Jeremia
1-6 De grote droogte 7-9 De belijdenis van het volk 10-12 Het antwoord van de HEERE in oordeel 13-16 Het oordeel over de valse profeten 17-18 De smart van Jeremia 19-22 Belijdenis en gebed om hulp
De grote droogte

1Het woord van de HEERE dat tot Jeremia gekomen is met betrekking tot de grote droogte.
2Juda treurt,
zijn poorten verkommeren,
ze liggen in het zwart gehuld ter aarde,
en het gejammer van Jeruzalem stijgt omhoog.
3De vooraanstaanden onder hen sturen hun minderen erop uit voor water.
Komen zij bij de regenbakken,
[dan] vinden zij geen water,
met hun lege kruiken keren zij terug.
Zij schamen zich en worden te schande en bedekken hun hoofd.
4Omdat de grond gescheurd is
– er is immers geen regen op het land –
schamen de akkerbouwers zich,
zij bedekken hun hoofd.
5Ja, zelfs een hinde werpt op het veld [haar] jong, en laat [het] in de steek,
omdat er geen gras is.
6De wilde ezels staan op de kale hoogten,
als jakhalzen snakken ze naar adem,
hun ogen bezwijken,
omdat er geen gewas is.

Jeremia 14-15 horen bij elkaar. Ze gaan over een vreselijke droogte. We zien hier weer de persoonlijke uitingen van Jeremia. De HEERE heeft Zijn volk gebracht in een land van overvloedige zegen (Dt 8:77Want de HEERE, uw God, brengt u in een goed land: een land met waterbeken, bronnen en diepe wateren, die ontspringen in het dal en op het gebergte;). Die zegen zouden ze genieten als ze gehoorzaam zouden zijn. Maar ze zijn ongehoorzaam geworden. Dat verklaart de troosteloze aanblik van het land vanwege een grote droogte waarover het woord van de HEERE tot Jeremia komt (vers 11Het woord van de HEERE dat tot Jeremia gekomen is met betrekking tot de grote droogte.
)
. Het land is afhankelijk van de regen van de hemel. Of de regen komt, is weer afhankelijk van hun trouw aan de HEERE (Dt 11:10-1510Want het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen, is niet zoals het land Egypte, waaruit u weggetrokken bent, dat u met uw zaad moest bezaaien en al lopend water moest geven, zoals een groentetuin.11Maar het land waar u naartoe trekt om het in bezit te nemen, is een land met bergen en dalen; het drinkt water door de regen uit de hemel.12[Het is] een land waar de HEERE, uw God, voor zorgt: voortdurend rusten de ogen van de HEERE, uw God, daarop, van het begin van het jaar tot het einde van het jaar.13En het zal gebeuren, wanneer u nauwgezet luistert naar mijn geboden die ik u heden gebied, door de HEERE, uw God, lief te hebben en Hem te dienen met heel uw hart en met heel uw ziel,14dat Ik regen voor uw land zal geven op zijn tijd, vroege regen en late regen, zodat u uw koren, uw nieuwe wijn en uw olie kunt inzamelen.15Ook zal Ik gewas op uw veld geven voor uw dieren; en u zult eten en verzadigd worden.; 28:23-2423Uw hemel, die boven uw hoofd is, zal van brons zijn, en de aarde, die onder u is, zal van ijzer zijn.24De HEERE zal stuifzand en stof geven als regen voor uw land. Uit de hemel zal het op u neerdalen, totdat u weggevaagd bent.; 1Kn 8:35-3635Als de hemel gesloten is en er geen regen komt, omdat zij tegen U gezondigd hebben, en zij op deze plaats bidden, Uw Naam belijden en zich van hun zonde bekeren, omdat U hen vernederde,36luistert Ú dan in de hemel en vergeef de zonde van Uw dienaren en van Uw volk Israël, want U leert hun de goede weg waarop zij moeten gaan, en geef regen op Uw land, dat U aan Uw volk als erfelijk bezit hebt gegeven.; 1Kn 17:11En Elia, de Tisbiet, uit de inwoners van Gilead, zei tegen Achab: [Zo waar] de HEERE, de God van Israël, leeft, voor Wiens aangezicht ik sta, er zal deze jaren geen dauw of regen komen, behalve op mijn woord!).

In korte trekken geeft Jeremia in de volgende verzen de gevolgen van de droogte aan voor land en stad, voor arm en rijk, voor mens en dier. Alle voorspoed is verdwenen. Er is treurnis in Juda (vers 22Juda treurt,
zijn poorten verkommeren,
ze liggen in het zwart gehuld ter aarde,
en het gejammer van Jeruzalem stijgt omhoog.
)
. De poorten, waardoor voedsel naar binnen wordt gebracht en waar vaak veel mensen zijn om handel te drijven, geven het beeld van verkommering, van wegkwijnen. Het leven vloeit eruit weg. De poorten zijn ook de plaatsen waar recht wordt gesproken. De mensen die daar zitten om dat te doen, weten het ook niet meer. Ze zien geen hoop op verbetering van de situatie, want ze liggen in het zwart gehuld op de grond.

