Genesis
1-3 God zegent Noach 4-7 Het bloed 8-11 Gods verbond met Noach 12-17 Het teken van het verbond 18-23 Noach bedrinkt zich; de reactie van zijn zonen 24-27 Vervloeking en zegen 28-29 En hij stierf
God zegent Noach

1Toen zegende God Noach en zijn zonen en Hij zei tegen hen: Wees vruchtbaar, word talrijk en vervul de aarde! 2Vrees en schrik voor u zal er zijn bij alle dieren van de aarde en bij alle vogels in de lucht, bij alles wat over de aardbodem kruipt en bij alle vissen in de zee; zij zijn in uw hand gegeven. 3Alles wat zich beweegt, waarin leven is, zal u tot voedsel dienen; Ik heb het u allemaal gegeven, evenals het groene gewas.

Noach bevindt zich op een gereinigde, vernieuwde aarde (Ps 104:30b30Zendt U Uw Geest uit, [dan] worden zij geschapen
en vernieuwt U het gelaat van de aardbodem.
)
. Hij heeft een offer gebracht. Op grond van dit offer zegent God Noach en zijn zonen. Zegenen is goed van iemand spreken, iemand het goede toewensen. God verzekert hun van Zijn welwillendheid voor hen en van Zijn genadevolle bedoelingen met hen. Alle beloften van God om het goede te geven vloeien voort uit Zijn voornemens van liefde en de raad van Zijn wil (Ef 1:1111in Hem, in Wie wij ook erfgenamen zijn geworden, waartoe wij tevoren bestemd waren naar [het] voornemen van Hem Die alles werkt naar de raad van Zijn wil,; Jr 29:1111Ik immers, Ik ken de gedachten die Ik over u koester, spreekt de HEERE. Het zijn gedachten van vrede en niet van kwaad, [namelijk] om u toekomst en hoop te geven.).

Noach krijgt dezelfde opdracht als Adam om vruchtbaar te zijn en de aarde te vervullen (Gn 1:2828En God zegende hen en God zei tegen hen: Wees vruchtbaar, word talrijk, vervul de aarde en onderwerp haar, en heers over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht en over al de dieren die over de aarde kruipen!). Net als Adam krijgt hij ook de heerschappij over de dieren (Gn 1:26,2826En God zei: Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en laten zij heersen over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht, over het vee, over heel de aarde en over al de kruipende dieren die over de aarde kruipen!28En God zegende hen en God zei tegen hen: Wees vruchtbaar, word talrijk, vervul de aarde en onderwerp haar, en heers over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht en over al de dieren die over de aarde kruipen!). Maar er komt een element bij dat er in het geval van Adam niet was en dat is “vrees en schrik” voor de mens bij alle dieren van de aarde en bij alle vogels in de lucht, bij alles wat over de aardbodem kruipt en bij alle vissen in de zee”. Dit is het gevolg van de zonde.

Een ander nieuw element is dat aan de mens de dieren tot voedsel worden gegeven. Dat houdt een geestelijke les in: Het leven van de mens is gegrond op het zich voeden met de dood van een Ander (Jh 6:51b51Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; als iemand van dit brood eet, zal hij leven tot in eeuwigheid. En het brood dat Ik zal geven, is Mijn vlees <dat Ik zal geven> voor het leven van de wereld.). Wie dit gelooft, heeft eeuwig leven (Jh 6:5454Wie Mijn vlees eet en Mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven, en Ik zal hem opwekken op de laatste dag.).

