Genesis
1-7 Izak wordt geboren 8-21 Abraham verdrijft Hagar en Ismaël 22-34 Abraham en Abimelech
Izak wordt geboren

1De HEERE nu zag om naar Sara, zoals Hij gezegd had; de HEERE deed bij Sara zoals Hij gesproken had. 2Sara werd zwanger en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, op de vastgestelde tijd die God hem genoemd had. 3Abraham gaf zijn zoon die hem geboren was, die Sara hem gebaard had, de naam Izak. 4En Abraham besneed zijn zoon Izak, toen die acht dagen oud was, zoals God hem geboden had. 5Abraham was honderd jaar oud, toen zijn zoon Izak hem geboren werd. 6Sara zei: God heeft mij doen lachen; ieder die het hoort, zal met mij [mee]lachen. 7Verder zei zij: Wie zou Abraham hebben [durven] zeggen: Sara heeft zonen de borst gegeven? Voorzeker, ik heb een zoon gebaard in zijn ouderdom.

De zoon van de belofte, de erfgenaam, wordt “op de vastgestelde tijd” (vers 22Sara werd zwanger en baarde Abraham een zoon in zijn ouderdom, op de vastgestelde tijd die God hem genoemd had.) geboren. God heeft voor alles de juiste tijd (Pr 3:11Voor alles is er een vastgestelde tijd,
en er is een tijd voor elk voornemen onder de hemel.
)
. Izak is een beeld van de Heer Jezus, zoals Abraham dat is van God de Vader. De geboorte van Izak is een beeld van de invoering van de Eerstgeborene, de Heer Jezus, door God in de wereld (Hb 1:66En opnieuw, wanneer Hij de Eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt Hij: ‘En laten alle engelen van God Hem aanbidden’.). God heeft alles “onder Zijn voeten onderworpen” (Hb 2:88alles hebt U onder zijn voeten onderworpen’. Want door <Hem> alles te onderwerpen heeft Hij niets overgelaten dat Hem niet onderworpen zou zijn. Maar nu zien wij nog niet alles aan Hem onderworpen;), Hij is de ware Erfgenaam.

Een toepassing voor ons persoonlijk leven is dat de Heer Jezus pas in ons leven ‘geboren kan worden’, dat is zichtbaar kan worden, als de Filistijnse invloeden, die we in het vorige hoofdstuk hebben gezien, zijn weggedaan.

Abraham noemt zijn zoon Izak, zoals God tegen hem heeft gezegd (Gn 17:1919God zei: Integendeel, uw vrouw Sara zal u een zoon baren en u moet hem de naam Izak geven. Ik zal Mijn verbond met hem maken, tot een eeuwig verbond voor zijn nageslacht na hem.). “Izak” betekent ‘lachen’ (vgl. Ps 126:22Toen werd onze mond vervuld met lachen
en onze tong met gejuich.
Toen zei men onder de heidenvolken:
De HEERE heeft grote dingen bij hen gedaan!
)
. Izak zorgt voor vreugde in het gezin van Abraham. Zo zal de Heer Jezus ons altijd Zijn blijdschap geven als Hij centraal staat in ons leven.

