Genesis
1-2 Jakob roept zijn zonen bij zich 3-4 Ruben 5-7 Simeon en Levi 8-12 Juda 13 Zebulon 14-15 Issaschar 16-18 Dan en de verlossing 19 Gad 20 Aser 21 Naftali 22-26 Jozef 27 Benjamin 28 Elke stam een eigen zegen 29-33 Jakob sterft
Jakob roept zijn zonen bij zich

1Daarop riep Jakob zijn zonen en zei:
Verzamel jullie, dan maak ik jullie bekend
wat jullie in later tijd overkomen zal.
2Kom bijeen en luister, zonen van Jakob,
luister naar Israël, jullie vader.

Uit de woorden van Jakob blijkt dat dit hoofdstuk profetisch van karakter is. Hij gaat zijn zonen vertellen wat hun “in later tijd overkomen zal”, of beter: “in het laatst van de dagen overkomen zal”. Het is de geschiedenis van het volk Israël in de eindtijd. Jakob roept zijn zonen zowel in vers 11Daarop riep Jakob zijn zonen en zei:
Verzamel jullie, dan maak ik jullie bekend
wat jullie in later tijd overkomen zal.
als in vers 22Kom bijeen en luister, zonen van Jakob,
luister naar Israël, jullie vader.
op om te komen en te luisteren. Hij eist hun volle aandacht. Dat geeft wel aan hoe belangrijk het is wat hij te vertellen heeft.

Hij spreekt zijn zonen aan als “zonen van Jakob” en hij spreekt hen toe als “Israël, jullie vader”. Hij kent zijn zonen in hun gedrag, het gedrag dat hij ook zo vaak heeft vertoond. Hij heeft echter geleerd door zijn worsteling met God en de overwinning die hij heeft behaald, waaraan hij zijn naam ‘Israël’ te danken heeft. Hij spreekt als een vader die ten slotte een overwinnaar geworden is. In die kracht gaat hij zijn zonen vertellen hoe het in de toekomst met hen zal gaan.


Ruben

3Ruben, jij bent mijn eerstgeborene,
mijn kracht en de eerste [vrucht] van mijn mannelijkheid,
de voortreffelijkste in hoogheid
en de voortreffelijkste in sterkte.
4Onstuimig als het water [als je bent],
zul je niet de voortreffelijkste zijn,
want je bent het bed van je vader ingeklommen,
[en] toen heb je [het] geschonden.
Hij is mijn sponde ingeklommen!

Ruben (betekent ‘zie, een zoon’) is de oudste zoon. Tot hem richt Jakob het eerst het woord. Eerst meet Jakob de zegeningen breed uit die Ruben als eerstgeborene ten deel zijn gevallen. Op hem heeft Jakob eerst zijn natuurlijke verwachting gevestigd, maar hij is bedrogen uitgekomen in zijn verwachting. Ruben weet zijn begeerten niet te beheersen en gaat zich in wellust te buiten aan de vrouw van zijn vader (Gn 35:2222En het gebeurde, toen Israël in dat land woonde, dat Ruben ging en met Bilha sliep, de bijvrouw van zijn vader; en Israël kwam dat te weten. Jakob had twaalf zonen.). De hoge positie van Ruben maakt zijn val des te dieper. Hij verspeelt zijn eerstgeboorterecht.

Jakob herinnert aan dit voorval dat ongeveer veertig jaar geleden plaats heeft gevonden. Elke zonde, ook de zonde van seksuele aard, kan vergeven worden. Maar vooral de zonde van overspel en hoererij blijft vaak als onuitwisbare vlek aan iemands leven kleven (Sp 6:32-3332Wie met een vrouw overspel pleegt, is zonder verstand.
Wie dat doet, richt zijn ziel te gronde.
33Plaag en schande zal hij vinden
en zijn smaad zal niet uitgewist worden,
)
.

Hoeveel is er al door gelovigen aan zegen verspeeld door de vrije teugel te geven aan seksueel kwaad! De zegen van de eerstgeborene is onder andere kracht, een hoge positie (aanzien) en veel vermogen (een dubbel deel). Het is allemaal verdwenen door de uitbarsting van zijn ontembare natuur. In Ruben zien we het verderf van de mens. Ruben houdt zijn rechten als zoon, maar hij raakt het voorrecht van de eerstgeboren zoon kwijt.

