Jeremia
1-3 Jeremia en zijn tijd 4-10 Roeping van Jeremia 11-12 Visioen van de amandeltak 13-16 Visioen van de kokende pot 17-19 Opdracht van de HEERE
Jeremia en zijn tijd

1De woorden van Jeremia, de zoon van Hilkia, uit de priesters die in Anathoth waren, in het land van Benjamin. 2Tot hem kwam het woord van de HEERE in de dagen van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda, in het dertiende jaar van zijn regering. 3Ook kwam het [tot hem] in de dagen van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, totdat het elfde jaar van Zedekia, de zoon van Josia, de koning van Juda, voorbij was [en] totdat Jeruzalem in de vijfde maand in ballingschap ging.

Wat we in dit boek lezen, zijn “de woorden van Jeremia”. Er zijn woorden die hij spreekt in de Naam van de HEERE, woorden die van de HEERE komen en die hij tot het volk moet spreken. Er zijn ook woorden die zijn persoonlijke gevoelens weergeven. In al zijn woorden horen we een man die leeft in nauwe gemeenschap met de HEERE.

De naam Jeremia (vers 11De woorden van Jeremia, de zoon van Hilkia, uit de priesters die in Anathoth waren, in het land van Benjamin.) betekent onder andere ‘de HEERE is verheven’. Dat laat hij zeker zien in de twee boeken die we van hem in de Bijbel hebben. De Heilige Geest leidt hem om de Naam ‘HEERE’ of ‘Heere’ ruim zevenhonderd keer in zijn profetie te gebruiken en nog ruim dertig keer in Klaagliederen.

Jeremia is “de zoon van Hilkia, uit de priesters die in Anatoth waren”. Hij is zeer waarschijnlijk een afstammeling van Eli en daarna van Abjathar, die ook in Anathoth heeft gewoond, maar die van het priesterschap is uitgesloten (1Kn 1:77Hij voerde overleg met Joab, de zoon van Zeruja, en met de priester Abjathar. Die hielpen mee en volgden Adonia.; 2:2626En tegen de priester Abjathar zei de koning: Ga naar Anathoth, naar uw akkers, want u bent een man des doods. Op deze dag zal ik u echter niet ter dood brengen, omdat u de ark van de Heere HEERE voor mijn vader David uit gedragen hebt, en omdat u in alles waarin mijn vader onderdrukt werd, [ook] onderdrukt werd.). Anathoth is een van de priestersteden (Jz 21:18-1918Anathoth met zijn weidegronden en Almon met zijn weidegronden: vier steden.19[Dit waren] al de steden van de nakomelingen van Aäron, van de priesters: dertien steden, met hun weidegronden.).

Hij spreekt in de dagen van Josia (vers 22Tot hem kwam het woord van de HEERE in de dagen van Josia, de zoon van Amon, de koning van Juda, in het dertiende jaar van zijn regering.), die in 639 v.Chr. koning is geworden. Josia is dan pas acht jaar. Hij is een Godvrezende koning. In het twaalfde jaar van zijn regering (627 v.Chr.), hij is dan twintig, begint hij zijn opruimingswerkzaamheden in Israël (2Kr 34:33In het achtste jaar van zijn regering, toen hij nog een jongeman was, begon hij de God van zijn vader David te zoeken. In het twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem van de [offer]hoogten, de gewijde palen, en de gesneden en de gegoten beelden te reinigen.). Een jaar later, in 626 v.Chr., Josia is dan dus eenentwintig, begint Jeremia zijn dienst. Hij is dan een jongeman van ongeveer twintig jaar oud en zal profeteren tot het elfde jaar van Zedekia, dat is ruim veertig jaar lang.

In het jaar dat Jeremia met profeteren begint, is Assyrië nog wel de heersende wereldmacht, maar begint dit rijk toch al te vervallen. Babel is de opkomende wereldmacht. Babel is de vijand uit het noorden. Over hem profeteert Jeremia als vijand van Gods volk, terwijl er in Gods volk een grote opwekking onder Josia aan de gang is. Over de opwekking onder Josia lezen we in 2 Koningen 22-23 en 2 Kronieken 34-35, dat is aan het einde van die boeken. De profetie van Jeremia maakt duidelijk dat voor het merendeel van Gods volk de opwekking slechts een uiterlijke zaak is. De harten blijven ver van God verwijderd.

Jeremia profeteert niet alleen tijdens de regering van de Godvrezende Josia, op wiens sympathie en bescherming hij kan rekenen. Hij profeteert “ook” tijdens de regering van de goddeloze koningen Jojakim, Joahaz, Jojachin en Zedekia (vers 33Ook kwam het [tot hem] in de dagen van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda, totdat het elfde jaar van Zedekia, de zoon van Josia, de koning van Juda, voorbij was [en] totdat Jeruzalem in de vijfde maand in ballingschap ging.). Zedekia is de laatste koning van Israël. In het elfde jaar van zijn regering (586 v.Chr.) wordt hij door de koning van Babel gevangengenomen en wordt Jeruzalem met vuur verbrand.

Jeremia profeteert “totdat Jeruzalem in de vijfde maand in ballingschap ging”, dat is totdat de grote gebeurtenis plaatsvindt die hij zo vaak heeft aangekondigd. Ook daarna heeft hij nog wel geprofeteerd (Jr 40:11Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia, nadat Nebuzaradan, de bevelhebber van de lijfwacht, hem uit Rama weg had laten gaan, toen hij hem [gevangen]genomen had, en hij in ketenen geboeid was te midden van alle ballingen uit Jeruzalem en Juda, die weggevoerd werden naar Babel.), maar het hoofdonderwerp van zijn profetie is het waarschuwen voor de ballingschap. Als die heeft plaatsgevonden, zit zijn profetische dienst ten aanzien van het volk erop.

Vanaf het dertiende jaar van Josia (626 v.Chr.), wanneer hij begint met profeteren, tot het elfde jaar van Zedekia (586 v.Chr.), wanneer Jeruzalem in ballingschap gaat, zijn precies veertig jaren. Er is op gewezen dat Mozes even lang als leraar bij het volk in de woestijn is geweest om het volk in het land te brengen als Jeremia als profeet bij het volk is om hen te waarschuwen voordat zij gedwongen worden het land uit te gaan om de woestijn van de volken in te gaan.


