Jeremia
1-14 De verbreking van het verbond 15-17 Ontoereikendheid van de offers 18-23 Samenzwering tegen Jeremia
De verbreking van het verbond

1Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia: 2Luister naar de woorden van dit verbond en spreek tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem, 3en zeg tegen hen: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Vervloekt is de man die niet luistert naar de woorden van dit verbond, 4dat Ik uw vaderen geboden heb op de dag dat Ik hen geleid heb uit het land Egypte, uit de ijzeroven: Luister naar Mijn stem en doe deze [woorden], overeenkomstig alles wat Ik u gebied. Dan zult u Mij tot een volk zijn en zal Ík u tot een God zijn, 5opdat Ik de eed gestand doe die Ik uw vaderen gezworen heb om hun een land te geven dat overvloeit van melk en honing, zoals het heden ten dage is. Toen antwoordde ik en zei: Amen, HEERE. 6Toen zei de HEERE tegen mij: Predik al deze woorden in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem: Luister naar de woorden van dit verbond en doe ze. 7Want Ik heb uw vaderen ernstig gewaarschuwd vanaf de dag dat Ik hen uit het land Egypte leidde tot op deze dag, vroeg en laat: Luister naar Mijn stem! 8Zij hebben echter niet geluisterd en zij hebben hun oor niet geneigd, maar ze gingen door, ieder overeenkomstig zijn verharde, boosaardige hart. Daarom bracht Ik over hen al de woorden van dit verbond dat Ik geboden heb te doen, maar [die] zij niet gedaan hebben. 9Daarop zei de HEERE tegen mij: Er is een samenzwering ontdekt onder de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem. 10Zij zijn teruggekeerd tot de ongerechtigheden van hun voorvaderen, die geweigerd hebben naar Mijn woorden te luisteren. Wat hen betreft, zij zijn andere goden achternagegaan om die te dienen. Het huis van Israël en het huis van Juda hebben Mijn verbond verbroken, dat Ik met hun vaderen gesloten had. 11Daarom, zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga over hen onheil brengen waaraan zij niet kunnen ontkomen. Als zij dan tot Mij roepen, zal Ik niet naar hen luisteren. 12Dan zullen de steden van Juda en de inwoners van Jeruzalem gaan roepen tot de goden aan wie zij reukoffers gebracht hebben, maar die zullen hen zeker niet kunnen verlossen in de tijd van hun onheil. 13Immers, het aantal van uw goden is [even groot als] uw steden geworden, Juda, en u hebt [evenveel] altaren gemaakt voor die schande [als] het aantal straten van Jeruzalem, altaren om reukoffers te brengen aan de Baäl. 14En u, bid niet voor dit volk, en hef voor hen geen geroep of gebed aan, want Ik zal niet luisteren op het moment dat zij over hun onheil tot Mij roepen.

Er komt een nieuw woord van de HEERE tot Jeremia (vers 11Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia:). De HEERE geeft hem de opdracht te luisteren “naar de woorden van dit verbond”. Hiermee verwijst Hij naar Zijn verbond dat Hij Zijn volk na hun uittocht uit Egypte bij de Sinaï gegeven heeft (Ex 19:5-65Nu dan, als u nauwgezet Mijn stem gehoorzaamt en Mijn verbond in acht neemt, dan zult u uit alle volken Mijn persoonlijk eigendom zijn, want heel de aarde is van Mij.6U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden die u tot de Israëlieten moet spreken.; Ex 24:77Hij nam het boek van het verbond en las [dit] ten aanhoren van het volk voor. En zij zeiden: Alles wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen en [Hem] gehoorzamen.; Dt 29:11Dit zijn de woorden van het verbond dat de HEERE Mozes geboden heeft met de Israëlieten te sluiten, in het land Moab, naast het verbond dat Hij met hen gesloten had bij de Horeb.). Jeremia moet daar zelf eerst naar luisteren. Vervolgens moet hij het woord richten tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem (vers 22Luister naar de woorden van dit verbond en spreek tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem,). Dit is de volgorde van God. Als Hij ons iets wil laten zeggen tot Zijn volk, kan dat alleen als we eerst zelf naar Hem hebben geluisterd.

