Genesis
1-2 Jakob roept zijn zonen bij zich 3-4 Ruben 5-7 Simeon en Levi 8-12 Juda 13 Zebulon 14-15 Issaschar 16-18 Dan en de verlossing 19 Gad 20 Aser 21 Naftali 22-26 Jozef 27 Benjamin 28 Elke stam een eigen zegen 29-33 Jakob sterft
Jakob roept zijn zonen bij zich

1Daarop riep Jakob zijn zonen en zei:
Verzamel jullie, dan maak ik jullie bekend
wat jullie in later tijd overkomen zal.
2Kom bijeen en luister, zonen van Jakob,
luister naar Israël, jullie vader.

Uit de woorden van Jakob blijkt dat dit hoofdstuk profetisch van karakter is. Hij gaat zijn zonen vertellen wat hun “in later tijd overkomen zal”, of beter: “in het laatst van de dagen overkomen zal”. Het is de geschiedenis van het volk Israël in de eindtijd. Jakob roept zijn zonen zowel in vers 11Daarop riep Jakob zijn zonen en zei:
Verzamel jullie, dan maak ik jullie bekend
wat jullie in later tijd overkomen zal.
als in vers 22Kom bijeen en luister, zonen van Jakob,
luister naar Israël, jullie vader.
op om te komen en te luisteren. Hij eist hun volle aandacht. Dat geeft wel aan hoe belangrijk het is wat hij te vertellen heeft.

Hij spreekt zijn zonen aan als “zonen van Jakob” en hij spreekt hen toe als “Israël, jullie vader”. Hij kent zijn zonen in hun gedrag, het gedrag dat hij zelf ook zo vaak heeft laten zien. Hij heeft echter geleerd door zijn worsteling met God en de overwinning die hij heeft behaald, waaraan hij zijn naam ‘Israël’ te danken heeft. Hij spreekt als een vader die ten slotte een overwinnaar geworden is. In die kracht gaat hij zijn zonen vertellen hoe het in de toekomst met hen zal gaan.


Ruben

3Ruben, jij bent mijn eerstgeborene,
mijn kracht en de eerste [vrucht] van mijn mannelijkheid,
de voortreffelijkste in hoogheid
en de voortreffelijkste in sterkte.
4Onstuimig als het water [als je bent],
zul je niet de voortreffelijkste zijn,
want je bent het bed van je vader ingeklommen,
[en] toen heb je [het] geschonden.
Hij is mijn sponde ingeklommen!

Ruben (betekent ‘zie, een zoon’) is de oudste zoon. Tot hem richt Jakob het eerst het woord. Eerst meet Jakob de zegeningen breed uit die Ruben als eerstgeborene ten deel zijn gevallen. Op hem heeft Jakob eerst zijn natuurlijke verwachting gevestigd, maar hij is bedrogen uitgekomen in zijn verwachting. Ruben weet zijn begeerten niet te beheersen en gaat zich in wellust te buiten aan de vrouw van zijn vader (Gn 35:2222En het gebeurde, toen Israël in dat land woonde, dat Ruben ging en met Bilha sliep, de bijvrouw van zijn vader; en Israël kwam dat te weten. Jakob had twaalf zonen.). De hoge positie van Ruben maakt zijn val des te dieper. Hij verspeelt zijn eerstgeboorterecht.

Jakob herinnert aan dit voorval dat ongeveer veertig jaar geleden heeft plaatsgevonden. Elke zonde, ook de zonde van seksuele aard, kan vergeven worden. Dat neemt niet weg dat de zonde van overspel en hoererij vaak als onuitwisbare vlek aan iemands leven blijft kleven (Sp 6:32-3332Wie met een vrouw overspel pleegt, is zonder verstand.
Wie dat doet, richt zijn ziel te gronde.
33Plaag en schande zal hij vinden
en zijn smaad zal niet uitgewist worden,
)
.

Hoeveel is er al door gelovigen aan zegen verspeeld door de vrije teugel te geven aan seksueel kwaad! De zegen van de eerstgeborene is onder andere kracht, een hoge positie (aanzien) en veel vermogen (een dubbel deel). Het is allemaal verdwenen door de uitbarsting van zijn ontembare natuur. In Ruben zien we het verderf van de mens. Ruben behoudt zijn rechten als zoon, maar hij raakt het voorrecht van de eerstgeboren zoon kwijt.

Zo heeft het volk Israël de zegen verspeeld door zijn verdorven natuur de vrije loop te laten. Ze hebben zich als volk niet aan God gestoord en zijn de lusten van hun vlees gevolgd. Ze hebben God de rug toegekeerd en zich verbonden aan de afgoden.


Simeon en Levi

5Simeon en Levi zijn broers,
hun wapens zijn werktuigen van geweld.
6Laat mijn ziel niet in hun geheim overleg komen,
en mijn eer niet aan hun bijeenkomst deelnemen;
want in hun woede hebben zij mannen doodgeslagen;
en in hun moedwil hebben zij runderen de pezen doorgesneden.
7Vervloekt zij hun woede, want die is hevig,
en hun verbolgenheid, want die is hard.
Ik zal hen verdelen over Jakob
en hen verspreiden in Israël.

