Genesis
1-2 De dood van Sara 3-20 Een graf en een begrafenis
De dood van Sara

1Sara leefde honderdzevenentwintig jaar; dat waren de levensjaren van Sara. 2En Sara stierf in Kirjath-Arba – het tegenwoordige Hebron – in het land Kanaän. Abraham ging de tent in om rouw te bedrijven over Sara en haar te bewenen.

Voordat in het volgende hoofdstuk Izak zijn vrouw Rebekka krijgt, wordt eerst de dood van Sara vermeld. In de typologie is dit een belangrijke gebeurtenis. We zien hier namelijk in beeld dat eerst Israël – waarvan Sara een beeld is – terzijde wordt gesteld, en dat daarna de Heer Jezus – van Wie Izak een beeld is – Zijn bruid krijgt, de gemeente – waarvan Rebekka een beeld is.

Sara is de enige vrouw van wie in Gods Woord wordt vermeld hoe oud ze is geworden. Haar dagen zijn geteld door God. God kent ook haar geloof. Het lijkt alsof ze in de schaduw van Abraham heeft gestaan, maar in Hebreeën 11 wordt ook over haar geloof gesproken (Hb 11:1111Door [het] geloof ontving hij, hoewel Sara zelf onvruchtbaar was, kracht om te verwekken, en [dat] boven [de] bepaalde leeftijd, omdat hij Hem trouw achtte Die het beloofd had.). Ze heeft niet op het geloof van Abraham gesteund, zoals een Lot. Zij heeft de hele pelgrimstocht met Abraham gemaakt en is tweeënzestig jaar lang een vreemdelinge en bijwoonster geweest. Samen hebben ze het einddoel bereikt, ook in trouw aan elkaar. Zij is in dit alles de gelovige vrouw van nu tot voorbeeld (1Pt 3:5-65Want zo versierden zich vroeger ook de heilige vrouwen die hun hoop op God stelden, terwijl zij aan hun eigen mannen onderdanig waren;6zoals Sara Abraham gehoorzaamde en hem ‘heer’ noemde; en haar kinderen bent u geworden, als u goeddoet en geen enkele verschrikking vreest.).

Wat ze voor Abraham heeft betekend, blijkt uit zijn reactie bij haar dood. Hij beweent haar en spaart kosten noch moeite haar een waardige begrafenis en een waardig graf te geven. Hier vinden we voor het eerst sprake van tranen bij Abraham. Daarover lezen we niet wanneer hij uit Ur van de Chaldeeën vertrekt.

De natuurlijke gevoelens worden door het geloof niet opzijgezet. Rouw en verdriet zijn niet verkeerd, ze hebben hun plaats. Er is wel een groot onderscheid met hen die geen hoop hebben (1Th 4:1313Maar wij willen niet dat u onwetend bent, broeders, wat betreft hen die ontslapen, opdat u niet bedroefd bent, zoals ook de overigen die geen hoop hebben.). De gelovige heeft verdriet als een geliefde medegelovige ontslaapt, maar is niet wanhopig. Hij zal zijn geliefde terugzien.