Wie uit overtuiging vegetariër is; dat wil zeggen bewust geen vlees eten om geen dier te hoeven doden, hangt (onbewust?) een leer van demonen aan: De Geest nu zegt uitdrukkelijk, dat in [de] latere tijden sommigen van het geloof zullen afvallen, terwijl zij zich zullen bezighouden met verleidende geesten en leringen van demonen die in huichelarij leugen spreken en hun eigen geweten hebben dichtgeschroeid. Zij verbieden te trouwen [en gebieden] zich van voedsel te onthouden, dat God geschapen heeft om met dankzegging te worden genuttigd door hen die geloven en de waarheid kennen” (1Tm 4:1-31De Geest nu zegt uitdrukkelijk, dat in [de] latere tijden sommigen van het geloof zullen afvallen, terwijl zij zich zullen bezighouden met verleidende geesten en leringen van demonen2die in huichelarij leugen spreken en hun eigen geweten hebben dichtgeschroeid.3Zij verbieden te trouwen [en gebieden] zich van voedsel te onthouden, dat God geschapen heeft om met dankzegging te worden genuttigd door hen die geloven en de waarheid kennen.). Alles is goed en niets is verwerpelijk van wat uit de hand van God komt en ons wordt gegeven om ons mee te voeden (1Tm 4:44Want al [het] door God geschapene is goed en niets is verwerpelijk als het met dankzegging wordt genomen,).


Het bloed

4Maar vlees met zijn leven, zijn bloed, [er nog in] mag u niet eten. 5Voorzeker, Ik zal vergelding eisen voor uw bloed, voor uw levens. Van de hand van alle dieren zal Ik vergelding eisen; ook van de hand van de mens, van de hand van ieders broeder, zal Ik vergelding eisen voor het leven van de mens.
6Vergiet iemand het bloed van de mens,
door de mens zal diens bloed vergoten worden;
want naar het beeld van God
heeft Hij de mens gemaakt.
7Wat u betreft, wees vruchtbaar en word talrijk;
breid u overvloedig uit op de aarde, en word talrijk daarop.

God weidt uit over het bloed. Hij stelt hier duidelijk dat het bloed het leven voorstelt: “Het leven van het vlees is in het bloed” (Lv 17:1111Want het leven van het vlees is in het bloed, en Ik heb dat Zelf voor u op het altaar gegeven om voor uw leven verzoening te doen. Want het is het bloed dat door middel van het leven verzoening bewerkt.) en daarop heeft Hij alleen het recht. Dat recht geeft Hij nooit op. Daarom geldt het verbod om bloed te eten – bloedworst valt ook onder dit verbod! – nog steeds (Hd 15:2929u te onthouden van wat aan de afgoden is geofferd, van [het] bloed, van [het] verstikte en van [de] hoererij. Als u zich daarvoor in acht neemt, zult u wél doen. Vaarwel!’).

Ook geeft God de opdracht aan de mens om iemand die een ander doodt zelf ook te doden. God voorzegt hiermee dat er opnieuw geweld zal worden gepleegd. Hij weet dat het hart van de mens niet veranderd is en ziet tot welke daden de mens weer zal vervallen. Met het oog op het bloedvergieten zegt God dat wie dat doet, diens bloed ook moet vloeien door de hand van een mens. Dit geldt ook voor het geval dat een dier een mens doodt, wat later ook in de wet wordt vastgelegd (Ex 21:2828En wanneer een rund een man of een vrouw [zó] stoot dat deze sterft, moet het rund zeker gestenigd worden en mag zijn vlees niet worden gegeten. De eigenaar van het rund gaat echter vrijuit.).

Met de opdracht en het recht om bloedvergieten te vergelden legt God iets van Zichzelf (Ps 9:13a13Want Hij eist vergelding voor vergoten bloed, Hij denkt daaraan,
Hij vergeet het hulpgeroep van de ellendigen niet.
; 2Kr 24:2222Koning Joas herinnerde zich het gunstbewijs dat zijn vader Jojada aan hem bewezen had, niet, maar doodde zijn zoon, die toen hij stierf, zei: Moge de HEERE [het] zien en vergelding eisen!)
in handen van – daartoe bevoegde – mensen (Rm 13:11Elke ziel zij aan [de] over haar gestelde overheden onderdanig; want er is geen overheid dan door God, en die er zijn, zijn door God ingesteld.). Hij doet dat omdat wie zich aan een mens vergrijpt, zich vergrijpt aan Zijn beelddrager. Hij doet dat tevens om het kwaad te beteugelen, zodat zich geen toestanden meer ontwikkelen als die waardoor de zondvloed noodzakelijk werd: een aarde vol van geweld (Gn 6:1111Maar de aarde was verdorven voor Gods aangezicht en de aarde was vol met geweld.). Hier vinden we de instelling van de overheid, die de zwaardmacht krijgt (Rm 13:44want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar als u het kwade doet, vrees dan; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf voor hem die het kwade bedrijft.). Het meest kenmerkende van de overheid is het oordelen van het kwaad.