Jakob heeft een woord over Simeon (betekent ‘verhoring’) en Levi (betekent ‘aanhechting’). Na de zonde van Ruben, waarin het kenmerk van verderf te zien is, spreekt Jakob over de zonde van zijn volgende twee zonen. Daarin komt een ander kenmerk van de zonde naar voren: geweld. Jakob doelt op het geweld van Simeon en Levi in Genesis 34 (Gn 34:5-295Jakob had gehoord dat [Sichem] zijn dochter Dina onteerd had, maar zijn zonen waren bij het vee in het veld. Daarom zweeg Jakob totdat zij [thuis]kwamen.6Hemor, de vader van Sichem, ging de stad uit naar Jakob om met hem te spreken.7De zonen van Jakob kwamen van het veld zodra ze het hoorden. De mannen voelden zich gekwetst en ontstaken [in] hevige [woede], omdat hij een schandelijke daad in Israël had begaan door met Jakobs dochter te slapen, want zoiets doet men niet.8Toen sprak Hemor met hen en zei: Mijn zoon Sichem heeft met heel zijn hart liefde opgevat voor uw dochter. Geef haar toch aan hem tot vrouw.9Ga huwelijksbanden met ons aan; [dan] geeft u uw dochters aan ons en kunt u onze dochters voor uzelf nemen.10En blijf bij ons wonen. Het land ligt voor u [open]; woon er, trek erin rond en verwerf er bezit.11En Sichem zei tegen haar vader en haar broers: Laat mij genade vinden in uw ogen, en ik zal geven wat u maar van mij wenst.12Maak de bruidsschat en het [huwelijks]geschenk [gerust] groot voor mij. Ik zal geven wat u van mij wenst; alleen: geef me het meisje tot vrouw.13Toen antwoordden de zonen van Jakob Sichem en zijn vader Hemor op een bedrieglijke wijze, en, omdat hij hun zuster Dina onteerd had, spraken zij14en zeiden zij tegen hen: Wij kunnen dit niet doen, onze zuster geven aan een man die zijn voorhuid [nog] heeft, want dat zou een schande voor ons zijn.15Slechts op één voorwaarde kunnen wij u ter wille zijn: indien u wordt zoals wij, doordat al wie mannelijk is onder u besneden wordt.16Dan zullen wij onze dochters aan u geven, en uw dochters zullen wij voor ons nemen; wij zullen dan bij u wonen en wij zullen één volk worden.17Maar als u niet naar ons wilt luisteren, door u niet te laten besnijden, dan zullen wij onze dochter meenemen en weggaan.18Hun woorden waren goed in de ogen van Hemor en Sichem, Hemors zoon.19En de jongeman aarzelde niet dit te doen, want hij verlangde naar de dochter van Jakob, en hij was de aanzienlijkste van heel zijn familie.20Hemor en zijn zoon Sichem gingen daarom naar de poort van hun stad en spraken tot hun stadgenoten:21Deze mannen zijn ons vredelievend gezind; laat hen daarom in dit land wonen en daarin rondtrekken. Zie, het land is naar beide kanten ruim [genoeg]. Wij kunnen hun dochters voor ons tot vrouw nemen en wij kunnen aan hen onze dochters geven.22Slechts op één voorwaarde zullen deze mannen ons ter wille zijn om bij ons te wonen [en] één volk te worden: dat al wie mannelijk is bij ons besneden wordt, zoals zij besneden zijn.23Hun vee, hun bezit en al hun dieren, zullen die niet van ons zijn? Laten we hun slechts ter wille zijn; dan zullen ze bij ons blijven.24Allen die naar de poort van zijn stad waren gegaan, luisterden naar Hemor en naar zijn zoon Sichem; en allen die mannelijk waren, allen die naar de poort van hun stad waren gegaan, werden besneden.25Het gebeurde op de derde dag, toen zij pijn leden, dat twee zonen van Jakob, Simeon en Levi, broers van Dina, ieder hun zwaard namen, brutaalweg de stad overvielen en al wie mannelijk was, doodden.26Zij doodden ook Hemor en zijn zoon Sichem met de scherpte van het zwaard, namen Dina uit Sichems huis mee en gingen weg.27De zonen van Jakob kwamen op de gesneuvelden af en plunderden de stad, omdat zij hun zuster onteerd hadden.28Hun kleinvee, hun runderen en hun ezels, en [alles] wat in de stad en wat op het veld was, namen zij mee.29En al hun vermogen [roofden zij], en al hun kleine kinderen en hun vrouwen voerden zij als gevangenen weg. Zij plunderden hen, en al wat in de huizen was[, namen zij mee].). Hij neemt duidelijk afstand van de handelwijze van zijn zonen.

Hij spreekt niet tegen hen, maar over hen ten aanhoren van al zijn zonen. Allen, ook wij, moeten ervan leren. Deze twee zijn broeders in het kwaad geweest. Jakob verwerpt elke verbinding met hen. Hij wil niet in hun denken betrokken worden. In zulk gezelschap wil Jakob niet zijn, en ook wij horen er niet (Ps 1:11Welzalig de man
die niet wandelt in de raad van de goddelozen,
die niet staat op de weg van de zondaars,
die niet zit op de zetel van de spotters,
)
.

Hij neemt zijn kinderen niet in bescherming en praat hun zonde niet goed, maar noemt die bij de naam. Hij vervloekt hun woede en verbolgenheid, niet hen persoonlijk. De gevolgen van hun handelwijze blijven niet uit (Gl 6:7-87Dwaalt niet, God laat Zich niet bespotten. Want wat een mens zaait, dat zal hij ook oogsten.8Want wie voor zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderf oogsten; maar wie voor de Geest zaait, zal uit de Geest eeuwig leven oogsten.). In plaats van samen te blijven – ze zijn samen geweest in het kwaad – zullen ze verdeeld en verstrooid worden onder Israël.

Van Simeon als stam zal niet veel overblijven (Nm 1:2323zij die geteld waren uit de stam Simeon: negenenvijftigduizend driehonderd.; 26:1414Dit waren de geslachten van de Simeonieten: tweeëntwintigduizend tweehonderd.; Jz 19:1-91Het tweede lot kwam uit op Simeon, op de stam van de nakomelingen van Simeon, naar hun geslachten. En hun erfelijk bezit lag te midden van het erfelijk bezit van de nakomelingen van Juda.2En zij hadden in hun erfelijk bezit: Berseba, Seba en Molada;3Hazar-Sual, Bala en Azem;4Eltholad, Bethul en Horma;5Ziklag, Beth-Hammerchaboth en Hazar-Suza;6Beth-Lebaoth en Saruhen: dertien steden met hun dorpen;7Ain, Rimmon, Ether en Asan: vier steden met hun dorpen;8en alle dorpen die rondom deze steden lagen, tot Baälath-Beër, [dat is] Ramath van het zuiden. Dit is het erfelijk bezit van de stam van de nakomelingen van Simeon, naar hun geslachten.9Het erfelijk bezit van de nakomelingen van Simeon [lag] binnen het gebied van de nakomelingen van Juda, want het erfelijk bezit van de nakomelingen van Juda was te groot voor hen. Te midden van hun erfelijk bezit ontvingen de nakomelingen van Simeon daarom erfelijk bezit.). Ze zullen in het land grotendeels te midden van Juda wonen. De verstrooiing van Levi wordt door de genade van God veranderd in een zegen. Door hun verstrooiing komen ze te midden van het hele volk, waardoor ze het hele volk onderwijs kunnen geven uit Gods wetten.


Juda

8Juda, jij bent het,
jou zullen je broers loven!
Je hand zal rusten op de nek van je vijanden;
voor jou zullen de zonen van je vader zich neerbuigen.
9Juda is een leeuwenwelp;
van [je] prooi ben je opgestaan, mijn zoon.
Hij heeft zich gekromd, zich als een leeuw neergelegd,
als een leeuwin; wie zal hem doen opstaan?
10De scepter zal van Juda niet wijken
en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten,
totdat Silo komt,
en Hem zullen de volken gehoorzamen.
11Hij bindt zijn jonge ezel aan de wijnstok
en het veulen van zijn ezelin aan de edelste wijnstok;
hij wast zijn kleren in wijn
en zijn gewaad in druivenbloed.
12Zijn ogen zijn donker door de wijn
en zijn tanden wit door de melk.

