Jeremia
1-6 De voorspoed van de goddelozen 7-13 Straf van de goddelozen 14-17 Beloften voor boetvaardige volken
De voorspoed van de goddelozen

1HEERE, U zou rechtvaardig blijken,
wanneer ik met U een rechtszaak zou voeren.
Toch wil ik met U [over Uw] oordelen spreken.
Waarom is de weg van de goddelozen voorspoedig,
[waarom] hebben rust, allen die in ontrouw trouweloos handelen?
2U hebt hen geplant, ook hebben zij wortel geschoten,
zij gaan [hun gang], ook dragen zij vrucht.
U bent nabij in hun mond,
maar ver van hun nieren.
3U echter, HEERE, kent mij, U ziet mij,
U beproeft mijn hart, dat met U is.
Ruk hen weg als schapen ter slachting,
bereid hen voor op de dag van de slacht.
4Hoelang moet het land treuren,
het gewas op heel het veld verdorren?
Vanwege het kwaad van wie daarin wonen,
vergaan de dieren en de vogels,
omdat zij gezegd hebben: Hij ziet
ons einde niet.
5Wanneer u met hardlopers meerent, en die maken u [al] moe,
hoe moet u dan wedijveren met paarden?
[Wanneer] u het [alleen] in een land van vrede vertrouwt,
hoe moet u het dan maken in de glorie van de Jordaan?
6Want ook uw broeders en het huis van uw vader – ook zij handelen trouweloos tegen u, ook zij roepen u luid na. Vertrouw hen niet als ze vriendelijk tot u spreken.

Naar aanleiding van de moordplannen die aan het einde van het vorige hoofdstuk tegen hem worden beraamd, rijst er bij Jeremia een probleem en dat is hoe het toch kan dat de goddelozen zo voorspoedig zijn. Niet dat hij twijfelt aan de rechtvaardigheid van de HEERE (vers 11HEERE, U zou rechtvaardig blijken,
wanneer ik met U een rechtszaak zou voeren.
Toch wil ik met U [over Uw] oordelen spreken.
Waarom is de weg van de goddelozen voorspoedig,
[waarom] hebben rust, allen die in ontrouw trouweloos handelen?
; Ps 145:17a17De HEERE is rechtvaardig in al Zijn wegen, /tsade/
goedertieren in al Zijn werken.
)
. Hij weet dat de rechtvaardigheid van de HEERE zou blijken als hij Hem met vragen zou bestoken over Zijn handelen. Hij weet dat de HEERE redenen voor Zijn handelen heeft. Maar welke zijn dat dan? Dat wil hij weten en daarom wil hij met de HEERE spreken over Zijn oordelen, over Zijn wijze van beoordelen.

Jeremia stelt de HEERE de vraag naar het waarom van de voorspoed van de goddelozen. Dat kan hij niet begrijpen. Het is het ‘waarom’ van het Godvrezende hart dat zich afvraagt hoe de HEERE, Die rechtvaardig is, de goddelozen het goed laat hebben in plaats van in te grijpen en hen te oordelen. Hoe kunnen de goddelozen rust hebben, terwijl ze “in ontrouw trouweloos handelen”?

Hij worstelt met dezelfde vragen als waarmee Job en Asaf hebben geworsteld (Jb 21:77Waarom leven de goddelozen, worden zij oud,
[en] wordt zelfs [hun] vermogen groot?
; Ps 73:33want ik was jaloers op de dwazen,
toen ik de vrede van de goddelozen zag.
; vgl. Ps 94:33Hoelang zullen de goddelozen, HEERE,
hoelang zullen de goddelozen van vreugde opspringen,
; Hk 1:12-1712Bent U niet van oudsher
de HEERE, mijn God, mijn Heilige?
Wij zullen niet sterven.
HEERE, U hebt hem gesteld tot een oordeel.
Rots, U hebt hem gegrondvest om te straffen.13U bent te rein van ogen om het kwade aan te zien,
moeite kunt U niet aanschouwen.
Waarom aanschouwt U wie trouweloos handelen,
zwijgt U, wanneer een goddeloze [hem] verslindt die rechtvaardiger is dan hijzelf?14U maakt de mensen als vissen in de zee,
als kruipende dieren, die geen heerser hebben.15Hij haalt ze alle met een vishaak op,
brengt ze bijeen met zijn sleepnet,
en verzamelt ze met zijn werpnet.
Daarom verblijdt en verheugt hij zich.16Daarom offert hij aan zijn sleepnet,
brengt hij een reukoffer aan zijn werpnet,
want daardoor is zijn vangst groot
en zijn voedsel overvloedig.17Mag hij daarom zijn sleepnet [blijven] leegmaken,
volken zonder medelijden blijven doden?
)
. Van deze worstelingen zou Jeremia moeten weten en ook tot welke conclusie Asaf gekomen is: dat hij en ook wij op het einde van de goddelozen moeten letten (Ps 73:16-1716Toch heb ik nagedacht om dit te kunnen begrijpen,
[maar] het was moeite in mijn ogen,
17totdat ik Gods heiligdom binnenging
[en] op hun einde lette.
)
. Het betekent dat wij beseffen waar het voor de goddelozen uiteindelijk op uitdraait.

