Genesis
1-6 Nakomelingen van Abraham en Ketura 7-11 Dood en begrafenis van Abraham 12-18 Nageslacht van Ismaël 19-26 Geboorte van Ezau en Jakob 27-28 Izak kiest Ezau – Rebekka kiest Jakob 29-34 Ezau veracht het eerstgeboorterecht
Nakomelingen van Abraham en Ketura

1Abraham nam weer een vrouw, van wie de naam Ketura was. 2En zij baarde hem Zimran, Joksan, Medan, Midian, Jisbak en Suah. 3Joksan verwekte Sjeba en Dedan. De zonen van Dedan waren de Assurieten, de Letusieten en de Leümmieten. 4De zonen van Midian waren Efa, Efer, Henoch, Abida en Eldaä. Zij allen waren zonen van Ketura. 5Abraham gaf alles wat hij had aan Izak, 6maar aan de zonen van de bijvrouwen die Abraham had, gaf Abraham geschenken. Hij stuurde hen, toen hij nog leefde, bij zijn zoon Izak vandaan in oostelijke richting, naar het Oosterland.

Abraham heeft naast Hagar een tweede extra vrouw genomen. De Schrift zwijgt erover wanneer dat is gebeurd. Wel vermeldt de Heilige Geest deze verbintenis en wie daaruit zijn voortgekomen pas nu, na de verbinding tussen Izak en Rebekka. In Abraham zullen alle volken van de aarde gezegend worden (Gn 12:22Ik zal u tot een groot volk maken, u zegenen en uw naam groot maken; en u zult tot een zegen zijn.). Enkele keren is gezegd dat zijn nageslacht zal zijn als het zand aan de oever van de zee en als de sterren aan de hemel, wat spreekt van een aards volk (zand) en een hemels volk (sterren).

Naast Izak en Ismaël vinden we nu nog meer zonen. Zij stellen de volken van de aarde voor, die ook allemaal gezegend zullen worden door wat de HEERE aan Abraham heeft beloofd. De zegen voor de hele aarde zal in het duizendjarig vrederijk worden genoten. Die zegen zal komen via de zoon van de belofte.

Alles wat Abraham heeft, geeft hij aan Izak, terwijl er voor de anderen geschenken zijn. Zo heeft God de Heer Jezus, als Erfgenaam van alle dingen, alle dingen in handen gegeven. En Hij deelt daarvan uit aan anderen.

De anderen worden weggezonden ”in oostelijke richting”, wat in Genesis wijst op terzijde gezet worden. Ze worden hier weggezonden van Izak, net zoals eerder Ismaël, maar met geschenken, net zoals Ismaël ook beloften kreeg. Ook voor hen is er zegen. Volken die met vleselijke banden aan Israël zijn verbonden, zullen in het vrederijk door middel van Israël gezegend worden.


Dood en begrafenis van Abraham

7Dit nu is het aantal jaren van het leven van Abraham dat hij geleefd heeft: honderdvijfenzeventig jaar. 8Toen gaf Abraham de geest en stierf in goede ouderdom, oud en [van het leven] verzadigd, en hij werd met zijn voorgeslacht verenigd. 9Izak en Ismaël, zijn zonen, begroeven hem in de grot van Machpela, [die] tegenover Mamre [ligt], op de akker van Efron, de zoon van Zohar, de Hethiet, 10op het land dat Abraham van de Hethieten gekocht had. Daar werd Abraham begraven, en zijn vrouw Sara. 11Het gebeurde na de dood van Abraham dat God Izak, zijn zoon, zegende. En Izak ging bij de put Lachai-Roï wonen.

Wanneer Abraham sterft, wordt hij door zijn beide zonen, Izak en Ismaël, begraven, naast Sara. Zij wachten beiden, nog steeds, in het land van de belofte in het graf op de vervulling van de belofte.

Gods zegen is voor Izak, die woont bij de put Lachai-Roï, de put die spreekt van Gods Woord en Zijn openbaring daarin.