Zo heeft het volk Israël de zegen verspeeld door zijn verdorven natuur de vrije loop te laten. Ze hebben zich als volk niet aan God gestoord en zijn de lusten van hun vlees gevolgd. Ze hebben God de rug toegekeerd en zich verbonden aan de afgoden.


Simeon en Levi

5Simeon en Levi zijn broers,
hun wapens zijn werktuigen van geweld.
6Laat mijn ziel niet in hun geheim overleg komen,
en mijn eer niet aan hun bijeenkomst deelnemen;
want in hun woede hebben zij mannen doodgeslagen;
en in hun moedwil hebben zij runderen de pezen doorgesneden.
7Vervloekt zij hun woede, want die is hevig,
en hun verbolgenheid, want die is hard.
Ik zal hen verdelen over Jakob
en hen verspreiden in Israël.

Jakob heeft een woord over Simeon (betekent ‘verhoring’) en Levi (betekent ‘aanhechting’). Na de zonde van Ruben, waarin het kenmerk van verderf te zien is, spreekt Jakob over de zonde van zijn twee volgende zonen. Daarin komt een ander kenmerk van de zonde naar voren: geweld. Jakob doelt op het geweld van Simeon en Levi in Genesis 34. Hij neemt duidelijk afstand van de handelwijze van zijn zonen.

Hij spreekt niet tegen hen, maar over hen ten aanhoren van al zijn zonen. Allen, ook wij, moeten ervan leren. Deze twee zijn broeders in het kwaad geweest. Jakob verwerpt elke verbinding met hen. Hij wil niet in hun denken betrokken worden. In zulk gezelschap wil Jakob niet zijn, en ook wij horen er niet (Ps 1:11Welzalig de man
die niet wandelt in de raad van de goddelozen,
die niet staat op de weg van de zondaars,
die niet zit op de zetel van de spotters,
)
.

Hij neemt zijn kinderen niet in bescherming en praat hun zonde niet goed, maar noemt die bij de naam. Hij vervloekt hun toorn en grimmigheid, niet hen persoonlijk. De gevolgen van hun handelwijze blijven niet uit (Gl 6:7-87Dwaalt niet, God laat Zich niet bespotten. Want wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten.8Want wie voor zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderf oogsten; maar wie voor de Geest zaait, zal uit de Geest eeuwig leven oogsten.). In plaats van samen te blijven – ze zijn samen geweest in het kwaad – zullen ze verdeeld en verstrooid worden onder Israël.

Van Simeon als stam zal niet veel overblijven (Nm 1:2323zij die geteld waren uit de stam Simeon: negenenvijftigduizend driehonderd.; 26:1414Dit waren de geslachten van de Simeonieten: tweeëntwintigduizend tweehonderd.; Jz 19:1-91Het tweede lot kwam uit op Simeon, op de stam van de nakomelingen van Simeon, naar hun geslachten. En hun erfelijk bezit lag te midden van het erfelijk bezit van de nakomelingen van Juda.2En zij hadden in hun erfelijk bezit: Berseba, Seba en Molada;3Hazar-Sual, Bala en Azem;4Eltholad, Bethul en Horma;5Ziklag, Beth-Hammerchaboth en Hazar-Suza;6Beth-Lebaoth en Saruhen: dertien steden met hun dorpen;7Ain, Rimmon, Ether en Asan: vier steden met hun dorpen;8en alle dorpen die rondom deze steden lagen, tot Baälath-Beër, [dat is] Ramath van het zuiden. Dit is het erfelijk bezit van de stam van de nakomelingen van Simeon, naar hun geslachten.9Het erfelijk bezit van de nakomelingen van Simeon [lag] binnen het gebied van de nakomelingen van Juda, want het erfelijk bezit van de nakomelingen van Juda was te groot voor hen. Te midden van hun erfelijk bezit ontvingen de nakomelingen van Simeon daarom erfelijk bezit.). Ze zullen in het land grotendeels te midden van Juda wonen. De verstrooiing van Levi wordt door de genade van God veranderd in een zegen. Door hun verstrooiing komen ze te midden van het hele volk, waardoor ze het hele volk onderwijs kunnen geven uit Gods wetten.