Bij de oproep om naar het verbond te luisteren hoeven we niet alleen aan het geven van de wet bij de Sinaï denken. Het volk had ook onlangs nog het verbond vernieuwd tijdens de opwekking onder koning Josia (2Kr 34:19,31-3219Het gebeurde nu, toen de koning de wetswoorden hoorde, dat hij zijn kleren scheurde.31De koning ging op zijn plaats staan en sloot een verbond voor het aangezicht van de HEERE, om de HEERE te volgen, en Zijn geboden, Zijn getuigenissen en Zijn verordeningen met heel zijn hart en met heel zijn ziel in acht te nemen, door de woorden van dit verbond die in deze boek[rol] beschreven zijn, te volbrengen.32En hij liet allen die in Jeruzalem en in Benjamin gevonden werden, stelling nemen; en de inwoners van Jeruzalem deden overeenkomstig het verbond van God, de God van hun vaderen.). Jeremia moet namens “de HEERE, de God van Israël” de vloek uitspreken over ieder die niet luistert naar de woorden van het verbond (vers 33en zeg tegen hen: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Vervloekt is de man die niet luistert naar de woorden van dit verbond,; vgl. Gl 3:1010Want allen die op grond van werken van [de] wet zijn, zijn onder [de] vloek; want er staat geschreven: ‘Vervloekt is ieder die niet volhardt in alles wat geschreven staat in het boek van de wet, om dat te doen’.; Dt 28:15-2015Daarentegen zal het gebeuren, als u de stem van de HEERE, uw God, niet gehoorzaam bent door al Zijn geboden en Zijn verordeningen, die ik u heden gebied, nauwlettend te houden, dat al deze vervloekingen over u zullen komen en u zullen treffen:16Vervloekt zult u zijn in de stad en vervloekt zult u zijn op het veld.17Vervloekt zal zijn uw korf en uw baktrog.18Vervloekt zal zijn de vrucht van uw schoot en de vrucht van uw land, de dracht van uw koeien en de jongen van uw kleinvee.19Vervloekt zult u zijn bij uw [thuis]komen, en vervloekt zult u zijn bij uw weggaan.20De HEERE zal vloek, verwarring en verderf onder u zenden, in alles wat u ter hand neemt en doet, totdat u weggevaagd wordt en u [al] spoedig omkomt vanwege uw slechte daden, waarmee u Mij verlaten hebt.). Deze krachtige woorden moeten het volk tot een innerlijke omkeer brengen.

De opwekking van Josia heeft slechts een uiterlijke terugkeer bij het volk bewerkt en geen innerlijke. Daarom moet Jeremia het volk in herinnering brengen wat de HEERE hun vaderen heeft geboden toen Hij hen uit de “ijzeroven” Egypte heeft geleid (vers 44dat Ik uw vaderen geboden heb op de dag dat Ik hen geleid heb uit het land Egypte, uit de ijzeroven: Luister naar Mijn stem en doe deze [woorden], overeenkomstig alles wat Ik u gebied. Dan zult u Mij tot een volk zijn en zal Ík u tot een God zijn,; Dt 4:2020maar ú heeft de HEERE genomen en uit de ijzeroven, uit Egypte geleid, om voor Hem tot een erfvolk te zijn, zoals het op deze dag is.; 1Kn 8:5151Want zij zijn Uw volk en Uw eigendom, door U uit Egypte geleid, uit het midden van de ijzeroven.). De ‘ijzeroven’ benadrukt de verschrikkingen die ze daar hebben geleden. Na hun uittocht heeft Hij hun dringend geboden te luisteren naar Zijn stem. Dat houdt in dat zij al de woorden zouden doen die Hij heeft geboden. Als ze dat zouden doen, zouden zij Hem tot een volk en zou Hij hun tot een God zijn (vgl. Jr 7:2323Maar deze zaak heb Ik hun geboden: Luister naar Mijn stem. Dan zal Ik u tot een God zijn, en ú zult Mij tot een volk zijn. Bewandel heel de weg die Ik u gebieden zal en het zal u goed gaan.; 24:77Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HEERE ben, en zij zullen Mij tot een volk zijn en Ík zal hun tot een God zijn; want zij zullen zich tot Mij bekeren met heel hun hart.; 32:3838Zij zullen Mij tot een volk zijn, en Ík zal hun tot een God zijn.). Hun verbinding met Hem en Zijn erkenning van hen, is afhankelijk van hun gehoorzaamheid.

Bij gehoorzaamheid zou Hij de eed houden die Hij hun vaderen gezworen heeft, om het volk een land te geven “dat overvloeit van melk en honing” (vers 55opdat Ik de eed gestand doe die Ik uw vaderen gezworen heb om hun een land te geven dat overvloeit van melk en honing, zoals het heden ten dage is. Toen antwoordde ik en zei: Amen, HEERE.; Ex 3:88Daarom ben Ik neergekomen om het [volk] te redden uit de hand van de Egyptenaren, en het te leiden uit dit land naar een goed en ruim land, een land dat overvloeit van melk en honing, naar het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten.). De HEERE heeft hen daar gebracht, zoals ze zelf zien, maar ze zijn keer op keer ontrouw geweest. Daarom is de overvloeiende rijkdom van het land verdwenen. Ook dat is het gevolg van wat de HEERE heeft gezworen als ze ontrouw zouden zijn.