Voordat we zover zijn, zien we dat we zelf door ervaringen heen moeten gaan om uit ervaring tot dezelfde conclusie te komen waartoe ook anderen gekomen zijn. We pijnigen onszelf met deze vraag, totdat we in het heiligdom gaan en op hun einde letten. Het probleem van de voorspoed van de goddelozen in het licht van de gerechtigheid van God wordt nergens in de Schrift direct opgelost. Het uiteindelijke antwoord ligt in het geloof in de soevereine wijsheid en gerechtigheid van God.

Jeremia merkt op dat het erop lijkt dat de HEERE hun, die van de wereld zijn, maar ook tot Gods volk behoren, van deze voorspoed voorziet, terwijl er bij deze mensen toch alleen maar een huichelachtige belijdenis van Zijn Naam is (vers 22U hebt hen geplant, ook hebben zij wortel geschoten,
zij gaan [hun gang], ook dragen zij vrucht.
U bent nabij in hun mond,
maar ver van hun nieren.
)
. Hij zegt dat het erop lijkt dat de HEERE hen heeft geplant en hen heeft verzorgd, want ze hebben wortel geschoten, ze kunnen hun gang gaan en ze dragen vrucht.

Maar dat klopt helemaal niet met wat hij van hen weet. Jeremia weet veel te goed dat ze door hun voorspoed alleen maar uiterlijk een rechtvaardige lijken (Ps 1:33Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken,
die zijn vrucht geeft op zijn tijd,
waarvan het blad niet afvalt;
al wat hij doet, zal goed gelukken.
)
. Hij weet namelijk ook dat ze in hun hart ver van de HEERE verwijderd zijn (vgl. Js 29:1313De Heere zei:
Omdat dit volk tot [Mij] nadert met zijn mond
en zij Mij eren met hun lippen,
maar hun hart ver van Mij houden,
en hun vrees voor Mij
[slechts] een aangeleerd gebod van mensen is,
; Ez 33:3131En zij komen naar u toe als een toestroom van volk, en gaan vóór u zitten [als] Mijn volk. Zij horen uw woorden, maar zij handelen er niet naar, want zij nemen liefdevolle [woorden] in hun mond, [maar] hun hart volgt hun winstbejag.; Mt 15:88‘Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij vandaan;; Mk 7:66Hij zei echter tot hen: Treffend heeft Jesaja over u, huichelaars, geprofeteerd, zoals geschreven staat: ‘Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij vandaan;)
. Het zijn vandaag de mensen die naar de kerk gaan, over godsdienstige dingen praten en toch in ongerechtigheid leven en eigenzinnige wegen gaan.

Jeremia wordt er ongeduldig van te zien dat ze maar blijven voortleven, terwijl hij zo lijdt. Hij wijst de HEERE op het contrast tussen de goddelozen en zichzelf. Zonder hoogmoedig te zijn kan hij opmerken dat zijn hart in waarheid bij de HEERE is en dat het ver van huichelarij is (vers 33U echter, HEERE, kent mij, U ziet mij,
U beproeft mijn hart, dat met U is.
Ruk hen weg als schapen ter slachting,
bereid hen voor op de dag van de slacht.
)
. Wanneer maakt de HEERE een einde aan deze oneerlijkheid? Hij vraagt de HEERE om deze huichelaars als slachtschapen te oordelen.

