Genesis
1-4 De torenbouw van Babel 5-9 De spraakverwarring 10-26 Nakomelingen van Sem tot Terah 27-32 Terah en Abram
De torenbouw van Babel

1Heel de aarde had één taal en eendere woorden. 2En het gebeurde toen zij naar het oosten trokken, dat zij een vlakte in het land Sinear vonden. Daar gingen zij wonen. 3En zij zeiden allen tegen elkaar: Kom, laten wij kleiblokken maken en die goed bakken! En de kleiblokken dienden hun tot steen en het asfalt diende hun tot leem. 4En zij zeiden: Kom, laten wij voor ons een stad bouwen en een toren waarvan de top in de hemel reikt, en laten we voor ons een naam maken, anders worden wij over heel de aarde verspreid!

In deze tijd zijn er volgens sommigen ongeveer dertigduizend mensen op aarde. Ze zijn nog allemaal bij elkaar. Samen trekken ze op naar het oosten. Het is de richting waarin Kaïn vertrok (Gn 4:1616Toen ging Kaïn weg van het aangezicht van de HEERE; en hij woonde in het land Nod, ten oosten van Eden.; vgl. Gn 3:23-2423Daarom zond de HEERE God hem weg uit de hof van Eden, om de aardbodem te bewerken, waaruit hij genomen was.24Hij verdreef de mens, en plaatste ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een vlammend zwaard, dat heen en weer bewoog, om de weg naar de boom des levens te bewaken.). Het is de richting die hier spreekt van het verlaten van God. In het oosten vinden ze een laagte, dat spreekt hier van gemakzucht. Abraham zoekt later het gebergte (Gn 12:88Vandaar brak hij op naar het bergland ten oosten van Bethel en zette zijn tent op tussen Bethel in het westen en Ai in het oosten. Daar bouwde hij voor de HEERE een altaar en riep de Naam van de HEERE aan.), dat spreekt ervan dicht bij God te willen.

De laagte ligt in het land Sinear. Daar ligt de oorsprong van Babel (Gn 10:8-108En Cusj verwekte Nimrod; die begon een geweldenaar op de aarde te worden.9Hij was een geweldig jager voor het aangezicht van de HEERE; daarom wordt gezegd: Als Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht van de HEERE.10Het begin van zijn koninkrijk bestond uit Babel, Erech, Akkad en Kalne in het land Sinear.) en de afgoderij (Zc 5:5-115En de Engel Die met mij sprak, trad naar voren en zei tegen mij: Sla toch uw ogen op en zie wat daar tevoorschijn komt.6Ik zei: Wat is dat? Hij zei: Dat is een efa die tevoorschijn komt. Hij zei: Dat is het oog [dat] over hen [waakt] in heel het land.7En zie, een loden deksel werd opgelicht, en er was een vrouw, [die] midden in de efa zat.8En Hij zei: Dit is [vrouwe] Goddeloosheid. Hij wierp haar [terug] midden in de efa en Hij wierp het loden gewicht op de opening ervan.9Ik sloeg mijn ogen op en zag, en zie, twee vrouwen kwamen tevoorschijn met de wind onder hun vleugels. Zij hadden vleugels als de vleugels van een ooievaar en zij tilden de efa op tussen de aarde en de hemel.10Toen zei ik tegen de Engel Die met mij sprak: Waar brengen zij deze efa heen?11Hij zei tegen mij: Naar het land Sinear om voor haar een huis te bouwen. Is het gereed, dan wordt zij daar op haar voetstuk geplaatst.). Hier willen de mensen een gezamenlijke krachtsinspanning leveren: ze willen een stad bouwen met een toren die als brug dient om daarmee de hemel te bereiken. Er lijkt belangstelling te zijn voor God.