Juda

8Juda, jij bent het,
jou zullen je broers loven!
Je hand zal rusten op de nek van je vijanden;
voor jou zullen de zonen van je vader zich neerbuigen.
9Juda is een leeuwenwelp;
van [je] prooi ben je opgestaan, mijn zoon.
Hij heeft zich gekromd, zich als een leeuw neergelegd,
als een leeuwin; wie zal hem doen opstaan?
10De scepter zal van Juda niet wijken
en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten,
totdat Silo komt,
en Hem zullen de volken gehoorzamen.
11Hij bindt zijn jonge ezel aan de wijnstok
en het veulen van zijn ezelin aan de edelste wijnstok;
hij wast zijn kleren in wijn
en zijn gewaad in druivenbloed.
12Zijn ogen zijn donker door de wijn
en zijn tanden wit door de melk.

Over Juda (betekent ‘lof’) spreekt Jakob op een heel andere toon dan over zijn oudste drie zonen. Hij vermeldt over Juda alleen prijzenswaardige dingen, een grote tegenstelling met de eerste drie zonen. Dat komt omdat de toekomst van Juda ten nauwste verbonden is met de Messias, Die uit Juda zal voortkomen. We kunnen Juda zelf hier als een type van de Heer Jezus als de Messias zien. Daarom ook wijdt Jakob meer woorden aan hem dan aan de andere zonen – met uitzondering van Jozef, om dezelfde reden. Al zijn broers zullen hem loven, hij zal de eerste plaats innemen die zijn oudste broer heeft verspeeld. Zo neemt Christus de eerste plaats in te midden van Zijn broeders (Rm 8:2929Want hen die Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij [de] Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders.; Hb 2:1212‘Ik zal Uw Naam aan Mijn broeders verkondigen, in [het] midden van [de] gemeente zal Ik U lofzingen’.).

Juda heeft de vijanden overwonnen. Daarom loven zijn broers hem. Zijn zegevierende kracht komt in het beeld van de leeuw duidelijk naar voren. Christus is “de Leeuw uit de stam van Juda” (Op 5:55En een van de oudsten zei tegen mij: Ween niet, zie, de Leeuw uit de stam van Juda, de Wortel van David, heeft overwonnen om het boek en zijn zeven zegels te openen.). De heerschappij van Juda zal niet tijdelijk, maar eeuwig zijn: zijn scepter of heersersstaf zal niet wijken. Als Silo (betekent ‘rustbrenger’ of ‘vredestichter’) komt, dat wil zeggen als de Heer Jezus als Messias komt, zal zijn heerschappij zijn hoogtepunt bereiken. Dan zullen zelfs volken hem gehoorzaam zijn. Dat zal in het vrederijk gebeuren.

Het tafereel met de ezel (vers 11a11Hij bindt zijn jonge ezel aan de wijnstok
en het veulen van zijn ezelin aan de edelste wijnstok;
hij wast zijn kleren in wijn
en zijn gewaad in druivenbloed.
)
doet denken aan de intocht van de Heer Jezus in Jeruzalem, waar die tijd als het ware even wordt beleefd: Verheug u zeer, dochter van Sion! Juich, dochter van Jeruzalem! Zie, uw Koning zal tot u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland, arm, en rijdend op een ezel, op een ezelsveulen, het jong van een ezelin” (Zc 9:99Verheug u zeer, dochter van Sion!
Juich, dochter van Jeruzalem!
Zie, uw Koning zal tot u komen,
rechtvaardig, en Hij is een Heiland,
arm, en rijdend op een ezel,
op een ezelsveulen, het jong van een ezelin.
)
. Die tijd zelf zal gekenmerkt worden door een overvloed van vreugde (waarvan de wijn een beeld is), een kenmerk van het vrederijk (Js 25:66De HEERE van de legermachten zal
op deze berg voor alle volken
een feestmaal met uitgelezen gerechten aanrichten,
een feestmaal met gerijpte wijnen,
met uitgelezen gerechten vol merg,
met gezuiverde gerijpte wijnen.
)
.

