Genesis
1-8 Ezau trekt van Jakob weg 9-14 De zonen van Ezau 15-19 De stamhoofden 20-30 De zonen van Seïr 31-39 Koningen over Edom 40-43 De stamhoofden
Ezau trekt van Jakob weg

1Dit zijn de afstammelingen van Ezau, dat is Edom. 2Ezau nam zijn vrouwen uit de dochters van Kanaän: Ada, de dochter van Elon, de Hethiet; en Oholibama, de dochter van Ana, de dochter van Zibeon, de Heviet; 3en Basmath, de dochter van Ismaël, zuster van Nebajoth. 4Ada baarde Elifaz aan Ezau, en Basmath baarde Rehuel. 5Oholibama baarde Jeüs, Jaëlam en Korach. Dit waren de zonen van Ezau die hem geboren zijn in het land Kanaän. 6Ezau nam zijn vrouwen, zijn zonen en zijn dochters, en alle personen [die] tot zijn huis behoorden, zijn vee en al zijn dieren, en al zijn bezit, dat hij in het land Kanaän verworven had, en ging naar een [ander] land, weg van zijn broer Jakob, 7want hun bezittingen waren te groot dat zij bij elkaar zouden kunnen wonen; het land waar zij vreemdeling waren, kon hen niet onderhouden vanwege hun vee. 8Daarom ging Ezau in het Seïrgebergte wonen. Ezau, dat is Edom.

Als Izak is gestorven, gaat de geschiedenis verder met zijn zonen. Eerst komt de oudste aan bod, de zoon die niet de lijn van het geloof volgt. De dood van zijn vader maakt openbaar wat er in het hart van Ezau leeft. Het heeft geen blijvende indruk op hem gemaakt. Zijn hart is niet veranderd: hij trekt van zijn broer weg (vers 66Ezau nam zijn vrouwen, zijn zonen en zijn dochters, en alle personen [die] tot zijn huis behoorden, zijn vee en al zijn dieren, en al zijn bezit, dat hij in het land Kanaän verworven had, en ging naar een [ander] land, weg van zijn broer Jakob,), waarmee hij aangeeft dat hij niets met de lijn van Gods gedachten te maken wil hebben. Hij heeft zijn eigen plannen en volgt zijn eigen weg.

Ezau heeft drie vrouwen. De zonen die zij hem baren, worden allen in Kanaän geboren, terwijl de zonen van Jakob, op Benjamin na, allen buiten het land geboren zijn. En terwijl Jakob het land binnentrekt, trekt Ezau er weg, om op het gebergte Seïr te gaan wonen.

Ezau is Edom, de vader van de Edomieten, zo staat meerdere keren in dit hoofdstuk (verzen 1,8,9,19,431Dit zijn de afstammelingen van Ezau, dat is Edom.8Daarom ging Ezau in het Seïrgebergte wonen. Ezau, dat is Edom.9Dit zijn de afstammelingen van Ezau, de vader van Edom, in het Seïrgebergte.19Dit waren de zonen van Ezau, en dit waren hun stamhoofden; hij is Edom.43het stamhoofd Magdiël, en het stamhoofd Iram. Dit waren de stamhoofden van Edom, volgens hun woongebieden in het land dat zij in bezit hadden. Dit was Ezau, de vader van Edom.). Dit volk zal zich als de bitterste vijand van Israël openbaren. Het oordeel over hen wordt door de profeet Obadja neergeschreven.

Toch is in dit geslacht van vervloeking ook een voorbeeld van de genade aanwezig. In vers 1515Dit zijn de stamhoofden van de zonen van Ezau. De zonen van Elifaz, de eerstgeborene van Ezau, waren: het stamhoofd Teman, het stamhoofd Omar, het stamhoofd Zefo, het stamhoofd Kenaz, lezen we van Kenaz. Kaleb, over wie we in Jozua 14 lezen, wordt daar “de Keniziet” genoemd (Jz 14:66Toen kwamen de nakomelingen van Juda bij Jozua in Gilgal. En Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keneziet, zei tegen hem: U weet zelf van het woord dat de HEERE tegen Mozes, de man Gods, over mij en over u gesproken heeft in Kades-Barnea.). Kaleb is een afstammeling van Kenaz. Het als Edomiet geboren worden is dus niet hopeloos (Ri 3:99Toen riepen de Israëlieten tot de HEERE. En de HEERE deed voor de Israëlieten een verlosser opstaan, die hen verloste: Othniël, de zoon van Kenaz, de broer van Kaleb, die jonger was dan hij.).