Het gejammer in Jeruzalem stijgt omhoog. Er zal gebeden zijn om regen. Hun smeekbeden zijn echter geen uitingen van berouw over hun zondige weg en geen smeken tot Hem om vergeving. Er is alleen gejammer vanwege de droogte en vanwege de dorst en hongersnood als gevolg daarvan. De droogte en het gebrek aan water geven de droogte van hun ziel weer. Ze hebben de bron van het levende water, de HEERE, verlaten (Jr 2:1313Want Mijn volk heeft een dubbel kwaad gedaan:
Mij, de bron van levend water,
hebben zij verlaten,
om zich bakken uit te hakken,
lekkende bakken,
die geen water houden.
)
en daarom verkommert niet alleen hun lichaam, maar ook hun ziel.

Zelfs “de vooraanstaanden onder hen”, de voorname en aanzienlijke mensen, hebben niets aan hun aanzien als het erom gaat water uit de regenbakken te laten halen, want er is geen water (vers 33De vooraanstaanden onder hen sturen hun minderen erop uit voor water.
Komen zij bij de regenbakken,
[dan] vinden zij geen water,
met hun lege kruiken keren zij terug.
Zij schamen zich en worden te schande en bedekken hun hoofd.
)
. Ze hoeven er zelf niet op uit. Daar hebben ze “hun minderen”, hun knechten, voor. Maar hun knechten keren onverrichter zake terug, met lege kruiken en moedeloos. Ze kunnen hun minderen gebieden, maar ze kunnen God niet gebieden water te geven. Ze hebben het gebrek aan regen aan zichzelf te wijten.

Omdat er geen regen is, is ook het land door de droogte opengescheurd (vers 44Omdat de grond gescheurd is
– er is immers geen regen op het land –
schamen de akkerbouwers zich,
zij bedekken hun hoofd.
)
en zal er geen oogst zijn. De akkerbouwers, de boeren, zijn ook ten einde raad. Ook de dieren op het veld zuchten onder de droogte. De hinde die bekendstaat om haar zorgzaamheid voor haar jong, laat het in de steek, voordat het groot geworden is en zelfstandig zijn weg kan gaan (vers 55Ja, zelfs een hinde werpt op het veld [haar] jong, en laat [het] in de steek,
omdat er geen gras is.
; Jb 39:4b-74Weet u de tijd waarop de berggeiten baren?
Hebt u gezien dat de hinden jongen werpen?
5Kunt u de maanden tellen [die] zij vol moeten maken?
En weet u de tijd van hun baren?
6Zij krommen zich [en] werpen hun jongen,
hun weeën drijven [hun vrucht] uit.
7Hun jongen worden sterk, ze worden groot in het veld;
ze gaan weg en komen niet [meer] bij hen terug.
)
. De wilde ezels, die gewend zijn aan het harde en droge woestijnleven, kunnen geen adem meer halen (vers 66De wilde ezels staan op de kale hoogten,
als jakhalzen snakken ze naar adem,
hun ogen bezwijken,
omdat er geen gewas is.
; Jb 39:8-118Wie heeft de wilde ezel vrij laten gaan?
En wie heeft de banden van de woudezel losgemaakt?
9Ik heb [hem] de wildernis als zijn huis gegeven,
en de zoutvlakte als zijn woning.
10Hij lacht om het rumoer van de stad;
het luide geroep van de slavendrijver hoort hij niet.
11Hij speurt de bergen af, [dat] is zijn weide;
en hij zoekt naar alles wat maar groen is.
))
. Ze kunnen ook niets meer zien, want er is niets te eten. Hun krachten begeven het. De dieren delen in de gevolgen van de ontrouw van Gods volk (vgl. Rm 8:2222Want wij weten, dat de hele schepping tezamen zucht en tezamen in barensnood is tot nu toe.).


De belijdenis van het volk

7Hoewel onze ongerechtigheden tegen ons getuigen,
HEERE, doe het omwille van Uw Naam,
want talrijk zijn onze afdwalingen,
tegen U hebben wij gezondigd.
8[U,] Hoop van Israël,
zijn Verlosser in tijd van benauwdheid,
waarom zou U zijn als een vreemdeling in het land,
als een reiziger, [die slechts van de weg] afwijkt om te overnachten?
9Waarom zou U zijn als een radeloze man,
als een held [die] niet verlossen kan?
U bent toch in ons midden, HEERE,
en wij zijn naar Uw Naam genoemd,
verlaat ons niet.