De zegen van Juda wordt afgesloten met een beschrijving van de persoonlijke heerlijkheid van de Heer Jezus (vers 1212Zijn ogen zijn donker door de wijn
en zijn tanden wit door de melk.
; vgl. Hl 5:10-1610Mijn Liefste is blank en rood,
Hij steekt als een vaandel boven tienduizend uit.
11Zijn hoofd is van fijn goud, van zuiver goud,
Zijn haarlokken zijn krullend, zwart als een raaf.12Zijn ogen zijn als duiven
bij waterstromen,
badend in melk,
zittend bij een volle bron.
13Zijn wangen zijn als een bed met specerijen,
als torentjes met kruiden.
Zijn lippen zijn als lelies
druipend van vloeiende mirre.14Zijn handen zijn als gouden ringen,
ingezet met turkoois.
Zijn buik is als blinkend ivoor,
bedekt met saffieren.
15Zijn benen zijn als witmarmeren pilaren,
gegrondvest op voetstukken van zuiver goud.
Zijn gedaante is als de Libanon,
uitgelezen als de ceders.
16Zijn gehemelte is een en al zoetheid,
alles aan Hem is geheel en al begeerlijk.
Zo is mijn Liefste, ja, zo is mijn Vriend,
dochters van Jeruzalem!
)
.


Zebulon

13Zebulon zal aan de zeekust wonen,
ja, hij zal wonen aan de kust, [bij] de schepen,
en zijn zijde zal naar Sidon [gericht] zijn.

Over Zebulon (betekent ‘woning’) persoonlijk spreekt Jakob geen woord. Hij zegt alleen waar Zebulon zal wonen. We moeten wat Jakob over Zebulon zegt, plaatsen in het profetisch perspectief dat Jakob volgens vers 11Daarop riep Jakob zijn zonen en zei:
Verzamel jullie, dan maak ik jullie bekend
wat jullie in later tijd overkomen zal.
voor ogen heeft. Na het falen van de oudste drie zonen, komt in Juda de Messias in beeld. De heerschappij is Hem gegeven. Maar wanneer Hij komt, wordt Hij verworpen en Israël wordt verstrooid onder de volken. Dat wordt in beeld in Zebulon voorgesteld. De zee is een beeld van de volken (Js 17:12-1312Wee, het rumoer van vele volken,
ze razen als het razen van de zee;
en [wee], het gedruis van natiën,
zij maken een gedruis als het bruisen van geweldige wateren.
13Al maken de natiën een gedruis als het bruisen van machtige wateren,
Hij bestraft het,
en ze vluchten, ver weg;
het wordt opgejaagd vóór de wind uit als kaf op de bergen,
vóór de wervelwind uit als werveldistels.
; Op 17:1515En hij zei tegen mij: de wateren die u hebt gezien, waarop de hoer zit, zijn volken en menigten en naties en talen.)
.

Israël is onder de naties verstrooid, daarmee drijft het volk handel (“schepen”), daarop richt het zich (“naar Sidon [gericht]”, Js 23:22Zwijg, bewoners van de kuststreek!
De kooplieden van Sidon,
die de zee bevaren, hebben u welvaart gebracht.
). In dit lot van Zebulon, en van Israël in zijn geheel, zal een omkeer komen. Die omkeer is in zekere zin gekomen, wanneer de Heer Jezus daar gaat wonen (Mt 4:12-1612Toen Hij nu had gehoord dat Johannes was overgeleverd, vertrok Hij naar Galiléa;13en Hij verliet Nazareth en kwam in Kapernaüm wonen dat aan de zee ligt, in het gebied van Zebulon en Nafthali,14opdat vervuld werd wat gesproken is door de profeet Jesaja, die zei:15‘Land Zebulon en land Nafthali, aan [de] weg van [de] zee, over de Jordaan, Galiléa van de volken:16het volk dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien, en voor hen die zaten in [het] land en [de] schaduw van [de] dood, hun is een licht opgegaan’.). Zebulon wordt ook door Mattheüs verbonden met de volken. Door de komst van de Heer Jezus is er zegen voor Israël én de volken gekomen. De zegen voor Israël is uitgesteld door de verwerping van de Heer, maar zal zeker komen wanneer Hij de tweede keer verschijnt.


Issaschar

14Issaschar is een ezel met sterke beenderen,
die tussen twee lasten ligt.
15Toen hij de rust zag, dat die goed was,
en het land, dat het lieflijk was,
boog hij zijn schouders om te dragen
en verrichtte slaafse herendienst.