Hoelang moet dat nog duren dat het met de goddelozen goed gaat en dat het met het land slecht gaat (vers 44Hoelang moet het land treuren,
het gewas op heel het veld verdorren?
Vanwege het kwaad van wie daarin wonen,
vergaan de dieren en de vogels,
omdat zij gezegd hebben: Hij ziet
ons einde niet.
)
? Het land treurt, zo troosteloos ligt het er bij als gevolg van de droogte. Wat er als gewas op staat, is verdord en levert niets op om van te leven. De effecten van de zonden van het volk zijn in de natuur te zien. Vanwege het kwaad “van wie daarin wonen”, dat wil zeggen van wie het land bezitten, vergaan het land en het gedierte. Door hun zonden heeft de HEERE de regen moeten inhouden.

Deze mensen zondigen in hoogmoed door te denken dat de HEERE niet let op wat zij doen. Ze menen dat Jeremia hun einde niet zal zien, wat betekent dat zij zichzelf een langer leven toebedelen dan Jeremia, zodat hij hun ondergang niet zal beleven. Ze zien de toekomst niet zo somber in als Jeremia die voorstelt. Het is een kwelling voor Jeremia dat zij zo denken en handelen, zonder dat God ingrijpt. We zien hier de dwaasheid van de zondaar en het ongeduld van de gelovige.

De HEERE antwoordt met een vergelijking (vers 55Wanneer u met hardlopers meerent, en die maken u [al] moe,
hoe moet u dan wedijveren met paarden?
[Wanneer] u het [alleen] in een land van vrede vertrouwt,
hoe moet u het dan maken in de glorie van de Jordaan?
)
. Hij zegt tegen Jeremia dat de mensen met wie hij nu al zoveel moeite heeft omdat ze zo voorspoedig zijn, hardlopers zijn. Jeremia kan ze niet bijhouden. Als hij nu al zo moe wordt van deze mensen, hoe moet het dan als het allemaal nog veel erger wordt en deze hardlopers paarden worden? De HEERE bereidt Zijn dienaar op een nog veel ergere situatie voor.

Het is nu al erg, maar het zal nog veel erger worden. Er is nu nog vrede in het land, maar hoe zal het hem vergaan als die wordt weggenomen? Dat zal gebeuren wanneer de vijand het land zal overstromen zoals de Jordaan buiten zijn oevers treedt. Zoals de Jordaan als het ware trots oprijst uit haar bedding en buiten haar oevers treedt en daarin niet is tegen te houden, zo is ook de vijand die het land binnenstroomt niet tegen te houden.

Bij die verergerde, niet tegen te houden situatie komt een zaak die nog pijnlijker is. Erger dan de verwerping door de mannen van Anathoth – zijn stadgenoten in het vorige hoofdstuk – is dat familieleden wel vriendelijk spreken, maar dat zij trouweloos tegen hem handelen (vers 66Want ook uw broeders en het huis van uw vader – ook zij handelen trouweloos tegen u, ook zij roepen u luid na. Vertrouw hen niet als ze vriendelijk tot u spreken.; Jr 9:3-43Zij spannen hun tong als hun boog.
[Met] leugen en niet met betrouwbaarheid
zijn zij in het land sterk geworden,
want zij gaan voort van slechtheid tot slechtheid,
en Mij kennen ze niet, spreekt de HEERE.
4Laat eenieder voor zijn naaste op zijn hoede zijn,
en vertrouw op geen enkele broeder,
want elke broeder doet niet anders dan bedriegen,
en elke vriend gaat rond [met] lasterpraat.
; vgl. Mk 13:1212En [de ene] broer zal [de andere] broer tot [de] dood overleveren en een vader [zijn] kind; en kinderen zullen opstaan tegen ouders en hen ter dood brengen.; Mt 10:3636en iemands huisgenoten zullen zijn vijanden zijn.)
. De HEERE waarschuwt hem dat hij hen niet moet vertrouwen als ze vriendelijk tot hem spreken. Jeremia, zo zegt de HEERE, je staat helemaal alleen, maar wel met Mij.