Het is opmerkelijk dat de eerste bouwers van steden, zowel in de oude wereld (Gn 4:1717En Kaïn had gemeenschap met zijn vrouw, en zij werd zwanger en baarde Henoch. [Kaïn] was een stad aan het bouwen, en hij noemde de naam van die stad naar de naam van zijn zoon, Henoch.) als hier in de nieuwe wereld, geen mannen zijn van het beste karakter of de beste naam. Tenten zijn de woning van hen die God vrezen, terwijl de eerste steden worden gebouwd door hen die tegen Hem rebelleren en van Hem afvallen. We zien dat ook hier. De mensen willen die stad met de toren bouwen tot hun eigen eer en naam. Ze willen zich een naam maken op aarde. Ze bouwen ook met zelfgemaakte stenen. Dit staat tegenover Gods handelen. God doet alles tot eer van Zijn eigen Naam (Js 63:12,1412Die Zijn luisterrijke arm heeft doen gaan
aan de rechterhand van Mozes,
Die het water voor hun [ogen] doormidden spleet
om Zich een eeuwige Naam te maken,
14als een dier [dat] in de vallei afdaalt,
heeft de Geest van de HEERE hun rust gegeven.
Zo hebt U Uw volk geleid
om U een luisterrijke Naam te maken.
; Jr 32:2020U, Die tekenen en wonderen verricht hebt in het land Egypte tot op deze dag, in Israël en onder [de andere] mensen, en U hebt Uzelf een Naam gemaakt, zoals het heden ten dage is.)
.

Het materiaal dat zij gebruiken, kleiblokken, is uit klei van de aarde vervaardigd en dus broos en kwetsbaar. Het past bij de mens in zijn aardse, broze bestaan (Jb 33:66Zie, ik ben voor God net als jij;
ook ik ben [maar] uit leem gevormd.
)
. Omdat de mens zich dat niet bewust is, waagt hij het een dergelijk bouwwerk neer te zetten. God bouwt Zijn stad met heel ander materiaal: edelstenen (Js 54:11-1211U, ellendige, door stormweer voortgedrevene, ongetrooste,
zie, Ik zal uw stenen leggen in schitterend zilverwit,
Ik zal u grondvesten op saffieren,
12uw torens maken van kristal,
uw poorten van robijn,
heel uw omwalling van edelsteen.
; Op 21:18-2118En de bouwstof van haar muur was jaspis; en de stad was zuiver goud, aan zuiver glas gelijk.19De fundamenten van de muur van de stad waren met allerlei edelgesteente versierd. Het eerste fundament was jaspis, het tweede saffier, het derde chalcedon, het vierde smaragd,20het vijfde sardonyx, het zesde sardius, het zevende chrysoliet, het achtste beril, het negende topaas, het tiende chrysopraas, het elfde hyacint, het twaalfde amethist.21En de twaalf poorten waren twaalf parels, elk afzonderlijk van de poorten was uit één parel. En de straat van de stad was zuiver goud, als doorzichtig glas.)
. Zijn geestelijk huis bouwt Hij met levende stenen (1Pt 2:55en u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.).

Wat hier gebeurt, is de hedendaagse christenheid ten voeten uit. De naamchristenen willen meegeteld worden, ze willen dat er met hun mening rekening wordt gehouden in politieke vraagstukken en besluitvorming. En hebben ze niet geweldige namen in hun geschiedenis om zich op te beroemen, theologen van naam? Maar een grote naam hebben op aarde betekent niet automatisch dat die naam ook in de hemel staat opgeschreven. Bij de bouw van de stad en de toren van Babel is het in elk geval een streven naar eenheid en macht. Dit is wat we in de oecumenische beweging, het eenheidsstreven van de kerken onder aanvoering van de rooms-katholieke kerk, het geestelijke Babylon, werkelijkheid zien worden.


De spraakverwarring

5Toen daalde de HEERE neer om de stad en de toren te zien die de mensenkinderen aan het bouwen waren, 6en de HEERE zei: Zie, zij vormen één volk en hebben allen één taal. Dit is het begin van wat zij gaan doen, en nu zal niets van wat zij zich voornemen te doen, voor hen onmogelijk zijn. 7Kom, laten Wij neerdalen en laten Wij hun taal daar verwarren, zodat zij geen van allen elkaars taal zullen begrijpen. 8Zo verspreidde de HEERE hen vandaar over heel de aarde, en zij hielden op met het bouwen van de stad. 9Daarom gaf men haar de naam Babel; want daar verwarde de HEERE de taal van heel de aarde, en vandaar verspreidde de HEERE hen over heel de aarde.