Roeping van Jeremia

4Het woord van de HEERE kwam tot mij:
5Voordat Ik u in de [moeder]schoot vormde, heb Ik u gekend;
voordat u uit de baarmoeder naar buiten kwam, heb Ik u geheiligd.
Ik heb u aangesteld tot een profeet voor de volken.
6Toen zei ik: Ach Heere HEERE, zie, ik kan niet spreken, want ik ben [nog maar] een jongen. 7Maar de HEERE zei tegen mij:
Zeg niet: Ik ben [nog maar] een jongen,
want overal waarheen Ik u zenden zal, zult u gaan,
en alles wat Ik u gebieden zal, zult u spreken.
8Wees niet bevreesd voor hen,
want Ik ben met u om u te redden,
spreekt de HEERE. 9Toen stak de HEERE Zijn hand uit en raakte mijn mond aan. En de HEERE zei tegen mij:
Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond.
10Zie, Ik stel u op deze dag aan
over de volken en over de koninkrijken,
om weg te rukken en af te breken,
om te vernielen en omver te halen,
[maar ook] om te bouwen en te planten.

Hoewel vers 44Het woord van de HEERE kwam tot mij:
een kort vers is, is wat erin staat het hart van de profetische ervaring. De roeping van Jeremia komt niet in een visioen, maar door het horen van het Goddelijke woord. Het is leerzaam om zijn roeping te vergelijken met die van Amos (Am 7:10-1710Toen stuurde Amazia, de priester van Bethel, [een bode] naar Jerobeam, de koning van Israël, om te zeggen: Amos heeft een samenzwering tegen u gesmeed in het midden van het huis van Israël. Het land zal aan al zijn woorden geen weerstand kunnen bieden.11Want dit heeft Amos gezegd: Jerobeam zal sterven door het zwaard, Israël zal zeker in ballingschap worden gevoerd, weg uit zijn land.12Daarop zei Amazia tegen Amos: Ziener, ga heen, vlucht naar het land van Juda! Eet daar [uw] brood en ga daar profeteren.13In Bethel mag u niet langer profeteren, want dat is het heiligdom van de koning, dat is het huis van het koninkrijk.14Toen antwoordde Amos en zei tegen Amazia: Ik ben geen profeet en ik ben geen profetenzoon, maar ik ben veehouder en moerbeikweker.15De HEERE haalde mij echter achter de kudde vandaan en de HEERE zei tegen mij: Ga heen, profeteer tegen Mijn volk Israël!16Nu dan, hoor het woord van de HEERE. U zegt: U mag niet profeteren tegen Israël, en: U mag [uw woorden] niet laten stromen tegen het huis van Izak!17Daarom, zo zegt de HEERE:
Uw vrouw zal in de stad hoererij bedrijven,
uw zonen en uw dochters zullen door het zwaard vallen,
en uw land zal met een meetsnoer verdeeld worden;
en ú zult sterven op onreine bodem,
en Israël zal zeker in ballingschap worden gevoerd,
weg uit zijn land.
)
, Jesaja (Js 6:1-101In het jaar dat koning Uzzia stierf, zag ik de Heere zitten op een hoge en verheven troon, en de zomen van Zijn [gewaad] vulden de tempel.2Serafs stonden boven Hem. Ieder had zes vleugels: met twee bedekte [ieder] zijn gezicht, met twee bedekte hij zijn voeten, en met twee vloog hij.
3De een riep tot de ander:
Heilig, heilig, heilig is de HEERE van de legermachten;
heel de aarde is vol van Zijn heerlijkheid!
4De deurpinnen in de drempels schudden door de stem van hem die riep, en het huis vulde zich met rook.5Toen zei ik:
Wee mij, want ik verga!
Ik ben immers een man met onreine lippen
en woon te midden van een volk met onreine lippen.
Mijn ogen hebben namelijk de Koning, de HEERE van de legermachten, gezien.
6Maar een van de serafs vloog naar mij toe, en hij had een gloeiende kool in zijn hand, [die] hij met een tang van het altaar had genomen.
7[Daarmee] raakte hij mijn mond aan en zei:
Zie, deze heeft uw lippen aangeraakt.
Zo is uw misdaad [van u] geweken en uw zonde verzoend.8Daarna hoorde ik de stem van de Heere. Hij zei: Wie zal Ik zenden? Wie zal er voor Ons gaan? Toen zei ik: Zie, hier ben ik, zend mij.9Toen zei Hij: Ga en zeg tegen dit volk:
Luister voortdurend, maar u zult [het] niet begrijpen.
Zie voortdurend, maar u zult [het] niet opmerken.
10Maak het hart van dit volk vet,
en stop hun oren toe, en sluit hun ogen;
anders zullen zij met hun ogen zien, en met hun oren horen,
en met hun hart begrijpen en zich bekeren, en zal Hij hen genezen.
)
en Ezechiël (Ez 1:1-31In het dertigste jaar, in de vierde [maand], op de vijfde van de maand, toen ik te midden van de ballingen aan de rivier de Kebar was, gebeurde het [dat] de hemel geopend werd en ik visioenen van God kreeg te zien.2Op de vijfde van de maand – het was het vijfde jaar van de ballingschap van koning Jojachin –3kwam het woord van de HEERE uitdrukkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën bij de rivier de Kebar, en de hand van de HEERE was daar op hem.; 2:1-81Hij zei tegen mij: Mensenkind, ga op uw voeten staan, en Ik zal met u spreken.2Terwijl Hij tot mij sprak, kwam de Geest in mij. Hij deed mij op mijn voeten staan en ik luisterde naar Hem Die tot mij sprak.3Hij zei tegen mij: Mensenkind, Ik zend u naar de Israëlieten, naar die opstandige volken, die tegen Mij in opstand zijn gekomen. Zij en hun vaderen hebben tot op deze zelfde dag tegen Mij overtreden.4En deze kinderen zijn schaamteloos en hardleers. Ik zend u naar hen toe. U moet tegen hen zeggen: Zo zegt de Heere HEERE.5En zij, of zij luisteren of [dat] niet doen – zij zijn immers een opstandig huis – zij zullen weten dat er een profeet in hun midden geweest is.6Maar u, mensenkind, wees niet bevreesd voor hen, wees niet bevreesd voor hun woorden, hoewel er prikkels en dorens bij u zijn en u bij schorpioenen verblijft. Wees niet bevreesd voor hun woorden en wees niet ontsteld voor hun blik, want zij zijn een opstandig huis!7Maar u moet Mijn woorden tot hen spreken, of zij luisteren of [dat] niet doen, want zij zijn opstandig!8Maar u, mensenkind, luister naar wat Ik tot u spreek. Wees niet opstandig, zoals dit opstandige huis. Doe uw mond open en eet wat Ik u geef.).