De profeet belijdt de zonden van het volk en maakt zich er een mee door over “onze ongerechtigheden” spreken (vers 77Hoewel onze ongerechtigheden tegen ons getuigen,
HEERE, doe het omwille van Uw Naam,
want talrijk zijn onze afdwalingen,
tegen U hebben wij gezondigd.
)
. Hij spreekt zijn belijdenis niet luid uit in tegenwoordigheid van het volk. Hij doet een beroep op de Naam van de HEERE, terwijl hij erkent dat zij tegen Hem hebben gezondigd met een menigte van afdwalingen. Zijn enige hoop en de enige hoop voor het volk is de HEERE. Hij is de “Hoop van Israël” (vers 88[U,] Hoop van Israël,
zijn Verlosser in tijd van benauwdheid,
waarom zou U zijn als een vreemdeling in het land,
als een reiziger, [die slechts van de weg] afwijkt om te overnachten?
)
. Jeremia spreekt vaker over de HEERE als hoop of vertrouwen voor Zijn volk (Jr 17:7,137Gezegend is de man die op de HEERE vertrouwt,
wiens vertrouwen de HEERE is.
13HEERE, Hoop van Israël,
allen die U verlaten, zullen beschaamd worden.
Wie zich van mij afkeren, zullen in de aarde worden geschreven,
want zij hebben de bron van het levende water, de HEERE, verlaten.
; 50:77Allen die hen vonden, verslonden hen,
en hun tegenstanders zeiden: Wij laden geen schuld [op ons],
omdat zij gezondigd hebben tegen de HEERE,
de woonplaats van de gerechtigheid, ja, de hoop van hun vaderen, de HEERE.
; vgl. Ps 71:55Want U bent mijn hoop, Heere HEERE,
mijn vertrouwen vanaf mijn jeugd.
; Hd 28:2020Om die reden dan heb ik u bij mij geroepen om u te zien en toe te spreken; want vanwege de hoop van Israël heb ik deze keten om.; Ko 1:2727Aan hen heeft God willen bekendmaken welke de rijkdom is van de heerlijkheid van deze verborgenheid onder de volken, welke is Christus in u, de hoop van de heerlijkheid.; 1Tm 1:11Paulus, apostel van Christus Jezus naar [het] bevel van God, onze Heiland, en van Christus Jezus, onze hoop,)
. Hij alleen is hun “Verlosser in tijd van benauwdheid”, zoals Hij zo vaak heeft laten zien (Ri 3-16).

Jeremia vraagt “waarom” de HEERE Zich als een vreemdeling of een reiziger gedraagt, als iemand die slechts even het land bezoekt. Hij wil graag dat de HEERE bij hen komt en ook bij hen blijft (vgl. Lk 24:2929En zij drongen bij Hem aan en zeiden: Blijf bij ons, want het is tegen de avond en de dag is al gedaald. En Hij ging naar binnen om bij hen te verblijven.). De vorige ‘waaromvraag’ betreft de voorspoed van de goddelozen (Jr 12:11HEERE, U zou rechtvaardig blijken,
wanneer ik met U een rechtszaak zou voeren.
Toch wil ik met U [over Uw] oordelen spreken.
Waarom is de weg van de goddelozen voorspoedig,
[waarom] hebben rust, allen die in ontrouw trouweloos handelen?
)
. Deze nieuwe ‘waaromvraag’ gaat over de verhouding van de HEERE ten opzichte van hen die wel oprecht hun zonden belijden. Waarom houdt Hij zich ten opzichte van hen afzijdig?

Het is indrukwekkend om te zien dat Jeremia de HEERE vergelijkt met “een radeloze man”, terwijl hijzelf door radeloosheid worden gekenmerkt. Hij doet een dringend beroep op Hem om Zich niet afzijdig te houden als iemand die geen raad weet met de situatie, of Zich te gedragen als een held die in kracht tekortschiet om te verlossen (vers 99Waarom zou U zijn als een radeloze man,
als een held [die] niet verlossen kan?
U bent toch in ons midden, HEERE,
en wij zijn naar Uw Naam genoemd,
verlaat ons niet.
)
. Hij lijkt hier op de discipelen die ook in hun radeloosheid de Heer Jezus verwijten dat Hij Zich niets aantrekt van de nood waarin zij zijn (Mk 4:3838En Hij lag in het achterschip op het kussen te slapen; en zij wekten Hem en zeiden tot Hem: Meester, bekommert U Zich er niet om dat wij vergaan?). Evenals Jeremia doet, roepen de discipelen tot de Heer Jezus, en zowel Jeremia als de discipelen doen dat niet tevergeefs.

Hij pleit op de aanwezigheid van de HEERE in hun midden en op het feit dat zij naar Zijn Naam genoemd zijn. Hij doet een beroep op Hem iets voor Zijn volk te doen ter wille van Zijn Naam. Al zou Hij hen moeten verlaten vanwege hun zonden, dan kan Hij hen toch niet verlaten omwille van Zijn Naam? Hiermee neemt hij de toevlucht tot de genade en de onvoorwaardelijke beloften.