De zonen van Ezau

9Dit zijn de afstammelingen van Ezau, de vader van Edom, in het Seïrgebergte. 10Dit zijn de namen van de zonen van Ezau: Elifaz, de zoon van Ada, de vrouw van Ezau; Rehuel, de zoon van Basmath, de vrouw van Ezau. 11En de zonen van Elifaz waren: Teman, Omar, Zefo, Gaëtam en Kenaz. 12Timna was een bijvrouw van Elifaz, de zoon van Ezau, en zij baarde Amalek aan Elifaz. Dit waren de zonen van Ada, de vrouw van Ezau. 13Dit zijn de zonen van Rehuel: Nahath, Zerah, Samma en Mizza. Dat waren de zonen van Basmath, de vrouw van Ezau. 14Dit waren de zonen van Oholibama, dochter van Ana, dochter van Zibeon, de vrouw van Ezau: zij baarde aan Ezau Jeüs, Jaëlam en Korach.

Door deze nakomelingen is het Edomietische volk op het gebergte Seïr gebouwd. In de namen die hier worden genoemd, zien we een stukje van Gods boekhouding. Niets ontgaat Hem. Tussen deze bijna allemaal onbekende namen valt een naam als “Amalek” (vers 1212Timna was een bijvrouw van Elifaz, de zoon van Ezau, en zij baarde Amalek aan Elifaz. Dit waren de zonen van Ada, de vrouw van Ezau.) op. Deze naam komen we in het verloop van de geschiedenis van Israël vaker tegen (Ex 17:8-168Toen kwam Amalek en bond de strijd aan met Israël in Rafidim.9Mozes zei tegen Jozua: Kies mannen voor ons uit en trek op, bind de strijd aan met Amalek. Morgen zal ik op de top van de heuvel staan met de staf van God in mijn hand.10Jozua deed zoals Mozes tegen hem gezegd had door de strijd aan te binden met Amalek. Mozes, Aäron en Hur klommen echter op de top van de heuvel.11En het gebeurde, als Mozes zijn hand ophief, dat Israël de overhand had, maar als hij zijn hand neerliet, dat Amalek de overhand had.12De handen van Mozes werden echter zwaar; daarom namen zij een steen en legden die onder hem, zodat hij erop kon gaan zitten. Aäron en Hur ondersteunden zijn handen, de een aan de ene en de ander aan de andere [kant]. Zo bleven zijn handen onbeweeglijk, totdat de zon onderging.13Zo overwon Jozua Amalek en zijn volk met de scherpte van het zwaard.14Toen zei de HEERE tegen Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek en prent het Jozua in dat Ik de herinnering aan Amalek van onder de hemel geheel zal uitwissen.15En Mozes bouwde een altaar en gaf het de naam: De HEERE is mijn Banier!16Hij zei: Voorzeker, de hand op de troon van de HEERE! De strijd van de HEERE zal tegen Amalek zijn, van generatie op generatie!; Dt 25:17-2017Denk aan wat Amalek u onderweg aangedaan heeft, toen u uit Egypte wegtrok:18hij ontmoette u onderweg en overviel bij u in de achterhoede alle zwakken achter u, terwijl u moe en uitgeput was; en hij vreesde God niet.19Als de HEERE, uw God, u rust gegeven heeft van al uw vijanden van rondom, in het land dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft om dat in bezit te nemen, moet het [zó] zijn dat u de gedachtenis aan Amalek van onder de hemel uitwist. Vergeet het niet!). Het is de verklaarde vijand van Gods volk (een beeld van het vlees van de gelovige). Dat kan ook niet anders als afstammeling van Ezau.

Het gaat bij al deze namen om de personen, niet om hun geschiedenis of hun daden. God noemt hun namen vanwege de verbinding die er bestaat tussen het geslacht van Ezau en Zijn volk. Helaas niet als vrienden, maar als vijanden.