We kunnen in vers 55Voordat Ik u in de [moeder]schoot vormde, heb Ik u gekend;
voordat u uit de baarmoeder naar buiten kwam, heb Ik u geheiligd.
Ik heb u aangesteld tot een profeet voor de volken.
vier acties van God opmerken in de richting van Zijn profeet. God heeft hem
1. gekend,
2. gevormd,
3. geheiligd en
4. aangesteld.

Het is inderdaad bemoedigend voor Jeremia om te weten dat God specifiek hem heeft toegerust voor het uitvoeren van zijn opdracht. Het besef daarvan is niet louter kennis, maar het ervaren van een relatie (Am 3:2a2Alleen u heb Ik gekend
uit alle geslachten op de aarde.
Daarom zal Ik u vergelden
al uw ongerechtigheden.
)
. Gods aanspraak op zijn leven gaat vóór alle andere relaties, zoals we dat ook zien bij de volmaakte Knecht van de HEERE, de Heer Jezus (Js 49:1-51Luister naar Mij, kustlanden,
sla er acht op, volken van ver!
De HEERE heeft Mij geroepen van de [moeder]schoot af,
van de baarmoeder af heeft Hij Mijn Naam genoemd.
2Hij heeft Mijn mond gemaakt als een scherp zwaard,
in de schaduw van Zijn hand heeft Hij Mij verborgen.
Hij heeft Mij gemaakt tot een puntige pijl,
Hij heeft Mij in Zijn pijlkoker gestoken.
3Hij heeft tegen Mij gezegd: U bent Mijn Knecht,
Israël, in Wie Ik Mij zal verheerlijken.
4Ik, Ik zei: Voor niets heb Ik Mij vermoeid,
nutteloos en tevergeefs heb Ik Mijn kracht verbruikt.
Voorwaar, Mijn recht is bij de HEERE,
en Mijn arbeidsloon is bij Mijn God.
5En nu zegt de HEERE,
Die Zich Mij vanaf de [moeder]schoot tot Knecht heeft geformeerd
om Jakob tot Hem terug te brengen
– maar Israël zal zich niet laten verzamelen.
Niettemin zal Ik verheerlijkt worden in de ogen van de HEERE,
en Mijn God zal Mijn kracht zijn.
)
.

De wijding van Jeremia is dat hij apart is gezet zijn voor een bepaald geestelijk doel. Dat is heiliging. Hier zien we een bijbelse koppeling van Gods voorkennis en Zijn heiliging van de dienaar. Het is belangrijk ook de volgorde te zien:
1. Eerst door God gekend.
2. Daarna door Hem gevormd in de moederschoot (vgl. Ps 139:13-1613Want Ú hebt mijn nieren geschapen,
mij in de schoot van mijn moeder geweven.
14Ik loof U omdat ik ontzagwekkend wonderlijk gemaakt ben;
wonderlijk zijn Uw werken,
mijn ziel weet dat zeer goed.
15Mijn beenderen waren voor U niet verborgen,
toen ik in het verborgene gemaakt ben
[en] geborduurd werd in de laagste plaatsen van de aarde.
16Uw ogen hebben mijn ongevormd begin gezien,
en zij alle werden in Uw boek beschreven,
de dagen dat zij gevormd werden,
toen er nog niet één van hen bestond.
)
. De HEERE is daarom zijn rechtmatige Eigenaar Die hem kan gebruiken zoals het Hem goeddunkt.
3. Vervolgens heiligt Hij Jeremia, dat wil zeggen dat Hij hem apart stelt van alle andere Israëlieten.
4. Ten slotte horen we het doel van Gods voornemen en handelen en dat is hem aanstellen als profeet.

De nadruk ligt op het initiatief van God en de soevereiniteit van Zijn keus (vgl. Rm 9:2121Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem om uit dezelfde klomp te maken het ene vat tot eer en het andere tot oneer?). Waartoe God iemand heeft bestemd, daartoe roept Hij hem ook. We zien bij Johannes de doper hetzelfde als bij Jeremia. Ook Johannes is al vóór zijn geboorte geheiligd (Lk 1:13-1713De engel zei echter tot hem: Wees niet bang, Zacharia, want uw gebed is verhoord en uw vrouw Elizabeth zal u een zoon baren en u zult hem de naam Johannes geven.14En hij zal u tot blijdschap en vreugdegejuich zijn en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden.15Want hij zal groot zijn voor het aangezicht van <de> Heer, en wijn en sterke drank zal hij geenszins drinken, en hij zal met [de] Heilige Geest worden vervuld, al van [de] moederschoot af.16En hij zal velen van de zonen van Israël doen terugkeren tot [de] Heer, hun God.17En hij zal voor Hem uitgaan in [de] geest en [de] kracht van Elia, om [de] harten van [de] vaders te doen terugkeren tot [de] kinderen en [de] ongehoorzamen in [de] wijsheid van [de] rechtvaardigen, om [de] Heer een toegerust volk te bereiden.).

Jeremia is aangesteld “tot een profeet voor de volken”. Hij wordt benoemd tot een profeet met een wereldwijde bediening, zoals Paulus later de apostel van de volken zal zijn (Gl 1:15-16a15Maar toen het God, Die mij vanaf [de] schoot van mijn moeder afgezonderd en door Zijn genade geroepen heeft, behaagde16Zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem onder de volken verkondigde, ging ik terstond niet te rade met vlees en bloed,). Het houdt tevens in dat Israël in zekere zin ook tot de volken wordt gerekend. Dat is omdat het zich zozeer van de HEERE heeft afgekeerd dat het zich is gaan gedragen als de volken. Als ze zich daarvan naar Gods bedoeling afgezonderd zouden hebben gehouden, zouden ze er niet onder gerekend worden (Nm 23:9b9Want vanaf de top van de rotsen zie ik hem,
vanaf de heuvels neem ik hem waar;
zie, dat volk woont afgezonderd,
onder de heidenvolken rekent het zich niet.
)
.

Wat God hier van Jeremia zegt, geldt in beginsel voor iedere gelovige. Ieder kind van God is door Hem gekend (Gl 4:9a9en thans, nu u God kent, ja nog meer, nu u door God gekend bent, hoe wendt u zich weer tot de zwakke en arme elementen, die u weer opnieuw wilt dienen?) en wordt door Hem gevormd, geheiligd en ook aangesteld in een specifieke dienst. Kinderen van God gaan niet in de massa op, maar ieder kind van God mag zich realiseren dat de aandacht van God ook naar hem of haar persoonlijk uitgaat.