Een graf en een begrafenis

3Daarna stond Abraham op, ging weg van zijn dode en sprak tot de Hethieten: 4Ik ben slechts een vreemdeling en bijwoner bij u, maar geef mij toch bij u een eigen graf zodat ik mijn dode kan uitdragen en begraven. 5De Hethieten antwoordden Abraham en zeiden: 6Luister naar ons, mijn heer, u bent een vorst van God in ons midden. Begraaf uw dode in het beste graf dat wij hebben. Niemand van ons zal u zijn graf weigeren om uw dode te begraven. 7Toen stond Abraham op, boog zich voor de bevolking van dat land, de Hethieten, 8en sprak tot hen: Als het met uw goedkeuring is dat ik mijn dode uitdraag en begraaf, luister dan naar mij en pleit voor mij bij Efron, de zoon van Zohar, 9zodat hij mij de grot van Machpela, die hij bezit en die aan de rand van zijn akker ligt, zal geven. Laat hij mij die voor de volle prijs geven, zodat ik een eigen graf heb te midden van u. 10Efron nu zat te midden van de Hethieten. Efron de Hethiet antwoordde Abraham ten aanhoren van de Hethieten, allen die naar de poort van zijn stad gekomen waren: 11Nee, mijn heer! Luister naar mij: De akker geef ik u, en de grot die erop ligt, geef ik u ook. Voor de ogen van mijn volksgenoten geef ik u die; begraaf uw dode. 12Toen boog Abraham zich voor de bevolking van dat land, 13en hij sprak tot Efron ten aanhoren van de bevolking van het land: Als u werkelijk Efron bent, luister dan toch naar mij. Ik zal u geld voor de akker geven. Neem het van mij aan, zodat ik mijn dode daar kan begraven. 14Efron antwoordde Abraham en zei: 15Mijn heer, luister naar mij: een stuk land van vierhonderd sikkel zilver, wat maakt dat voor verschil tussen mij en u? Begraaf uw dode! 16Abraham luisterde naar Efron; en Abraham woog voor Efron het geld af waarover hij ten aanhoren van de Hethieten gesproken had: vierhonderd sikkel zilver, naar de gangbare waarde voor de koopman. 17Zo ging de akker van Efron in Machpela, die tegenover Mamre lag, de akker en de grot die daarop gelegen is, en al de bomen op de akker, op heel het gebied rondom de grot, 18over op Abraham als zijn eigendom, voor de ogen van de Hethieten, in het bijzijn van allen die naar de poort van zijn stad gekomen waren. 19Daarna begroef Abraham zijn vrouw Sara in de grot op de akker van Machpela, tegenover Mamre – het tegenwoordige Hebron – in het land Kanaän. 20Zo ging de akker met de grot die daarop gelegen is als een eigen graf over van de Hethieten op Abraham.

Na het rouw bedrijven en bewenen “stond Abraham op”. Hij blijft niet treuren. Het is belangrijk niet in verdriet te verzinken, maar na het rouwbedrijven en bewenen te zien wat dan nodig is. Er komt een tijd dat er weer moet worden opgestaan. Men kan niet bij het verdriet blijven stilstaan. Dit kan alleen als er geloof in de opstanding is, een geloof dat is gebaseerd op het werk van Christus aan het kruis en Zijn opstanding. Er is een opstanding van de gelovigen omdat Hij is opgestaan (1Ko 15:20-2120(Maar nu, Christus is opgewekt uit [de] doden, als Eersteling van hen die ontslapen zijn.21Want waar [de] dood is door een mens, is ook [de] opstanding van [de] doden door een mens.).

Abraham weet wat hij moet doen. Hij wil een graf kopen. Daarvoor gaat hij naar de eigenaars van het land. Hij koopt het graf voor vierhonderd zilverstukken, dat is een enorm bedrag. De prijs van een slaaf is twintig zilverstukken. In de tijd van Jeremia wordt een hele akker gekocht voor zeventien sikkel zilver. Zoveel is het hem waard dat Sara daar begraven wordt. Hij betaalt die prijs zonder erover te onderhandelen.

Tegenover hen belijdt hij vrijmoedig dat hij bij hen als vreemdeling verblijft (Hb 11:1313In [het] geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften te hebben ontvangen, maar zij zagen het in de verte en begroetten het, en beleden dat zij vreemdelingen en bijwoners op de aarde waren.) en daarom geen recht op iets van het land heeft. De reactie van de Hethieten toont het grote respect dat zij voor hem hebben en dat hij tijdens zijn verblijf onder hen door zijn gedrag heeft afgedwongen. Een consequente houding als gelovige dwingt respect af, in tegenstelling tot Lot, die veracht werd (vgl. Gn 23:66Luister naar ons, mijn heer, u bent een vorst van God in ons midden. Begraaf uw dode in het beste graf dat wij hebben. Niemand van ons zal u zijn graf weigeren om uw dode te begraven.; Gn 19:99Toen zeiden zij: Ga opzij! Ook zeiden ze: Deze ene is gekomen om [hier] als vreemdeling te verblijven en [nu] wil hij zeker rechter [over ons] zijn! Nu zullen we u meer kwaad aandoen dan hun. Zij drongen erg op de man, op Lot, aan en kwamen dichterbij om de deur open te breken.).

De beschrijving van de koop van het graf voor Sara laat zien hoezeer de plaats van de begrafenis ertoe doet. Abraham begraaft haar met het oog op de opstanding. Met de koop van het graf is Abraham in het bezit gekomen van het enige stuk Kanaän dat hij zijn eigendom kan noemen. Met deze koop bevestigt hij zijn geloof in de opstanding. Hij weet dat Sara leven uit God heeft gekregen. Daarom verzekert hij zich van de rechten op de plaats waar het lichaam van zijn geliefde wordt gelegd tot zij zal opstaan om de beloofde zegen in ontvangst te nemen.