Wat Jakob over Issaschar (betekent ‘loon’) zegt, typeert deze zoon als iemand die gemak en voordeel zoekt, maar daar wel een prijs voor moet betalen. Zo is het met Israël na de verwerping van de Heer Jezus. Israël is gaan wonen bij de zee, de volken (Zebulon). Daarbij is het echter niet gebleven. Het volk is afhankelijk van de volken geworden. Ze zijn een lastdier geworden, ze zijn er slaven van (Ne 9:3636Zie, vandaag zijn wij slaven, en het land dat U aan onze vaderen hebt gegeven om de vrucht en het goede daarvan te eten, zie, wij zijn slaven daarin.), terwijl het Gods bedoeling is dat de volken hun slaven zijn (Dt 28:1,131En het zal gebeuren, als u de stem van de HEERE, uw God, nauwgezet gehoorzaam bent, door al Zijn geboden, die ik u heden gebied, nauwlettend in acht te nemen, dat de HEERE, uw God, u dan [een plaats] zal geven hoog boven alle volken van de aarde.13De HEERE zal u tot een hoofd maken en niet tot een staart, en u zult uitsluitend omhoog gaan en niet omlaag, als u gehoorzaam bent aan de geboden van de HEERE, uw God, waarvan ik u heden gebied [dat u ze] in acht neemt en houdt,).


Dan en de verlossing

16Dan zal over zijn volk rechtspreken,
als een van de stammen van Israël.
17Dan zal een slang zijn op de weg,
een adder op het pad,
die in de hielen van het paard bijt,
zodat zijn berijder achterovervalt.
18Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE!

Bij Dan (betekent ‘rechter’) spreekt Jakob over de verlossing. In Dan zal een rechter, een leider, opstaan om het volk van het juk van de volken te verlossen. Daarbij zal hij zich bedienen van een verraderlijke tactiek. Deze leider, de toekomstige koning van de Joden, zal geïnspireerd worden door de satan (“de oude slang”, Op 12:99En de grote draak werd neergeworpen, de oude slang, die genoemd wordt duivel en de satan, die het hele aardrijk misleidt; hij werd neergeworpen op de aarde en zijn engelen werden met hem neergeworpen.). Dit is de antichrist, voor wie ten volle het woord geldt dat Paulus uit de mond van David citeert: ”Addergif is onder hun lippen” (Ps 140:4b4Zij scherpen hun tong als een slang,
addervergif is onder hun lippen. /Sela/
; Rm 3:13b13‘hun keel is een open graf; met hun tongen plegen zij bedrog’; ‘addergif is onder hun lippen’;)
.

Jakob spreekt hier geen wens uit, maar een gebeurtenis. Daardoor begrijpen we ook de verzuchting die Jakob uit (vers 1818Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE!). Hij verwacht de “zaligheid” (in de betekenis van het heil of de verlossing) niet van Dan (die is bedrieglijk), maar van de HEERE Zelf. Als we nagaan wat we van Dan in de Schrift lezen (Lv 24:10-1110Eens trok de zoon van een Israëlitische vrouw, die tevens de zoon van een Egyptische man was, [die] te midden van de Israëlieten [woonde] , eropuit. Toen raakten de zoon van de Israëlitische [vrouw] en een Israëlitische man met elkaar slaags in het kamp.11Daarbij lasterde de zoon van de Israëlitische vrouw de Naam, hij vloekte. Daarop brachten zij hem naar Mozes. De naam van zijn moeder was Selomith, de dochter van Dibri. Zij behoorde tot de stam Dan.; Ri 18), lijkt er veel voor te zeggen dat de antichrist inderdaad uit de stam Dan zal voortkomen (of misschien al voortgekomen is; wie weet, leeft hij al).


Gad

19Gad: een bende zal hem aanvallen,
maar híj zal hen op de hielen zitten.

Gad (betekent onder andere ‘bende’) stelt de dapperheid voor van het overblijfsel van Israël dat veel te lijden heeft van de terreur die de antichrist uitoefent. Als de Heer Jezus komt om heil of verlossing te brengen, zal Hij dit overblijfsel gebruiken om de vijanden (“een bende) die hem het leven zo moeilijk hebben gemaakt te achtervolgen en te verslaan.


Aser

20Aser: zijn brood zal overvloedig zijn,
en hij zal koninklijke lekkernijen leveren.