Straf van de goddelozen

7Ik heb Mijn huis verlaten,
Mijn eigendom in de steek gelaten.
Ik heb de beminde van Mijn ziel
in de hand van haar vijanden gegeven.
8Mijn eigendom is voor Mij geworden
als een leeuw in het woud.
Hij heeft zijn stem tegen Mij laten klinken,
daarom ben Ik hem gaan haten.
9Mijn eigendom is voor Mij een gespikkelde roofvogel,
de roofvogels zijn rondom tegen hem:
Kom, verzamel u, alle dieren van het veld,
laat [ze] komen om te eten!
10Vele herders hebben Mijn wijngaard te gronde gericht,
zij hebben Mijn stuk [land] vertrapt,
Mijn begerenswaardige stuk [land] gemaakt
tot een woeste wildernis.
11Men heeft er een woestenij van gemaakt,
verwoest treurt het voor Mij,
heel het land is verwoest,
omdat niemand het ter harte neemt.
12Op alle kale hoogten in de woestijn
zijn verwoesters gekomen,
want het zwaard van de HEERE verslindt van het [ene] einde van het land tot het [andere] einde van het land. Er is voor geen enkel vlees vrede.
13Zij hebben tarwe gezaaid, maar dorens geoogst.
Zij hebben zich pijn gedaan, [maar] hebben er geen voordeel van gehad.
Schaam u over uw opbrengsten,
vanwege de brandende toorn van de HEERE.

In vers 77Ik heb Mijn huis verlaten,
Mijn eigendom in de steek gelaten.
Ik heb de beminde van Mijn ziel
in de hand van haar vijanden gegeven.
begint de HEERE Zelf te klagen. Hij spreekt over “Mijn huis” en “Mijn eigendom” en “de beminde van Mijn ziel”. Deze namen laten zien dat Hij Zijn afvallige volk altijd ziet in wat het oorspronkelijk voor Zijn hart is en waarom Hij er zo mee bezig is. Hij heeft Zijn huis moeten verlaten vanwege de hardnekkigheid van hun zonden (Ez 10:1818Toen ging de heerlijkheid van de HEERE weg, van boven de drempel van het huis, en bleef boven de cherubs staan.; 11:22-2322Daarna hieven de cherubs hun vleugels op, en de wielen [verhieven zich] tegelijk met hen. En de heerlijkheid van de God van Israël was vanboven over hen.23Toen steeg de heerlijkheid van de HEERE op uit het midden van de stad en bleef op de berg staan die ten oosten van de stad lag.). Hij heeft Zijn eigendom, Zijn land en Zijn volk moeten verlaten omdat ze van Hem vervreemd zijn geraakt. Hij heeft haar, die Hij liefheeft met de liefde van Zijn ziel, in de hand van haar vijanden gegeven, juist omdat het volk zo waardevol voor Hem is en Hij het zo liefheeft en het zo afvallig is van Hem geworden. De vijand denkt dat hij het doet, maar hier staat dat de HEERE het doet.

De reden is dat Zijn volk tegen Hem in opstand is gekomen (vers 88Mijn eigendom is voor Mij geworden
als een leeuw in het woud.
Hij heeft zijn stem tegen Mij laten klinken,
daarom ben Ik hem gaan haten.
)
. Hij vergelijkt Zijn volk, dat Hij opnieuw “Mijn eigendom” noemt, met een leeuw die zijn stem verheft. Een brullende leeuw jaagt schrik aan. God schrikt er natuurlijk niet van, maar het laat zien hoezeer Zijn volk zich tegen Hem heeft gekeerd. Daarom haat Hij dat volk, Hij heeft er een afschuw van, zoals Hij de zonde haat en verafschuwt.

Zijn volk, door Hem voor de derde keer “Mijn eigendom” genoemd, is geworden als een gespikkelde roofvogel die belaagd wordt door de volken eromheen die roofvogels zijn (vers 99Mijn eigendom is voor Mij een gespikkelde roofvogel,
de roofvogels zijn rondom tegen hem:
Kom, verzamel u, alle dieren van het veld,
laat [ze] komen om te eten!
)
. Een gespikkelde vogel in een nest met zwarte of witte vogels wordt door de andere vogels dood gepikt. Een gespikkelde vogel is noch wit noch zwart. Zo is Gods volk als het zich met de wereld verbindt. De HEERE roept de roofdieren op om zich aan Zijn volk te goed te doen.