De stamhoofden

15Dit zijn de stamhoofden van de zonen van Ezau. De zonen van Elifaz, de eerstgeborene van Ezau, waren: het stamhoofd Teman, het stamhoofd Omar, het stamhoofd Zefo, het stamhoofd Kenaz, 16het stamhoofd Korach, het stamhoofd Gaëtam, het stamhoofd Amalek. Dit waren de stamhoofden van Elifaz in het land Edom; dit waren de zonen van Ada. 17Dit zijn de zonen van Rehuel, de zoon van Ezau: het stamhoofd Nahath, het stamhoofd Zerah, het stamhoofd Samma, het stamhoofd Mizza; dit zijn de stamhoofden van Rehuel in het land Edom; dit zijn de zonen van Basmath, de vrouw van Ezau. 18Dit zijn de zonen van Oholibama, de vrouw van Ezau: het stamhoofd Jeüs, het stamhoofd Jaëlam, het stamhoofd Korach; dit waren de stamhoofden van Oholibama, de dochter van Ana, de vrouw van Ezau. 19Dit waren de zonen van Ezau, en dit waren hun stamhoofden; hij is Edom.

Het lijkt erop dat de Edomieten, net als de Israëlieten, zijn verdeeld in stammen, naar de namen van de zonen.


De zonen van Seïr

20Dit zijn de zonen van Seïr, de Horiet, de inwoners van dat land: Lotan, Sobal, Zibeon, Ana, 21Dison, Ezer en Disan; dit waren de stamhoofden van de Horieten, zonen van Seïr, in het land Edom. 22De zonen van Lotan waren Hori en Hemam, en de zuster van Lotan was Timna. 23Dit zijn de zonen van Sobal: Alvan, Manahath, Ebal, Sefo en Onam. 24Dit zijn de zonen van Zibeon: Aja en Ana; hij is die Ana die de warmwaterbronnen in de woestijn gevonden heeft, toen hij de ezels van zijn vader Zibeon hoedde. 25Dit is de zoon van Ana: Dison; en Oholibama was de dochter van Ana. 26Dit zijn de zonen van Dison: Hemdan, Esban, Jithran en Cheran. 27Dit zijn de zonen van Ezer: Bilhan, Zaävan en Akan. 28Dit zijn de zonen van Disan: Uz en Aran. 29Dit zijn de stamhoofden van de Horieten: het stamhoofd Lotan, het stamhoofd Sobal, het stamhoofd Zibeon, het stamhoofd Ana, 30het stamhoofd Dison, het stamhoofd Ezer, het stamhoofd Disan; dit waren de stamhoofden van de Horieten, [ingedeeld] naar hun stamhoofden in het land Seïr.

Van de zonen van Seïr, de inwoners van het land waarheen Ezau is getrokken, worden de stamhoofden vermeld. Zij wonen er, voordat Ezau er komt (Dt 2:12,2212En in Seïr woonden vroeger de Horieten, maar de kinderen van Ezau verdreven hen uit hun bezit, vaagden hen van voor hun [ogen] weg en gingen in hun plaats wonen; net zoals Israël gedaan heeft met het land van zijn bezit, dat de HEERE hun gegeven heeft.)22evenals Hij gedaan heeft voor de kinderen van Ezau, die in Seïr wonen: Hij heeft de Horieten van voor hun [ogen] weggevaagd: zij verdreven hen uit hun bezit en zijn in hun plaats gaan wonen, tot op deze dag.).

Soms wordt tussen de opsomming van de namen een bijzonderheid genoemd. Dat kan te maken hebben met een vondst (vers 2424Dit zijn de zonen van Zibeon: Aja en Ana; hij is die Ana die de warmwaterbronnen in de woestijn gevonden heeft, toen hij de ezels van zijn vader Zibeon hoedde.) of een militaire daad (vers 3535Husam stierf, en Hadad, de zoon van Bedad, regeerde in zijn plaats, die de Midianieten in de vlakte van Moab versloeg; en de naam van zijn stad was Avith.). Van Ana wordt vermeld dat hij een bijzondere vondst doet: hij vindt hete bronnen in de woestijn. In een hete woestijn belooft de vondst van een bron verkwikking en leven. Als er uit die bron echter heet water komt, verergert het de toestand van de dorstige woestijnreiziger. Het vinden van een warme bron in een woestijn wijst op het ervaren van grote ontgoocheling, terwijl er een groot genot werd verwacht.