Door zijn zoon te besnijden plaatst Abraham hem onder het verbond dat God met hem en zijn lichamelijk nageslacht gesloten heeft (Gn 17:1-141Toen Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen de HEERE aan Abram en zei tegen hem: Ik ben God, de Almachtige! Wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht.2Ik zal Mijn verbond sluiten tussen Mij en u, en u uitermate talrijk maken.3Toen wierp Abram zich met het gezicht [ter aarde] en God sprak met hem:4Wat Mijzelf betreft, zie, Mijn verbond is met u! U zult vader worden van een menigte volken.5U zult niet meer Abram heten, [maar] uw naam zal Abraham zijn, want Ik zal u vader van een menigte van volken maken.6Ik zal u uitermate vruchtbaar maken: Ik zal u tot volken maken en er zullen koningen uit u voortkomen.7Ik zal Mijn verbond maken tussen Mij, u en uw nageslacht na u, [al] hun generaties door, tot een eeuwig verbond, om voor u tot een God te zijn, en voor uw nageslacht na u.8Ik zal aan u en uw nageslacht na u het land waar u vreemdeling bent, het hele land Kanaän, als eeuwig bezit geven. Ik zal hun tot een God zijn.9Verder zei God tegen Abraham: En wat uzelf betreft, u moet Mijn verbond in acht nemen, u en uw nageslacht na u, [al] hun generaties door.10Dit is Mijn verbond dat u moet houden tussen Mij en u en uw nageslacht na u: al wie mannelijk is bij u moet besneden worden.11U moet het vlees van uw voorhuid laten besnijden en [dat] zal een teken zijn van het verbond tussen Mij en u.12Elk kind bij u van acht dagen [oud], al wie mannelijk is, moet besneden worden, [al] uw generaties door: degene die in [uw] huis geboren is én degene die van enige vreemdeling voor geld gekocht is, die niet tot uw nageslacht behoort.13Degene die in uw huis geboren is én degene die met uw geld gekocht is, moeten zeker besneden worden. Zo zal mijn verbond in uw vlees tot een eeuwig verbond zijn.14Maar hij die mannelijk [en] onbesneden is, van wie het vlees van zijn voorhuid niet besneden wordt, die persoon zal uitgeroeid worden uit zijn volk; hij heeft Mijn verbond verbroken.). Voor ons, christenen, is de besnijdenis een beeld van wat er met Christus is gebeurd op het kruis (Ko 2:1111In Hem bent u ook besneden met een besnijdenis, niet met handen verricht, in het uittrekken van het lichaam van het vlees, in de besnijdenis van Christus,). Ons leven als christen heeft voor God alleen waarde als we leven vanuit de betekenis van het kruis. Daar is de oude mens met Christus gekruisigd (Rm 6:66daar wij dit weten, dat onze oude mens met [Hem] gekruisigd is, opdat het lichaam van de zonde tenietgedaan zou zijn, opdat wij niet meer de zonde dienen.). Daardoor kunnen we onszelf voor de zonde dood houden en voor God levend in Christus Jezus (Rm 6:1111Zo ook u, rekent het ervoor ten opzichte van de zonde dood te zijn, maar voor God levend in Christus Jezus.).

Sara erkent de goede hand van God over haar leven. Hij heeft gemaakt dat de naam van haar zoon – Izak betekent ‘lachen’ – voor haar werkelijkheid wordt. Tevens spreekt ze erover dat haar vreugde wordt gedeeld door allen die ervan zullen horen (vgl. Lk 1:5858En haar buren en bloedverwanten hoorden dat [de] Heer Zijn barmhartigheid aan haar had groot gemaakt en zij waren met haar verblijd.). Anderen zullen zich verheugen in dit voorbeeld van Gods macht en goedheid en erdoor aangemoedigd worden om op Hem te vertrouwen (Ps 119:7474Wie U vrezen, zien mij en verblijden zich,
omdat ik op Uw woord gehoopt heb.
)
.

Tegelijk spreekt ze haar verbazing erover uit dat God zo goed voor haar is. Wie heeft dat ooit kunnen denken. Deze verwondering over verleende genade moet ook ons leven kenmerken. Waarom zijn wij door Hem uitverkoren om Zijn kinderen te zijn en ons te verheugen in de Zoon van Zijn liefde? Het kan alleen worden toegeschreven aan Gods oneindige liefde.