Over Juda (betekent ‘lof’) spreekt Jakob op een heel andere toon dan over zijn oudste drie zonen. Hij vermeldt over Juda alleen prijzenswaardige dingen, een grote tegenstelling met de eerste drie zonen. Dat komt omdat de toekomst van Juda ten nauwste verbonden is met de Messias, Die uit Juda zal voortkomen. We kunnen Juda zelf hier als een type van de Heer Jezus als de Messias zien. Daarom ook wijdt Jakob meer woorden aan hem dan aan de andere zonen – met uitzondering van Jozef, om dezelfde reden. Al zijn broers zullen hem loven, hij zal de eerste plaats innemen die zijn oudste broer heeft verspeeld. Zo neemt Christus de eerste plaats in te midden van Zijn broeders (Rm 8:2929Want hen die Hij tevoren heeft gekend, heeft Hij ook tevoren bestemd om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, opdat Hij [de] Eerstgeborene zou zijn onder vele broeders.; Hb 2:1212‘Ik zal Uw Naam aan Mijn broeders verkondigen, in [het] midden van [de] gemeente zal Ik U lofzingen’.).

Juda heeft de vijanden overwonnen. Daarom loven zijn broers hem. Zijn zegevierende kracht komt in het beeld van de leeuw duidelijk naar voren. Christus is “de Leeuw uit de stam van Juda” (Op 5:55En een van de oudsten zei tegen mij: Ween niet, zie, de Leeuw uit de stam van Juda, de Wortel van David, heeft overwonnen om het boek en zijn zeven zegels te openen.). De heerschappij van Juda zal niet tijdelijk, maar eeuwig zijn: zijn scepter of heersersstaf zal niet wijken. Als Silo (betekent ‘rustbrenger’ of ‘vredestichter’) komt, dat wil zeggen als de Heer Jezus als Messias komt, zal zijn heerschappij zijn hoogtepunt bereiken. Dan zullen zelfs volken hem gehoorzaam zijn. Dat zal in het vrederijk gebeuren.

Het tafereel met de ezel (vers 11a11Hij bindt zijn jonge ezel aan de wijnstok
en het veulen van zijn ezelin aan de edelste wijnstok;
hij wast zijn kleren in wijn
en zijn gewaad in druivenbloed.
)
doet denken aan de intocht van de Heer Jezus in Jeruzalem, waar die tijd als het ware even wordt beleefd: Verheug u zeer, dochter van Sion! Juich, dochter van Jeruzalem! Zie, uw Koning zal tot u komen, rechtvaardig, en Hij is een Heiland, arm, en rijdend op een ezel, op een ezelsveulen, het jong van een ezelin” (Zc 9:99Verheug u zeer, dochter van Sion!
Juich, dochter van Jeruzalem!
Zie, uw Koning zal tot u komen,
rechtvaardig, en Hij is een Heiland,
arm, en rijdend op een ezel,
op een ezelsveulen, het jong van een ezelin.
)
. De tijd zelf, dat is de tijd van het vrederijk, zal gekenmerkt worden door een overvloed van vreugde, waarvan de wijn een beeld is (Js 25:66De HEERE van de legermachten zal
op deze berg voor alle volken
een feestmaal met uitgelezen gerechten aanrichten,
een feestmaal met gerijpte wijnen,
met uitgelezen gerechten vol merg,
met gezuiverde gerijpte wijnen.
)
.

De zegen van Juda wordt afgesloten met een beschrijving van de persoonlijke heerlijkheid van de Heer Jezus (vers 1212Zijn ogen zijn donker door de wijn
en zijn tanden wit door de melk.
;
vgl. Hl 5:10-1610Mijn Liefste is blank en rood,
Hij steekt als een vaandel boven tienduizend uit.
11Zijn hoofd is van fijn goud, van zuiver goud,
Zijn haarlokken zijn krullend, zwart als een raaf.12Zijn ogen zijn als duiven
bij waterstromen,
badend in melk,
zittend bij een volle bron.
13Zijn wangen zijn als een bed met specerijen,
als torentjes met kruiden.
Zijn lippen zijn als lelies
druipend van vloeiende mirre.14Zijn handen zijn als gouden ringen,
ingezet met turkoois.
Zijn buik is als blinkend ivoor,
bedekt met saffieren.
15Zijn benen zijn als witmarmeren pilaren,
gegrondvest op voetstukken van zuiver goud.
Zijn gedaante is als de Libanon,
uitgelezen als de ceders.
16Zijn gehemelte is een en al zoetheid,
alles aan Hem is geheel en al begeerlijk.
Zo is mijn Liefste, ja, zo is mijn Vriend,
dochters van Jeruzalem!
)
.


Zebulon

13Zebulon zal aan de zeekust wonen,
ja, hij zal wonen aan de kust, [bij] de schepen,
en zijn zijde zal naar Sidon [gericht] zijn.

Over Zebulon (betekent ‘woning’) persoonlijk spreekt Jakob geen woord. Hij zegt alleen waar Zebulon zal wonen. We moeten wat Jakob over Zebulon zegt, plaatsen in het profetisch perspectief dat Jakob volgens vers 11Daarop riep Jakob zijn zonen en zei:
Verzamel jullie, dan maak ik jullie bekend
wat jullie in later tijd overkomen zal.
voor ogen heeft. Na het falen van de oudste drie zonen, komt in Juda de Messias in beeld. De heerschappij is Hem gegeven. Maar wanneer Hij komt, wordt Hij verworpen en Israël wordt verstrooid onder de volken. Dat wordt in beeld in Zebulon voorgesteld. De zee is een beeld van de volken (Op 17:1515En hij zei tegen mij: de wateren die u hebt gezien, waarop de hoer zit, zijn volken en menigten en naties en talen.; Js 17:12-1312Wee, het rumoer van vele volken,
ze razen als het razen van de zee;
en [wee], het gedruis van natiën,
zij maken een gedruis als het bruisen van geweldige wateren.
13Al maken de natiën een gedruis als het bruisen van machtige wateren,
Hij bestraft het,
en ze vluchten, ver weg;
het wordt opgejaagd vóór de wind uit als kaf op de bergen,
vóór de wervelwind uit als werveldistels.
)
.