De herders zijn de mensen die Gods volk – dat door de HEERE nu “Mijn wijngaard” (Jr 5:1010Klim zijn wijnbergen op, richt [ze] te gronde,
maar maak er geen [vernietigend] einde aan.
Verwijder zijn ranken,
want die zijn niet van de HEERE.
; 6:99Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Zij zullen het overblijfsel van Israël
als een wijnstok nauwkeurig nalopen.
Laat uw hand terugkeren
als een druivenplukker langs de ranken.
; 8:1313Ik ga hen volkomen wegvagen, spreekt de HEERE.
Er zijn geen druiven aan de wijnstok,
geen vijgen aan de vijgenboom,
en de bladeren zijn verwelkt.
[Wat] Ik hun gaf, daaraan gaan zij voorbij.
)
en “Mijn stuk land” wordt genoemd – hebben geleid, maar het te gronde hebben gericht en hebben vertrapt (vers 1010Vele herders hebben Mijn wijngaard te gronde gericht,
zij hebben Mijn stuk [land] vertrapt,
Mijn begerenswaardige stuk [land] gemaakt
tot een woeste wildernis.
)
. Met de herders kunnen de leiders van Israël worden bedoeld, maar ook de heersers van de volken die het land hebben verwoest dat voor de HEERE “Mijn begerenswaardige stuk [land]” was. We voelen hier aan hoe groot de smart van Gods hart is dat dit met Zijn land is gebeurd. Het land waar Hij met vreugde naar heeft gekeken en waarvan Hij heeft verwacht dat het Hem vreugde zou opleveren, is “een woeste wildernis” geworden.

Dat het land woest is, ligt niet aan Hem (vers 1111Men heeft er een woestenij van gemaakt,
verwoest treurt het voor Mij,
heel het land is verwoest,
omdat niemand het ter harte neemt.
)
. “Men”, de van Hem afvallige mensen, “heeft er een woestenij van gemaakt”. De woestheid is groot. De HEERE hoort het land treuren. Hij is echter de Enige Die het hoort. Het ligt er zo verwoest bij omdat niemand het ter harte neemt, dat wil zeggen dat er niemand is die zich afvraagt hoe het komt. Zijn beminde is er niet door tot terugkeer te bewegen. Deze taal van Gods liefde gaat aan haar voorbij. Het is tragisch dat wat voor Gods hart zoveel betekent, door Zijn volk zo waardeloos wordt geacht.

De verwoesters zijn aangekondigd en ook gekomen (vers 1212Op alle kale hoogten in de woestijn
zijn verwoesters gekomen,
want het zwaard van de HEERE verslindt van het [ene] einde van het land tot het [andere] einde van het land. Er is voor geen enkel vlees vrede.
)
. Zij worden vereenzelvigd met “het zwaard van de HEERE” dat van noord naar zuid, dus het hele land, verslindt. Niemand ontkomt eraan, niemand heeft vrede, ondanks de voorzeggingen van al die valse profeten die vrede hebben verkondigd (Jr 6:1414Zij genezen de breuk van Mijn volk
op het lichtst, door te zeggen:
Vrede, vrede! Maar er is geen vrede.
)
.

Als gevolg van het werk van de vijand als het zwaard van de HEERE wordt wat eetbaar is tot een pijniging (vers 1313Zij hebben tarwe gezaaid, maar dorens geoogst.
Zij hebben zich pijn gedaan, [maar] hebben er geen voordeel van gehad.
Schaam u over uw opbrengsten,
vanwege de brandende toorn van de HEERE.
)
. Al hun werk is voor niets geweest. De tarwe die ze hebben gezaaid, levert dorens op (vgl. Gn 3:17-18a17En tegen Adam zei Hij: Omdat u geluisterd hebt naar de stem van uw vrouw en van die boom gegeten hebt waarvan Ik u geboden had: U mag daarvan niet eten,
is de aardbodem omwille van u vervloekt;
met zwoegen zult u daarvan eten,
al de dagen van uw leven;
18dorens en distels zal hij voor u laten opkomen
en u zult het gewas van het veld eten.
)
. Hoe zouden ze het voordeel van een goede oogst kunnen hebben, terwijl ze alleen op eigen voordeel uit zijn? Ze maaien het tegengestelde van wat ze hebben verwacht. De schamele opbrengst zou hen tot bezinning moeten brengen. Ze zouden zich moeten schamen over de oorzaak ervan: hun ongehoorzaamheid aan de HEERE, waardoor Hij Zijn brandende toorn over hen heeft moeten brengen.