Met Aser (betekent ‘gelukkig’) is alleen zegen verbonden. In het vrederijk dat aanbreekt als de Heer Jezus is verschenen en de vijanden heeft vernietigd, zal er een overvloed van zegen, van het heerlijkste eten, zijn (Ps 72:1616Is er een handvol koren op het land,
op de top van de bergen,
de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon;
de stedelingen zullen bloeien als het gewas op de aarde.
; 85:1313Ook geeft de HEERE het goede,
en geeft ons land zijn opbrengst.
; Hs 2:20-2120Op die dag zal het geschieden,
spreekt de HEERE, dat Ik zal verhoren.
Ik zal de hemel verhoren
en die zal de aarde verhoren.
21Dan zal de aarde het koren, de nieuwe wijn en de olie verhoren,
en die zullen Jizreël verhoren.
)
. Tevens zal Israël van die zegen uitdelen aan anderen.


Naftali

21Naftali is een losgelaten hinde;
hij laat schone woorden horen.

Bij Naftali (betekent ‘(mijn) worsteling’) is de hoofdgedachte vrijheid, terwijl bij Gad en Aser de hoofdgedachte resp. overwinning en overvloed aan het kostelijkste eten is. Deze vrijheid is een groot verschil met Issaschar, die onder een slavenjuk gaat. Naftali is een losgelaten hinde, wat getuigt van de grootst mogelijke bewegingsvrijheid. Een losgelaten hinde wordt door niets in haar snelle loop gehinderd en voelt zich volkomen vrij. Het is een hele ‘worsteling’ om tot die vrijheid te komen.

Geestelijk is dit ook zo. In Romeinen 7 zien we de worsteling van de gelovige en in Romeinen 8 zijn vrijheid. Het is ook niet verwonderlijk dat deze vrijheid tot “schone woorden” voert. Zie het slot van Romeinen 8. De vrijheid is alleen gebaseerd op het werk van Christus op het kruis. Het gevolg is dat we Hem daarvoor willen eren met “schone woorden”. Psalm 22 laat zowel het een (het werk van Christus) als het ander (de lofzang) zien. Als Israël eenmaal bevrijd is van zijn vijanden, zullen zij het halleluja laten horen.


Jozef

22Jozef is een jonge vruchtbare [boom],
een jonge vruchtbare [boom] bij een bron.
Elk van [zijn] takken loopt over de muur.
23[Boog]schutters hebben hem verbitterd,
beschoten en hem gehaat,
24maar zijn boog bleef gespannen;
zijn armen en handen bleven soepel
door de handen van de Machtige van Jakob,
– vandaar dat Hij de Herder is, de rots van Israël –
25door de God van je vader, Die je zal helpen,
en [door] de Almachtige, Die je zal zegenen
met zegeningen uit de hemel van boven,
met zegeningen uit de watervloed, die beneden ligt,
met zegeningen van borsten en baarmoeder.
26De zegeningen van je vader
gaan de zegeningen van mijn vaderen te boven,
tot aan de begerenswaardigheid van de eeuwige heuvels.
Zij zullen zijn op het hoofd van Jozef,
ja, op de schedel van de gewijde onder zijn broers.

Aan Jozef (betekent ‘Hij zal toevoegen’) wijdt Jakob de meeste woorden. Het is niet verwonderlijk dat naar inhoud en lengte de zegen die Jakob aan Jozef geeft het grootst van alle is. Jakob spreekt erover wat God allemaal voor Jozef heeft weggelegd. Het is niet moeilijk om achter Jozef het beeld van de Heer Jezus te zien.

Jakob gebruikt enkele vergelijkingen in verbinding met Jozef. De eerste is die van een vruchtboom, waarvan de takken over de muur groeien. Dat is Jozef. Hij draagt vrucht, omdat hij aan een bron staat. Door zich te laven aan de bron, God Zelf, en hij zich van Hem afhankelijk weet, draagt hij rijke vrucht voor God (Jr 17:88Hij zal zijn als een boom, die bij water geplant is,
en [die] zijn wortels laat uitlopen bij een waterloop.
Hij merkt het niet als er hitte komt,
zijn blad blijft groen.
Een jaar van droogte deert hem niet,
en hij houdt niet op vrucht te dragen.
; Ps 1:33Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken,
die zijn vrucht geeft op zijn tijd,
waarvan het blad niet afvalt;
al wat hij doet, zal goed gelukken.
)
.