Nageslacht van Ismaël

12Dit zijn de afstammelingen van Ismaël, de zoon van Abraham, die Hagar, de Egyptische, de slavin van Sara, Abraham gebaard heeft. 13Dit zijn de namen van de zonen van Ismaël, met hun namen [ingedeeld] naar hun afstamming. De eerstgeborene van Ismaël was Nebajoth, en [vervolgens] Kedar, Adbeël en Mibsam; 14Misma, Duma, en Massa; 15Hadar, Tema, Jetur, Nafis en Kedma. 16Dit zijn de zonen van Ismaël en dit zijn hun namen, in hun dorpen en tentenkampen: twaalf vorsten, ingedeeld naar hun stammen. 17Dit zijn de levensjaren van Ismaël: honderdzevenendertig jaar. Toen gaf hij de geest en stierf, en hij werd met zijn voorgeslacht verenigd. 18[Zijn nakomelingen] woonden vanaf Havila tot Sur, dat ten oosten van Egypte ligt, in de richting van Assur. Zij vestigden zich tegenover al hun verwanten.

Voordat de geschiedenis van Izak begint, wordt eerst het nageslacht van Ismaël vermeld. Het natuurlijke komt eerst, daarna het geestelijke (1Ko 15:4646Maar niet het geestelijke is eerst, maar het natuurlijke; daarna het geestelijke.). Altijd lijkt eerst het vlees, de natuur, het te winnen en lijkt wat naar de Geest is het onderspit te delven. Maar uiteindelijk zal alles wat God heeft beloofd, in vervulling gaan. Dat is waar het geloof op vertrouwt.

De nakomelingen van Ismaël wonen “vanaf Havila tot Sur” dat is tussen Egypte en Assur. Dat zijn enerzijds de grootste vijanden van Israël, maar uiteindelijk ontfermt God Zich ook over hen net als over Israël (Js 19:2323Op die dag zal er een gebaande weg zijn van Egypte naar Assyrië. De Assyriërs zullen in Egypte komen en de Egyptenaren in Assyrië. De Egyptenaren zullen [samen] met de Assyriërs [de HEERE] dienen.).

Voor de goede orde aan het eind van dit gedeelte nog eens de typen, wat de verschillende personen voorstellen:
1. Abraham stelt het beginsel van het geloof voor;
2. Sara het beginsel van de genade;
3. Hagar het beginsel van de wet;
4. Izak is de Zoon, gestorven en opgestaan;
5. Ismaël is Israël naar het vlees;
6. Rebekka de gemeente;
7. Ketura de volken.


Geboorte van Ezau en Jakob

19Dit zijn de afstammelingen van Izak, de zoon van Abraham; Abraham verwekte Izak. 20Izak was veertig jaar oud, toen hij Rebekka, de dochter van Bethuel, de Syriër, uit Paddan-Aram, [en] de zuster van Laban, de Arameeër, voor zich tot vrouw nam. 21Izak bad vurig tot de HEERE in het bijzijn van zijn vrouw, want zij was onvruchtbaar. En de HEERE liet Zich door hem verbidden, zodat Rebekka, zijn vrouw, zwanger werd. 22De kinderen stootten in haar lichaam tegen elkaar. Toen zei zij: Als dit zo is, waarom [overkomt] mij dit? En zij ging de HEERE raadplegen. 23De HEERE zei toen tegen haar:
Er zijn twee volken in uw schoot,
en twee naties zullen zich uit uw lichaam vaneenscheiden.
Het ene volk zal sterker zijn dan het andere
en de meerdere zal de mindere dienen.
24Toen nu de tijd om te baren voor haar aangebroken was, zie, er was een tweeling in haar schoot. 25De eerste kwam tevoorschijn, rossig en helemaal [behaard] als een haren mantel; daarom gaf men hem de naam Ezau. 26Daarna kwam zijn broer tevoorschijn, terwijl zijn hand de hiel van Ezau vasthield; daarom gaf men hem de naam Jakob. Izak was zestig jaar oud bij hun geboorte.