Destijds heeft het hele volk keer op keer met “amen” op de vloek geantwoord (Dt 27:15-2615Vervloekt is de man die een gesneden of gegoten beeld maakt, een gruwel voor de HEERE, het werk van de handen van een vakman, en dat op een verborgen [plaats] neerzet! En heel het volk moet antwoorden en zeggen: Amen.16Vervloekt is wie zijn vader of zijn moeder veracht! En heel het volk moet zeggen: Amen.17Vervloekt is wie de grens[steen] van zijn naaste verlegt! En heel het volk moet zeggen: Amen.18Vervloekt is wie een blinde laat verdwalen op de weg! En heel het volk moet zeggen: Amen.19Vervloekt is wie het recht van de vreemdeling, de wees en de weduwe buigt! En heel het volk moet zeggen: Amen.20Vervloekt is wie met de vrouw van zijn vader slaapt, want hij heeft het kleed van zijn vader opengeslagen! En heel het volk moet zeggen: Amen.21Vervloekt is wie gemeenschap heeft met welk dier dan ook! En heel het volk moet zeggen: Amen.22Vervloekt is wie slaapt met zijn zuster, de dochter van zijn vader, of [met] de dochter van zijn moeder! En heel het volk moet zeggen: Amen.23Vervloekt is wie met zijn schoonmoeder slaapt! En heel het volk moet zeggen: Amen.24Vervloekt is wie zijn naaste in het geheim doodslaat! En heel het volk moet zeggen: Amen.25Vervloekt is wie een geschenk aanneemt om iemand om het leven te brengen, onschuldig bloed [te vergieten]! En heel het volk moet zeggen: Amen.26Vervloekt is wie de woorden van deze wet niet uitvoert door ze te houden! En heel het volk moet zeggen: Amen.). Hier gebeurt het uitspreken van ‘amen’ door slechts één man, Jeremia: “Toen antwoordde en zei ik: Amen, HEERE.” Er zullen ook toen wel meer getrouwen zijn geweest, maar we horen het alleen van deze ene man. Het doet denken aan de dagen van Elia die ook als een eenling voor de rechten van de HEERE opkomt, terwijl er toch ook nog zevenduizend zijn die hun knieën niet voor de Baäl hebben gebogen (1Kn 19:1818Maar Ik zal er in Israël zevenduizend overlaten, allen die de knieën niet gebogen hebben voor de Baäl, en allen van wie de mond hem niet gekust heeft.). Maar waar zijn ze?

In aansluiting op de opdracht tot prediking en de inhoud ervan zegt de HEERE tegen Jeremia dat hij er nu op uit moet gaan (vers 66Toen zei de HEERE tegen mij: Predik al deze woorden in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem: Luister naar de woorden van dit verbond en doe ze.). Hij moet al de woorden die de HEERE hem heeft gezegd, gaan prediken in Juda en Jeruzalem en daarmee oproepen tot gehoorzaamheid aan het verbond. Nog eens biedt de HEERE de kans om naar het verbond te luisteren en te doen wat daarin staat.

Jeremia moet er als extra aansporing bij zeggen dat de HEERE hun vaderen al ernstig heeft gewaarschuwd vanaf de dag dat Hij hen uit Egypte heeft geleid (vers 77Want Ik heb uw vaderen ernstig gewaarschuwd vanaf de dag dat Ik hen uit het land Egypte leidde tot op deze dag, vroeg en laat: Luister naar Mijn stem!). Hij is daar ook steeds mee doorgegaan, “tot op deze dag” toe, dat is de dag dat Hij de opdracht aan Jeremia geeft. Telkens, aanhoudend, voortdurend heeft Hij hen opgeroepen om te luisteren naar Zijn stem (Jr 7:13,2513Welnu, omdat u al deze daden doet, spreekt de HEERE, en Ik vroeg en laat tot u sprak, maar u niet geluisterd hebt, en Ik u geroepen heb, maar u niet geantwoord hebt,25Vanaf de dag dat uw vaderen uit het land Egypte vertrokken zijn tot op deze dag, zond Ik [elke] dag, vroeg en laat al Mijn dienaren, de profeten, tot u.). Onophoudelijk heeft Hij Zich ingespannen om hen ertoe te bewegen naar Hem te luisteren en Zijn woorden te gehoorzamen. Zijn zorg om hun harten te bereiken om hen te kunnen zegenen is werkelijk indrukwekkend.

Het ligt dan ook niet aan Hem dat ze niet hebben geluisterd (vers 88Zij hebben echter niet geluisterd en zij hebben hun oor niet geneigd, maar ze gingen door, ieder overeenkomstig zijn verharde, boosaardige hart. Daarom bracht Ik over hen al de woorden van dit verbond dat Ik geboden heb te doen, maar [die] zij niet gedaan hebben.). Ze hebben zelfs hun oor er niet toe geneigd om nog iets van Zijn woorden aan te horen. Ze hebben ervoor gekozen voort te gaan in het handelen naar hun verharde, boosaardige hart. Als een mens de overvloedige inspanningen van de Heer afslaat om hem van zijn boze weg af te brengen, betekent dit dat hij zelf zijn hart verhardt. Omdat ze die verharding hebben getoond, zijn de oordelen over hen gekomen.