Israël is onder de naties verstrooid, daarmee drijft het volk handel, wat wordt voorgesteld in “de schepen”. Israël richt zich op de volken, wat wordt voorgesteld in het “naar Sidon [gericht]” zijn (Js 23:22Zwijg, bewoners van de kuststreek!
De kooplieden van Sidon,
die de zee bevaren, hebben u welvaart gebracht.
)
. In dit lot van Zebulon, en van Israël in zijn geheel, zal een omkeer komen. Die omkeer is in zekere zin gekomen, wanneer de Heer Jezus daar gaat wonen (Mt 4:12-1612Toen Hij nu had gehoord dat Johannes was overgeleverd, vertrok Hij naar Galiléa;13en Hij verliet Nazareth en kwam in Kapernaüm wonen dat aan de zee ligt, in het gebied van Zebulon en Nafthali,14opdat vervuld werd wat gesproken is door de profeet Jesaja, die zei:15‘Land Zebulon en land Nafthali, aan [de] weg van [de] zee, over de Jordaan, Galiléa van de volken:16het volk dat in duisternis zat, heeft een groot licht gezien, en voor hen die zaten in [het] land en [de] schaduw van [de] dood, hun is een licht opgegaan’.). Zebulon wordt ook door Mattheüs verbonden met de volken. Door de komst van de Heer Jezus is er zegen voor Israël én de volken gekomen. De zegen voor Israël is uitgesteld door de verwerping van de Heer, maar zal zeker komen wanneer Hij de tweede keer verschijnt.


Issaschar

14Issaschar is een ezel met sterke beenderen,
die tussen twee lasten ligt.
15Toen hij de rust zag, dat die goed was,
en het land, dat het lieflijk was,
boog hij zijn schouders om te dragen
en verrichtte slaafse herendienst.

Wat Jakob over Issaschar (betekent ‘loon’) zegt, typeert deze zoon als iemand die gemak en voordeel zoekt, maar daar wel een prijs voor moet betalen. Zo is het met Israël na de verwerping van de Heer Jezus. Israël is gaan wonen bij de zee, de volken (Zebulon). Daarbij is het echter niet gebleven. Het volk is afhankelijk van de volken geworden. Ze zijn een lastdier geworden, ze zijn er slaven van (Ne 9:3636Zie, vandaag zijn wij slaven, en het land dat U aan onze vaderen hebt gegeven om de vrucht en het goede daarvan te eten, zie, wij zijn slaven daarin.), terwijl het Gods bedoeling is dat de volken hun slaven zijn (Dt 28:1,131En het zal gebeuren, als u de stem van de HEERE, uw God, nauwgezet gehoorzaam bent, door al Zijn geboden, die ik u heden gebied, nauwlettend in acht te nemen, dat de HEERE, uw God, u dan [een plaats] zal geven hoog boven alle volken van de aarde.13De HEERE zal u tot een hoofd maken en niet tot een staart, en u zult uitsluitend omhoog gaan en niet omlaag, als u gehoorzaam bent aan de geboden van de HEERE, uw God, waarvan ik u heden gebied [dat u ze] in acht neemt en houdt,).


Dan en de verlossing

16Dan zal over zijn volk rechtspreken,
als een van de stammen van Israël.
17Dan zal een slang zijn op de weg,
een adder op het pad,
die in de hielen van het paard bijt,
zodat zijn berijder achterovervalt.
18Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE!

Bij Dan (betekent ‘rechter’) spreekt Jakob over de verlossing. In Dan zal een rechter, een leider, opstaan om het volk van het juk van de volken te verlossen. Daarbij zal hij zich bedienen van een verraderlijke tactiek. Deze leider, de toekomstige koning van de Joden, zal geïnspireerd worden door de satan, “de oude slang” (Op 12:99En de grote draak werd neergeworpen, de oude slang, die genoemd wordt duivel en de satan, die het hele aardrijk misleidt; hij werd neergeworpen op de aarde en zijn engelen werden met hem neergeworpen.). Dit is de antichrist, voor wie ten volle het woord geldt dat Paulus uit de mond van David citeert: ”Addergif is onder hun lippen” (Ps 140:4b4Zij scherpen hun tong als een slang,
addervergif is onder hun lippen. /Sela/
; Rm 3:13b13‘hun keel is een open graf; met hun tongen plegen zij bedrog’; ‘addergif is onder hun lippen’;)
.