Wanneer bij Abraham de geboorte van een zoon uitblijft, probeert hij die in de kracht van het vlees te verwekken. Wat verwekt is, Ismaël, is niet de zoon van de belofte. Wanneer bij Izak de geboorte van een zoon uitblijft, brengt hem dat tot gebed, ondanks het feit dat hij de belofte van God kent. Onvruchtbaarheid moet het geloof in werking brengen. De verhoring van zijn gebed laat nog twintig jaar op zich wachten. Maar God laat Zich verbidden. Dat God Zich laat verbidden, vinden we meerdere keren in het Oude Testament (Gn 25:2121Izak bad vurig tot de HEERE in het bijzijn van zijn vrouw, want zij was onvruchtbaar. En de HEERE liet Zich door hem verbidden, zodat Rebekka, zijn vrouw, zwanger werd.; 2Sm 24:2525Vervolgens bouwde David daar voor de HEERE een altaar, en bracht brandoffers en dankoffers. Zo liet de HEERE Zich verbidden ten gunste van het land, en de plaag over Israël werd tot stilstand gebracht.; 1Kr 5:2020Maar zij werden [in de strijd] tegen hen geholpen: de Hagrieten, en allen die met hen waren, werden in hun hand gegeven. Want in de strijd riepen zij tot God en Hij liet Zich door hen verbidden, want zij vertrouwden op Hem.; 2Kr 33:13,1913en bad tot Hem. En Hij liet Zich door hem verbidden, verhoorde zijn smeekbede, en bracht hem terug in Jeruzalem, in zijn koninkrijk. Toen erkende Manasse dat de HEERE God is.19Zijn gebed, en hoe [God] Zich door hem heeft laten verbidden, ook al zijn zonden en zijn ontrouw, en de plaatsen waarop hij [offer]hoogten gebouwd en gewijde palen en afgodsbeelden opgesteld heeft, voordat hij vernederd werd, zie, dat is beschreven in de woorden van de zieners.; Ea 8:22-2322want ik schaamde mij ervoor om van de koning een leger en ruiters te vragen om ons te helpen tegen de vijand onderweg. We hadden immers tegen de koning gezegd: De hand van onze God is ten goede over al wie Hem zoeken, maar Zijn kracht en Zijn toorn is over al wie Hem verlaten.23Wij vastten en verzochten onze God hierom, en Hij liet Zich door ons verbidden.; Js 19:2222Zo zal de HEERE de Egyptenaren geducht treffen en genezen. Zij zullen zich tot de HEERE bekeren en Hij zal Zich door hen laten verbidden; en Hij zal hen genezen.).

Izak heeft de HEERE gebeden voor zijn vrouw. Hoewel God heeft beloofd zijn geslacht te vermenigvuldigen, bidt hij er toch om. Dit is een belangrijke aanwijzing dat Gods beloften ons aanmoedigen om te bidden. Gods beloften vormen de grondslag van ons gebed (Dn 9:2-32in zijn eerste regeringsjaar, merkte ik, Daniël, in de boeken het aantal jaren op waarover het woord van de HEERE tot de profeet Jeremia geschied was: zeventig jaar zouden na de verwoesting van Jeruzalem voorbij moeten gaan.3Ik richtte mijn gezicht tot de Heere God, [om Hem] te zoeken [in] gebed en [met] smeekbeden, met vasten, en [in] zak en as.). Hoewel Izak gedurende vele jaren om die zegen gebeden heeft en de verhoring niet is gekomen, is hij toch niet met bidden opgehouden. De Heer Jezus spoort ons ertoe aan altijd te bidden en niet moedeloos te worden (Lk 18:11Hij nu sprak ook een gelijkenis tot hen, met het oog daarop dat zij altijd moesten bidden en niet moedeloos worden,). Als we dat doen, zullen we ervaren dat we niet tevergeefs Gods aangezicht zoeken (Js 45:1919Ik heb niet in het verborgene gesproken,
in een duistere plaats op aarde.
Ik heb tegen het nageslacht van Jakob niet gezegd:
Zoek Mij tevergeefs.
Ik ben de HEERE, Die gerechtigheid spreekt,
Die bekendmaakt wat billijk is.
)
.

Rebekka heeft haar eigen omgang met de HEERE en vraagt Hem waarom zij in verwachting is van een tweeling. Zij krijgt antwoord van de HEERE. De twee jongens zijn twee volken, met ieder een eigen plaats op aarde, door Hem bepaald.