Met “al de woorden van dit verbond” die de HEERE over hen heeft gebracht, worden in dit verband de oordelen van het verbond bedoeld. De HEERE is trouw aan Zijn verbond, zowel waar het om zegen bij gehoorzaamheid gaat als waar het gaat om oordeel bij ongehoorzaamheid. Hun hele geschiedenis in het land getuigt van hun ontrouw. Er moet worden gezegd dat zij de woorden van het verbond om de HEERE te gehoorzamen “niet gedaan hebben”. De oordelen die de HEERE heeft moeten brengen, hebben ze volledig aan zichzelf te wijten.

Wij zijn ertoe geneigd, erop te vertrouwen dat God net zo is als de moderne toegeeflijke ouders die hun kinderen niet straffen als ze ongehoorzaam zijn. Een kleine berisping misschien, maar toch geen harde tuchtmaatregelen. Maar we vergissen ons zeer als we menen dat God zo is. De tucht zal zeker komen als we, ondanks vele vermaningen, volharden in het doen van wat slecht is in Zijn ogen.

De HEERE stelt Jeremia op de hoogte van “een samenzwering” die Hij heeft ontdekt onder de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem (vers 99Daarop zei de HEERE tegen mij: Er is een samenzwering ontdekt onder de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem.). Dit wijst op een geheime, georganiseerde tegenstand tegen de hervormingen van Josia. Ze hebben gezworen zich niet aan het vernieuwde verbond te houden en terug te keren naar een leven waarin de afgoden worden gediend (vers 1010Zij zijn teruggekeerd tot de ongerechtigheden van hun voorvaderen, die geweigerd hebben naar Mijn woorden te luisteren. Wat hen betreft, zij zijn andere goden achternagegaan om die te dienen. Het huis van Israël en het huis van Juda hebben Mijn verbond verbroken, dat Ik met hun vaderen gesloten had.). We kunnen dat toepassen op het streven om Gods volk terug te brengen tot de afgoderij van Rome. Het is een samenzwering van de machten van de duisternis.

De verbondsverbreking geldt zowel het noordelijke Israël als het zuidelijke Juda. De HEERE spreekt over “Mijn verbond”. Dat maakt de verbreking ervan zo erg. De verbondsbreuk is willens en wetens gebeurd en is gericht tegen Hem. Zijn oordeel zal daarover komen, een onheil waaraan geen ontkomen mogelijk zal zijn (vers 1111Daarom, zo zegt de HEERE: Zie, Ik ga over hen onheil brengen waaraan zij niet kunnen ontkomen. Als zij dan tot Mij roepen, zal Ik niet naar hen luisteren.). Hoe zwaar het ook zal zijn, het zwaarste van alles is dat Hij hun roepen tot Hem niet zal beantwoorden (Jr 7:1616En u, bid niet voor dit volk, hef voor hen geen geroep of gebed aan, dring niet bij Mij aan, want Ik zal niet naar u luisteren.). De HEERE luistert niet naar hen die bewust ongehoorzaam zijn en blijven (Sp 1:28-2928Dan zullen zij tot Mij roepen, maar Ik zal niet antwoorden.
Zij zullen mij ernstig zoeken, maar zullen Mij niet vinden,
29omdat zij de kennis hebben gehaat
en de vreze des HEEREN niet hebben verkozen.
)
. Zulke mensen willen wel gered worden, maar dan alleen uit de ellende, om vervolgens verder te gaan met hun goddeloze leven.

Als de HEERE dan niet antwoordt, zullen ze hun toevlucht nemen tot hun afgoden (vers 1212Dan zullen de steden van Juda en de inwoners van Jeruzalem gaan roepen tot de goden aan wie zij reukoffers gebracht hebben, maar die zullen hen zeker niet kunnen verlossen in de tijd van hun onheil.). Ze hebben die goden geëerd met hun reukoffers. Die zullen hen toch zeker wel helpen. Maar die zullen hen zeker niet kunnen helpen, ondanks het feit dat ze een enorm aantal afgoden hebben (vers 1313Immers, het aantal van uw goden is [even groot als] uw steden geworden, Juda, en u hebt [evenveel] altaren gemaakt voor die schande [als] het aantal straten van Jeruzalem, altaren om reukoffers te brengen aan de Baäl.; Jr 2:2828Maar waar zijn dan uw goden, die u zich gemaakt hebt?
Laten die opstaan, als zij u kunnen verlossen op het moment dat onheil u [treft],
want het aantal van uw goden is
[even groot als] uw steden, Juda.
; Dt 32:3737Dan zal Hij zeggen: Waar zijn [nu] hun goden,
de rots tot wie zij de toevlucht namen,
)
. Hoeveel nullen er ook op een rij worden gezet, het totale aantal blijft nul.