Jakob spreekt hier geen wens uit, maar een gebeurtenis. Daardoor begrijpen we ook de verzuchting die Jakob uit (vers 1818Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE!). Hij verwacht de “zaligheid”, in de betekenis van het heil of de verlossing, niet van Dan, want die is bedrieglijk, maar van de HEERE Zelf. Als we nagaan wat we van Dan in de Schrift lezen (Lv 24:10-11; Ri 18:1-311In die dagen was er geen koning in Israël. En in die dagen zocht de stam van de Danieten voor zich een erfelijk bezit om er te wonen, want tot op die dag was hun onder de stammen van Israël niet [voldoende] erfelijk bezit toegevallen.2Daarom stuurden de Danieten uit hun hele geslacht vijf mannen, strijdbare mannen uit Zora en uit Esthaol, om het land te verkennen en om het te doorzoeken. En zij zeiden tegen hen: Ga [op weg], doorzoek het land. En zij kwamen in het bergland van Efraïm bij het huis van Micha en overnachtten daar.3En toen zij bij het huis van Micha waren, herkenden zij de stem van de jonge man, de Leviet. Zij weken [van hun weg af] en zeiden tegen hem: Wie heeft u hier gebracht, wat doet u hier en wat hebt u hier te maken?4Daarop zei hij tegen hen: Zo en zo heeft Micha met mij gedaan. Hij heeft mij ingehuurd en ik ben voor hem tot een priester.5En zij zeiden tegen hem: Raadpleeg God toch. Dan weten wij of onze weg, die wij gaan, voorspoedig zal zijn.6En de priester zei tegen hen: Ga in vrede. Uw weg, waarlangs u zult gaan, is de HEERE welgevallig.7Vervolgens gingen de vijf mannen [op weg] en kwamen in Laïs. En zij zagen het volk dat er onbezorgd woonde, volgens de wijze van de Sidoniërs: rustig en onbezorgd. En er was geen machthebber in het land die [iemand] om enige zaak lastigviel. Ook waren zij ver verwijderd van de Sidoniërs en hadden zij niets met [andere] mensen van doen.8Daarna kwamen zij [terug] bij hun broeders in Zora en Esthaol, en hun broeders zeiden tegen hen: Wat [hebt] u [te zeggen]?9En zij zeiden: Sta op, en laten wij tegen hen optrekken. Wij hebben het land namelijk gezien en zie, het is zeer goed. Zou u dan niets doen? Aarzel niet om te gaan, het land binnen te trekken [en het] in bezit te nemen.10Als u daar komt, treft u een onbezorgd volk aan en het land is naar beide kanten ruim [genoeg]. Ja, God heeft het in uw hand gegeven: een plaats waar geen gebrek is aan iets wat er op de aarde is.11Toen braken ze vandaar op, vanuit het geslacht van de Danieten, vanuit Zora en Esthaol: zeshonderd man, met [hun] wapenrusting aan.12En zij trokken op en sloegen hun kamp op bij Kirjath-Jearim in Juda. Daarom noemden zij deze plaats Machane-Dan, tot op deze dag. Zie, het ligt achter Kirjath-Jearim.13Vervolgens trokken zij vandaar verder naar het bergland van Efraïm en kwamen zij bij het huis van Micha.14Toen namen de vijf mannen die [eropuit] gegaan waren om het land van Laïs te verkennen, het woord en zeiden tegen hun broeders: Weet u ook dat er in die huizen een efod is, en afgodsbeeldjes en een gesneden en een gegoten beeld? Welnu, weet wat u te doen staat.15Toen weken zij af [van hun weg] en kwamen bij het huis van de jongeman, de Leviet, het huis van Micha, en zij vroegen hem naar [zijn] welstand.16En de zeshonderd mannen van de Danieten bleven, met hun wapenrusting aan, bij de ingang van de poort staan.17De vijf mannen die [op weg] waren om het land te verkennen, liepen echter door. Zij gingen daar naar binnen en namen het gesneden beeld, de efod, de afgodsbeeldjes en het gegoten beeld weg. Nu stond de priester bij de ingang van de poort, bij de zeshonderd mannen met [hun] wapenrusting aan.18Toen zij die het huis van Micha waren binnengegaan, het gesneden beeld, de efod en de afgodsbeeldjes en het gegoten beeld wegnamen, zei de priester tegen hen: Wat doet u?19Daarop zeiden zij tegen hem: Zwijg, leg uw hand op uw mond en ga met ons mee. Wees voor ons tot een vader en een priester. Is het beter dat u een priester bent voor het huis van één man of dat u een priester bent voor een stam en een geslacht in Israël?20Toen werd het hart van de priester vrolijk en hij nam de efod, de afgodsbeeldjes en het gesneden beeld en voegde zich bij het volk.21Vervolgens keerden zij om en trokken zij verder. En zij lieten de kleine kinderen, het vee en de bagage voor zich uit gaan.22Toen zij ver bij het huis van Micha vandaan waren, werden de mannen die in de huizen bij het huis van Micha woonden, bijeengeroepen. Zij haalden de Danieten in23en riepen de Danieten toe, waarop die zich omkeerden en tegen Micha zeiden: Wat is er met u, dat u [al die mensen] bijeengeroepen hebt?24Daarop zei hij: U hebt mijn goden, die ik gemaakt heb, meegenomen, evenals de priester, en bent weggegaan. Wat heb ik nu nog? Waarom zegt u dan tegen mij: Wat is er met u?25Maar de Danieten zeiden tegen hem: Laat uw stem niet horen bij ons, want anders zullen mannen, verbitterd van gemoed, u aanvallen, en [dan] zult u uw leven verliezen en het leven van uw gezin.26Daarop gingen de Danieten huns weegs, en Micha, die zag dat zij sterker waren dan hij, keerde om en ging terug naar zijn huis.27Zij hadden dus meegenomen wat Micha had gemaakt, alsook de priester die hij had gehad, en kwamen in Laïs, bij een rustig en onbezorgd volk, en zij sloegen hen met de scherpte van het zwaard. En de stad verbrandden zij met vuur.28En er was niemand die [hen] redde, want het lag ver van Sidon vandaan en zij hadden niets met [andere] mensen van doen. Het lag in het dal dat bij Beth-Rechob ligt. Daarna herbouwden zij de stad en gingen er wonen.29Zij gaven de stad de naam Dan, naar de naam van hun vader Dan, die een zoon van Israël was. Vroeger was de naam van de stad echter Laïs.30En de Danieten richtten het gesneden beeld voor zich op. En Jonathan, de zoon van Gersom, de zoon van Manasse, hij en zijn zonen, waren priesters voor de stam van de Danieten, tot op de dag dat het land in ballingschap werd gevoerd.31Zo richtten zij het gesneden beeld voor zich op dat Micha gemaakt had, al de dagen dat het huis van God in Silo was.), lijkt er veel voor te zeggen dat de antichrist inderdaad uit de stam Dan zal voortkomen, of misschien al voortgekomen is; wie weet, leeft hij al.


Gad

19Gad: een bende zal hem aanvallen,
maar híj zal hen op de hielen zitten.

Gad (betekent onder andere ‘bende’) stelt de dapperheid voor van het overblijfsel van Israël dat veel te lijden heeft van de terreur die de antichrist uitoefent. Als de Heer Jezus komt om heil of verlossing te brengen, zal Hij dit overblijfsel gebruiken om de vijanden, “een bende, die hem het leven zo moeilijk hebben gemaakt te achtervolgen en te verslaan.


Aser

20Aser: zijn brood zal overvloedig zijn,
en hij zal koninklijke lekkernijen leveren.

Met Aser (betekent ‘gelukkig’) is alleen zegen verbonden. In het vrederijk dat aanbreekt als de Heer Jezus is verschenen en de vijanden heeft vernietigd, zal er een overvloed van zegen, van het heerlijkste eten, zijn (Ps 72:1616Is er een handvol koren op het land,
op de top van de bergen,
de vrucht daarvan zal ruisen als de Libanon;
de stedelingen zullen bloeien als het gewas op de aarde.
; 85:1313Ook geeft de HEERE het goede,
en geeft ons land zijn opbrengst.
; Hs 2:20-2120Op die dag zal het geschieden,
spreekt de HEERE, dat Ik zal verhoren.
Ik zal de hemel verhoren
en die zal de aarde verhoren.
21Dan zal de aarde het koren, de nieuwe wijn en de olie verhoren,
en die zullen Jizreël verhoren.
)
. Tevens zal Israël van die zegen uitdelen aan anderen.


Naftali

21Naftali is een losgelaten hinde;
hij laat schone woorden horen.

Bij Naftali (betekent ‘(mijn) worsteling’) is de hoofdgedachte vrijheid, terwijl bij Gad en Aser de hoofdgedachte respectievelijk overwinning en overvloed aan het kostelijkste eten is. Deze vrijheid is een groot verschil met Issaschar, die onder een slavenjuk gaat. Naftali is “een losgelaten hinde”, wat getuigt van de grootst mogelijke bewegingsvrijheid. Een losgelaten hinde wordt door niets in haar snelle loop gehinderd en voelt zich volkomen vrij. Het is een hele ‘worsteling’ om tot die vrijheid te komen.