Als moord als een krenking en schending van het beeld van God in de mens met de dood moet worden bestraft, is het duidelijk dat deze straf niet door iedere willekeurige mens kan worden uitgeoefend. Het is alleen toegestaan aan hen die Gods recht en majesteit op aarde vertegenwoordigen, dat zijn de door Hem ingestelde overheden. Deze vertegenwoordigers worden veelzeggend ook “goden” genoemd (Ps 82:1-2,61Een psalm van Asaf.
God staat in de vergadering van God,
Hij oordeelt te midden van de goden:
2Hoelang zult u onrechtvaardig oordelen
en de goddelozen bevoordelen? /Sela/
6Ík heb [wel] gezegd: U bent goden,
u bent allen zonen van de Allerhoogste;
)
.

Nu God vanwege de aangeboren zondigheid van de mens niet meer dreigt met een verdelgingsoordeel, moet er op een andere manier een dam worden opgeworpen tegen het kwaad. Dat gebeurt door het instellen van regels en geboden, waarop de overheid moet toezien dat ze worden gehandhaafd en waar de overheid bij overtreding moet straffen.


Gods verbond met Noach

8En God zei tegen Noach en zijn zonen met hem: 9En Ik, zie, Ik maak Mijn verbond met u, met uw nageslacht na u, 10en met alle levende wezens die bij u zijn: de vogels, het vee en alle dieren van de aarde met u; van alles wat uit de ark is gegaan, tot alle dieren van de aarde toe. 11Ik maak Mijn verbond met u, dat niet meer alle vlees door het water van een vloed zal worden uitgeroeid, en dat er geen vloed meer zal zijn om de aarde te gronde te richten.

God sluit een verbond, niet alleen met Noach, maar ook met heel diens nageslacht en met heel de schepping. Dit verbond maakt duidelijk hoe groot voor God de waarde van het leven van de mens is. Het leven is heilig en behoort God toe. Het is ook een algemeen verbond, want het betreft heel het nageslacht van Noach en alle levende wezens.

Bij dit verbond is er geen sprake van verplichtingen voor Noach en zijn nageslacht. God neemt alle verplichtingen op Zich om dit verbond te houden. Het is een eenzijdig verbond. De grondslag is het offer. Wanneer er weer wolken verschijnen, hoeft de mens niet bang te zijn voor een nieuwe zondvloed (Js 54:99Want dit zal voor Mij zijn [als bij] de wateren van Noach,
toen Ik zwoer
dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden komen;
zo heb Ik gezworen
dat Ik niet meer op u toornen zal en u niet meer bestraffen zal.
)
.


Het teken van het verbond

12En God zei: Dit is het teken van het verbond dat Ik geef tussen Mij en u, en alle levende wezens die bij u zijn, [alle] generaties door [tot] in eeuwigheid: 13Mijn boog heb Ik in de wolken gegeven; die zal dienen als teken van het verbond tussen Mij en de aarde. 14Het zal gebeuren, als Ik wolken boven de aarde breng en de boog in de wolken gezien wordt, 15dat Ik aan Mijn verbond zal denken, dat er is tussen Mij en u en alle levende wezens van alle vlees. Het water zal niet meer tot een vloed worden om alle vlees te gronde te richten. 16Als deze boog in de wolken is, zal Ik hem zien, en aan het eeuwig verbond denken tussen God en alle levende wezens van alle vlees dat op de aarde is. 17God zei dus tegen Noach: Dit is het teken van het verbond dat Ik gemaakt heb tussen Mij en alle vlees dat op de aarde is.