Abraham verdrijft Hagar en Ismaël

8Het kind werd groot en werd van de borst genomen. Op de dag dat Izak van de borst af was, richtte Abraham een grote maaltijd aan. 9En Sara zag dat de zoon die Hagar, de Egyptische, Abraham gebaard had, aan het spotlachen was. 10Toen zei zij tegen Abraham: Jaag deze slavin en haar zoon weg, want de zoon van deze slavin zal niet met mijn zoon, met Izak, erven. 11Deze woorden waren volstrekt kwalijk in de ogen van Abraham, vanwege zijn zoon. 12Maar God zei tegen Abraham: Laat [deze zaak] met betrekking tot de jongen en uw slavin niet kwalijk zijn in uw ogen. Bij alles wat Sara u zegt, luister naar haar stem, want [alleen het nageslacht] van Izak zal uw nageslacht genoemd worden. 13Maar ik zal ook de zoon van deze slavin tot een volk maken, omdat hij uw nageslacht is. 14Toen stond Abraham 's morgens vroeg op, nam brood en een zak met water, gaf die aan Hagar en legde het op haar schouder. [Hij gaf haar] ook het kind en stuurde haar weg. Zij ging op weg en dwaalde rond in de woestijn van Berseba. 15Toen het water uit de zak op was, wierp zij het kind onder een van de struiken. 16Zij ging op een afstand zitten, zo ver als men met een boog kan schieten, want zij zei: Laat ik het kind niet zien sterven. Terwijl zij op een afstand zat, begon ze luid te huilen. 17Toen hoorde God de stem van de jongen en de Engel van God riep tot Hagar vanuit de hemel en zei tegen haar: Wat is er met u, Hagar? Wees niet bevreesd, want God heeft naar de stem van de jongen, die daar ligt, geluisterd. 18Sta op, til de jongen overeind en houd hem met uw hand [goed] vast, want Ik zal hem tot een groot volk maken. 19God opende toen haar ogen, zodat zij een waterput zag. Zij liep [ernaartoe], vulde de zak met water en gaf de jongen te drinken. 20God was met de jongen en hij werd groot. Hij woonde in de woestijn en werd boogschutter. 21Hij woonde in de woestijn Paran en zijn moeder nam een vrouw voor hem uit het land Egypte.

Na de besnijdenis komt de fase die begint met het niet meer aan de borst zijn. Dat wijst op het zelfstandig worden van Izak. Hij is niet meer afhankelijk van het voedsel via zijn moeder, maar is in staat nu zelf voedsel tot zich te nemen. Hierin is hij ook een beeld van de gelovige die groeit naar geestelijke zelfstandigheid om vervolgens als een zelfstandige gelovige verder te groeien.

Dit betekent niet dat de groei los van anderen plaatsvindt, maar dat die plaatsvindt vanuit een eigen relatie met de Heer. In die groei zal de hulp van anderen juist zeer worden gewaardeerd. Daarom wordt de gemeente ook vergeleken met een lichaam dat God zó heeft samengesteld, dat “de leden voor elkaar gelijke zorg dragen” (1Ko 12:25b25opdat er geen verdeeldheid in het lichaam is, maar de leden voor elkaar gelijke zorg dragen.).