Jeremia kijkt naar zichzelf en beoordeelt zichzelf als niet geschikt voor die taak (vers 66Toen zei ik: Ach Heere HEERE, zie, ik kan niet spreken, want ik ben [nog maar] een jongen.). Eenzelfde reactie zien we bij Mozes (Ex 4:1010Toen zei Mozes tegen de HEERE: Och Heere, ik ben geen man van [veel] woorden. [Dat ben ik] sinds jaar en dag [al] niet, zelfs niet vanaf het ogenblik dat U tot Uw dienaar gesproken hebt, want ik spreek onduidelijk en moeizaam.) en Gideon (Ri 6:1515Maar hij zei tegen Hem: Och, mijn heer! Waarmee zal ik Israël verlossen? Zie, mijn geslacht is het armste in Manasse en ik ben de jongste in mijn familie.) als zij door de HEERE worden geroepen (vgl. 1Sm 3:15b15Samuel nu bleef tot aan de morgen liggen; toen deed hij de deuren van het huis van de HEERE open. Samuel was bevreesd dit visioen aan Eli te vertellen.). Mozes zegt ook dat hij niet kan spreken, maar de achtergrond bij hem is ongeloof. De HEERE zegt ook tegen Mozes dat Hij Zijn woorden in zijn mond zal leggen. Jeremia zegt dat hij te jong is. Het woord dat Jeremia gebruikt als hij zegt dat hij ‘jong’ is, is hetzelfde woord dat van Zacharia wordt gezegd (Zc 2:44En Hij zei tegen hem: Loop snel, spreek tot die jongeman en zeg:
Jeruzalem zal niet ommuurd blijven,
vanwege de veelheid aan mensen en dieren in haar midden.
)
.

De overeenkomst tussen Mozes, Gideon en Jeremia is dat zij zichzelf niet in staat achten om aan de opdracht te voldoen. De reden daarvan is dat ze naar zichzelf kijken en niet naar Hem Die hun de opdracht geeft. Het gaat niet om hem die wordt gezonden, maar om Hem Die zendt.

Jeremia is met zijn grote gevoeligheid de aangewezen persoon om profeet te zijn. Niemand kon beter dan hij in Gods gevoelens delen. Hij heeft een hart dat kan meevoelen met de veroordeelden. Weinig kon de jonge profeet op dit moment vermoeden hoe moeilijk, hopeloos en hartverscheurend zijn taak zou zijn.

Het antwoord van de HEERE betekent in feite dat Jeremia helemaal niet aan zichzelf moet denken (verzen 7-87Maar de HEERE zei tegen mij:
Zeg niet: Ik ben [nog maar] een jongen,
want overal waarheen Ik u zenden zal, zult u gaan,
en alles wat Ik u gebieden zal, zult u spreken.
8Wees niet bevreesd voor hen,
want Ik ben met u om u te redden,
spreekt de HEERE.
)
. Wat hij wel of niet kan, is van geen enkel belang. Belangrijk is alleen wat God kan en doet (vgl. 1Ko 3:77Dus is noch hij die plant iets, noch hij die begiet, maar God Die de groei geeft.). De dienaar moet slechts gehoorzamen.

God vergist Zich nooit in het kiezen van Zijn dienaren (vers 77Maar de HEERE zei tegen mij:
Zeg niet: Ik ben [nog maar] een jongen,
want overal waarheen Ik u zenden zal, zult u gaan,
en alles wat Ik u gebieden zal, zult u spreken.
)
. Hij voorziet allen die Hij roept van de kracht, de moed en de hulp die ze nodig hebben. Bovendien zal Gods belofte van Zijn aanwezigheid zijn angst verdrijven (vgl. Hg 1:1313Daarop sprak Haggaï, de bode van de HEERE, krachtens de boodschap van de HEERE tot het volk: Ik ben met u, spreekt de HEERE.). Het is niet de gewoonte van aardse vorsten om met hun gezanten mee te gaan. Maar God gaat mee met hen die Hij zendt en is bij hen (Hd 18:9-10a9De Heer nu zei ‘s nachts door een gezicht tot Paulus: Wees niet bang, maar spreek en zwijg niet,10want Ik ben met je, en niemand zal [de hand] aan je slaan om je kwaad te doen, want Ik heb veel volk in deze stad.).

De vrees van Jeremia is een andere oorzaak van zijn aarzeling (vers 88Wees niet bevreesd voor hen,
want Ik ben met u om u te redden,
spreekt de HEERE.
; vgl. Ez 3:99Uw voorhoofd zal Ik maken als diamant, harder dan steen. Wees niet bevreesd voor hen en wees niet ontsteld voor hun blik, want zij zijn een opstandig huis!)
. Hij zal genadeloos worden bestreden en vervolgd. Maar de HEERE zal hem beschermen tegen de aanvallen van zijn vijanden en hem de geestelijke moed geven die hij zo bijzonder nodig zal hebben. God voorziet in alle behoeften van hen die Hij in Zijn dienst roept (Fp 4:1919Maar mijn God zal in al uw behoefte voorzien naar Zijn rijkdom in heerlijkheid in Christus Jezus.).

Als een tastbaar bewijs dat de HEERE Jeremia de bevoegdheid voor zijn dienst geeft, raakt Hij zijn mond aan (vers 99Toen stak de HEERE Zijn hand uit en raakte mijn mond aan. En de HEERE zei tegen mij:
Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond.
; vgl. Js 6:77[Daarmee] raakte hij mijn mond aan en zei:
Zie, deze heeft uw lippen aangeraakt.
Zo is uw misdaad [van u] geweken en uw zonde verzoend.
)
. De vraag is niet of iemand goed of slecht kan spreken, maar of hij door God aangeraakte, dat wil zeggen geheiligde, lippen heeft. Die heeft Jeremia nu. Op deze manier wordt hij geïnspireerd om Gods waarheid te spreken en wordt hem de Goddelijke boodschap te kennen gegeven. Vanaf dit moment zullen de woorden van Jeremia echt Gods woorden zijn en zal hij feitelijk de spreekbuis van God zijn (vgl. Js 51:1616Ik leg Mijn woorden in uw mond,
en bedek u onder de schaduw van Mijn hand,
om de hemel te planten en de aarde te grondvesten,
om te zeggen tegen Sion: U bent Mijn volk.
; Ez 2:88Maar u, mensenkind, luister naar wat Ik tot u spreek. Wees niet opstandig, zoals dit opstandige huis. Doe uw mond open en eet wat Ik u geef.; 3:44Toen zei Hij tegen mij: Mensenkind, ga, begeef u naar het huis van Israël en spreek tot hen met Mijn woorden.; Ex 4:1212Nu dan, ga, Ik zal Zelf met uw mond zijn, en u leren wat u spreken moet.; Mt 10:1919Wanneer zij u echter overleveren, weest niet bezorgd hoe of wat u moet spreken, want het zal u op dat uur gegeven worden wat u moet spreken;; Lk 21:1515Want Ik zal u mond en wijsheid geven, die al uw tegenstanders niet zullen kunnen weerspreken of weerstaan.)
.