De (regen)boog in de wolken is het voor de hele schepping zichtbare bewijs van Gods trouw aan Zijn verbond. Niet alleen de mens ziet de boog, ook God ziet hem. Hij denkt dan aan Zijn verbond. De boog houdt ook de belofte in dat God na de oordelen zegent.

Daarom zien we in Openbaring 4 de boog terug (Op 4:2-32Terstond kwam ik in [de] Geest; en zie een troon stond in de hemel en er zat Iemand op de troon;3en Die daarop zat, was van aanzien een jaspis- en sardiussteen gelijk; en rondom de troon was een regenboog, van aanzien een smaragd gelijk;). In het boek Openbaring barsten vanaf Openbaring 6 de oordelen over de wereld, Israël en de christenheid los. Maar voor de getrouwen geeft het zien van de boog al aan het begin de belofte van zegen na de oordelen. Dat vervult hen met hoop. Daarom doen ze een beroep op God en roepen tot Hem: “Denk in [Uw] toorn aan ontferming!” (Hk 3:2b2HEERE, [toen] ik Uw tijding hoorde,
heb ik gevreesd.
HEERE, Uw werk, behoud het in het leven in het midden van de jaren,
maak [het] bekend in het midden van de jaren.
Denk in [Uw] toorn aan ontferming!
)
.

De boog is een beeld van de Heer Jezus. Alleen door Hem is er zegen mogelijk. Alleen door Hem zegent God waar en wanneer dan ook. Die zegen is alleen voor hen die door het geloof met Hem verbonden zijn. De mens ziet de boog, God ziet de boog. God wenst dat de mens dezelfde gedachten krijgt bij het zien van de boog als die Hij heeft. De boog bewerkt dan gemeenschap tussen de mens en God.


Noach bedrinkt zich; de reactie van zijn zonen

18En de zonen van Noach, die uit de ark gingen, waren Sem, Cham en Jafeth; Cham is de vader van Kanaän. 19Deze drie waren de zonen van Noach; en uit hen is heel de aarde bevolkt. 20En Noach werd landbouwer en plantte een wijngaard. 21Hij dronk van de wijn en werd dronken; en hij ontkleedde zich midden in zijn tent. 22En Cham, de vader van Kanaän, zag de naaktheid van zijn vader en vertelde het aan zijn beide broers buiten. 23Toen namen Sem en Jafeth een kleed, legden het op hun beider schouders, liepen achteruit en bedekten de naaktheid van hun vader, met het gezicht afgewend, zodat zij de naaktheid van hun vader niet zagen.

De zonen van Noach worden genoemd omdat zij de kiem zijn van de nieuwe aarde. Uit hen ontwikkelt het mensengeslacht zich in drie richtingen. Van hen stammen alle toekomstige geslachten en volken af. Eén volk wordt bij name genoemd: de Kanaänieten, van wie Cham de vader is.

De aarde is wel gereinigd, maar de mens is niet veranderd. Na de zegen is er het falen van Noach. Zo is het altijd gegaan in de geschiedenis van de mens. We zien het bij Adam in het begin en hier bij Noach. Later zien we dat na het instellen van het priesterschap de zonen van Aäron falen (Lv 10:1-31De zonen van Aäron, Nadab en Abihu, namen beiden hun wierookschaal, deden vuur daarin, legden reukwerk daarop en brachten vreemd vuur voor het aangezicht van de HEERE, wat Hij hun niet geboden had.2Toen ging een vuur uit van het aangezicht van de HEERE, en verteerde hen, zodat zij stierven voor het aangezicht van de HEERE.3En Mozes zei tegen Aäron: Dit is wat de HEERE gesproken heeft: In hen die tot Mij naderen, zal Ik geheiligd worden, en voor [de ogen van] heel het volk zal Ik geëerd worden. Maar Aäron zweeg.) en na het aanstellen van een koning, koning Saul, faalt deze. Met de gemeente is het niet anders gegaan (Openbaring 2-3).