Geestelijk is dit ook zo. In Romeinen 7 zien we de worsteling van de gelovige en in Romeinen 8 zijn vrijheid. Het is ook niet verwonderlijk dat deze vrijheid tot “schone woorden” voert. Zie het slot van Romeinen 8 (Rm 8:31-3931Wat zullen wij dan hierop zeggen? Als God voor ons is, wie zou tegen ons zijn?32Hoe zal Hij Die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar Hem voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?33Wie zal beschuldiging inbrengen tegen uitverkorenen van God? God is het Die rechtvaardigt;34wie is het die veroordeelt? Christus <Jezus> is het Die gestorven is, ja nog meer, Die opgewekt is, Die ook aan Gods rechterhand is, Die ook voor ons bidt.35Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, benauwdheid, vervolging, honger, naaktheid, gevaar of zwaard? –36zoals geschreven staat: ‘Om U worden wij de hele dag gedood; wij zijn geacht als slachtschapen’. –37Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars door Hem Die ons heeft liefgehad.38Want ik ben verzekerd dat dood noch leven, noch engelen noch overheden, noch tegenwoordige noch toekomstige dingen, noch machten,39noch hoogte noch diepte, noch enig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde van God, die is in Christus Jezus onze Heer.). De vrijheid is alleen gebaseerd op het werk van Christus op het kruis. Het gevolg is dat we Hem daarvoor willen eren met “schone woorden”. Psalm 22 laat zowel het een, het werk van Christus (Ps 22:1-221Een psalm van David, voor de koorleider, op ‘De hinde van de dageraad’.2Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten,
[bent U] ver van mijn verlossing, [van] de woorden van mijn jammerklacht?
3Mijn God, ik roep overdag, maar U antwoordt niet,
en 's nachts, maar ik vind geen stilte.
4Maar U bent heilig,
U troont [op] de lofzangen van Israël.
5Op U hebben onze vaderen vertrouwd,
zij hebben vertrouwd en U hebt hen bevrijd.
6Tot U hebben zij geroepen en zij zijn gered,
op U hebben zij vertrouwd en zij zijn niet beschaamd.7Maar ik ben een worm en geen man,
een smaad van mensen en veracht door het volk.
8Allen die mij zien, bespotten mij;
zij trekken de lippen op, zij schudden het hoofd [en zeggen]:
9Hij heeft [zijn zaak] op de HEERE gewenteld – laat Die hem bevrijden!
Laat Die hem redden, als Hij hem genegen is.
10U bent het toch Die mij uit de buik hebt getrokken,
Die mij vertrouwen gaf, toen ik aan mijn moeders borst lag.
11Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af,
vanaf de moederschoot bent U mijn God.12Blijf [dan] niet ver van mij, want de nood is nabij;
er is immers geen helper.
13Vele stieren hebben mij omringd,
sterke stieren van Basan hebben mij omsingeld.
14Zij hebben hun muil tegen mij opengesperd
[als] een verscheurende en brullende leeuw.
15Als water ben ik uitgestort,
ontwricht zijn al mijn beenderen;
mijn hart is als was,
het is gesmolten diep in mijn binnenste.
16Mijn kracht is verdroogd als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte;
U legt mij in het stof van de dood.
17Want honden hebben mij omsingeld,
een horde kwaaddoeners heeft mij omgeven;
zij hebben mijn handen en mijn voeten doorboord.
18Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen;
en zij, zij zien het aan, zij kijken naar mij.
19Zij verdelen mijn kleding onder elkaar
en werpen het lot om mijn gewaad.20Maar U, HEERE, blijf niet ver weg;
mijn sterkte, kom mij spoedig te hulp.
21Red mijn ziel van het zwaard,
mijn eenzame [ziel] van het geweld van de hond.
22Verlos mij uit de muil van de leeuw
en van de hoorns van de wilde ossen.
[Ja,] U hebt mij verhoord.
)
als het ander, de lofzang, zien (Ps 22:23-3223Ik zal Uw Naam mijn broeders vertellen,
in het midden van de gemeente zal ik U loven.
24U die de HEERE vreest, loof Hem;
alle nakomelingen van Jakob, vereer Hem;
wees bevreesd voor Hem, alle nakomelingen van Israël.
25Want Hij heeft de ellendige in zijn ellende
niet veracht en niet verafschuwd;
Hij heeft Zijn aangezicht niet voor hem verborgen,
maar Hij heeft gehoord, toen hij tot Hem riep.
26Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente,
mijn geloften zal ik nakomen in bijzijn van wie Hem vrezen.
27De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden;
wie de HEERE zoeken, zullen Hem loven.
Uw hart zal voor eeuwig leven.
28Alle einden der aarde
zullen eraan denken en zich tot de HEERE bekeren:
alle geslachten van de heidenvolken
zullen zich voor Uw aangezicht neerbuigen.29Want het koningschap is van de HEERE,
Hij heerst over de heidenvolken.
30Alle groten der aarde
zullen eten en zich neerbuigen.
Allen die in het stof neerdalen
en hun ziel niet in het leven kunnen behouden,
zullen voor Zijn aangezicht neerbukken.
31Het nageslacht zal Hem dienen,
en aan de Heere toegeschreven worden tot in generaties.
32Zij zullen komen en Zijn gerechtigheid verkondigen
aan het volk dat geboren zal worden,
want Hij heeft het gedaan.
)
. Als Israël eenmaal bevrijd is van zijn vijanden, zullen zij het halleluja laten horen.


Jozef

22Jozef is een jonge vruchtbare [boom],
een jonge vruchtbare [boom] bij een bron.
Elk van [zijn] takken loopt over de muur.
23[Boog]schutters hebben hem verbitterd,
beschoten en hem gehaat,
24maar zijn boog bleef gespannen;
zijn armen en handen bleven soepel
door de handen van de Machtige van Jakob,
– vandaar dat Hij de Herder is, de rots van Israël –
25door de God van je vader, Die je zal helpen,
en [door] de Almachtige, Die je zal zegenen
met zegeningen uit de hemel van boven,
met zegeningen uit de watervloed, die beneden ligt,
met zegeningen van borsten en baarmoeder.
26De zegeningen van je vader
gaan de zegeningen van mijn vaderen te boven,
tot aan de begerenswaardigheid van de eeuwige heuvels.
Zij zullen zijn op het hoofd van Jozef,
ja, op de schedel van de gewijde onder zijn broers.

Aan Jozef (betekent ‘Hij zal toevoegen’) wijdt Jakob de meeste woorden. Het is niet verwonderlijk dat naar inhoud en lengte de zegen die Jakob aan Jozef geeft het grootst van alle is. Jakob spreekt erover wat God allemaal voor Jozef heeft weggelegd. Het is niet moeilijk om achter Jozef het beeld van de Heer Jezus te zien.