Later maakt God Zijn woorden tot vuur in de mond van Jeremia (Jr 5:1414Daarom, zo zegt de HEERE,
de God van de legermachten:
Omdat [u] dit woord spreekt,
zie, Ik ga Mijn woorden
in uw mond tot vuur maken
en dit volk [tot] hout,
zodat het hen zal verteren.
)
. Dat God hem Zijn woorden in de mond zal leggen, is iets wat Mozes zegt van de Profeet Die God in de toekomst zal zenden (Dt 18:1818Ik zal een Profeet voor hen doen opstaan uit het midden van hun broeders, zoals u. Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en alles wat Ik Hem gebied, zal Hij tot hen spreken.), dat is de Heer Jezus. Dit is opnieuw een bewijs dat Jeremia een beeld is van de Heer Jezus als de grote Profeet (vgl. Jh 12:4949Want Ik heb niet uit Mijzelf gesproken; maar de Vader Die Mij heeft gezonden, Die heeft Mij een gebod gegeven wat Ik zeggen en wat Ik spreken moet.).

Het wegrukken en afbreken is niet door een daad, met een zwaard, maar door Zijn woord (vers 1010Zie, Ik stel u op deze dag aan
over de volken en over de koninkrijken,
om weg te rukken en af te breken,
om te vernielen en omver te halen,
[maar ook] om te bouwen en te planten.
)
. Zijn woord is echter een woord dat werkt, dat iets doet, iets bewerkt. Zijn woord, Zijn spreken, is krachtig. Jeremia denkt van zichzelf dat hij maar een jongen is, maar God plaatst hem hier boven de koningen van de volken. Hij zal de opkomst en ondergang van wereldrijken en andere rijken aankondigen, niet door enig eigen gezag, maar als iemand die namens God spreekt.

De inhoud van de boodschap van Jeremia is een van de belangrijkste passages in het boek. Hij moet spreken over oordeel en verlatenheid, over omverwerping en verwoesting. Maar hoe groot en vreselijk Gods oordelen ook zijn, het zijn geen oordelen zonder barmhartigheid, want ze hebben als doel herstel, zegen en vernieuwing. Daarom moet Jeremia ook daarover spreken.

De doeleinden van God in de bediening van Jeremia zijn dan ook tweeledig: destructief (verwoestend) en constructief (opbouwend). Gods woord gaat gepaard met macht, zodat de profeet deze doelstellingen zal bereiken (Js 55:10-1110Want zoals regen of sneeuw
neerdaalt van de hemel
en daarheen niet terugkeert,
maar de aarde doorvochtigt
en maakt dat zij voortbrengt en doet opkomen,
zaad geeft aan de zaaier en brood aan de eter,
11zo zal Mijn woord zijn dat uit Mijn mond uitgaat:
het zal niet vruchteloos tot Mij terugkeren,
maar het zal doen wat Mij behaagt,
en het zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe Ik het zend.
)
. In de bediening van Jeremia ligt de nadruk ongetwijfeld op het destructieve element. Vier werkwoorden worden gebruikt om dit uit te drukken:
1. “Om weg te rukken en
2. af te breken,
3. om te vernielen en
4. omver te halen.”

Twee werkwoorden geven het constructieve en herstellende element aan:
1. “Om te bouwen en
2. te planten.”
In deze bezigheden zien we de profeet bezig als bouwer en als boer (vgl. 1Ko 3:6-106Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God heeft de groei gegeven.7Dus is noch hij die plant iets, noch hij die begiet, maar God Die de groei geeft.8En wie plant en wie begiet zijn een; maar ieder zal zijn eigen loon ontvangen naar zijn eigen arbeid.9Want Góds medearbeiders zijn wij, Góds akker, Góds gebouw bent u.10Naar de genade <van God> die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester [het] fundament gelegd en een ander bouwt erop. Maar laat ieder uitkijken hoe hij erop bouwt.).


Visioen van de amandeltak

11Het woord van de HEERE kwam tot mij: Wat ziet u, Jeremia? Ik zei: Ik zie een amandeltak. 12Toen zei de HEERE tegen mij: Dat hebt u goed gezien, want Ik waak over Mijn woord om dat te doen.

Dan geeft de HEERE in twee beelden twee bevestigingen van zijn roeping (verzen 11-1611Het woord van de HEERE kwam tot mij: Wat ziet u, Jeremia? Ik zei: Ik zie een amandeltak.12Toen zei de HEERE tegen mij: Dat hebt u goed gezien, want Ik waak over Mijn woord om dat te doen.13Het woord van de HEERE kwam voor de tweede keer tot mij: Wat ziet u daar? Ik zei: Ik zie een kokende pot en zijn open kant verschijnt vanuit het noorden.
14Toen zei de HEERE tegen mij:
Vanuit het noorden zal het onheil losbreken
over al de inwoners van het land.
15Want zie, Ik ga
alle geslachten van de koninkrijken uit het noorden roepen,
spreekt de HEERE.
Zij zullen komen en eenieder zal zijn troon neerzetten
[bij] de ingang van de poorten van Jeruzalem,
tegen al zijn muren rondom,
en tegen alle steden van Juda.
16Ik zal Mijn oordelen over hen uitspreken
vanwege al hun kwaad: dat zij Mij verlaten hebben
en reukoffers gebracht hebben aan andere goden,
en zich hebben neergebogen voor de werken van hun handen.
)
. Het zijn de eerste twee beelden van de vele beelden die we in dit boek hebben. Waarschijnlijk zijn ze hem getoond kort na zijn roeping. Beide visioenen zijn ongecompliceerd en worden toegelicht, beide hebben betrekking op oordeel. Een profeet moet om te spreken, behalve kunnen luisteren, ook kunnen zien. Een profeet moet ook een ‘ziener’ zijn.