Hier staat niet dat God Ezau heeft gehaat. Dat staat in Maleachi 1, dat wil zeggen pas veertienhonderd jaar later, nadat Ezau in zijn nageslacht zijn ware aard van goddeloosheid en opstand heeft getoond (Ml 1:2-32Ik heb u liefgehad, zegt de HEERE,
maar u zegt: Waarin hebt U ons liefgehad?
Was Ezau niet de broer van Jakob? spreekt de HEERE.
Toch heb Ik Jakob liefgehad,3en Ezau heb Ik gehaat.
Ik heb zijn bergen gemaakt [tot] een woestenij,
en zijn erfelijk bezit [prijsgegeven] aan de jakhalzen van de woestijn.
)
. Als Ezau zich zou hebben geschikt in de plaats die God hem hier, nog voor zijn geboorte geeft, zou hij daar de volle zegen van hebben gekregen.

Jakob openbaart al bij zijn geboorte dat hij op zijn eigen manier Ezau de baas wil worden, dat hij in eigen kracht de zegen van God wil krijgen (Hs 12:4a4In de [moeder]schoot pakte hij zijn broer bij de hielen;
in zijn kracht streed hij met God.
)
. Ezau, de sterkere, komt het eerst tevoorschijn, maar Jakobs hand houdt de hiel van Ezau vast. Hij wil als het ware Ezau vóór zijn. Hij geeft daarmee te kennen dat hij het eerstgeboorterecht en de daarmee verbonden zegen wil grijpen.

De naam die hij krijgt, zinspeelt daarop. “Jakob” betekent ‘hielenvasthouder’, met de bijgedachte door het vasthouden van de hiel iemand ten val te brengen (vgl. Gn 27:3636Hij zei daarop: Wordt hij niet terecht Jakob genoemd, omdat hij mij nu twee keer bedrogen heeft? Mijn eerstgeboorterecht heeft hij [mij] afgenomen, en zie, nu heeft hij mij mijn zegen afgenomen. Verder zei hij: Hebt u dan geen zegen voor mij overgehouden?). Deze naam zal hij door zijn handelwijze in zijn leven vele keren waarmaken. Jakob heeft wel belangstelling voor de zegen van God, in tegenstelling tot Ezau, maar hij wil die zeker stellen door trucs en listen.


Izak kiest Ezau – Rebekka kiest Jakob

27Toen die jongens groot werden, werd Ezau een man ervaren in de jacht, een man van het veld. Jakob echter was een oprecht man, die in tenten woonde. 28Izak had Ezau lief, omdat hij graag wildbraad at; Rebekka daarentegen had Jakob lief.

Izak en Rebekka geven als ouders geen goed voorbeeld. Ieder heeft een eigen lieveling. Die wordt gekozen op grond van eigen smaak. Dat is fout. Kinderen zijn er niet voor de ouders, om aan hun smaak te beantwoorden, maar ouders zijn er voor de kinderen, om ze op te voeden voor de Heer.

We kunnen wel meer respect hebben voor Rebekka dan voor Izak. Izak laat zich leiden door zijn lusten. Rebekka kiest voor Jakob en heeft hem lief, die toch ook door God is gekozen in de lijn van Zijn beloften. Ezau is een jager, een doder als Nimrod; Jakob is iemand die in tenten woont, een pelgrim, een herder.


Ezau veracht het eerstgeboorterecht

29[Eens] had Jakob iets gekookt, toen Ezau uit het veld kwam en moe was. 30Toen zei Ezau tegen Jakob: Laat mij toch slurpen van dat rode, dat rode daar, want ik ben moe. Daarom gaf men hem de naam Edom. 31Toen zei Jakob: Verkoop mij [dan] eerst je eerstgeboorterecht. 32Ezau zei: Zie, ik ga [toch] sterven; wat [moet] ik dan [met] het eerstgeboorterecht? 33Toen zei Jakob: Zweer het mij eerst. En hij zwoer het hem. Zo verkocht hij zijn eerstgeboorterecht aan Jakob. 34Toen gaf Jakob Ezau brood, met de linzensoep. Hij at, dronk, stond op en ging weg. Zo verachtte Ezau het eerstgeboorterecht.

Het eerste bewijs dat Ezau een ongoddelijke is en dat Jakob zich eigenhandig van de zegen wil verzekeren, wordt geleverd in deze geschiedenis met de linzensoep. Het verschil in karakter dat hier blijkt, zal in hun verdere leven steeds weer tot uitdrukking komen. Ezau heeft alleen belangstelling voor hier-en-nu. Hij geeft niets om wat hem is beloofd door God. Hij wil een ogenblikkelijke bevrediging van zijn behoeften. Om later geeft hij niet.