Uitvinders en politiek invloedrijke figuren hebben de mensheid zonder God gevormd. Zij beloven altijd weer verbetering van de leefomstandigheden. De mensen geloven daarin en kiezen hen daarom als hun leiders, maar telkens weer draait het uit op een bittere teleurstelling.


Koningen over Edom

31Dit zijn de koningen die in het land Edom geregeerd hebben, voordat er een koning over de Israëlieten regeerde: 32Bela, de zoon van Beor, regeerde in Edom, en de naam van zijn stad was Dinhaba. 33Bela stierf, en Jobab regeerde in zijn plaats, een zoon van Zerah, van Bozra. 34Jobab stierf, en Husam, uit het land van de Temanieten, regeerde in zijn plaats. 35Husam stierf, en Hadad, de zoon van Bedad, regeerde in zijn plaats, die de Midianieten in de vlakte van Moab versloeg; en de naam van zijn stad was Avith. 36Hadad stierf en Samla, uit Masreka, regeerde in zijn plaats. 37Samla stierf, en Saul, van Rehoboth aan de rivier, regeerde in zijn plaats. 38Saul stierf en Baäl-Hanan, de zoon van Achbor, regeerde in zijn plaats. 39Baäl-Hanan, de zoon van Achbor, stierf, en Hadar regeerde in zijn plaats. De naam van zijn stad was Pahu, en de naam van zijn vrouw was Mehetabeël, een dochter van Matred, dochter van Mezahab.

Het lijkt alsof Ezau meer succes in het leven heeft dan zijn broer. Er is in zijn nageslacht eerder sprake van mannen van naam dan in het nageslacht van Jakob (vers 3131Dit zijn de koningen die in het land Edom geregeerd hebben, voordat er een koning over de Israëlieten regeerde:). Bij de Edomieten gaat alles veel sneller. Maar God handelt hun hele geschiedenis in één hoofdstuk af. De geschiedenis van Jakob wordt vanaf Genesis 37 gezien in verbinding met Jozef. In die geschiedenis zien we hoe het lijden aan de heerlijkheid voorafgaat.


De stamhoofden

40Dit zijn de namen van de stamhoofden van Ezau, [ingedeeld] naar hun geslachten, [ingedeeld] naar hun [woon]plaatsen, met hun namen: het stamhoofd Timna, het stamhoofd Alva, het stamhoofd Jetheth, 41het stamhoofd Oholibama, het stamhoofd Ela, het stamhoofd Pinon, 42het stamhoofd Kenaz, het stamhoofd Teman, het stamhoofd Mibzar, 43het stamhoofd Magdiël, en het stamhoofd Iram. Dit waren de stamhoofden van Edom, volgens hun woongebieden in het land dat zij in bezit hadden. Dit was Ezau, de vader van Edom.

Hier worden nog een keer dezelfde personen genoemd die we ook in de verzen 15-1915Dit zijn de stamhoofden van de zonen van Ezau. De zonen van Elifaz, de eerstgeborene van Ezau, waren: het stamhoofd Teman, het stamhoofd Omar, het stamhoofd Zefo, het stamhoofd Kenaz,16het stamhoofd Korach, het stamhoofd Gaëtam, het stamhoofd Amalek. Dit waren de stamhoofden van Elifaz in het land Edom; dit waren de zonen van Ada.17Dit zijn de zonen van Rehuel, de zoon van Ezau: het stamhoofd Nahath, het stamhoofd Zerah, het stamhoofd Samma, het stamhoofd Mizza; dit zijn de stamhoofden van Rehuel in het land Edom; dit zijn de zonen van Basmath, de vrouw van Ezau.18Dit zijn de zonen van Oholibama, de vrouw van Ezau: het stamhoofd Jeüs, het stamhoofd Jaëlam, het stamhoofd Korach; dit waren de stamhoofden van Oholibama, de dochter van Ana, de vrouw van Ezau.19Dit waren de zonen van Ezau, en dit waren hun stamhoofden; hij is Edom. hebben gezien. Alleen worden daar de namen van de personen genoemd, terwijl hier hun woongebieden worden vermeld.


Lees verder