Voor het geloof is die groei een aanleiding voor een feest. Voor de wet, waarvan Ismaël een beeld is, is dat niet zo. Die drijft daar de spot mee. Dat Ismaël een beeld van de wet is en van mensen die zich onder de wet plaatsen en daarnaar willen leven, zien we in Galaten 4, waar Paulus zegt: Zegt mij, u die onder [de] wet wilt zijn, luistert u niet naar de wet? Want er staat geschreven dat Abraham twee zonen had, één van de slavin en één van de vrije. Maar die van de slavin was naar [het] vlees geboren en die van de vrije door [de] belofte. Deze dingen hebben een zinnebeeldige betekenis. Want dit zijn twee verbonden: het één van de berg Sinaï die tot slavernij baart, dat is Hagar. Hagar nu is de berg Sinaï in Arabië en komt overeen met het tegenwoordige Jeruzalem, want dit is in slavernij met haar kinderen; maar het Jeruzalem dat boven is, is vrij, en dat is onze moeder. Want er staat geschreven: ’Wees vrolijk, onvruchtbare die niet baart, barst los en juich, u die geen barensweeën hebt, want de kinderen van de eenzame zijn talrijker dan van haar die een man heeft’. U echter, broeders, bent kinderen van [de] belofte naar [het voorbeeld van] Izaäk. Maar zoals destijds hij die naar [het] vlees geboren was, hem vervolgde die naar [de] Geest was, zo ook nu. Maar wat zegt de Schrift? ’Drijf de slavin en haar zoon uit; want de zoon van de slavin zal geenszins erven met de zoon van de vrije’. Daarom, broeders, zijn wij geen kinderen van een slavin, maar van de vrije” (Gl 4:21-3121Zegt mij, u die onder [de] wet wilt zijn, luistert u niet naar de wet?22Want er staat geschreven dat Abraham twee zonen had, één van de slavin en één van de vrije.23Maar die van de slavin was naar [het] vlees geboren en die van de vrije door [de] belofte.24Deze dingen hebben een zinnebeeldige betekenis. Want dit zijn twee verbonden: het één van de berg Sinaï die tot slavernij baart, dat is Hagar.25Hagar nu is de berg Sinaï in Arabië en komt overeen met het tegenwoordige Jeruzalem, want dit is in slavernij met haar kinderen;26maar het Jeruzalem dat boven is, is vrij, en dat is onze moeder.27Want er staat geschreven: ‘Wees vrolijk, onvruchtbare die niet baart, barst los en juich, u die geen barensweeën hebt, want de kinderen van de eenzame zijn talrijker dan van haar die een man heeft’.28U echter, broeders, bent kinderen van [de] belofte naar [het voorbeeld van] Izaäk.29Maar zoals destijds hij die naar [het] vlees geboren was, hem vervolgde die naar [de] Geest was, zo ook nu.30Maar wat zegt de Schrift? ‘Drijf de slavin en haar zoon uit; want de zoon van de slavin zal geenszins erven met de zoon van de vrije’.31Daarom, broeders, zijn wij geen kinderen van een slavin, maar van de vrije.).

Paulus verwijst in dit gedeelte naar Izak en Ismaël en hun moeders. Hij noemt hun namen niet. Het gaat namelijk niet om hun namen, maar om hun posities, want die dragen de moeders over op hun kinderen. Na de positie te hebben belicht, wijst hij op de oorsprong van beide zonen. Ismaël wordt door eigenwillig handelen van Abraham geboren, maar Izak ontvangt hij door een belofte van God. Welke geestelijke lessen hieruit door de Galaten en door ons moeten worden getrokken, komt in dat gedeelte duidelijk naar voren.

Aan het slot van dat gedeelte zien we de betekenis van het uitdrijven van Ismaël. Die betekenis is dat wat naar het vlees geboren is, altijd vervolgt wat naar de Geest geboren is (Gl 4:2929Maar zoals destijds hij die naar [het] vlees geboren was, hem vervolgde die naar [de] Geest was, zo ook nu.). Wie naar de Geest is en daar ook consequent naar wil leven, zal vervolging ondervinden van de kant van mensen die God willen dienen in eigen kracht. Vervolging is onvermijdelijk omdat leven uit geloof één grote aanklacht is van elke vorm van godsdienst die het eigen presteren op de voorgrond stelt.

