Genesis
Inleiding 1-11 Oorlog tussen vijf en vier koningen 12 Lot gevangengenomen 13-16 Abram bevrijdt Lot 17-24 Twee ontmoetingen
Inleiding

In dit hoofdstuk zien we de gevolgen van de posities die Abram en Lot in het vorige hoofdstuk hebben ingenomen. Bij Lot is er strijd, bij Abram rust.


Oorlog tussen vijf en vier koningen

1In de dagen van Amrafel, de koning van Sinear, Arioch, de koning van Ellasar, Kedor-Laomer, de koning van Elam, en Tideal, de koning van de heidenvolken, gebeurde het 2dat ze oorlog voerden tegen Bera, de koning van Sodom, tegen Birsa, de koning van Gomorra, [tegen] Sinab, de koning van Adama, [tegen] Semeber, de koning van Zeboïm en [tegen] de koning van Bela, het [tegenwoordige] Zoar. 3Deze allen waren een verbintenis aangegaan en [trokken] op naar het Siddimdal, dat is [tegenwoordig] de Zoutzee. 4Twaalf jaar hadden zij Kedor-Laomer gediend, maar in het dertiende jaar kwamen zij in opstand. 5Daarom kwam Kedor-Laomer in het veertiende jaar met de koningen die bij hem waren; en zij versloegen de Refaïeten in Asteroth-Karnaïm, de Zuzieten in Ham, de Emieten in Sjave-Kiriathaïm, 6en de Horieten in hun bergland Seïr tot aan El-Paran, dat aan de woestijn grenst. 7Daarna keerden zij terug en kwamen in En-Mispat – het [tegenwoordige] Kades – en zij versloegen [allen in] heel het gebied van de Amalekieten, en ook de Amorieten die in Hazezon-Thamar woonden. 8Toen trok de koning van Sodom [ten strijde] met de koning van Gomorra, de koning van Adama, de koning van Zeboïm en de koning van Bela – het [tegenwoordige] Zoar – en zij stelden zich op [voor de] strijd tegen hen in het Siddimdal, 9tegen Kedor-Laomer, de koning van Elam, Tideal, de koning van de volken, Amrafel, de koning van Sinear, en Arioch, de koning van Ellasar; vier koningen tegen vijf. 10Het Siddimdal nu was vol asfaltputten; de koningen van Sodom en Gomorra vluchtten en vielen daar[in]; en de overgeblevenen vluchtten naar het bergland. 11Zij namen al de bezittingen van Sodom en Gomorra en al hun voedsel mee en trokken weg.

Dit is de eerste oorlog waarvan in de Bijbel melding wordt gemaakt. Misschien zijn er wel meer geweest, maar deze wordt genoemd omdat Lot en Abram daarbij betrokken zijn, hoewel om heel verschillende redenen.

De oorlog gaat tussen vier koningen enerzijds en vijf koningen anderzijds. De vier koningen vallen de vijf koningen aan. Onder de vier koningen bevinden zich de koning van Sinear, dat is Babel, en die van Elam, dat is Perzië. De vijf aangevallen koningen zijn dat van steden die dicht bij elkaar liggen, in de Jordaanvallei. De aanleiding van de oorlog is de opstand van de vijf koningen tegen Kedor-Laomer die zij twaalf jaar hebben gediend.

Kedor-Laomer voorziet zich van machtige bondgenoten en verslaat diverse tegenstanders voordat hij de opstandige koningen aan zich onderwerpt. De vijf opstandige koningen verzamelen ook hun legers en stellen zich in slagorde op. Maar ze vormen geen partij voor Kedor-Laomer en zijn bondgenoten. Het leger van de koning van Sodom en zijn bondgenoten wordt verslagen. Velen van hen, die aan het zwaard ontkomen, komen om in asfaltputten. De steden worden geplunderd en “al de bezittingen van Sodom en Gomorra en al hun voedsel” worden door de overwinnaars weggevoerd.


Lot gevangengenomen

12Ook namen zij Lot, de zoon van Abrams broer, en zijn bezittingen mee, en trokken weg; hij woonde namelijk in Sodom.