Het eerste beeld is dat van een amandeltak (vers 1111Het woord van de HEERE kwam tot mij: Wat ziet u, Jeremia? Ik zei: Ik zie een amandeltak.). Jeremia ziet in een visioen het beeld van een amandeltak. Iemand als Jeremia, die Hebreeuws kent, begrijpt direct wat de betekenis is. Het is een woordspeling met het woord ‘waakzaam’, want het woord ‘amandel’ is in het Hebreeuws nagenoeg hetzelfde als ‘waakzaam’. Een amandeltak is ook een waakzame. Als het nog winter is, begint de amandeltak al te bloeien en geeft als het ware de boodschap dat de lente snel zal komen. De boom wordt in het Hebreeuws ook wel shekedh genoemd, een woord dat ‘de haastige boom’ betekent.

Zoals de amandeltak de boodschap inhoudt van de komende lente, houdt Gods Woord de boodschap van het komende oordeel in. De HEERE waakt over Zijn woord om het oordeel over Israëls zonden te brengen. Ook waakt Hij over Zijn woord om hen na het oordeel te zegenen (Jr 31:2828Dan zal het gebeuren, dat Ik ten aanzien van hen zal waken om te bouwen en te planten, zoals Ik ten aanzien van hen gewaakt heb om weg te rukken en af te breken, om omver te halen en te vernielen, en [hun] kwaad aan te doen, spreekt de HEERE.
)
.

Wat de vroegere profeten hebben gezegd, zal komen, het staat op het punt te gebeuren. Het oordeel staat voor de deur. God staat klaar om te handelen, omdat Hij de toestand in de wereld kent. De “tak”, maqqel, symboliseert hier oordeel dat spoedig over Israël zal komen (vgl. Hk 2:33Voorzeker, het visioen wacht nog op de vastgestelde tijd,
aan het einde zal Hij het werkelijkheid maken. Hij liegt niet.
Als Hij uitblijft, verwacht Hem,
want Hij komt zeker, Hij zal niet wegblijven.
)
. Dit oordeel zal komen door de Heer Jezus (vgl. Hb 10:3737Want nog een zeer korte tijd [en] ‘Hij Die komt, zal komen en niet uitblijven.).

De HEERE prijst Jeremia omdat hij goed heeft gekeken en een juist antwoord geeft. Hij heeft een ‘haastige boom’ gezien. God verklaart daarop dat Hij wakker is om Zijn woord spoedig te vervullen en daarvoor direct aan werk gaat (vers 1212Toen zei de HEERE tegen mij: Dat hebt u goed gezien, want Ik waak over Mijn woord om dat te doen.). Jeremia zal profeteren en de vervulling ervan zelf meemaken.


Visioen van de kokende pot

13Het woord van de HEERE kwam voor de tweede keer tot mij: Wat ziet u daar? Ik zei: Ik zie een kokende pot en zijn open kant verschijnt vanuit het noorden.
14Toen zei de HEERE tegen mij:
Vanuit het noorden zal het onheil losbreken
over al de inwoners van het land.
15Want zie, Ik ga
alle geslachten van de koninkrijken uit het noorden roepen,
spreekt de HEERE.
Zij zullen komen en eenieder zal zijn troon neerzetten
[bij] de ingang van de poorten van Jeruzalem,
tegen al zijn muren rondom,
en tegen alle steden van Juda.
16Ik zal Mijn oordelen over hen uitspreken
vanwege al hun kwaad: dat zij Mij verlaten hebben
en reukoffers gebracht hebben aan andere goden,
en zich hebben neergebogen voor de werken van hun handen.

Het woord van de HEERE komt “voor de tweede keer” tot Jeremia (vers 1313Het woord van de HEERE kwam voor de tweede keer tot mij: Wat ziet u daar? Ik zei: Ik zie een kokende pot en zijn open kant verschijnt vanuit het noorden.
)
. Dat er sprake is van een ‘tweede keer’, toont aan dat het eerste en het tweede visioen nauw met elkaar verbonden zijn. Het eerste gaat over de tijd van het vonnis, het tweede over de richting en de aard van de komende ramp. Weer vraagt de HEERE wat Jeremia ziet. Zijn antwoord is: “Een kokende pot.”

Dat kan alleen maar rampspoed betekenen (vgl. Ez 11:33zij die zeggen: Voorlopig [moeten wij] geen huizen bouwen. Deze [stad] is de pot en wij zijn het vlees.; Mi 3:33Ja, zij zijn het
die het vlees van Mijn volk eten,
hun huid van hen afstropen,
hun beenderen breken,
ze uiteenleggen als in een pot,
als vlees midden in een ketel.
)
. Het gaat hier om Babel, de grote vijand uit het noorden. Hoewel Babel ten oosten van Juda ligt, zullen haar legers – zoals alle legers uit Azië – Palestina vanuit het noorden binnenvallen vanwege de onbegaanbare Arabische woestijn. Hier wordt deze grote vijand uit het noorden voor de eerste keer genoemd.

In de kokende pot zullen de ongehoorzamen van Gods volk worden geworpen. De pot is te vergelijken met de vurige oven van Egypte (Gn 15:1717En het gebeurde dat de zon onderging en het donker werd; en zie, er was een rokende oven en een brandende fakkel, die tussen de stukken van de dieren doorging.), waar Israël zo hevig en zo lang verdrukt is geweest. Nebukadnezar, de koning van Babel, zal de nieuwe verdrukker zijn. Het ziet ook op de verre toekomst, wanneer de volken tegen Jeruzalem ten strijde trekken (Zc 14:1-21Zie, er komt een dag voor de HEERE waarop de buit, [op] u [behaald], in uw midden zal worden verdeeld.2Dan zal Ik alle heidenvolken verzamelen voor de strijd tegen Jeruzalem. De stad zal ingenomen worden, de huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen verkracht worden. De helft van de stad zal in ballingschap wegtrekken, maar het overige van het volk zal niet uitgeroeid worden uit de stad.).

De HEERE verklaart het visioen (vers 1414Toen zei de HEERE tegen mij:
Vanuit het noorden zal het onheil losbreken
over al de inwoners van het land.
)
. De kokende pot, die met zijn open kant vanuit het noorden verschijnt, stelt het onheil voor dat over het hele land van Juda zal worden uitgegoten. In kokende toorn zullen de legers van de koning van Babel over het land komen. Die invasie zal uitmonden in een overwinning voor de vijand. Jeremia ziet het hier in een visioen gebeuren.