Nog eens wordt Jeremia verboden voor het volk te bidden (vers 1414En u, bid niet voor dit volk, en hef voor hen geen geroep of gebed aan, want Ik zal niet luisteren op het moment dat zij over hun onheil tot Mij roepen.; Jr 7:1616En u, bid niet voor dit volk, hef voor hen geen geroep of gebed aan, dring niet bij Mij aan, want Ik zal niet naar u luisteren.). Het laat wel zien hoe hopeloos de toestand van het volk is, als de HEERE de voorbede verbiedt. Hij heeft hen overgegeven aan hun verkeerde denken en ze zullen de vrucht van hun eigen handelingen eten.


Ontoereikendheid van de offers

15Wat heeft Mijn beminde in Mijn huis [te doen],
terwijl zij de schanddaad [met] velen doet,
en het [offer]vlees van het heiligdom van u zal wijken?
[Ja,] wanneer u kwaad [doet],
dan springt u op van vreugde.
16Een bladerrijke olijfboom, met welgevormde vruchten,
had de HEERE u als naam gegeven.
[Maar nu] heeft Hij onder het geluid van een groot gedruis
een vuur onder hem aangestoken,
zodat zijn takken gebroken zijn.
17Want de HEERE van de legermachten, Die u heeft geplant, heeft een kwaad over u uitgesproken – vanwege het kwaad dat het huis van Israël en het huis van Juda met elkaar bedreven hebben, door Mij tot toorn te verwekken door reukoffers te brengen aan de Baäl.

De HEERE spreekt te midden van alle ongerechtigheid die Hij opsomt toch van Zijn volk als “Mijn beminde” (vers 1515Wat heeft Mijn beminde in Mijn huis [te doen],
terwijl zij de schanddaad [met] velen doet,
en het [offer]vlees van het heiligdom van u zal wijken?
[Ja,] wanneer u kwaad [doet],
dan springt u op van vreugde.
)
. Dat is wel gebleken uit al de zorg die Hij aan hen heeft besteed. Het maakt hun zonden juist ondraaglijk voor Hem dat zij die begaan als Zijn beminde. Hoe halen ze het in hun hoofd om in Zijn huis “de schanddaad”, en dat “[met] velen”, te doen? Dit slaat op de gruwelijke afgodendienst die zij massaal in Zijn huis pleegden.

Hij haat niet hen (of ons), maar hun (of onze) zonden. Hun gedrag in Zijn huis is voor Hem weerzinwekkend (vgl. Js 1:11-1211Waartoe dienen voor Mij uw vele offers?
zegt de HEERE.
Ik heb genoeg van de brandoffers van rammen
en het vet van gemest vee;
en in het bloed van jonge stieren, lammeren of bokken
vind Ik geen vreugde.
12Wanneer u komt om voor Mijn aangezicht te verschijnen –
wie heeft dit van u gevraagd,
[dit] platlopen van Mijn voorhoven?
)
. Het verwijt dat “het [offer]vlees van het heiligdom van u zal wijken”, slaat op de nutteloosheid van hun offers voor de HEERE. Ze brengen het vlees in het heiligdom, in de tempel, maar ze brengen het met een boos hart, in een boze gezindheid. De gedachte is dat hun offervlees hen niet aangenaam maakt voor God. Het brengt Hem er niet toe Zich ten gunste van hen te laten gelden tegenover hun vijanden, maar Hij keert Zich van hen af en geeft hen over aan de vijanden.

Ze hebben het grootste plezier in het doen van kwaad en dat in Zijn huis, in Zijn tegenwoordigheid. Het verraadt totale ongevoeligheid voor Wie Hij is. We kunnen God alleen welgevallig zijn als we trouw zijn aan de instructies van Zijn Woord. Al onze offers zijn waardeloos en verwerpelijk voor Hem als we Zijn Woord nalaten.