Jakob gebruikt enkele vergelijkingen in verbinding met Jozef. De eerste is die van een vruchtboom, waarvan de takken over de muur groeien. Dat is Jozef. Hij draagt vrucht omdat hij bij een bron staat. Door zich te laven aan de bron, God Zelf, en hij zich van Hem afhankelijk weet, draagt hij rijke vrucht voor God (Jr 17:88Hij zal zijn als een boom, die bij water geplant is,
en [die] zijn wortels laat uitlopen bij een waterloop.
Hij merkt het niet als er hitte komt,
zijn blad blijft groen.
Een jaar van droogte deert hem niet,
en hij houdt niet op vrucht te dragen.
; Ps 1:33Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken,
die zijn vrucht geeft op zijn tijd,
waarvan het blad niet afvalt;
al wat hij doet, zal goed gelukken.
)
.

Vrucht is daar, waar “een bron” van gemeenschap en een “muur” van afzondering zijn. Dat zien we volmaakt bij de Heer Jezus. Hij draagt niet alleen vrucht binnen de muren van het volk Israël, maar Zijn vrucht is ook voor ieder buiten Israël die in Hem gelooft (Mk 7:24-3024Hij nu stond vandaar op en ging weg naar het gebied van Tyrus <en Sidon>; en toen Hij een huis was binnengegaan, wilde Hij niet dat iemand het wist; Hij kon echter niet verborgen blijven.25Maar een vrouw, wier dochtertje een onreine geest had, hoorde terstond van Hem en kwam en viel aan Zijn voeten neer26(deze vrouw nu was een Griekse, een Syro-Fenicische van geboorte);27en zij vroeg Hem de demon uit haar dochter uit te drijven. Maar Hij zei tot haar: Laat eerst de kinderen worden verzadigd, want het is niet juist het brood van de kinderen te nemen en het de honden voor te werpen.28Maar zij antwoordde en zei tot Hem: <Ja> Heer, [maar] ook de honden eten onder de tafel van de kruimels van de kinderen.29En Hij zei tot haar: Vanwege dit woord, ga heen, de demon is uit uw dochter gegaan.30En toen zij was weggegaan naar haar huis, vond zij het kind op bed liggen en de demon uitgegaan.; Jh 4:39-4239Velen nu van de Samaritanen uit die stad geloofden in Hem om het woord van de vrouw, die getuigde: Hij heeft mij alles gezegd wat ik heb gedaan.40Toen dan de Samaritanen naar Hem toe waren gekomen, vroegen zij Hem bij hen te blijven; en Hij bleef daar twee dagen.41En er geloofden er veel meer om Zijn woord;42en zij zeiden tot de vrouw: Wij geloven niet meer op uw zeggen, want wijzelf hebben [Hem] gehoord en weten dat Deze waarlijk de Heiland van de wereld is.). Tevens leeft Hij in volmaakte gemeenschap met Zijn Vader.

De tweede vergelijking is die van de boogschutter. ‘Moordende pijlen’ zijn op hem afgevuurd (Jr 9:88Hun tong is een moordende pijl,
bedrog spreekt hij.
Met zijn mond spreekt men van vrede met zijn naaste,
maar in zijn binnenste legt men hem een hinderlaag.
; vgl. Ef 6:16b16terwijl u bovenal het schild van het geloof hebt opgenomen, waarmee u al de brandende pijlen van de boze zult kunnen uitblussen.)
. Denk aan de behandeling door zijn broers en door de vrouw van Potifar. Ook op Christus zijn zulke pijlen afgevuurd, die Hij heeft beantwoord met pijlen uit Gods Woord: “Er staat geschreven” (Mt 4:1-101Toen werd Jezus naar de woestijn omhooggeleid door de Geest om verzocht te worden door de duivel.2En nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, kreeg Hij ten slotte honger.3En de verzoeker kwam en zei tot Hem: Als U Gods Zoon bent, zeg dan dat deze stenen broden moeten worden.4Hij antwoordde echter en zei: Er staat geschreven: ‘Niet van brood alleen zal de mens leven, maar van alle woord dat door [de] mond van God uitgaat’.5Toen nam de duivel Hem mee naar de heilige stad en liet Hem op de dakrand van de tempel staan6en zei tot Hem: Als U Gods Zoon bent, werp Uzelf dan naar beneden; want er staat geschreven: ‘Zijn engelen zal Hij bevel geven aangaande U, en zij zullen U op [de] handen dragen, opdat U niet misschien Uw voet aan een steen stoot’.7Jezus zei tot hem: Er staat eveneens geschreven: ‘U zult [de] Heer, uw God, niet verzoeken’.8Opnieuw nam de duivel Hem mee naar een zeer hoge berg en toonde Hem alle koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid9en zei tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, als U neervalt en mij aanbidt.10Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: ‘[De] Heer, uw God, zult u aanbidden en Hem alleen dienen’.). Al onze kracht om verzoekingen te weerstaan en beproevingen te dragen komt van God. Zijn genade is ons genoeg en Zijn kracht wordt in onze zwakheid volbracht.

Jozef beantwoordt die pijlen met trefzekere pijlen. Hij reageert in de kracht van God, Die met Zijn handen Jozefs handen sterkt. Het is wel eens vergeleken met een klein kind dat de zware koffer van zijn vader wil dragen. Het kind kan die koffer zelf onmogelijk optillen. Toch lukt het hem die koffer op te tillen omdat de sterke hand van zijn vader om zijn hand heen gaat en samen met zijn hand de koffer optilt.

De namen die Jakob voor God gebruikt, laten zien dat hij veel over God heeft geleerd. Daardoor kent hij Gods gedachten over de zegen die Hij wil geven en ook in staat is te geven. Hij is immers ook de “Almachtige”!

De zegen is drieledig:
1. van de hemel van boven,
2. van de watervloed beneden en
3. op aarde.