Ezau is als al die mensen die hun buik dienen en niet God. Zijn ogen volgen zijn hart. Hij heeft zin in eten en als hij dat rode daar ziet, wil hij het onmiddellijk hebben. Het linzengerecht is als de wijn die “roodachtig fonkelt” en vlot naar binnen glijdt, maar “ten slotte bijt hij als een slang, spuwt hij gif als een adder” (Sp 23:31-3231Kijk niet naar de wijn, wanneer hij rood kleurt,
als hij fonkelt in de beker,
al glijdt hij gemakkelijk naar binnen.
32Uiteindelijk bijt hij als een slang,
spuwt hij gif als een adder.
)
.

Om geen prooi te worden van de lusten van het vlees is het noodzakelijk dat we leren in zelfoordeel te leven. Dat kan alleen door te zien op Christus en Zijn werk voor ons aan het kruis. Alleen dan kunnen we ons voor de zonde dood houden (Rm 6:10-1210Want wat Hij is gestorven, is Hij eens voor altijd ten opzichte van de zonde gestorven, maar wat Hij leeft, leeft Hij voor God.11Zo ook u, rekent het ervoor ten opzichte van de zonde dood te zijn, maar voor God levend in Christus Jezus.12Laat dan de zonde niet regeren in uw sterfelijk lichaam om aan zijn begeerten te gehoorzamen.).

Voor Ezau is het leven maar kort, het kan hem niet schelen wat zijn kinderen zullen krijgen. Hij denkt alleen aan zichzelf. De zegeningen hebben voor hem geen waarde, en zijn ouders ook niet. Hij verkwanselt zijn eerstgeboorterecht voor direct genot, waarom hij ook een “ongoddelijke” wordt genoemd (Hb 12:1616dat niet iemand een hoereerder is of een ongoddelijke zoals Ezau, die voor één gerecht zijn eerstgeboorterecht verkocht,).

Ezau heeft van deze ongoddelijke versmading van het eerstgeboorterecht nooit berouw gehad. Daarvoor is bij hem geen plaats (Hb 12:1717want u weet dat hij ook daarna, toen hij de zegen wilde erven, verworpen werd, want hij vond geen plaats voor berouw, hoewel hij die met tranen zocht.). Hij heeft ook geen berouw gezocht, maar de zegen. Ieder die met berouw over zijn zonden tot God gaat, zal zeker vergeving ontvangen. Ezau heeft echter later niet gehuild omdat hij er berouw van heeft gekregen dat hij zijn eerstgeboorterecht heeft verkocht, maar omdat hij de bijbehorende zegeningen heeft verspeeld. Hij heeft gehuild, niet omdat hij een zondaar is, maar omdat hij een verliezer is. Zulke tranen zullen er in de hel zijn.

In korte trekken wordt in vers 3434Toen gaf Jakob Ezau brood, met de linzensoep. Hij at, dronk, stond op en ging weg. Zo verachtte Ezau het eerstgeboorterecht. zijn houding beschreven: “Hij at, dronk, stond op en ging weg.” Dat is zijn leven, zoals dat van steeds meer mensen vandaag (1Ko 15:3232Als ik, naar [de] mens [gesproken], in Efeze tegen wilde dieren heb gevochten, wat baat het mij? Als er geen doden worden opgewekt, laten wij eten en drinken, want morgen sterven wij.). Er is geen enkele ruimte voor God. Zijn leven is afgesloten naar boven en gericht op beneden. Dat is de tragiek van veel mensen, vooral van mensen die zijn opgegroeid in een gezin waar ze over God en de Heer Jezus hebben gehoord, maar dat bewust van zich af hebben geworpen. Zij hebben de wereld gekozen en dat is hun leven (Ps 17:14a14[bevrijd mij] met Uw hand van de mannen, HEERE,
van de mannen van de wereld,
die hun deel hebben in dít leven.
U vult hun buik met Uw verborgen [schatten];
hun kinderen worden verzadigd
en laten hun overschot na aan hún kinderen.
)
.


Lees verder