Het antwoord van God op dit streven laat niet lang op zich wachten. De mensen hebben tegen elkaar gezegd: “Kom, laten wij …“ (verzen 3-43En zij zeiden allen tegen elkaar: Kom, laten wij kleiblokken maken en die goed bakken! En de kleiblokken dienden hun tot steen en het asfalt diende hun tot leem.4En zij zeiden: Kom, laten wij voor ons een stad bouwen en een toren waarvan de top in de hemel reikt, en laten we voor ons een naam maken, anders worden wij over heel de aarde verspreid!). Nu zegt de HEERE: “Kom, laten Wij …“ (“Wij” is de drie-enige God: Vader, Zoon en Heilige Geest). Om de mens als het ware in Zijn overwegingen te betrekken komt de HEERE naar beneden om kennis te nemen van hun werken. Het is om de mens te overtuigen van wat Hij als de Alwetende weet. Na Zijn conclusie spreekt God recht. Hij velt het vonnis en voltrekt het ook. Hij doet dat niet door een nieuwe zondvloed of het openen van de aarde, maar door een spraakverwarring.

Door het oordeel van de spraakverwarring brengt God een breuk aan in het gezamenlijke streven van de mens. Een groot en machtig bolwerk wordt geslecht. De spraakverwarring wordt opgeheven op de Pinksterdag (Hd 2:1-111En toen de dag van het Pinksterfeest werd vervuld, waren zij allen gemeenschappelijk bijeen.2En er kwam plotseling uit de hemel een geluid als van een geweldige, voortgedreven wind en deze vulde het hele huis waar zij zaten.3En er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen.4En zij werden allen vervuld met [de] Heilige Geest en ze begonnen in andere talen te spreken, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.5Nu woonden er in Jeruzalem Joden, Godvrezende mannen uit elk van de volken die er onder de hemel zijn.6Toen nu dit geluid was ontstaan, kwam de volksmenigte samen en raakte in verwarring, want ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken.7En zij waren buiten zichzelf en verwonderden zich en zeiden: Zie, zijn niet al dezen die spreken Galileeërs?8Hoe horen wij [hen] dan ieder van ons in zijn eigen taal waarin wij geboren zijn?9Parthen, Meden en Elamieten, en de bewoners van Mesopotamië, Judéa en Kappadocië, Pontus en Asia,10Frygië en Pamfylië, Egypte en de streken van Libië bij Cyréne, en de hier woonachtige Romeinen, zowel Joden als proselieten,11Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen over de grote daden van God spreken.), als de Heilige Geest wordt uitgestort. Door de doop met de Geest ontstaat er een eenheid die naar Gods gedachten is. Deze eenheid, de eenheid van Gods gemeente, is gebaseerd op het werk van Christus als het Lam. Christus zal daarvoor de eer ontvangen uit de mond van hen die Hij voor God met Zijn bloed heeft gekocht “uit elk geslacht en taal en volk en natie” (Op 5:99En zij zingen een nieuw lied en zeggen: U bent waard het boek te nemen en zijn zegels te openen; want U bent geslacht en hebt voor God gekocht met Uw bloed uit elk geslacht en taal en volk en natie,; Rm 15:66opdat u eendrachtig, uit één mond, de God en Vader van onze Heer Jezus Christus verheerlijkt.). In het vrederijk zal er ook weer een eenheid onder de volken op aarde zijn in het dienen van God (Zf 3:9-109Voorzeker, dan zal Ik bij de volken
[de lippen] veranderen in reine lippen,
zodat zij allen de Naam van de HEERE zullen aanroepen,
om Hem schouder aan schouder te dienen.10Van over de rivieren van Cusj
zullen zij die vurig tot Mij bidden,
het volk, overal door Mij verspreid,
Mijn offer brengen.
)
.