Beloften voor boetvaardige volken

14Zo zegt de HEERE: Wat betreft al Mijn slechte buren die aan [Mijn] eigendom komen, dat Ik Mijn volk Israël in erfelijk bezit gegeven heb, zie, Ik ga hen uit hun land wegrukken, en het huis van Juda ruk Ik uit hun midden weg. 15Maar nadat Ik hen weggerukt heb, zal het gebeuren dat Ik zal terugkeren en Mij over hen zal ontfermen. Ik zal hen terugbrengen, eenieder naar zijn erfelijk bezit en eenieder naar zijn land. 16En het zal gebeuren, wanneer zij werkelijk de wegen van Mijn volk zullen leren, zodat zij bij Mijn Naam zweren: [Zo waar] de HEERE leeft – zoals zij Mijn volk geleerd hebben te zweren bij de Baäl – dan zullen zij te midden van Mijn volk gebouwd worden. 17Maar als zij niet willen luisteren, zal Ik dat volk voorgoed wegrukken en ombrengen, spreekt de HEERE.

Plotseling breekt er weer een straal van hoop door. Nu horen we hoe de HEERE het voor Zijn volk opneemt tegenover allen die Zijn volk tot eigen voordeel hebben willen uitplunderen (vers 1414Zo zegt de HEERE: Wat betreft al Mijn slechte buren die aan [Mijn] eigendom komen, dat Ik Mijn volk Israël in erfelijk bezit gegeven heb, zie, Ik ga hen uit hun land wegrukken, en het huis van Juda ruk Ik uit hun midden weg.). De HEERE spreekt hier over “Mijn volk Israël”, dat is het volk in zijn geheel, de twee en de tien stammen samen.

Al Zijn buren, de buurvolken van Zijn volk – zoals Syrië, Moab en Ammon – noemt Hij “Mijn slechte buren” omdat zij zich aan Zijn volk hebben vergrepen, wat betekent dat zij zich ook aan Hem hebben vergrepen. Hij zal die volken oordelen door hetzelfde volk dat Juda oordeelt, Babel, en dat op dezelfde wijze doen, namelijk door hen uit hun land weg te rukken. Daarbij zal Hij Zijn volk, “het huis van Juda”, uit die volken weghalen. Met hen staat Hij in een speciale betrekking en Hij zal hen ook apart bestraffen.

Dan zal Hij tot hen terugkeren en Zich over hen ontfermen en hen terugbrengen naar hun bezit (vers 1515Maar nadat Ik hen weggerukt heb, zal het gebeuren dat Ik zal terugkeren en Mij over hen zal ontfermen. Ik zal hen terugbrengen, eenieder naar zijn erfelijk bezit en eenieder naar zijn land.). Dat zal Hij ook doen met de vijandige volken (Jr 48:4747In later tijd echter, spreekt de HEERE,
zal ik een omkeer brengen in de gevangenschap van Moab.
Tot zover het oordeel over Moab.
; 49:66Maar daarna zal Ik een omkeer brengen in de gevangenschap van de Ammonieten, spreekt de HEERE.)
. Met Zijn volk is dat gedeeltelijk en in zwakheid gebeurd bij de terugkeer uit de Babylonische ballingschap. Het zal volkomen gebeuren in het vrederijk. Ieder zal zijn erfdeel terugkrijgen. We zien hier dat God Zijn volk wel tuchtigt, maar dat dit is met het oog op hun herstel.

Ook voor de volken die zich aan Zijn volk hebben vergrepen, heeft de HEERE een belofte (vers 1616En het zal gebeuren, wanneer zij werkelijk de wegen van Mijn volk zullen leren, zodat zij bij Mijn Naam zweren: [Zo waar] de HEERE leeft – zoals zij Mijn volk geleerd hebben te zweren bij de Baäl – dan zullen zij te midden van Mijn volk gebouwd worden.). Als zij zich aansluiten bij Zijn volk en in de wegen van Zijn volk gaan en Hem als HEERE belijden, zullen ze een plaats krijgen te midden van Zijn volk. Te midden van Zijn volk zijn betekent dat zij, die vóór die tijd vijanden en haters van Gods volk waren, nu door Gods volk omgeven, beschermd en gezegend worden. Ze zullen zich dan hebben bekeerd van hun vroegere handelwijze. Vroeger waren ze erop uit Gods volk te leren zweren bij de Baäl. Als ze zich hebben bekeerd, zullen ze van Gods volk leren te zweren bij de Naam van de HEERE. Maar het volk dat niet wil luisteren, zal Hij voorgoed wegrukken en ombrengen (vers 1717Maar als zij niet willen luisteren, zal Ik dat volk voorgoed wegrukken en ombrengen, spreekt de HEERE.).


Lees verder