De HEERE heeft Zijn volk gemaakt tot “een bladerrijke olijfboom” met welgevormde, sierlijke vruchten (vers 16a16Een bladerrijke olijfboom, met welgevormde vruchten,
had de HEERE u als naam gegeven.
[Maar nu] heeft Hij onder het geluid van een groot gedruis
een vuur onder hem aangestoken,
zodat zijn takken gebroken zijn.
; vgl. Ps 52:1010Maar ik zal zijn als een bladerrijke olijfboom
in het huis van God;
ik vertrouw op Gods goedertierenheid,
eeuwig en altijd.
; Hs 14:77Zijn jonge loten zullen uitlopen,
zodat zijn pracht zal zijn als [die van] de olijfboom,
en hij zal een geur hebben als de Libanon.
)
. Zo heeft Hij Israël genoemd. Door het geven van die naam heeft Hij hun het bewustzijn willen geven dat Hij de oorsprong ervan is en dat zij er zijn voor Hem. Hij heeft Zijn volk voorspoedig en welvarend gemaakt en veel voorrechten gegeven, opdat zij daarvan zouden kunnen genieten. Het is bovenal Zijn bedoeling geweest dat Hij daarvan zou genieten, zowel van de aanblik als van de vrucht ervan. Wij mogen wel bidden dat wij als gemeente op aarde mogen beantwoorden aan Zijn bedoeling met ons.

Maar nu moet Hij die boom met veel lawaai verbranden en verbreken (vers 16b16Een bladerrijke olijfboom, met welgevormde vruchten,
had de HEERE u als naam gegeven.
[Maar nu] heeft Hij onder het geluid van een groot gedruis
een vuur onder hem aangestoken,
zodat zijn takken gebroken zijn.
)
, wat Hij zal doen door Babel tegen hen op te roepen. Het “groot gedruis” is het oorlogsgeweld waarmee de legers van Nebukadnezar Juda zullen binnenvallen. Zij ontsteken een verwoestend vuur. Daardoor worden de takken van de bomen gebroken. De boom blijft echter staan. De HEERE maakt geen definitief einde aan Zijn volk.

Hoewel de HEERE Zijn volk heeft geplant, zal Hij het kwaad over hen brengen (vers 1717Want de HEERE van de legermachten, Die u heeft geplant, heeft een kwaad over u uitgesproken – vanwege het kwaad dat het huis van Israël en het huis van Juda met elkaar bedreven hebben, door Mij tot toorn te verwekken door reukoffers te brengen aan de Baäl.). Hij zal dat doen als “de HEERE van de legermachten”, als Degene Die de macht over alle legers in de hemel en op de aarde heeft. Hij heeft het kwaad over hen, die Hij Zelf heeft geplant, moeten uitspreken, vanwege het kwaad dat zij hebben bedreven en daardoor over zichzelf hebben uitgesproken. Hier worden weer het noordelijke Israël en het zuidelijke Juda afzonderlijk genoemd (vers 1010Zij zijn teruggekeerd tot de ongerechtigheden van hun voorvaderen, die geweigerd hebben naar Mijn woorden te luisteren. Wat hen betreft, zij zijn andere goden achternagegaan om die te dienen. Het huis van Israël en het huis van Juda hebben Mijn verbond verbroken, dat Ik met hun vaderen gesloten had.). Beide huizen hebben Hem tot toorn verwerkt door hun gruwelijke reukoffers aan Baäl te offeren.


Samenzwering tegen Jeremia

18De HEERE heeft het mij doen weten en toen wist ik het, toen U mij hun daden hebt doen zien. 19Ik was als een argeloos lam [dat] ter slachting wordt geleid, want ik wist niet dat zij tegen mij plannen bedachten, [door te zeggen]: Laten wij de boom met zijn vrucht te gronde richten, laten wij hem uit het land der levenden afhakken, zodat er aan zijn naam niet meer gedacht wordt.
20Maar, HEERE van de legermachten, rechtvaardige Rechter,
U Die de nieren en het hart beproeft,
laat mij Uw wraak aan hen zien,
want aan U heb ik mijn rechtszaak bekendgemaakt.
21Daarom, zo zegt de HEERE over de mannen van Anathoth die u naar het leven staan [en zeggen]: Profeteer niet in de Naam van de HEERE, opdat u niet door onze hand sterft. 22Daarom, zo zegt de HEERE van de legermachten: Zie, Ik ga hen straffen: de jongemannen zullen sterven door het zwaard [en] hun zonen en hun dochters zullen sterven van de honger. 23Er zal geen overblijfsel van hen zijn, want Ik zal onheil brengen over de mannen van Anathoth [in] het jaar van de vergelding aan hen.

Na zijn prediking komt de reactie van het volk. De HEERE maakt die aan Jeremia bekend, zodat hij op de hoogte is van wat zij van plan zijn (vers 1818De HEERE heeft het mij doen weten en toen wist ik het, toen U mij hun daden hebt doen zien.). De HEERE heeft hem hun daden laten zien. Zo beschermt Hij hier Zijn dienaar, want Jeremia kan nu voorzorgsmaatregelen nemen. We zien hier dat de HEERE de smeders van het kwaad niet oordeelt en zo het gevaar wegneemt, maar Zijn dienaar waarschuwt. Hij weet altijd wat de beste manier voor de Zijnen is als zich gevaarlijke situaties aandienen.