Voor ons is het ook zo, dat wij geen moment zonder Hem kunnen. Ons gebed moet dan ook zijn dat we toch niet zullen afwijken van Hem. Als wij bij Hem blijven, blijft Hij bij ons. Als we alle rechten op Zijn verblijf bij ons hebben verspeeld, kunnen we alleen de toevlucht nemen tot Gods genade en Zijn onvoorwaardelijke beloften in Christus.


Het antwoord van de HEERE in oordeel

10Zo zegt de HEERE over dit volk: Zij hebben het rondzwerven zo liefgehad, zij hebben hun voeten niet gespaard. Daarom schept de HEERE in hen geen behagen. Nu zal Hij aan hun ongerechtigheid denken en hun zonden straffen. 11Verder zei de HEERE tegen mij: Bid niet voor dit volk ten goede. 12Al vasten zij, Ik luister niet naar hun geroep. Ook al brengen zij een brandoffer en een graanoffer, Ik zal in hen geen behagen scheppen, maar door het zwaard, door de honger en door de pest zal Ik een einde aan hen maken.

In Zijn antwoord op de roep van Jeremia wijst de HEERE op het rondzwerven van het volk (vers 1010Zo zegt de HEERE over dit volk: Zij hebben het rondzwerven zo liefgehad, zij hebben hun voeten niet gespaard. Daarom schept de HEERE in hen geen behagen. Nu zal Hij aan hun ongerechtigheid denken en hun zonden straffen.). Het is een hard antwoord. Ze hebben in hun liefde voor andere goden hun voeten niet gespaard, maar die gebruikt om hun goden achterna te lopen. Dat is de reden dat Hij geen behagen in hen heeft. En omdat ze daarin volharden, denkt Hij aan hun ongerechtigheid en straft Hij hun zonden. Jeremia mag niet voor het volk bidden, want dat heeft geen zin (vers 1111Verder zei de HEERE tegen mij: Bid niet voor dit volk ten goede.).

Voor de derde keer wordt Jeremia verboden om voor het volk te bidden (Jr 7:1616En u, bid niet voor dit volk, hef voor hen geen geroep of gebed aan, dring niet bij Mij aan, want Ik zal niet naar u luisteren.; 11:1414En u, bid niet voor dit volk, en hef voor hen geen geroep of gebed aan, want Ik zal niet luisteren op het moment dat zij over hun onheil tot Mij roepen.). Door hun besliste ongehoorzaamheid zijn ze niet meer te helpen. Voorbede is een belangrijke taak van een profeet, maar het is Jeremia niet toegestaan om in die noodlottige tijd voorbede te doen. Hij houdt te veel van hen om hen op hun eigen zondige wegen te laten gaan en dus zullen ze Zijn tucht moeten voelen. Daarom zegt Hij dat Jeremia niet voor het volk moet bidden.

In het Nieuwe Testament lezen we over zonde tot de dood en dat daarvoor niet moet worden gebeden (1Jh 5:16b16Als iemand zijn broeder ziet zondigen, een zonde niet tot [de] dood, dan zal hij bidden en Hij zal hem [het] leven geven, hun die niet tot [de] dood zondigen. Er is zonde tot [de] dood; daarvoor zeg ik niet dat hij zal vragen.). Als tucht wordt veracht en de Geest van genade wordt gesmaad, komt er een tijd dat het te laat is voor smeekbede of voorbede. Als laatste daad van de heilige Godsregering wordt de dwalende weggedaan en wordt de zaak behandeld voor de rechterstoel van Christus (vgl. 1Ko 11:3030Daarom zijn er onder u vele zwakken en zieken en nogal velen zijn ontslapen.). Zo is het ook hier met Israël. Het is er te laat voor om alleen genade uit te oefenen. Ze moeten nu de volle regering van God leren kennen.