In werkelijkheid wordt van de macht van Babel nog niets gezien en zal het nog veertig jaar duren voordat de vervulling van dit visioen zal plaatsvinden. Maar gebeuren zal het, want de HEERE zal Babel Zelf uit het noorden roepen om tegen Zijn volk op te trekken (vers 1515Want zie, Ik ga
alle geslachten van de koninkrijken uit het noorden roepen,
spreekt de HEERE.
Zij zullen komen en eenieder zal zijn troon neerzetten
[bij] de ingang van de poorten van Jeruzalem,
tegen al zijn muren rondom,
en tegen alle steden van Juda.
)
. De legers van Nebukadnezar zullen komen en Jeruzalem overweldigen. Zijn vorsten zullen hun tronen neerzetten voor de poorten van de stad (Jr 39:33Toen kwamen alle vorsten van de koning van Babel naar binnen en zij vatten post bij de Middenpoort, [namelijk] Nergal-Sarezer, Samgar-Nebu, Sarsechim, de bevelhebber van de hofhouding, Nergal-Sarezer, de rab-mag, en al de overige vorsten van de koning van Babel.). De poort is de plaats van de publieke zaken, waar recht wordt gesproken (Ru 4:1-101Intussen ging Boaz naar de poort en ging daar zitten. En zie, de losser over wie Boaz gesproken had, kwam voorbij. Toen zei hij: Kom [eens] hier [en] ga hier zitten, u [daar], hoe u ook heet. En hij kwam daarheen en ging zitten.2En hij haalde tien mannen uit de oudsten van de stad, en zei: Gaat u hier zitten. En zij gingen zitten.3Toen zei hij tegen de losser: Het stuk land dat van onze broeder Elimelech was, heeft Naomi, die uit het land Moab teruggekomen is, verkocht.4En ík heb gezegd: Ik zal het u ter ore doen komen door te zeggen: Koop het, in aanwezigheid van de inwoners en in aanwezigheid van de oudsten van mijn volk. Als u het wilt lossen, los het. En als u het niet wilt lossen, vertel het mij dan, zodat ik het weet. Want er is niemand om het te lossen, behalve u, en ik na u. Toen zei hij: Ik zal het lossen.5Maar Boaz zei: Op de dag dat u het land van de hand van Naomi koopt, koopt u het ook van Ruth, de Moabitische, de vrouw van de gestorvene, om de naam van de gestorvene over zijn erfelijk bezit in stand te houden.6Toen zei de losser: Ik kan het voor mij niet lossen, anders zou ik mijn erfelijk bezit te gronde richten. Neemt ú voor uw rekening wat ik zou moeten lossen, want ik kan [het] niet lossen.7Nu was het vroeger in Israël bij lossing en bij ruil [de gewoonte] om de hele zaak te bevestigen: iemand trok zijn schoen uit en gaf die aan zijn naaste; en dit diende als bewijs in Israël.8Dus zei de losser tegen Boaz: Koopt u het voor uzelf. En hij trok zijn schoen uit.9Toen zei Boaz tegen de oudsten en heel het volk: U bent vandaag getuigen dat ik van de hand van Naomi alles gekocht heb wat van Elimelech geweest is, en alles wat van Chiljon en Machlon geweest is.10Daarbij neem ik voor mijzelf Ruth, de Moabitische, de vrouw van Machlon, tot vrouw om de naam van de gestorvene over zijn erfelijk bezit in stand te houden, opdat de naam van de gestorvene niet zal worden uitgewist onder zijn broeders en in de poort van zijn [woon]plaats. U bent vandaag getuigen.). Als de vijand daar heerst, betekent dat de volledige onderwerping van de stad. De muren zullen geen enkele bescherming bieden. Wat voor Jeruzalem geldt, geldt voor alle steden van Juda.

Vanaf het begin van zijn bediening is Jeremia een prediker van oordeel. Zoals Jesaja spreekt over de verlossing van de HEERE, Ezechiël over de heerlijkheid van de HEERE en Daniël over het koninkrijk van de HEERE, zo verkondigt Jeremia onophoudelijk het oordeel van de HEERE (vers 1616Ik zal Mijn oordelen over hen uitspreken
vanwege al hun kwaad: dat zij Mij verlaten hebben
en reukoffers gebracht hebben aan andere goden,
en zich hebben neergebogen voor de werken van hun handen.
)
. De oorzaak van de oordelen, “al hun kwaad”, die de HEERE over Juda uitspreekt – en Jeremia moet die aan heel het land doorgeven –, kent drie onderdelen, namelijk
1. “dat zij Mij verlaten hebben en
2. reukoffers gebracht hebben aan andere goden, en
3. zich hebben neergebogen voor de werken van hun handen.”

Het verlaten van de HEERE opent de deur naar elke vorm van afgoderij, dat is de aanbidding van iets of iemand anders dan van Hem. Het brengen van reukoffers aan andere goden is in wezen eerbetoon brengen aan demonen (1Ko 10:2020[Nee], maar dat wat <de volken> offeren, zij dat aan [de] demonen <offeren> en niet aan God; en ik wil niet, dat u gemeenschap hebt met de demonen.). De afgoden zelf zijn niet anders dan werken van hun handen, stukken goud of zilver of hout of steen. De dwaasheid van het neerknielen voor een stukje materie zal door Jeremia nog sarcastisch onder de aandacht van het volk worden gebracht (Jr 10:1-161Hoor het woord dat de HEERE tot u spreekt, huis van Israël.2Zo zegt de HEERE:
U mag u de weg van de heidenvolken niet aanleren,
en u niet ontstellen door de tekenen aan de hemel,
omdat de heidenvolken zich daardoor ontstellen.
3Want de gebruiken van die volken zijn onzinnig:
het is immers een stuk hout, [iemand] heeft het uit het bos gekapt,
vakwerk met de bijl.
4Met zilver en met goud maken ze het mooi,
met spijkers en met hamers zetten ze het vast,
zodat het niet kan wiebelen.
5Ze zijn als een vogelverschrikker op een komkommerveld, want spreken kunnen ze niet.
Ze moeten helemaal gedragen worden, want ze kunnen geen stap verzetten.
Wees niet bevreesd voor hen, want kwaad kunnen ze niet doen,
maar ook goeddoen is er bij hen niet bij.6Niemand, HEERE, is U gelijk,
groot bent U en groot is Uw Naam in sterkte.
7Wie zou U niet vrezen, Koning van de heidenvolken?
Want [dat] komt U toe.
Immers, onder al de wijzen van de heidenvolken
en in heel hun koninkrijk is niemand U gelijk.
8In één ding zijn zij toch dom en dwaas:
onderwijs in onzinnigheid, hout is het!
9Geplet zilver wordt uit Tarsis gebracht en goud uit Ufaz;
werk van een vakman, en van de handen van een edelsmid
– blauwpurper en roodpurper is hun gewaad –
alles is het werk van kundige [mensen].
10De HEERE God is echter de Waarheid,
Hij is de levende God, een eeuwig Koning.
Voor Zijn grote toorn beeft de aarde,
de heidenvolken kunnen Zijn gramschap niet verdragen.
11Dit moet u tegen hen zeggen:
De goden die de hemel en de aarde niet gemaakt hebben,
die zullen van de aarde en van onder deze hemel vergaan.
12Hij maakte de aarde door Zijn kracht,
grondvestte de wereld door Zijn wijsheid,
Hij heeft de hemel door Zijn inzicht uitgespannen.
13Als Hij Zijn stem laat klinken, [dan] is er gedruis van wateren aan de hemel.
Hij doet dampen opstijgen van het einde van de aarde.
Hij heeft bliksemflitsen bij de regen gemaakt.
De wind brengt Hij uit Zijn schatkamers tevoorschijn.
14Ieder mens is dom geworden, zonder kennis,
elke edelsmid is beschaamd over [zijn] beeld.
Zijn gegoten beeld is immers bedrog:
er zit in hen geen adem.
15Nietig zijn zij,
bespottelijk werk,
ten tijde van hun vergelding zullen zij vergaan.
16[Maar] het Deel van Jakob is niet als zij,
want Hij is Formeerder van alles,
en Israël is de stam [die] Zijn eigendom is,
HEERE van de legermachten is Zijn Naam.
)
.