Als Jeremia op de hoogte is gebracht van de plannen die tegen hem zijn beraamd, voelt hij zich als een argeloos lam dat naar de slachting wordt geleid, zonder het in de gaten te hebben (vers 1919Ik was als een argeloos lam [dat] ter slachting wordt geleid, want ik wist niet dat zij tegen mij plannen bedachten, [door te zeggen]: Laten wij de boom met zijn vrucht te gronde richten, laten wij hem uit het land der levenden afhakken, zodat er aan zijn naam niet meer gedacht wordt.
)
. Hij weet niets van hun plannen die zij tegen hem bedenken. Maar de HEERE heeft tegen hem gezegd wat ze hebben bedacht. Het is een plan waarin radicaal en voorgoed met Jeremia zal worden afgerekend. Zelfs aan zijn naam zal niet meer worden gedacht. Dit is weer een duidelijk voorbeeld van het hoogmoedige denken van de mens. Hoezeer heeft de HEERE dit denken verstoord en verwoest.

In de verzen 18-19a18De HEERE heeft het mij doen weten en toen wist ik het, toen U mij hun daden hebt doen zien.19Ik was als een argeloos lam [dat] ter slachting wordt geleid, want ik wist niet dat zij tegen mij plannen bedachten, [door te zeggen]: Laten wij de boom met zijn vrucht te gronde richten, laten wij hem uit het land der levenden afhakken, zodat er aan zijn naam niet meer gedacht wordt.
zien we in Jeremia het ware Israël dat door de HEERE inzicht heeft gekregen in de boosheid van hun vijanden. Het is de Geest van Christus in hem en hen. Als het lam is hij een beeld van de Heer Jezus (Js 53:77Toen [betaling] geëist werd, werd Híj verdrukt,
maar Hij deed Zijn mond niet open.
Als een lam werd Hij ter slachting geleid;
als een schaap dat stom is voor zijn scheerders,
zo deed Hij Zijn mond niet open.
; Hd 8:3232De Schriftplaats nu die hij las was deze: ’Als een schaap werd Hij naar [de] slachting geleid, en zoals een lam stom is tegen zijn scheerder, zo doet Hij Zijn mond niet open.)
. Maar er is wel een onderscheid. De Heer Jezus is niet als een argeloos lam naar de slachtbank gegaan, maar in het volle besef van wat er met Hem zou gaan gebeuren (Jh 18:1,51Nadat Jezus dit gezegd had, ging Hij uit met Zijn discipelen over de beek Kedron, waar een tuin was die Hij met Zijn discipelen inging.5Zij antwoordden Hem: Jezus de Nazoreeër. Jezus zei tot hen: Ik ben het. En Judas, die Hem overleverde, stond ook bij hen.). Jeremia is in de boom met zijn vrucht een beeld van het trouwe overblijfsel van Gods volk (vers 16a16Een bladerrijke olijfboom, met welgevormde vruchten,
had de HEERE u als naam gegeven.
[Maar nu] heeft Hij onder het geluid van een groot gedruis
een vuur onder hem aangestoken,
zodat zijn takken gebroken zijn.
)
die de vijanden willen uitroeien en van wie ze de naam uitwissen (vers 19b19Ik was als een argeloos lam [dat] ter slachting wordt geleid, want ik wist niet dat zij tegen mij plannen bedachten, [door te zeggen]: Laten wij de boom met zijn vrucht te gronde richten, laten wij hem uit het land der levenden afhakken, zodat er aan zijn naam niet meer gedacht wordt.
)
.

De vijanden geven Jeremia met hun beschrijving van hem als een boom met vruchten – dat is zijn prediking – ongewild een prachtig getuigenis. Zo is ook in alle kwaad waarvan de vijanden van de Heer Jezus Hem beschuldigen Zijn volmaaktheid des te duidelijker gebleken. Jeremia wordt belaagd door mannen uit Anathoth, dus zijn stadgenoten (vers 2121Daarom, zo zegt de HEERE over de mannen van Anathoth die u naar het leven staan [en zeggen]: Profeteer niet in de Naam van de HEERE, opdat u niet door onze hand sterft.; Jr 1:11De woorden van Jeremia, de zoon van Hilkia, uit de priesters die in Anathoth waren, in het land van Benjamin.). Hij ervaart hetzelfde als wat de Heer Jezus heeft ervaren van de mensen van Nazareth, de stad waar Hij is opgegroeid (Lk 4:16,22-2416En Hij kwam in Nazareth waar Hij was opgevoed en ging naar Zijn gewoonte op de dag van de sabbat naar de synagoge en stond op om te lezen.22En allen gaven Hem getuigenis en verwonderden zich over de woorden van de genade die uit Zijn mond kwamen, en zeiden: Is Deze niet [de] Zoon van Jozef?23En Hij zei tot hen: Zeker zult u deze vergelijking tot Mij zeggen: Dokter, genees Uzelf; alles wat wij hebben gehoord dat in Kapernaüm is gebeurd, doe dat ook hier in Uw vaderstad.24Hij nu zei: Voorwaar, Ik zeg u, dat geen enkele profeet aangenaam is in zijn vaderstad.).