De HEERE luistert niet naar het geroep van Zijn volk, ook al zijn ze aan het vasten (vers 1212Al vasten zij, Ik luister niet naar hun geroep. Ook al brengen zij een brandoffer en een graanoffer, Ik zal in hen geen behagen scheppen, maar door het zwaard, door de honger en door de pest zal Ik een einde aan hen maken.). Zelfs in hun offers heeft Hij geen behagen. Al hun vasten, bidden en godsdienstige activiteiten zijn waardeloos. Noch vasten noch offers kunnen het volk weer in Gods gunst terugbrengen, zolang zij zich voor de afgoden neerbuigen. De HEERE zoekt boven alles naar waarheid in het hart. Als dat ontbreekt, zijn uiterlijke tekenen van berouw nutteloos. In plaats van behagen in hen te scheppen gaat Hij een einde aan hen maken door zwaardere oordelen dan droogte, namelijk oorlog (het zwaard), gebrek (honger) en ziekte (pest). De combinatie van deze drie oordelen komt meerdere keren in het boek voor (Jr 14:1212Al vasten zij, Ik luister niet naar hun geroep. Ook al brengen zij een brandoffer en een graanoffer, Ik zal in hen geen behagen scheppen, maar door het zwaard, door de honger en door de pest zal Ik een einde aan hen maken.; 21:7,97Daarna, spreekt de HEERE, zal Ik Zedekia, de koning van Juda, zijn dienaren, het volk, en hen die in deze stad overgebleven zijn van de pest, het zwaard en de honger, in de hand geven van Nebukadrezar, de koning van Babel, in de hand van hun vijanden en in de hand van hen die hen naar het leven staan. Hij zal hen slaan met de scherpte van het zwaard: Hij zal hen niet sparen, geen medelijden hebben, en zich [over hen] niet ontfermen.9Wie in deze stad blijft, zal sterven door het zwaard, door de honger of door de pest. Maar wie vertrekt en overloopt naar de Chaldeeën, die u belegeren, die zal in leven blijven en zijn leven zal hem tot buit zijn.; 24:1010Ik zal onder hen zenden het zwaard, de honger en de pest, totdat zij omgekomen zullen zijn uit het land dat Ik hun en hun vaderen heb gegeven.; 27:8,138En het zal gebeuren [dat] het volk of het koninkrijk dat hem, Nebukadnezar, de koning van Babel, niet wil dienen, en dat niet zijn nek wil geven onder het juk van de koning van Babel, dat volk – spreekt de HEERE – zal Ik straffen met het zwaard, met de honger en met de pest, totdat Ik hen omgebracht zal hebben door zijn hand.13Waarom zouden u en uw volk sterven door het zwaard, door de honger en door de pest, zoals de HEERE gesproken heeft van het volk dat niet de koning van Babel wil dienen?; 29:17-1817zo zegt de HEERE van de legermachten: Zie, Ik ga onder hen het zwaard, de honger en de pest zenden. Ik wil hen maken als de afschuwelijke vijgen die niet te eten zijn vanwege [hun] slechte [kwaliteit].18Ik zal hen achtervolgen met het zwaard, met de honger en met de pest. Ik zal hen tot een schrikbeeld stellen voor alle koninkrijken van de aarde, tot een vervloeking en tot een verschrikking, tot een aanfluiting en tot smaad onder alle volken waarheen Ik hen verdreven heb,; 32:24,3624Zie de belegeringsdammen! Zij zijn bij de stad gekomen om haar in te nemen, en de stad is, vanwege het zwaard, de honger en de pest, in de hand van de Chaldeeën gegeven, die tegen haar strijden. Wat U gesproken hebt, is gebeurd. En zie, U ziet [het].36Welnu, daarom, zo zegt de HEERE, de God van Israël, van deze stad, waar u van zegt: Zij is door het zwaard, door de honger en door de pest in de hand van de koning van Babel gegeven:; 34:1717Daarom, zo zegt de HEERE: Ú hebt naar Mij niet geluisterd door vrijlating af te kondigen, ieder voor zijn broeder en ieder voor zijn naaste. Zie, [dan] kondig Ik voor u een vrijlating af, spreekt de HEERE, voor het zwaard, voor de pest en voor de honger. Ik zal u tot een schrikbeeld stellen voor alle koninkrijken van de aarde.; 38:22Zo zegt de HEERE: Wie in deze stad blijft, zal door het zwaard, door de honger of door de pest sterven, maar wie vertrekt naar de Chaldeeën, zal in leven blijven. Hij zal zijn leven tot buit hebben en in leven blijven.; 42:17,2217Zo zullen al de mannen zijn die hun zinnen erop zetten om Egypte binnen te gaan om daar als vreemdeling te verblijven. Zij zullen sterven door het zwaard, door de honger en door de pest. Er zal van hen niemand zijn die ontvlucht of ontkomt aan het onheil dat Ik over hen zal brengen.22Nu dan, u moet goed weten dat u sterven zult door het zwaard, door de honger en door de pest, in de plaats waarheen u geneigd was te gaan om daar als vreemdeling te verblijven.; 44:1313Want Ik zal hen die in het land Egypte wonen, straffen, zoals Ik Jeruzalem gestraft heb, door het zwaard, door de honger en door de pest.).


Het oordeel over de valse profeten

13Toen zei ik: Ach, Heere HEERE, zie, die profeten zeggen tegen hen: U zult geen zwaard zien en honger zult u niet krijgen, maar Ik zal u een duurzame vrede geven in deze plaats. 14De HEERE zei tegen mij: Die profeten profeteren vals in Mijn Naam. Ik heb hen niet gezonden, Ik heb hun geen opdracht gegeven en Ik heb niet tot hen gesproken. Zij profeteren u een leugenvisioen, waarzeggerij, holle praat en bedrog van hun [eigen] hart. 15Daarom, zo zegt de HEERE over de profeten die profeteren in Mijn Naam, hoewel Ík hen niet heb gezonden, en zij [toch] zeggen: Er zal geen zwaard en honger in dit land zijn. Die profeten zullen zelf door het zwaard en door de honger omkomen. 16En het volk waartegen zij profeteren, zal weggeworpen worden op de straten van Jeruzalem vanwege de honger en het zwaard, zonder dat iemand hen begraaft: hen, hun vrouwen, en hun zonen en hun dochters. Zo zal Ik hun kwaad over hen uitstorten.