Lot wordt na zijn innerlijke conflicten als gevolg van zijn wonen in Sodom (2Pt 2:88(want deze rechtvaardige heeft, toen hij in hun midden woonde, dag aan dag [zijn] rechtvaardige ziel door [het] zien en horen gekweld met [hun] wetteloze werken)) ook een prooi van uiterlijke conflicten. Hij heeft zijn deel gekozen op aarde en dat wordt hem afgenomen. Ook zijn vrijheid raakt hij kwijt. Lot woont in Sodom, terwijl hij eerder nog bij Sodom woont (Gn 13:1212Abram woonde in het land Kanaän; en Lot woonde in de steden in de vlakte en zette zijn tenten op tot bij Sodom.). Hij heeft zich er gevestigd, al zijn belangen zijn met het leven in Sodom verstrengeld.

Als wij een keus maken om in de wereld te wonen en ons leven daarnaar richten, omdat de genoegens ervan ons aantrekken, moeten we niet verwachten aan de bitterheid ervan te ontsnappen. Die zullen we ook ervaren.


Abram bevrijdt Lot

13Toen kwam er iemand die ontkomen was en vertelde het aan Abram, de Hebreeër; die woonde bij de eiken van de Amoriet Mamre, de broer van Eskol en Aner. Zij waren bondgenoten van Abram. 14Toen Abram hoorde dat zijn broeder als gevangene weggevoerd was, bewapende hij zijn geoefende [mannen], die in zijn huis geboren waren, driehonderd achttien [man], en hij achtervolgde hen tot aan Dan. 15Hij verdeelde zich 's nachts tegen hen [in groepen], hij en zijn manschappen, en versloeg hen; en hij achtervolgde hen tot aan Hoba, dat links van Damascus ligt. 16En hij bracht alle bezittingen terug, en ook zijn broeder Lot en zijn bezittingen bracht hij terug, evenals de vrouwen en het volk.

Abram heeft geen strijd. Hij houdt zich afzijdig van conflicten die hem niets aangaan (Sp 26:1717[Zoals] iemand die een voorbijlopende hond bij de oren grijpt,
[zo] is hij die zich mengt in onenigheid die hem niet aangaat.
)
. Hij heeft ook niets te verliezen, want hij heeft de beloften van God, die zijn niet af te nemen. Ook heeft hij als vreemdeling en pelgrim, iemand van de overzijde komt – hij wordt hier met nadruk “Abram, de Hebreeër” genoemd – niets te maken met de politieke toestanden om zich heen. Hij woont bij de eiken van de Amoriet Mamre, wat spreekt van duurzaamheid, waarvan de eik het symbool is, en van levenskracht of vettigheid, wat de betekenis van het woord ‘Mamre’ is. Abram woont op de plaats waar kracht wordt verkregen voor de strijd.

Als hij verneemt van het lot van Lot, die veelzeggend “zijn broeder” wordt genoemd, komt hij in actie en mengt zich in de strijd. Het enige wat hem daarbij voor ogen staat, is de bevrijding van zijn broeder Lot. Een broeder kan nog zo ver zijn afgedwaald, maar de liefde zal in actie komen bij broeders die als Abram leven in gemeenschap met God en horen van de ellendige situatie van die broeder. Lot is een gelovige, hoewel daar in Genesis niets van blijkt. In 2 Petrus 2 wordt driemaal van hem gezegd dat hij een rechtvaardige is (2Pt 2:7-87en als Hij [de] rechtvaardige Lot gered heeft die zwaar te lijden had door de wandel in losbandigheid van de zedelozen;8(want deze rechtvaardige heeft, toen hij in hun midden woonde, dag aan dag [zijn] rechtvaardige ziel door [het] zien en horen gekweld met [hun] wetteloze werken)). Maar hoe droevig is zijn leven. Zulke gelovigen zijn er vandaag ook. Wat is mijn reactie als ik hoor dat zij in omstandigheden verkeren die hulp nodig maken?

Abram is niet alleen zelf een afgezonderde, ook allen die bij zijn huis horen, zijn dat. Zij zijn de “geoefende [mannen]” (of “onderwezenen”, Statenvertaling) en zijn in zijn huis geboren. Deze geoefenden, dat wil zeggen geoefend in het gebruik van wapens, zijn niet alleen onderwezen in de oorlogsvoering, maar ook in de beginselen van de godsdienst, want Abram heeft zijn huis bevolen de weg van de HEERE te houden (Gn 18:1919Want Ik heb hem uitgekozen, opdat hij aan zijn kinderen en zijn huis na hem bevel zou geven om de weg van de HEERE in acht te nemen, door gerechtigheid en recht te doen, opdat de HEERE over Abraham zal brengen wat Hij over hem gesproken heeft.). Zoals verderop blijkt (vers 2424Verre daarvan! Alleen wat de knechten gegeten hebben, en het deel van de mannen die met mij meegegaan zijn, Aner, Eskol en Mamre; laten die hun deel nemen!), heeft Abram ook zijn buren, die zijn bondgenoten zijn (vers 1313Toen kwam er iemand die ontkomen was en vertelde het aan Abram, de Hebreeër; die woonde bij de eiken van de Amoriet Mamre, de broer van Eskol en Aner. Zij waren bondgenoten van Abram.), gevraagd mee te gaan in de strijd.

