellen
als een bronzen vestingmuur.
Ze zullen wel tegen u strijden,
maar u niet aankunnen,
want Ik ben met u,
om u te verlossen en te redden, spreekt de HEERE.
; Jr 1:18-1918Want zie, Ík stel u
heden aan tot een versterkte stad,
tot een ijzeren pilaar en tot bronzen muren,
tegen heel het land,
tegen de koningen van Juda, tegen zijn vorsten,
tegen zijn priesters en tegen de bevolking van het land.
19Zij zullen tegen u strijden, maar zij zullen niet tegen u op kunnen,
want Ik ben met u, spreekt de HEERE, om u te redden.
)
. Hij bemoedigt hem dat Hij hem tot een onneembare vesting zal maken. Elke strijd tegen hem zal zinloos zijn, want de HEERE is met hem, om hem te verlossen en te redden. Hij redt uit de hand van de kwaaddoeners en verlost uit de greep van de geweldplegers (vers 2121Ik zal u redden uit de hand van de kwaaddoeners,
Ik zal u verlossen uit de greep van de geweldplegers.
)
. Alle vijanden van Jeremia zijn machteloos tegenover de HEERE van de legermachten.


Lees verder