Wie naar de wet wil leven, bedenkt de dingen van het vlees, en “wat het vlees bedenkt, is vijandschap tegen God” (Rm 8:77omdat wat het vlees bedenkt, vijandschap is tegen God, want het onderwerpt zich niet aan de wet van God, want het kan dat ook niet.). Er bestaat geen verbinding tussen het vlees en de wet enerzijds en de Geest anderzijds. Uit het vlees komt niets voort wat door God kan worden erkend en aangenomen en gezegend. Voor Abraham is alle zegen verbonden met de zoon van de belofte. In hem wordt het nageslacht beloofd en alleen dat nageslacht krijgt de beloofde zegen (Rm 9:77evenmin, omdat zij Abrahams nageslacht zijn, zijn zij allen kinderen; maar ‘in Izaäk zal uw nageslacht worden genoemd’;; Hb 11:1818van wie gesproken was: ‘In Izaäk zal uw nageslacht genoemd worden’. Hij heeft overwogen, dat God machtig was hem zelfs uit [de] doden op te wekken,). Zo is voor de mens de zegen van God verbonden met het geloof in Christus, dé Zoon van de belofte. Het ongeloof, het vlees, heeft daaraan geen deel.

Daarom besluit Paulus de verklaring van deze geschiedenis als volgt: “Maar wat zegt de Schrift? ‘Drijf de slavin en haar zoon uit; want de zoon van de slavin zal geenszins erven met de zoon van de vrije’” (Gl 4:3030Maar wat zegt de Schrift? ‘Drijf de slavin en haar zoon uit; want de zoon van de slavin zal geenszins erven met de zoon van de vrije’.). De zegen van God is nooit te verkrijgen door een soort samenwerking van wet met genade. Alles wat met de wet te maken heeft, moet verdwijnen uit het leven en het denken van de christen.

Het is een harde les, te erkennen dat er voor het vlees geen plaats is. Dat vindt Abraham ook. Hij heeft er geen zin in Hagar en Ismaël te verdrijven. God moet er Zelf aan te pas komen om hem van de juistheid van de beslissing van Sara te overtuigen. Dan is er geen uitstel meer en zendt Abraham Hagar en Ismaël weg, na hen van het nodige voor onderweg te hebben voorzien.

Hagar stelt de wet voor (Gl 4:24-2524Deze dingen hebben een zinnebeeldige betekenis. Want dit zijn twee verbonden: het één van de berg Sinaï die tot slavernij baart, dat is Hagar.25Hagar nu is de berg Sinaï in Arabië en komt overeen met het tegenwoordige Jeruzalem, want dit is in slavernij met haar kinderen;). Haar zoon Ismaël is een beeld van Israël onder de wet. Dit volk, dat geen verbinding heeft met de Zoon van de belofte en Hem zelfs heeft bespot en verworpen, is dwalende, zoals Hagar en Ismaël dwalen. Maar God gaat Zijn weg met dat volk.

God hoort de stem van de jongen. Wij lezen niet dat Ismaël een woord tot God gesproken heeft, maar hij zal met zijn moeder hebben meegehuild en God heeft dat luide roepen gehoord. De plaats waar hij huilt, is bij een put in de woestijn “Berseba”. ‘Berseba’ betekent ‘put van de eed’. Zo zal God ook naar Zijn volk luisteren als zij zullen rouwklagen over de Eerstgeborene, wanneer zij zien op Hem Die zij doorstoken hebben (Zc 12:10b10Maar over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik de Geest van de genade en van de gebeden uitstorten. Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Zij zullen over Hem rouw bedrijven, als [met] de rouwklacht over een enig [kind]; en zij zullen over Hem bitter klagen, zoals men bitter klaagt over een eerstgeborene.).

Hagar krijgt de opdracht haar zoon overeind te tillen en met haar hand goed vast te houden. Gods genadige tussenkomst betekent niet dat de mens niets meer hoeft te doen. Ze krijgt er ook de belofte bij dat haar zoon tot een groot volk zal worden. Na deze woorden opent God bronnen van voorzieningen die ze eerst niet heeft gezien.