Als Jeremia door de HEERE is ingelicht over hun plannen, is zijn eerste reactie een roepen tot de HEERE. Hij roept Hem aan als “de HEERE van de legermachten, rechtvaardige Rechter” (vers 2020Maar, HEERE van de legermachten, rechtvaardige Rechter,
U Die de nieren en het hart beproeft,
laat mij Uw wraak aan hen zien,
want aan U heb ik mijn rechtszaak bekendgemaakt.
)
. Hij legt de zaak in de hand van de HEERE. Dat heeft de Heer Jezus ook gedaan (1Pt 2:23b23Die als Hij uitgescholden werd, niet terugschold, als Hij leed, niet dreigde, maar [Zich] overgaf aan Hem Die rechtvaardig oordeelt;). Hij weet dat de HEERE “de nieren en het hart beproeft”, dat wil zeggen het diepste innerlijk van ieder mens, dat Hij alle motieven en bedoelingen, alle gedachten en gevoelens kent en hen daarom kan oordelen (vgl. Op 2:23b23En haar kinderen zal Ik door [de] dood ombrengen, en alle gemeenten zullen weten dat Ik het ben Die nieren en harten doorzoek, en Ik zal u geven ieder naar uw werken.). Jeremia wreekt zichzelf niet, maar vraagt de HEERE om wraak te nemen voor het kwaad dat zijn vijanden hem willen aandoen. Hij verwacht dit ook van de HEERE, want met het oog daarop heeft hij Hem zijn zaak in handen gegeven.

Het is in overeenstemming met de geest van het Oude Testament en Gods regering dat Jeremia hier bidt voor de verdelging van deze vijanden van de HEERE. Het is hier niet de genade van het evangelie, maar de gerechtigheid van Gods regering (vgl. Op 6:1010En zij riepen met luider stem en zeiden: Tot hoelang, heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet aan hen die op de aarde wonen?). Voor ons past tegenover hen die ons onheil zoeken het gebed dat de Heer Jezus aan het kruis voor Zijn moordenaars bidt: “Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen” (Lk 23:34a34<Jezus nu zei: Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen.> En om Zijn kleren te verdelen wierpen zij het lot daarover.; vgl. Hd 7:6060En terwijl hij neerknielde, riep hij met luider stem: Heer, reken hun deze zonde niet toe. En toen hij dit gezegd had, ontsliep hij.).

De HEERE geeft hem antwoord (vers 2121Daarom, zo zegt de HEERE over de mannen van Anathoth die u naar het leven staan [en zeggen]: Profeteer niet in de Naam van de HEERE, opdat u niet door onze hand sterft.). Hij weet dat de vijanden van Jeremia hem naar het leven staan omdat hij tot hen heeft geprofeteerd in de Naam van de HEERE. Dat willen ze niet. Hij weet dat ze hebben gezegd dat zij hem zullen laten stoppen als hij niet zelf stopt. Zo willen ze in feite de HEERE de mond stoppen. In Zijn dienaar verwerpen ze Hem. Alsof Hij niet het recht heeft Zijn dienaren uit te kiezen en Zich te bemoeien met Zijn eigen zaken, dat wil zeggen met Zijn eigen volk.

Na de aanklacht volgt het vonnis, uitgesproken door “de HEERE van de legermachten” (vers 2222Daarom, zo zegt de HEERE van de legermachten: Zie, Ik ga hen straffen: de jongemannen zullen sterven door het zwaard [en] hun zonen en hun dochters zullen sterven van de honger.). Met Hem hebben ze door Jeremia te maken. De HEERE zal van de mannen van Anathoth allen oordelen die Jeremia naar het leven staan. De haat tegen Jeremia lijkt vooral in de jongere generatie aanwezig te zijn. Het gaat om de jongemannen en hun zonen en hun dochters. De jongemannen zullen door het zwaard omkomen en hun zonen en hun dochters door de honger. Dat er “geen overblijfsel van hen zal zijn” (vers 2323Er zal geen overblijfsel van hen zijn, want Ik zal onheil brengen over de mannen van Anathoth [in] het jaar van de vergelding aan hen.), slaat op allen die Jeremia naar het leven hebben gestaan (vers 2121Daarom, zo zegt de HEERE over de mannen van Anathoth die u naar het leven staan [en zeggen]: Profeteer niet in de Naam van de HEERE, opdat u niet door onze hand sterft.), want een aantal keert na de ballingschap terug naar Anathoth (Ea 2:2323de mannen van Anathoth: honderdachtentwintig;
)
.


Lees verder