Vrucht is daar, waar “een bron” van gemeenschap en een “muur” van afzondering zijn. Dat zien we volmaakt bij de Heer Jezus. Hij draagt niet alleen vrucht binnen de muren van het volk Israël, maar Zijn vrucht is ook voor ieder buiten Israël die in Hem gelooft (Mk 7:24-3024Hij nu stond vandaar op en ging weg naar het gebied van Tyrus <en Sidon>; en toen Hij een huis was binnengegaan, wilde Hij niet dat iemand het wist; Hij kon echter niet verborgen blijven.25Maar een vrouw, wier dochtertje een onreine geest had, hoorde terstond van Hem en kwam en viel aan Zijn voeten neer26(deze vrouw nu was een Griekse, een Syro-Fenicische van geboorte);27en zij vroeg Hem de demon uit haar dochter uit te drijven. Maar Hij zei tot haar: Laat eerst de kinderen worden verzadigd, want het is niet juist het brood van de kinderen te nemen en het de honden voor te werpen.28Maar zij antwoordde en zei tot Hem: <Ja> Heer, [maar] ook de honden eten onder de tafel van de kruimels van de kinderen.29En Hij zei tot haar: Vanwege dit woord, ga heen, de demon is uit uw dochter gegaan.30En toen zij was weggegaan naar haar huis, vond zij het kind op bed liggen en de demon uitgegaan.; Jh 4:39-4239Velen nu van de Samaritanen uit die stad geloofden in Hem om het woord van de vrouw, die getuigde: Hij heeft mij alles gezegd wat ik heb gedaan.40Toen dan de Samaritanen naar Hem toe waren gekomen, vroegen zij Hem bij hen te blijven; en Hij bleef daar twee dagen.41En er geloofden er veel meer om Zijn woord;42en zij zeiden tot de vrouw: Wij geloven niet meer op uw zeggen, want wijzelf hebben [Hem] gehoord en weten dat Deze waarlijk de Heiland van de wereld is.). Tevens leeft Hij in volmaakte gemeenschap met Zijn Vader.

De tweede vergelijking is die van de boogschutter. ‘Moordende pijlen’ zijn op hem afgevuurd (Jr 9:88Hun tong is een moordende pijl,
bedrog spreekt hij.
Met zijn mond spreekt men van vrede met zijn naaste,
maar in zijn binnenste legt men hem een hinderlaag.
; vgl. Ef 6:16b16terwijl u bovenal het schild van het geloof hebt opgenomen, waarmee u al de brandende pijlen van de boze zult kunnen uitblussen.)
. Denk aan de bejegening door zijn broers en door de vrouw van Potifar. Ook op Christus zijn zulke pijlen afgevuurd, die Hij heeft beantwoord met pijlen uit Gods Woord: “Er staat geschreven” (Mt 4:1-101Toen werd Jezus naar de woestijn omhooggeleid door de Geest om verzocht te worden door de duivel.2En nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, kreeg Hij ten slotte honger.3En de verzoeker kwam en zei tot Hem: Als U Gods Zoon bent, zeg dan dat deze stenen broden moeten worden.4Hij antwoordde echter en zei: Er staat geschreven: ‘Niet van brood alleen zal de mens leven, maar van alle woord dat door [de] mond van God uitgaat’.5Toen nam de duivel Hem mee naar de heilige stad en liet Hem op de dakrand van de tempel staan6en zei tot Hem: Als U Gods Zoon bent, werp Uzelf dan naar beneden; want er staat geschreven: ‘Zijn engelen zal Hij bevel geven aangaande U, en zij zullen U op [de] handen dragen, opdat U niet misschien Uw voet aan een steen stoot’.7Jezus zei tot hem: Er staat eveneens geschreven: ‘U zult [de] Heer, uw God, niet verzoeken’.8Opnieuw nam de duivel Hem mee naar een zeer hoge berg en toonde Hem alle koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid9en zei tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, als U neervalt en mij aanbidt.10Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: ‘[De] Heer, uw God, zult u aanbidden en Hem alleen dienen’.). Al onze kracht om verzoekingen te weerstaan en beproevingen te dragen komt van God, Zijn genade is ons genoeg, en Zijn kracht wordt in onze zwakheid volbracht.