In deze strijd gaat Abram met wijsheid te werk. Hij is op de hoogte van oorlogsvoering. Hij verdeelt zijn manschappen, om de vijand van verschillende zijden tegelijk aan te vallen. Later doet Gideon met zijn kleine bende hetzelfde (Ri 7:1616Toen verdeelde hij de driehonderd man in drie groepen en gaf iedereen een bazuin en lege kruiken in de hand, met fakkels binnenin de kruiken.) Daardoor geeft Abram de indruk dat zijn kleine leger een groot leger is. Om hen te verrassen valt hij hen in de nacht aan.

De werkelijke kracht zit in zijn geloof. Omdat hij zich niet met de wereld heeft verbonden, kan hij de wereld overwinnen (1Jh 5:44Want al wat uit God geboren is, overwint de wereld; en dit is de overwinning die de wereld overwonnen heeft: ons geloof.). Dan is er geestelijke kracht om een broeder te bevrijden van de invloed van Sodom en Sinear. Abram is een voorbeeld van mannen van geloof “die door middel van [het] geloof koninkrijken onderwierpen” (Hb 11:33a33die door middel van [het] geloof koninkrijken onderwierpen, gerechtigheid oefenden, [de] beloften ontvingen, leeuwenmuilen toestopten,).

Dat Lot uiteindelijk van zijn gevangenneming en bevrijding niets heeft geleerd, maar terugkeert naar Sodom, maakt de actie van Abram niet van minder betekenis. Elke verstrikking waarin een broeder terechtkomt, moet ons tot actie brengen om hem te bevrijden, los van de vraag hoe hij verder leeft. Dat is zijn verantwoordelijkheid. Wij kunnen anderen niet aan ons verplichten. We moeten de bevrijde aan de Heer toevertrouwen.


Twee ontmoetingen

17Toen trok de koning van Sodom hem tegemoet, nadat hij teruggekeerd was van het verslaan van Kedor-Laomer en de koningen die bij hem waren, naar het dal Sjave, dat is het [tegenwoordige] Koningsdal. 18En Melchizedek, de koning van Salem, bracht brood en wijn; hij was een priester van God, de Allerhoogste.
19En hij zegende hem en zei:
Gezegend zij Abram
door God, de Allerhoogste,
Die hemel en aarde bezit!
20En geloofd zij God, de Allerhoogste,
Die overgeleverd heeft
uw tegenstanders in uw hand!
En [Abram] gaf hem van alles een tiende deel.
21De koning van Sodom zei tegen Abram: Geef mij de mensen, maar houd de bezittingen voor uzelf. 22Maar Abram zei tegen de koning van Sodom: Ik zweer bij de HEERE, God, de Allerhoogste, Die hemel en aarde bezit, 23dat ik niets, van draad tot schoenriem toe, ja, niets van alles wat van u is, zal nemen, zodat u niet kunt zeggen: Ik heb Abram rijk gemaakt. 24Verre daarvan! Alleen wat de knechten gegeten hebben, en het deel van de mannen die met mij meegegaan zijn, Aner, Eskol en Mamre; laten die hun deel nemen!

Het moment van succes is altijd het moment van gevaar. De koning van Sodom wil onderhandelen. In hem zien we een beeld van de satan, die komt “als een engel van het licht” (2Ko 11:1414En geen wonder, want de satan zelf doet zich voor als een engel van het licht.). Maar voordat die ontmoeting plaatsvindt, komt eerst Melchizedek Abram tegemoet. Melchizedek is een beeld van de Heer Jezus, zo blijkt duidelijk uit de brief aan de Hebreeën (Hb 7:1-21Want deze Melchizédek, koning van Salem, priester van God de Allerhoogste, die Abraham tegemoet ging toen hij van het verslaan van de koningen terugkeerde, en hem zegende,2aan wie ook Abraham een tiende van alles gaf, is in de eerste plaats naar de uitleg [van zijn naam]: koning van [de] gerechtigheid, en vervolgens ook: koning van Salem, dat is koning van [de] vrede,), waar deze priester vaak wordt genoemd. Deze priester wordt “priester van God, de Allerhoogste” genoemd. Dat is de naam van God die doet denken aan het duizendjarig vrederijk, wanneer alles aan Hem onderworpen zal zijn.