Abraham begraaft niet ‘slechts een stoffelijk overschot’, maar begraaft “mijn dode” (vers 1313en hij sprak tot Efron ten aanhoren van de bevolking van het land: Als u werkelijk Efron bent, luister dan toch naar mij. Ik zal u geld voor de akker geven. Neem het van mij aan, zodat ik mijn dode daar kan begraven.), “zijn vrouw Sara” (vers 1919Daarna begroef Abraham zijn vrouw Sara in de grot op de akker van Machpela, tegenover Mamre – het tegenwoordige Hebron – in het land Kanaän.). Wanneer de Heer Jezus begraven wordt, staat er niet dat Zijn ‘stoffelijk overschot’ wordt begraven, maar dat “Jezus” in het graf wordt gelegd (Jh 19:40,4240Zij namen dan het lichaam van Jezus en bonden het in linnen doeken met de specerijen, zoals de Joden de gewoonte van begraven hebben.42Daar legden zij dan Jezus wegens de voorbereiding van de Joden, omdat het graf dichtbij was.). Het lichaam, dat is Hij.

Israël is nu een dood volk (Ez 37:1-111De hand van de HEERE was op mij, en de HEERE bracht mij in de geest naar buiten en zette mij neer, midden in een vallei. Die lag vol beenderen.2Hij deed mij er aan alle kanten omheen gaan. En zie, er lagen er zeer veel op de grond van de vallei, en zie, ze waren zeer dor.3Hij zei tegen mij: Mensenkind, zullen deze beenderen tot leven komen? En ik zei: Heere HEERE, Ú weet [het]!4Toen zei Hij tegen mij: Profeteer tegen deze beenderen en zeg tegen hen: Dorre beenderen, hoor het woord van de HEERE.5Zo zegt de Heere HEERE tegen deze beenderen: Zie, Ik ga geest in u brengen en u zult tot leven komen.6Ik zal pezen op u leggen, vlees op u doen komen, een huid over u heen trekken, en geest in u geven, zodat u tot leven komt. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.7Toen profeteerde ik zoals mij geboden was, en er ontstond een geluid zodra ik profeteerde, en zie, een gedruis! De beenderen kwamen bij elkaar, [elk] been bij het bijbehorende been.8En ik zag, en zie, er kwamen pezen op, er kwam vlees op en Hij trok er een huid overheen, maar er was geen geest in hen.9Hij zei tegen mij: Profeteer tegen de geest, profeteer, mensenkind! Zeg tegen de geest: Zo zegt de Heere HEERE: Geest, kom uit de vier wind[streken] en blaas in deze gedoden, zodat zij tot leven komen.10Ik profeteerde zoals Hij mij geboden had. Toen kwam de geest in hen en zij kwamen tot leven. Zij gingen op hun voeten staan, een zeer, zeer groot leger.11Toen zei Hij tegen mij: Mensenkind, deze beenderen zijn heel het huis van Israël. Zie, ze zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vergaan, wij zijn afgesneden!). Maar God heeft het volk met zorg begraven. Hij weet precies waar het zich bevindt. Hij heeft de akker, dat is de wereld, gekocht. Abraham betaalde de volle prijs. God betaalde ook de volle prijs: het bloed van Zijn Zoon.

Het is de eerste keer dat er in de Schrift over een begrafenis wordt gesproken. Nergens vinden we een gebod om te begraven, evenmin vinden we een verbod om te verbranden. Door wat we uit de Schrift weten, is het duidelijk dat begraven naar Gods gedachten is. We moeten ons afvragen wat de zin ervan is. Jakob en Jozef willen begraven worden in het beloofde land. God heeft Mozes Zelf begraven. De Heer Jezus is begraven in een nieuw graf.

Begraven houdt verband met de opstanding. Dat blijkt uit het lange hoofdstuk over de opstanding in de Bijbel, 1 Korinthiërs 15. Paulus begint dat hoofdstuk met de Korinthiërs nog een keer bekend te maken met wat het evangelie inhoudt. Dat heeft hij al een keer mondeling gedaan, wanneer hij bij de Korinthiërs is gekomen. Ze hebben het toen aangenomen en ze zijn daardoor behouden geworden. Nu hij hun zijn brief schrijft, vertelt hij hun nog een keer, waar het in het evangelie om gaat: “Want ik heb u in de eerste plaats overgegeven wat ik ook ontvangen heb: dat Christus voor onze zonden gestorven is, naar de Schriften; en dat Hij is begraven, en dat Hij op de derde dag is opgewekt, naar de Schriften” (1Ko 15:3-43Want ik heb u in de eerste plaats overgegeven wat ik ook ontvangen heb: dat Christus voor onze zonden gestorven is, naar de Schriften;4en dat Hij is begraven, en dat Hij op de derde dag is opgewekt, naar de Schriften;).