Jozef beantwoordt die pijlen met trefzekere pijlen. Hij reageert in de kracht van God, Die met Zijn handen Jozefs handen sterkt. Het is wel eens vergeleken met een klein kind dat de zware koffer van zijn vader wil dragen. Hij kan die koffer zelf onmogelijk optillen. Toch lukt het hem die koffer op te tillen omdat de sterke hand van zijn vader om zijn hand heen gaat en samen met zijn hand de koffer optilt.

De namen die Jakob voor God gebruikt, laten zien dat hij veel over God heeft geleerd. Daardoor kent hij Gods gedachten over de zegen die Hij wil geven en ook in staat is te geven. Hij is immers ook de “Almachtige”!

De zegen is drieledig:
1. van de hemel van boven,
2. van de watervloed beneden en
3. op aarde.

Jakob ziet dat de zegen die hij zijn zoon geeft, ver uitgaat boven de zegeningen die aan de aartsvaders zijn toegezegd. Alles zal komen “op het hoofd van Jozef, ja, op de schedel van de gewijde onder zijn broers”. “Gewijde” is letterlijk ‘afgezonderde’ of “nazireeër”. Dit is de derde vergelijking die Jakob gebruikt. Hier vinden we voor het eerst het begrip “nazireeër”. Uit Numeri 6 leren we dat dit iemand is die zich vrijwillig aan God toewijdt.

De Heer Jezus is de ware Nazireeër. Door Hem zullen Zijn broeders, Zijn volk en de hele aarde in het vrederijk worden gezegend.


Benjamin

27Benjamin is een verscheurende wolf;
's morgens verslindt hij [zijn] prooi,
en 's avonds deelt hij buit uit.

Benjamin (betekent ‘zoon van de rechterhand’) is een beeld van Christus Die terugkomt en al Zijn vijanden tenietdoet wanneer Hij in heerlijkheid verschijnt. Jozef en Benjamin horen bij elkaar. Dat hebben we in de voorgaande hoofdstukken gezien. Jozef is een beeld van Christus in Zijn vernedering en Zijn verhoging als de Drager van al Gods gunst; Benjamin is een beeld van Christus Die in macht en majesteit terugkomt en op aarde zal regeren. Zo’n dubbelbeeld zien we ook in David en Salomo. “’s Morgens” en “’s avond” omvatten de hele dag ofwel de hele periode van het vrederijk.


Elke stam een eigen zegen

28Dit waren al de stammen van Israël: twaalf. En dit was wat hun vader tot hen sprak toen hij hen zegende. Hij zegende hen, elk met een eigen zegen.

“Elk met een eigen zegen.” Dat geldt dus ook voor Ruben en Simeon en Levi. Het kan vreemd lijken om in hun geval van zegen te spreken. Toch is het een zegen om gewezen te worden op ons falen. We kunnen dat dan belijden en vervolgens verdergaan met de Heer om door Hem gezegend te worden.


Jakob sterft

29Daarop gebood hij hun en zei: Ik word met mijn volk verenigd. Begraaf mij [dan] bij mijn vaderen in de grot die op de akker van Efron, de Hethiet, ligt; 30in de grot die op de akker van Machpela ligt, dat tegenover Mamre ligt, in het land Kanaän, [en] die Abraham [samen] met die akker gekocht heeft van Efron, de Hethiet, als eigen graf. 31Daar hebben ze Abraham begraven en Sara, zijn vrouw; daar hebben ze Izak begraven en Rebekka, zijn vrouw; en daar heb ik Lea begraven. 32De akker en de grot die daarop ligt, zijn gekocht van de Hethieten. 33Toen Jakob klaar was met het geven van bevelen aan zijn zonen, legde hij zijn voeten bij elkaar op het bed en gaf de geest; en hij werd verenigd met zijn voorgeslacht.

Jakob herhaalt wat hij eerder heeft gezegd over zijn begrafenis (Gn 47:3030maar laat mij bij mijn vaderen liggen. Daarom moet je mij uit Egypte vervoeren en mij in hun graf begraven. Hij zei: Ík zal overeenkomstig uw woorden handelen.). Hieruit blijkt duidelijk zijn geloof in de opstanding en dat God de God van de opstanding is. Zijn hart is niet bij wat hij achterlaat, maar bij wat hem wacht in de opstanding. De belofte van het leven wordt door de dood niet tenietgedaan. Als Jakob sterft, wordt hij vergaderd tot zijn voorgeslacht. Als Gods volk ons volk is, zullen we door de dood met hen vergaderd worden.


Lees verder