Noach, die het gezag over de schepping heeft gekregen, heeft geen gezag over zichzelf. Hij gebruikt de zegen van de aarde voor eigen genot, de zegen neemt bezit van hem. Is dat niet wat vaak gebeurt, ook bij ons, christenen? Liefde voor de drank sleept de voormalige prediker van de gerechtigheid (2Pt 2:55en als Hij [de] oude wereld niet gespaard, maar Noach, een prediker van [de] gerechtigheid, een van de acht, behoed heeft toen Hij [de] zondvloed over [de] wereld van [de] goddelozen bracht;) in het slijk. Noach kan de weelde van de nieuwe aarde niet aan. Hij gaat zich eraan te buiten en zo wordt zijn naaktheid openbaar.

Het is ermee als met de gemeente te Laodicéa. Die vindt zichzelf ook zo geweldig goed en gezegend. Maar zegen los van God, zegen die misbruikt wordt tot eigen genot, heeft naaktheid tot gevolg. Daarom zegt de Heer Jezus tegen die gemeente: ‘Jullie zijn naakt!’ (Op 3:1717Omdat u zegt: Ik ben rijk en verrijkt en heb aan niets gebrek, en u weet niet dat u de ellendige, jammerlijke, arme, blinde en naakte bent,).

De zonde van Noach is de aanleiding tot het falen van Cham. Dat is een ernstige les voor iedere vader. Cham komt ertoe zijn vader bespottelijk te maken bij zijn broers. Dat blijkt uit het verband. Het gaat er niet om de zonde van Noach goed te praten – die is niet goed te praten –, maar voor de zoon mag het falen van zijn vader geen reden zijn hem te bespotten. Dit is een belangrijk beginsel in een tijd waarin het ouderlijk gezag vaak wordt ondermijnd. Ouders zijn niet volmaakt, ze maken fouten. Toch zegt de Schrift: “Eer uw vader en uw moeder” (Ef 6:22‘Eer uw vader en uw moeder’, – dit is het eerste gebod met een belofte:).

De twee andere zonen behandelen hun falende, naakte vader met het nodige respect. Niet alleen willen zij zelf die naaktheid niet zien, maar zij zorgen er ook voor dat niemand anders haar ziet. Zij gebruiken de mantel als het ware als een mantel van de liefde die zij over het gebrek van hun vader heen werpen, iets wat een voorbeeld voor ons is in ons omgaan met het kwaad van anderen (1Pt 4:88Vóór alles, hebt vurige liefde tot elkaar, want liefde bedekt een menigte van zonden.).


Vervloeking en zegen

24Toen ontwaakte Noach uit zijn roes en kwam hij te weten wat zijn jongste zoon hem aangedaan had.
25Hij zei:
Vervloekt is Kanaän!
Laat hij voor zijn broers een dienaar van dienaren zijn!
26Ook zei hij:
Gezegend is de HEERE, de God van Sem!
Laat Kanaän een dienaar voor hem zijn!
27Laat God Jafeth uitbreiden en laat hij in de tenten van Sem wonen!
En laat Kanaän voor hem een dienaar zijn!

Noach vervloekt Cham in diens zoon Kanaän (Gn 10:66De zonen van Cham zijn: Cusj, Mitsraïm, Put en Kanaän.) en zegent Sem en Jafeth. De bijzondere vloek is dat Kanaän “een dienaar van dienaren” voor zijn broers zal zijn, dat is de allerlaagste dienaar. We zien dit in vervulling gaan onder andere bij de overwinningen die Israël over hen behaalt, wanneer zij het land Kanaän veroveren (Ri 1:28,30,33,3528Toen Israël echter sterker werd, gebeurde het dat het de Kanaänieten herendienst oplegde, maar het verdreef hen niet helemaal.30Zebulon heeft de inwoners van Kitron en de inwoners van Nahalol niet verdreven. De Kanaänieten bleven te midden van hen wonen en werden tot herendienst [gedwongen].33Naftali heeft de inwoners van Beth-Semes en de inwoners van Beth-Anath niet verdreven. Zij bleven te midden van de Kanaänieten wonen, de bewoners van het land. De inwoners van Beth-Semes en Beth-Anath werden echter tot herendienst voor hen [gedwongen].35Verder wilden de Amorieten in Har-Heres, in Ajalon en in Saälbim blijven wonen. De hand van het huis van Jozef drukte echter zwaar op hen en zij werden tot herendienst [gedwongen].), ongeveer achthonderd jaar hierna.