Jeremia wijst de “Heere HEERE” op de tegenstanders van de waarheid, dat zijn de valse profeten (vers 1313Toen zei ik: Ach, Heere HEERE, zie, die profeten zeggen tegen hen: U zult geen zwaard zien en honger zult u niet krijgen, maar Ik zal u een duurzame vrede geven in deze plaats.). Dit zijn de ‘mooi weer’ profeten. Zij prediken aangename dingen, dingen die het volk in slaap sussen en hen in hun geliefkoosde zonden laten volharden. Dat durven ze te doen in de Naam van de HEERE. Het is erg om leugens te verkondigen, het is nog erger dat te doen in de Naam van de HEERE.

Ze spreken over vrede die de HEERE zou geven, ja, zelfs over “duurzame vrede”, een vrede die altijd blijft en niet wordt weggenomen. Door zo te spreken stimuleren ze het volk in hun zondige gedrag, alsof ze geen zondig gedrag hebben. Het kenmerk van een valse profeet is dat hij het geweten volledig buiten schot laat en niet spreekt over bekering.

Zulke valse profeten zijn er ook vandaag veel. Het zijn die mensen, theologen en kerkelijke functionarissen, die bijvoorbeeld verkondingen dat homoseksuele en lesbische verhoudingen, verhoudingen van ‘liefde’ zijn. Ze worden ontmaskerd als we zien dat ze niet Christus prediken, maar integendeel de zonde goedpraten. Ze geven hun eigen gedachten door en niet Gods Woord. Zonde brengt altijd oordeel, maar valse profeten spreken niet over zonde en dus ook niet over oordeel.

Mensen die in de zonde leven en daar niet mee willen breken, lopen altijd achter mensen aan die hun daarvoor de ruimte geven en hen daarin zelfs stimuleren. We zien dat in de godsdienst en ook in de politiek. Daar wordt uitgegaan van het ‘verlichte’ denken van de mens. Dat denken is duisternis en drijfzand.

De HEERE antwoordt Jeremia dat die profeten leugenprofeten zijn en dat Hij hen niet heeft gezonden (vers 1414De HEERE zei tegen mij: Die profeten profeteren vals in Mijn Naam. Ik heb hen niet gezonden, Ik heb hun geen opdracht gegeven en Ik heb niet tot hen gesproken. Zij profeteren u een leugenvisioen, waarzeggerij, holle praat en bedrog van hun [eigen] hart.). Hij weet precies hoe ze zijn, Hij kent hun opzet. Ze zijn eigenmachtig bezig. Wat zij profeteren, zuigen ze uit hun duim, het is holle praat, het stelt niets voor. Het is bedrog dat uit hun eigen verdorven hart opwelt. De HEERE zal het oordeel over hen vellen door het zwaard en de honger, juist die middelen die zij loochenen (vers 1515Daarom, zo zegt de HEERE over de profeten die profeteren in Mijn Naam, hoewel Ík hen niet heb gezonden, en zij [toch] zeggen: Er zal geen zwaard en honger in dit land zijn. Die profeten zullen zelf door het zwaard en door de honger omkomen.). Dat is de ironie van God.

De oordelen die de valse profeten hebben geloochend, zullen ook over het volk komen (vers 1616En het volk waartegen zij profeteren, zal weggeworpen worden op de straten van Jeruzalem vanwege de honger en het zwaard, zonder dat iemand hen begraaft: hen, hun vrouwen, en hun zonen en hun dochters. Zo zal Ik hun kwaad over hen uitstorten.). De HEERE zal hun eigen kwaad over hen uitstorten. Allen komen ze om, zijzelf, hun vrouwen en hun zonen en hun dochters. Ze komen allemaal om. Er is niemand die hen kan begraven. Het volk is wel misleid, maar daarom niet minder schuldig. Hoe vaak zijn ze niet gewaarschuwd om niet naar valse profeten te luisteren. Het blinde volk en de blinde profeten vallen tezamen in de kuil (Mt 15:1414Laat hen [begaan]. Zij zijn blinde leidslieden <van blinden>. Als nu een blinde een blinde leidt, zullen zij beiden in een kuil vallen.). Het volk is er zelf verantwoordelijk voor dat zij naar die profeten hebben geluisterd en zich niet van hen hebben afgewend. Zo zal de dwaasheid van de valse profeten openbaar worden, zoals bij Jannes en Jambres (2Tm 3:8-98Zoals Jannes en Jambres zich tegen Mozes hebben verzet, zo verzetten ook dezen zich tegen de waarheid, mensen, bedorven van denken, verwerpelijk wat het geloof betreft.9Maar zij zullen niet verder voortgaan; want hun onzinnigheid zal aan allen geheel duidelijk worden, zoals ook bij die [beiden] het geval was.). Het loochenen of vervalsen en verdraaien van wat God heeft gezegd, heeft geen enkele invloed op wat God heeft gezegd.