Hier staat twee keer de uitdrukking “naar de Schriften”. Daardoor wordt de zin in twee delen verdeeld. We zien dan dat in het tweede deel van de zin ‘begraven’ en ‘opgewekt’ bij elkaar horen. Dit is van grote betekenis. Paulus komt daar later in dat hoofdstuk nader op terug.

Het is duidelijk dat niet sterven en begraven bij elkaar horen, maar dat begraven en opstanding bij elkaar horen. Begraven is zaaien, en zaaien gebeurt met het oog op een oogst. Verbranding heeft altijd te maken met oordeel (Jz 7:2525Jozua zei: Waarom hebt u ons in het ongeluk gestort? De HEERE zal u in het ongeluk storten op deze dag. En heel Israël stenigde hem met stenen, en zij verbrandden hen met vuur. En zij wierpen stenen over hen; Lv 21:99Als een dochter van een zekere priester zich ontheiligt door hoererij te bedrijven, dan ontheiligt zij haar vader. Zij moet met vuur verbrand worden.). [Zie verder het boekje ‘Begraven of cremeren’ op www.oudesporen.nl.]

Abraham betaalt een hoge prijs. Hij wil niets van de inwoners van het land krijgen. Eerder heeft hij een aanbod om iets te krijgen geweigerd (Gn 14:2323dat ik niets, van draad tot schoenriem toe, ja, niets van alles wat van u is, zal nemen, zodat u niet kunt zeggen: Ik heb Abram rijk gemaakt.). In de onderhandelingen over de prijs gaat hij correct te werk. Abraham is geloofwaardig, ook in zijn zakendoen. Hij betaalt de prijs onder getuigen. Mensen beoordelen onze godsdienst in verbinding met onze nauwgezetheid in aardse zaken (2Ko 8:2121want wij behartigen wat eerlijk is, niet alleen voor [de] Heer, maar ook voor [de] mensen.; 1Th 4:1212opdat u betamelijk wandelt tegenover hen die buiten zijn en van niemand [iets] nodig hebt.).

De aankoop van de spelonk van Machpela als begraafplaats voor Sara getuigt van zijn onwankelbare geloof dat Kanaän zijn bezit zal worden, naar de belofte van God. Gods beloften eindigen niet met de dood. Met deze koop neemt hij als het ware een voorschot op het bezit van het geheel. Later worden ook hijzelf (Gn 25:1010op het land dat Abraham van de Hethieten gekocht had. Daar werd Abraham begraven, en zijn vrouw Sara.), Izak en Rebekka en Jakob en Lea daar begraven (Gn 49:29-3129Daarop gebood hij hun en zei: Ik word met mijn volk verenigd. Begraaf mij [dan] bij mijn vaderen in de grot die op de akker van Efron, de Hethiet, ligt;30in de grot die op de akker van Machpela ligt, dat tegenover Mamre ligt, in het land Kanaän, [en] die Abraham [samen] met die akker gekocht heeft van Efron, de Hethiet, als eigen graf.31Daar hebben ze Abraham begraven en Sara, zijn vrouw; daar hebben ze Izak begraven en Rebekka, zijn vrouw; en daar heb ik Lea begraven.; 50:1313zijn zonen vervoerden hem naar het land Kanaän en begroeven hem in de grot op de akker in Machpela, die Abraham [samen] met de akker als eigen graf gekocht had van Efron, de Hethiet; [deze grot] ligt tegenover Mamre.). Zij en alle andere oudtestamentische gelovigen zijn gestorven, zonder de belofte te hebben ontvangen, omdat God heeft gewild dat zij niet zonder de nieuwtestamentische gelovigen tot volmaaktheid zouden komen (Hb 11:39-4039En deze allen die door hun geloof getuigenis hebben verkregen, hebben de belofte niet ontvangen,40daar God voor ons iets beters had voorzien, opdat zij niet zonder ons tot volmaaktheid zouden komen.).


Lees verder