Jakob ziet dat de zegen die hij zijn zoon geeft, ver uitgaat boven de zegeningen die aan de aartsvaders zijn toegezegd. Alles zal komen “op het hoofd van Jozef, ja, op de schedel van de gewijde onder zijn broers”. “Gewijde” is letterlijk ‘afgezonderde’ of “nazireeër”. Dit is de derde vergelijking die Jakob gebruikt. Hier vinden we voor het eerst het begrip “nazireeër”. Uit Numeri 6 leren we dat dit iemand is die zich vrijwillig aan God toewijdt (Nm 6:1-211De HEERE sprak tot Mozes:2Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: Wanneer een man of een vrouw [een gelofte] aflegt door de gelofte van een nazireeër te doen, om zich aan de HEERE te wijden,3[dan] moet hij zich van wijn en sterkedrank onthouden; azijn uit wijn of azijn uit sterkedrank mag hij niet drinken; verder mag hij helemaal geen druivensap drinken en geen verse of gedroogde druiven eten.4Alle dagen van zijn nazireeërschap mag hij niets eten wat van de wijnstok afkomstig is, van de pitten tot en met de velletjes.5Alle dagen van de gelofte van zijn nazireeërschap mag geen scheermes over zijn hoofd gaan. Totdat de dagen waarvoor hij zich aan de HEERE gewijd had, voorbij zijn, moet hij heilig zijn [en] de haarlokken van zijn hoofd lang laten groeien.6Alle dagen van zijn wijding aan de HEERE mag hij niet bij het lichaam van een dode komen.7Vanwege zijn vader of vanwege zijn moeder, vanwege zijn broer of vanwege zijn zuster, vanwege hen mag hij zich niet verontreinigen als zij gestorven zijn, want het nazireeërschap van zijn God is op zijn hoofd.8Alle dagen van zijn nazireeërschap is hij heilig voor de HEERE.9En wanneer de gestorvene onverwachts, plotseling, in zijn nabijheid sterft, zodat hij het hoofd van zijn nazireeërschap verontreinigt, dan moet hij op de dag van zijn reiniging zijn hoofd scheren; op de zevende dag moet hij het scheren.10En op de achtste dag moet hij twee tortelduiven of twee jonge duiven naar de priester brengen, bij de ingang van de tent van ontmoeting.11De priester moet er één als zondoffer en één als brandoffer bereiden, en moet verzoening voor hem doen, omdat hij gezondigd heeft vanwege die dode. Hij moet zijn hoofd op diezelfde dag [weer] heiligen.12Daarna moet hij [opnieuw] de dagen van zijn nazireeërschap aan de HEERE wijden; hij moet als schuldoffer een lam van een jaar oud brengen. En de vorige dagen vervallen, omdat zijn nazireeërschap verontreinigd was.13Dit is de wet voor de nazireeër: Op de dag dat de dagen van zijn nazireeërschap voorbij zijn, moet hij het volgende bij de ingang van de tent van ontmoeting brengen:14hij moet de HEERE als zijn offergave één lam zonder enig gebrek van een jaar oud als brandoffer aanbieden, één ooilam zonder enig gebrek van een jaar oud als zondoffer en een ram zonder enig gebrek als dankoffer.15Verder een mand met ongezuurd [brood], koeken van meelbloem, met olie gemengd, en ongezuurde platte koeken met olie bestreken, en het bijbehorende graanoffer en de bijbehorende plengoffers.16En de priester moet dat voor het aangezicht van de HEERE aanbieden, en moet zijn zondoffer en zijn brandoffer bereiden.17Hij moet ook de ram als dankoffer voor de HEERE bereiden, met de mand met ongezuurde [broden]; en de priester moet zijn graanoffer en plengoffer bereiden.18Dan moet de nazireeër [bij] de ingang van de tent van ontmoeting het hoofd van zijn nazireeërschap scheren. Hij moet het hoofdhaar van zijn nazireeërschap nemen en op het vuur leggen dat onder het dankoffer is.19Daarna moet de priester een gekookt schouder[stuk] van de ram nemen, één ongezuurd brood uit de mand, en één ongezuurde platte koek. Die moet hij in de handen van de nazireeër leggen, nadat hij zich [het haar] van zijn nazireeërschap afgeschoren heeft.20En de priester moet die als beweegoffer bewegen voor het aangezicht van de HEERE; het is een heilig [deel] voor de priester, met het borststuk van het beweegoffer en de achterbout van het hefoffer. Pas daarna mag de nazireeër wijn drinken.21Dit is de wet voor de nazireeër, die zijn offergave voor zijn nazireeërschap aan de HEERE beloofd heeft, naast datgene waartoe zijn vermogen reikt. Hij moet zo handelen volgens de gelofte die hij gedaan heeft, overeenkomstig de wet van zijn nazireeërschap.).

De Heer Jezus is de ware Nazireeër. Door Hem zullen Zijn broeders, Zijn volk en de hele aarde in het vrederijk worden gezegend.


Benjamin

27Benjamin is een verscheurende wolf;
's morgens verslindt hij [zijn] prooi,
en 's avonds deelt hij buit uit.

Benjamin (betekent ‘zoon van de rechterhand’) is een beeld van Christus Die terugkomt en al Zijn vijanden tenietdoet wanneer Hij in heerlijkheid verschijnt. Jozef en Benjamin horen bij elkaar. Dat hebben we in de voorgaande hoofdstukken gezien. Jozef is een beeld van Christus in Zijn vernedering en Zijn verhoging als de Drager van al Gods gunst; Benjamin is een beeld van Christus Die in macht en majesteit terugkomt en op aarde zal regeren. Zo’n dubbelbeeld zien we ook in David en Salomo. “’s Morgens” en “’s avond” omvatten de hele dag ofwel de hele periode van het vrederijk.


Elke stam een eigen zegen

28Dit waren al de stammen van Israël: twaalf. En dit was wat hun vader tot hen sprak toen hij hen zegende. Hij zegende hen, elk met een eigen zegen.

“Elk met een eigen zegen.” Dat geldt dus ook voor Ruben en Simeon en Levi. Het kan vreemd lijken om in hun geval van zegen te spreken. Toch is het een zegen om gewezen te worden op ons falen. We kunnen dat dan belijden en vervolgens verdergaan met de Heer om door Hem gezegend te worden.


Jakob sterft

29Daarop gebood hij hun en zei: Ik word met mijn volk verenigd. Begraaf mij [dan] bij mijn vaderen in de grot die op de akker van Efron, de Hethiet, ligt; 30in de grot die op de akker van Machpela ligt, dat tegenover Mamre ligt, in het land Kanaän, [en] die Abraham [samen] met die akker gekocht heeft van Efron, de Hethiet, als eigen graf. 31Daar hebben ze Abraham begraven en Sara, zijn vrouw; daar hebben ze Izak begraven en Rebekka, zijn vrouw; en daar heb ik Lea begraven. 32De akker en de grot die daarop ligt, zijn gekocht van de Hethieten. 33Toen Jakob klaar was met het geven van bevelen aan zijn zonen, legde hij zijn voeten bij elkaar op het bed en gaf de geest; en hij werd verenigd met zijn voorgeslacht.

Jakob herhaalt wat hij eerder heeft gezegd over zijn begrafenis (Gn 47:3030maar laat mij bij mijn vaderen liggen. Daarom moet je mij uit Egypte vervoeren en mij in hun graf begraven. Hij zei: Ík zal overeenkomstig uw woorden handelen.). Hieruit blijkt duidelijk zijn geloof in de opstanding en dat God de God van de opstanding is. Zijn hart is niet bij wat hij achterlaat, maar bij wat hem wacht in de opstanding. De belofte van het leven wordt door de dood niet tenietgedaan. Als Jakob sterft, wordt hij vergaderd tot zijn voorgeslacht. Als Gods volk ons volk is, zullen we door de dood met hen vergaderd worden.


Lees verder