In deze verzen zien we een ernstig beeld van de christenheid waarin wij ons bevinden. De dienaren van de satan keren het oor van hun toehoorders van de waarheid af en wenden het tot de fabels. Het zijn wolven in schaapskleren. Ze doen zich voor als dienaren van Christus, maar het geloof in de waarheid en het gezag van de Schrift werpen ze omver. Ze maken het belachelijk en vertrappen de grote en heilige waarheden van de verzoening en het eeuwige oordeel dat ieder te wachten staat “die de Zoon van God met voeten heeft getreden en het bloed van het verbond waardoor hij was geheiligd, onheilig heeft geacht” (Hb 10:2929hoeveel zwaarder straf, meent u, zal hij waard geacht worden die de Zoon van God met voeten heeft getreden en het bloed van het verbond waardoor hij geheiligd was, onheilig geacht en de Geest van de genade gesmaad heeft?). Wie met instemming naar zulke predikers luistert, zal worden geoordeeld met het oordeel dat over deze valse predikers komt.


De smart van Jeremia

17Zeg dan dit woord tegen hen:
Tranen stromen [uit] mijn ogen naar beneden,
nacht en dag, zonder ophouden,
want de maagd, de dochter van mijn volk, is gebroken [met] een grote breuk,
[door] een wond die zeer pijnlijk is.
18Ga ik eropuit, het veld in,
ziedaar hen die gevallen zijn door het zwaard.
Kom ik in de stad,
ziedaar hen die ziek zijn van de honger.
Ja, zowel profeet als priester
trekt in het land rond en weet geen [raad].

Het geloof van het volk in de woorden van valse profeten brengt bij Jeremia weer grote smart teweeg (vers 1717Zeg dan dit woord tegen hen:
Tranen stromen [uit] mijn ogen naar beneden,
nacht en dag, zonder ophouden,
want de maagd, de dochter van mijn volk, is gebroken [met] een grote breuk,
[door] een wond die zeer pijnlijk is.
)
. Hij krijgt de opdracht die smart aan het volk te vertellen. Het volk dat door de valse profeten is misleid, moet er zwaar voor boeten. De vijand die door de HEERE op hen wordt afgestuurd, zal hen breken met een grote breuk en wonden veroorzaken die veel pijn doen. Jeruzalem wordt hier weer met een vrouw vergeleken. De stad wordt een maagd genoemd om daarmee aan te geven dat de stad nog niet door anderen dan het eigen volk is bewoond.

Jeremia ziet de gevolgen van de komst van de Babyloniërs in de geest voor zich. Overal waar hij kijkt, of het nu in de stad is of daarbuiten, ziet hij dood en ziekte (vers 1818Ga ik eropuit, het veld in,
ziedaar hen die gevallen zijn door het zwaard.
Kom ik in de stad,
ziedaar hen die ziek zijn van de honger.
Ja, zowel profeet als priester
trekt in het land rond en weet geen [raad].
)
. De mensen die met zoveel zekerheid over vrede hebben gesproken, lopen verdwaasd rond. Het is uit met hun praatjes. Ze hebben nu niets meer te vertellen en kunnen geen raad meer geven. Wie zou hen trouwens nu nog geloven?


Belijdenis en gebed om hulp

19Hebt U Juda dan helemaal verworpen,
of walgt Uw ziel van Sion?
Waarom hebt U ons [zo] geslagen dat er geen genezing voor ons [meer mogelijk] is?
Wij zien uit naar vrede, maar er is niets goeds,
naar een tijd van genezing, maar zie, er is verschrikking.
20HEERE, wij kennen onze goddeloosheid,
de ongerechtigheid van onze vaderen, want wij hebben gezondigd tegen U.
21Verwerp [ons] niet omwille van Uw Naam,
maak Uw heerlijke troon niet te schande,
denk aan Uw verbond met ons, verbreek [het] niet.
22Zijn er onder de nietige [afgoden] van de heidenvolken die het laten regenen,
of kan de hemel regendruppels geven?
Bent U dat niet, de HEERE, onze God?
Wij zien naar U uit,
want al deze dingen doet U!