De niet afgebouwde stad krijgt de naam “Babel”, dat betekent ‘verwarring’. Deze stad wordt de leidende macht in de wereld. Het is een concentratie van goddeloze machten. Tegelijk wordt duidelijk dat de eenheid die is nagestreefd en die door de mens als macht is gezien, door God met een spraakverwarring wordt geoordeeld. Wat zij met hun streven hebben willen voorkomen, verstrooiing (vers 44En zij zeiden: Kom, laten wij voor ons een stad bouwen en een toren waarvan de top in de hemel reikt, en laten we voor ons een naam maken, anders worden wij over heel de aarde verspreid!), is precies wat door Gods oordeel gebeurt.

Hiermee is de vertelling van de vroege geschiedenis van de mens op aarde tot een passend slot gekomen. Ze beschrijft hoe de geslachten van de aarde hopeloos verstrooid zijn geworden en ronddolen op aarde, zonder uitzicht. De oplossing komt in het volgende gedeelte. Uit de verstrooide volken vormt God een volk dat het kanaal van Zijn genade zal worden. God rekent nog niet af met het menselijk geslacht. Het volgende gedeelte bereidt ons voor op Gods werk voor en met Zijn volk.


Nakomelingen van Sem tot Terah

10Dit zijn de afstammelingen van Sem: Sem was honderd jaar oud, toen hij Arfachsad verwekte, twee jaar na de vloed. 11Sem leefde, nadat hij Arfachsad verwekt had, vijfhonderd jaar; en hij verwekte zonen en dochters. 12Arfachsad had vijfendertig jaar geleefd, toen hij Selah verwekte. 13Arfachsad leefde, nadat hij Selah verwekt had, vierhonderddrie jaar; en hij verwekte zonen en dochters. 14Selah had dertig jaar geleefd, toen hij Heber verwekte. 15Selah leefde, nadat hij Heber verwekt had, vierhonderddrie jaar, en hij verwekte zonen en dochters. 16Heber had vierendertig jaar geleefd, toen hij Peleg verwekte. 17Heber leefde, nadat hij Peleg verwekt had, vierhonderddertig jaar; en hij verwekte zonen en dochters. 18Peleg had dertig jaar geleefd, toen hij Rehu verwekte. 19Peleg leefde, nadat hij Rehu verwekt had, tweehonderdnegen jaar; en hij verwekte zonen en dochters. 20Rehu had tweeëndertig jaar geleefd, toen hij Serug verwekte. 21Rehu leefde, nadat hij Serug verwekt had, tweehonderdzeven jaar; en hij verwekte zonen en dochters. 22Serug had dertig jaar geleefd, toen hij Nahor verwekte. 23Serug leefde, nadat hij Nahor verwekt had, tweehonderd jaar; en hij verwekte zonen en dochters. 24Nahor had negenentwintig jaar geleefd, toen hij Terah verwekte. 25Nahor leefde, nadat hij Terah verwekt had, honderdnegentien jaar; en hij verwekte zonen en dochters. 26Terah had zeventig jaar geleefd, toen hij Abram, Nahor en Haran verwekte.

Het geslachtsregister van Sem wordt gegeven. Hieruit blijkt dat de nakomelingen van Sem ten slotte ook in afgoderij zijn vervallen (Jz 24:22Toen zei Jozua tegen heel het volk: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Aan de overzijde van de rivier hebben uw vaderen vanouds gewoond, [namelijk] Terah, de vader van Abraham, en de vader van Nahor; en zij hebben andere goden gediend.). Dan roept de HEERE Abram. Om zijn roeping en zijn persoon gaat het in dit geslachtsregister en de volgende hoofdstukken. Gods antwoord op de bouw van de stad en de toren van Babel is het oordeel van de spraakverwarring. Vervolgens gaat God nu een man, Abram, roepen die als een hemelsgezinde man door Hem naar een land wordt gebracht waar hij voor Gods aangezicht mag wonen.