Opdracht van de HEERE

17U dan, omgord uw middel,
sta op en spreek tot hen
alles wat Ík u gebieden zal.
Wees niet ontsteld vanwege hen, anders zal Ík u ontsteld doen zijn voor hen.
18Want zie, Ík stel u
heden aan tot een versterkte stad,
tot een ijzeren pilaar en tot bronzen muren,
tegen heel het land,
tegen de koningen van Juda, tegen zijn vorsten,
tegen zijn priesters en tegen de bevolking van het land.
19Zij zullen tegen u strijden, maar zij zullen niet tegen u op kunnen,
want Ik ben met u, spreekt de HEERE, om u te redden.

In deze laatste verzen van het hoofdstuk wordt Jeremia sterk bemoedigd voor zijn zware taak. Hij heeft dat nodig omdat zijn boodschap niet welkom en ook niet populair voor zijn volk zal zijn. Om zijn plichten te vervullen zal niets minder voldoen dan absolute toewijding aan God en volkomen vertrouwen op Zijn kracht (vers 1717U dan, omgord uw middel,
sta op en spreek tot hen
alles wat Ík u gebieden zal.
Wees niet ontsteld vanwege hen, anders zal Ík u ontsteld doen zijn voor hen.
)
. Hij moet zijn middel omgorden. Dat betekent dat hij tot dienst bereid moet zijn en dat niets hem daarbij mag hinderen.

Vervolgens moet hij opstaan, dat is de positie van dienstbaarheid innemen. Zo moet hij tot het volk spreken. Daarbij mag hij niets achterhouden, maar hij moet “alles” zeggen (vgl. Hd 20:2727want ik heb niet nagelaten u de hele raad van God te verkondigen.). Elk woord van God is belangrijk. Hij mag er ook niets aan veranderen, er geen eigen woorden voor gebruiken, woorden die misschien wat aangenamer klinken, maar moet spreken wat de HEERE hem “gebieden zal”.

Hij mag ook geen enkele angst hebben voor hen tot wie hij moet spreken. Dat zou betekenen dat hij zich door mensenvrees zou laten weerhouden om aan Gods opdracht te voldoen. Als dat het geval zou zijn, zou hij met God Zelf te maken krijgen, Die Zich dan tegen hem zou keren. Dat zou een afgang voor hem betekenen tegenover het volk tot wie hij gezonden wordt. De vreze van de HEERE is het beste middel tegen mensenvrees.

De HEERE bemoedigt hem vervolgens met de toezegging dat Hij hem “heden”, dat wil zeggen met onmiddellijke ingang, tot een drievoudige sterkte zal maken:
1. “tot een versterkte stad,
2. tot een ijzeren pilaar en
3. tot bronzen muren” (vers 1818Want zie, Ík stel u
heden aan tot een versterkte stad,
tot een ijzeren pilaar en tot bronzen muren,
tegen heel het land,
tegen de koningen van Juda, tegen zijn vorsten,
tegen zijn priesters en tegen de bevolking van het land.
)
.
Dat zal hij nodig hebben om zijn boodschap aan “heel het land” te brengen. De HEERE wijst hem op de vier bevolkingsgroepen van ‘heel het land’: “de koningen Juda”, “zijn vorsten”, “zijn priesters” en “de bevolking van het land”.

Zoals hij geen woord mag achterhouden van wat de HEERE hem gebiedt te spreken, zo mag hij ook geen bevolkingsgroep vergeten of ontzien die de HEERE hier opnoemt. Zijn boodschap zal hem geen vrienden opleveren. Ze zullen allemaal op het ene of het andere moment tegen hem zijn. Wie houdt er nu van een prediker van het oordeel (vgl. 2Tm 4:3-43Want er zal een tijd zijn dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar naar hun eigen begeerten voor zichzelf leraars zullen verzamelen, om zich het gehoor te laten strelen;4en zij zullen het oor van de waarheid afkeren en zich tot de fabels wenden.)?

Toch is deze ene man sterker dan al zijn vijanden samen. Het geheim van geestelijke overwinning wordt in vers 1919Zij zullen tegen u strijden, maar zij zullen niet tegen u op kunnen,
want Ik ben met u, spreekt de HEERE, om u te redden.
gegeven. Hij mag erop vertrouwen dat de HEERE met hem is en dat hij met Hem onoverwinnelijk zal zijn. In zijn donkerste uren zullen deze woorden hem mentaal, emotioneel en geestelijk ondersteunen. De woorden “om u te redden” houden in dat Jeremia een zware dienst zal hebben. De Heer Jezus zegt ook tegen ons om ons te bemoedigen in de dienst die wij hebben: “En zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de eeuw” (Mt 28:2020En zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de eeuw.).

Jeremia moet vanaf het begin leren op de HEERE te vertrouwen. Hij mag verzekerd zijn van onoverwinnelijkheid op voorwaarde van geloof in de HEERE, Die groter en sterker is dan welke macht ook. Hij heeft uiteindelijk de overhand over al zijn vijanden. De profetieën die Jeremia zal uitspreken, zullen ook allemaal uitkomen. Dan zal hij ook in andere zin ‘gered’ worden, namelijk van valse aanklachten. Het zal blijken dat hij een ware profeet van de HEERE is.


Lees verder