Niet Cham zelf wordt vervloekt. Cham is samen met zijn broers door God gezegend (vers 11Toen zegende God Noach en zijn zonen en Hij zei tegen hen: Wees vruchtbaar, word talrijk en vervul de aarde!) en Noach zal dat niet ongedaan maken. Hier wordt de zonde van de vader bezocht aan de kinderen (Ex 20:5-65U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HEERE, uw God, ben een na-ijverig God, Die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, aan het derde en vierde [geslacht] van hen die Mij haten,6maar Die barmhartigheid doet aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden in acht nemen.), hoewel de straf op de zonde door de kinderen tegelijk ook zelf wordt verdiend.

De immoraliteit van Cham komt in zijn nakomelingen, de Kanaänieten, tot uiting. Israël wordt er later voor gewaarschuwd zich niet op die wijze te gedragen: U mag de gebruiken van het land Egypte waarin u gewoond hebt, niet navolgen, en [ook] de gebruiken van het land Kanaän, waar Ik u naar toe breng, mag u niet navolgen. U mag niet in hun verordeningen gaan” (Lv 18:33U mag de gebruiken van het land Egypte waarin u gewoond hebt, niet navolgen, en [ook] de gebruiken van het land Kanaän, waar Ik u naar toe breng, mag u niet navolgen. U mag niet in hun verordeningen gaan.). In het vrederijk zal de vloek over Kanaän zijn volle vervulling vinden (Zc 14:21b21Ja, al de potten in Jeruzalem en in Juda zullen voor de HEERE van de legermachten heilig zijn, zodat allen die willen offeren, zullen komen en ervan nemen om erin te koken. Op die dag zal er geen Kanaäniet meer zijn in het huis van de HEERE van de legermachten.).

De profetie van Noach bevat in enkele woorden de loop van de wereldgeschiedenis. In Genesis 10 zien we er een nadere invulling van. Daar hebben we de geslachtsregisters van de zonen van Noach uit wie de hele wereldbevolking is voortgekomen (vers 1919Deze drie waren de zonen van Noach; en uit hen is heel de aarde bevolkt.).

God wordt hier “de God van Sem” genoemd. Niet eerder is God op die manier met een mens verbonden. Later wordt Hij ook genoemd ‘de God van Abraham, Izak en Jakob’. Dat betekent dat Jafeth en Cham hun zegen zullen moeten zoeken bij Sem, want bij hem is God (Zc 8:2323Zo zegt de HEERE van de legermachten: In die dagen [zal het gebeuren] dat tien mannen uit alle talen van de heidenvolken, vastgrijpen, ja, de punt [van de mantel] van een Joodse man zullen zij vastgrijpen, en zeggen: Wij gaan met u mee, want wij hebben gehoord [dat] God met u is.).


En hij stierf

28En Noach leefde na de vloed driehonderdvijftig jaar. 29Zo waren al de dagen van Noach negenhonderdvijftig jaar; en hij stierf.

De geschiedenis van Noach eindigt met de vermelding van de leeftijd die hij heeft bereikt en de mededeling van zijn dood. Noach heeft in zijn leven twee werelden gezien: een oude wereld vóór de zondvloed en een nieuwe wereld erna. Omdat hij “door [het] geloof … de wereld veroordeelde en een erfgenaam werd van de gerechtigheid die naar [het] geloof is” (Hb 11:77Door [het] geloof heeft Noach, toen hij een Goddelijke aanwijzing ontvangen had over de dingen die nog niet gezien werden, eerbiedig een ark gereed gemaakt tot behoudenis van zijn huis, waardoor hij de wereld veroordeelde en een erfgenaam werd van de gerechtigheid die naar [het] geloof is.), is hij gestorven in het geloof dat hij in de opstanding deel zal hebben aan een wereld die beter is dan die beide.


Lees verder