Melchizedek komt met brood en wijn tot Abram. Dat heeft niets te maken met het avondmaal. Het avondmaal is de gedenkmaaltijd naar aanleiding van de dood van de Heer Jezus. Hier komt (in beeld) de Heer Jezus met wat kracht (brood) en vreugde (wijn) geeft. Hij deelt zegen uit.

Abraham, zo lezen we in de brief aan de Hebreeën, geeft Melchizedek een tiende van de buit, waardoor hij hem als zijn meerdere erkent (Hb 7:44Aanschouwt nu hoe groot deze was, aan wie <zelfs> de aartsvader Abraham een tiende van de buit gaf.). Het recht op de tienden is dan nog niet door een gebod van God geregeld. Melchizedek behoort helemaal niet tot het geslacht van Levi voor wie God later dat recht bij wet regelt en ook niet tot een ander geslacht voor wie iets geregeld zou zijn. Hij neemt tienden van Abraham op grond van zijn eigen persoon en ambt. Dus is hij groter dan Abraham (Hb 7:6-76maar hij die zich niet tot hun geslacht kon rekenen, heeft tienden genomen van Abraham en hem die de beloften had gezegend.7Zonder enige tegenspraak nu wordt het mindere gezegend door het meerdere.).

Na de ontvangst van de tienden zegent hij Abram als het vat van de beloften. Abram is de bezitter en bewaarder van Goddelijke beloften. Hij zal de vader van een menigte van volken worden, in wie door God alle volken van de aarde gezegend zullen worden. De persoon door wie Abraham gezegend wordt, is iemand die werkelijk groot genoemd kan worden. Alle ware zegen is ook voor de christen verbonden met de Persoon en het ambt van Christus in de hemel.

Hij die zegent, is ‘zonder enige tegenspraak’ meer dan hij die gezegend wordt (Hb 7:77Zonder enige tegenspraak nu wordt het mindere gezegend door het meerdere.). Dat het meerdere het mindere zegent, is in de christenheid vergeten. Dat zien we bijvoorbeeld in de predikant die de gemeente zegent, alsof hij meer is dan degenen die hij dient. In het christendom is de ene gelovige echter niet meer dan de andere gelovige (Mt 23:88U echter, laat u niet rabbi noemen; want Eén is uw Meester, en u bent allen broeders.).

Na deze ontmoeting komt de ontmoeting met de koning van Sodom die al naar hem onderweg is. Het voorstel dat de koning van Sodom doet en waarin een grote list schuilgaat, wordt door Abram van de hand gewezen. Hij doorziet de list. Hij wil niets hebben, zelfs het geringste niet, van wat de wereld hem aanbiedt, waardoor de wereld een claim op hem zou kunnen leggen.

Zijn weigering is des te gemakkelijker omdat hij zojuist gezegend is namens God Zelf, van Wie Melchizedek heeft gezegd: “Die hemel en aarde bezit” (vers 1919En hij zegende hem en zei:
Gezegend zij Abram
door God, de Allerhoogste,
Die hemel en aarde bezit!
)
. Wat zou een gelovige willen ontvangen uit handen van de duivel van de aardse zegeningen, als hij zich bewust is dat hij verbonden is met de Heer Jezus, aan Wie “alle macht is gegeven in hemel en op <de> aarde” (Mt 28:1818En Jezus kwam naar hen toe en sprak tot hen de woorden: Mij is gegeven alle macht in hemel en op <de> aarde.) en aan Wie de Vader alle dingen in handen heeft gegeven (Jh 3:3535De Vader heeft de Zoon lief en heeft alles in Zijn hand gegeven.; 13:33stond Hij, terwijl Hij wist dat de Vader Hem alles in de handen had gegeven en dat Hij van God was uitgegaan en tot God heenging, van de maaltijd op)?

Wat Abram zelf weigert omdat hij de rijkdom van de Heer Jezus heeft gezien, weigert hij niet voor zijn metgezellen. De beperkingen die we onszelf opleggen in het gebruikmaken van bepaalde vrijheden, moeten we niet aan anderen opleggen. De keus die we maken, is een persoonlijke keus, die we niet voor anderen kunnen maken.


Lees verder