Hoewel Jeremia van de HEERE niet voor dit volk mocht bidden (vers 1111Verder zei de HEERE tegen mij: Bid niet voor dit volk ten goede.), kan hij het bij de aanblik van de ellende van zijn volk niet laten Hem ervoor te bidden (vers 1919Hebt U Juda dan helemaal verworpen,
of walgt Uw ziel van Sion?
Waarom hebt U ons [zo] geslagen dat er geen genezing voor ons [meer mogelijk] is?
Wij zien uit naar vrede, maar er is niets goeds,
naar een tijd van genezing, maar zie, er is verschrikking.
)
. De HEERE is zijn enige toevlucht in zijn nood. Hij roept de vraag tot de HEERE of Hij Juda dan helemaal verworpen heeft en of Zijn ziel dan werkelijk walgt van Sion. Dit is een derde ‘waaromvraag’. De eerste is: waarom laat God de goddelozen in vrede (Jr 12:11HEERE, U zou rechtvaardig blijken,
wanneer ik met U een rechtszaak zou voeren.
Toch wil ik met U [over Uw] oordelen spreken.
Waarom is de weg van de goddelozen voorspoedig,
[waarom] hebben rust, allen die in ontrouw trouweloos handelen?
)
; de tweede is waarom de HEERE Zich voor de getrouwen als een vreemde houdt (Jr 14:88[U,] Hoop van Israël,
zijn Verlosser in tijd van benauwdheid,
waarom zou U zijn als een vreemdeling in het land,
als een reiziger, [die slechts van de weg] afwijkt om te overnachten?
)
. De derde is de vraag naar de tucht die over het volk komt, waarom dat gebeurt.

Hij kan zich niet voorstellen dat de HEERE van Sion, dat Hij zo liefheeft en waarin Hij Zich zo heeft verheugd, nu een walging heeft. Wat is er de reden van dat Hij hen zo heeft geslagen dat er geen genezing meer voor hen mogelijk is (vgl. 2Kr 36:1616Maar zij spotten met de boden van God, verachtten Zijn woorden en maakten Zijn profeten belachelijk, tot de grimmigheid van de HEERE tegen Zijn volk [zo hoog] opsteeg dat er geen genezing [meer mogelijk] was.)? Aan het woord “ons” zien we, dat Jeremia de plaats van het berouwvolle deel van het volk inneemt en zich daarmee vereenzelvigt.

Het volk ziet wanhopig uit naar vrede, maar die is in de verste verte niet te ontdekken. Er is niets goeds waaraan ze enige hoop op verbetering van de situatie kunnen ontlenen. Genezing is ook nergens te vinden. In plaats daarvan zien ze alleen nog maar meer verschrikking. Het uitzien naar vrede is tevergeefs omdat het volk de HEERE heeft verlaten. Daarom is er ook verschrikking in plaats van genezing.

Niemand dan Jeremia weet beter waarom God Zijn volk zo heeft geslagen en er geen genezing is. Hij geeft dan ook zelf het antwoord: het is vanwege hun goddeloosheid en ongerechtigheid (vers 2020HEERE, wij kennen onze goddeloosheid,
de ongerechtigheid van onze vaderen, want wij hebben gezondigd tegen U.
)
. Hij belijdt de ongerechtigheid van hun vaderen en dat ze ook zelf tegen de HEERE hebben gezondigd. Tegelijk kan hij gewoon niet geloven dat de HEERE een definitief einde aan Zijn volk heeft gemaakt, dat Hij hen voorgoed heeft verworpen. Daarom doet hij een beroep op de Naam van de HEERE, op Zijn heerlijke troon en op Zijn verbond met Zijn volk (vers 2121Verwerp [ons] niet omwille van Uw Naam,
maak Uw heerlijke troon niet te schande,
denk aan Uw verbond met ons, verbreek [het] niet.
)
. In het gedrag van het volk is geen verandering, maar toch ook niet in de HEERE? Hij kan toch vanuit Zijn eigen Naam en Zijn eigen regering en Zijn eigen verplichtingen Zijn volk zegenen? Ja, dat kan Hij, maar dat moet wel op een rechtvaardige grondslag. Die grondslag heeft Hij in Christus en Zijn werk op het kruis.

De enige hoop van Jeremia is de HEERE, Die Hij vergelijkt met de nietigheden, dat zijn de afgoden, van de heidenvolken (vers 2222Zijn er onder de nietige [afgoden] van de heidenvolken die het laten regenen,
of kan de hemel regendruppels geven?
Bent U dat niet, de HEERE, onze God?
Wij zien naar U uit,
want al deze dingen doet U!
)
. De afgoden kunnen niets aan regen geven – er is steeds nog die vreselijke droogte. Dat kan alleen de HEERE, Die de God van Zijn volk is (Jb 38:25-2825Wie klieft voor de [stort]vloed een waterloop,
en een weg voor het weerlicht van de donder,
26om het te laten regenen op het land, [waar] niemand is,
[op] de woestijn, waarin geen mens is,
27om [het gebied van] verwoesting en vernietiging te verzadigen,
en om het opkomende groen te laten groeien?
28Heeft de regen een vader?
Of wie brengt de druppels van de dauw voort?
)
. Daar ligt de hoop van Jeremia en van het overblijfsel en daarom zien ze, “wij”, naar Hem uit, naar Hem Die “al deze dingen doet”, Die alleen regen en zegen kan geven.


Lees verder