Abraham en Abimelech

22En het gebeurde in die tijd dat Abimelech, met Pichol, zijn legerbevelhebber, tegen Abraham zei: God is met u bij alles wat u doet. 23Nu dan, zweer mij hier bij God, dat u mij, mijn zoon, of mijn kleinzoon niet bedriegen zult. In overeenstemming met de goedertierenheid die ik u bewezen hebt, moet u mij en het land, waarin u als vreemdeling verblijft, [goedertierenheid] bewijzen. 24Abraham zei: Ik zweer [het]. 25Maar Abraham wees Abimelech [eerst] terecht over een waterput die de dienaren van Abimelech [hem] met geweld afgenomen hadden. 26Abimelech zei daarop: Ik weet niet wie dit gedaan heeft; bovendien hebt u het ook zelf niet [eerder] aan mij verteld, en heb ik er ook zelf niet [eerder] van gehoord dan vandaag. 27Toen nam Abraham kleinvee en runderen en gaf die aan Abimelech en zij beiden sloten een verbond. 28Maar Abraham zette zeven ooilammeren van het kleinvee apart. 29Toen zei Abimelech tegen Abraham: Wat betekenen die zeven ooilammeren [hier], die u apart gezet hebt? 30Hij zei: U moet die zeven ooilammeren uit mijn hand aannemen, zodat het voor mij als bewijs zal dienen dat ik deze put gegraven heb. 31Daarom noemde men die plaats Berseba, want zij beiden hebben daar [een eed] gezworen. 32Zo sloten zij een verbond in Berseba. Daarna stond Abimelech op, met Pichol, zijn legerbevelhebber, en keerden zij terug naar het land van de Filistijnen. 33En [Abraham] plantte een tamarisk in Berseba, en hij riep daar de Naam van de HEERE, de eeuwige God, aan. 34Abraham verbleef vele dagen als vreemdeling in het land van de Filistijnen.

Hier is de verhouding tussen Abraham en Abimelech volledig omgekeerd in vergelijking met het vorige hoofdstuk. Abimelech erkent dat God met Abraham is. Dit is een beeld van wat in de toekomst de volken zullen zeggen, wanneer Israël tot het hoofd van de volken is geworden (Zc 8:2323Zo zegt de HEERE van de legermachten: In die dagen [zal het gebeuren] dat tien mannen uit alle talen van de heidenvolken, vastgrijpen, ja, de punt [van de mantel] van een Joodse man zullen zij vastgrijpen, en zeggen: Wij gaan met u mee, want wij hebben gehoord [dat] God met u is.).

Een christen kan deze erkenning nu al ten deel vallen. Als een christen trouw wandelt met God, zal dat opgemerkt worden. Dat is het gevolg van het ‘wegzenden’ van het vlees, van het niet wandelen zoals de volken doen. Als Izak – in ons leven: de Heer Jezus – zijn ware plaats krijgt, komt deze erkenning van Abimelech – voor ons: van de wereld. Abraham wordt wel pijnlijk herinnerd aan zijn falen (vers 2323Nu dan, zweer mij hier bij God, dat u mij, mijn zoon, of mijn kleinzoon niet bedriegen zult. In overeenstemming met de goedertierenheid die ik u bewezen hebt, moet u mij en het land, waarin u als vreemdeling verblijft, [goedertierenheid] bewijzen.).

Toch is, zoals gezegd, de verhouding volledig anders. Nu berispt Abraham Abimelech vanwege een waterput en geeft hij geschenken aan Abimelech. De put krijgt de naam van de woestijn Berseba. Het verbond dat ze met elkaar sluiten, wordt bekrachtigd door een geschenk van de hand van Abraham. Hierna gaat Abimelech terug naar zijn land.

Abraham roept “de Naam van de HEERE, de eeuwige God, aan”. Hij brengt het besef tot uiting dat God boven de tijd staat en dat al Zijn beloften waargemaakt zullen worden, ook al is daar nog niets van te zien. Daarom ook plant hij in dit geloof een tamarisk bij Berseba (‘put van de eed’). Hiermee geeft hij als het ware de grens aan tussen zichzelf en de Filistijnen.


Lees verder