Als alles in afgoderij is verzonken, maakt God naar Zijn belofte daaraan niet een einde door een nieuw oordeel. Hij laat de volken op hun eigen wegen gaan (Hd 14:1616Hij heeft in de voorbije geslachten alle volken op hun eigen wegen laten gaan,) en begint met Abram iets nieuws. God gaat met de roeping van Abram ons een beginsel bijbrengen dat van grote betekenis is: afzondering van het kwaad. God gaat dat aan Abram leren, stap voor stap. Dat wil Hij ook ons leren, stap voor stap.


Terah en Abram

27Dit zijn de afstammelingen van Terah: Terah verwekte Abram, Nahor en Haran; en Haran verwekte Lot. 28Haran stierf tijdens [het leven] van zijn vader Terah, in zijn geboorteland, in Ur van de Chaldeeën. 29En Abram en Nahor namen zich vrouwen; de naam van Abrams vrouw was Sarai, en de naam van Nahors vrouw was Milka, een dochter van Haran, de vader van Milka en Jiska. 30Sarai nu was onvruchtbaar; zij had geen kind. 31En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, zijn kleinzoon, de zoon van Haran, en Sarai, zijn schoondochter, de vrouw van zijn zoon Abram, en zij trokken met hen uit Ur van de Chaldeeën om naar het land Kanaän te gaan; en zij kwamen tot Haran en bleven daar wonen. 32De dagen nu van Terah waren tweehonderdvijf jaar, en Terah stierf in Haran.

Uit vers 3131En Terah nam Abram, zijn zoon, en Lot, zijn kleinzoon, de zoon van Haran, en Sarai, zijn schoondochter, de vrouw van zijn zoon Abram, en zij trokken met hen uit Ur van de Chaldeeën om naar het land Kanaän te gaan; en zij kwamen tot Haran en bleven daar wonen. blijkt dat Terah, de vader van Abram, het initiatief neemt om naar Kanaän te vertrekken. God is echter niet aan Terah, maar aan Abram verschenen in Ur van de Chaldeeën: De God der heerlijkheid verscheen aan onze vader Abraham, toen hij in Mesopotamië was, voordat hij woonde in Haran, en zei tot hem: ’Ga uit uw land en <uit> uw familie en kom in het land dat Ik u zal wijzen’. Toen vertrok hij uit [het] land van [de] Chaldeeën en ging in Haran wonen. En nadat zijn vader was gestorven, bracht Hij hem vandaar over in dit land waarin u nu woont” (Hd 7:2-42En hij zei: Mannen broeders en vaders, hoort. De God der heerlijkheid verscheen aan onze vader Abraham, toen hij in Mesopotamië was, voordat hij woonde in Haran,3en zei tot hem: ‘Ga uit uw land en <uit> uw familie en kom in het land dat Ik u zal wijzen’.4Toen vertrok hij uit [het] land van [de] Chaldeeën en ging in Haran wonen. En nadat zijn vader was gestorven, bracht Hij hem vandaar over in dit land waarin u nu woont.).

God heeft Abram de opdracht gegeven zijn familie te verlaten en naar Kanaän te gaan. Het lijkt erop dat de familiebinding nog te groot is om volledig gehoor te geven aan de roep van God. Dat dit zo is, lijkt te worden bevestigd door het verblijf of beter oponthoud van Abram in Haran. Dat is nog steeds niet Kanaän. Abram gaat naar Kanaän, wanneer zijn vader Terah in Haran is gestorven. Dan pas is hij vrij om te gaan.

Deze les moeten wij allemaal leren. Als het gaat om de stem van de Heer in ons leven, mogen familiebanden geen belemmering vormen om aan die stem gehoorzaam te zijn. Dan moeten wij daar los van komen, ‘eraan sterven’, de dood daarop leren toepassen, zodat die banden geen verhindering zijn voor het gaan van de weg die de Heer wil dat we gaan. De Heer Jezus zegt: Als iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader, zijn moeder, zijn vrouw, zijn kinderen, zijn broers en zijn zusters, ja, zelfs ook zijn eigen leven, kan hij Mijn discipel niet zijn” (Lk 14:2626Als iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader, zijn moeder, zijn vrouw, zijn kinderen, zijn broers en zijn zusters, ja, zelfs ook zijn eigen leven, kan hij Mijn discipel niet zijn.).


Lees verder