Genesis
1-2 De Schepper van hemel en aarde 3-5 De eerste dag 6-8 De tweede dag 9-13 De derde dag 14-19 De vierde dag 20-23 De vijfde dag 24-25 De zesde dag – de dieren 26-28 De zesde dag – de mens 29-30 De zesde dag – voedsel 31 De zesde dag – alles was zeer goed
De Schepper van hemel en aarde

1In het begin schiep God de hemel en de aarde. 2De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water.

God heeft alles geschapen (Js 45:1212Ik heb de aarde gemaakt
en Ik heb de mens daarop geschapen.
Ik ben het, Mijn handen hebben de hemel uitgespannen
en aan heel zijn [sterren]leger geef Ik Mijn bevelen.
; Zc 12:11De last, het woord van de HEERE over Israël. De HEERE spreekt, Die de hemel uitspant, de aarde grondvest en de geest van de mens in zijn binnenste vormt.; Ef 3:99en <voor allen> in het licht te stellen wat het rentmeesterschap is van de verborgenheid die van alle eeuwen verborgen was in God, Die alle dingen geschapen heeft;)
. Als mensen iets maken, hebben ze daarvoor materiaal nodig. God niet. Hij heeft niet iets nodig buiten Zichzelf. Hij maakt geen deel uit van Zijn schepping. Hij schept vanuit Zijn eigen almacht (Rm 4:17b17(zoals geschreven staat: ‘Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld’) voor het aangezicht van God Die hij geloofde – Die de doden levend maakt en de dingen die niet zijn, roept alsof zij zijn –,). Door de schepping weten we dat God er is: “Want van [de] schepping van [de] wereld af worden, wat van Hem niet gezien kan worden, Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, uit Zijn werken met inzicht doorzien” (Rm 1:2020– want van [de] schepping van [de] wereld af worden wat van Hem niet gezien kan worden, Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, uit Zijn werken met inzicht doorzien –, opdat zij niet te verontschuldigen zijn,; Ps 19:22De hemel vertelt Gods eer,
het gewelf verkondigt het werk van Zijn handen.
)
.

God is de drie-enige God: Vader, Zoon en Heilige Geest. Niet de Vader verricht het scheppingswerk, maar de Zoon (Jh 1:33Alle dingen zijn door Hem geworden, en zonder Hem is niet één ding geworden dat geworden is.; Ko 1:1616want in Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.; Hb 1:22Die Hij gesteld heeft tot Erfgenaam van alle dingen, door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft.). Niemand is bij de schepping van de hemel en de aarde aanwezig geweest (Jb 38:44Waar was u toen Ik de aarde grondvestte?
Maak het bekend, als u echt inzicht hebt.
)
. Er was immers nog niets. Wat we in dit hoofdstuk lezen, kan dan ook alleen door geloof worden begrepen: “Door [het] geloof begrijpen wij dat de werelden door Gods Woord bereid zijn, zodat wat men ziet, niet ontstaan is uit wat zichtbaar is” (Hb 11:33Door [het] geloof begrijpen wij dat de werelden door Gods Woord bereid zijn, zodat wat men ziet, niet ontstaan is uit wat zichtbaar is.).

Sommige uitleggers veronderstellen dat er een zekere tijd is verstreken tussen vers 11In het begin schiep God de hemel en de aarde. en vers 22De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water.. In die tussentijd zou dan de val van de satan hebben plaatsgevonden. Voor anderen is er geen sprake van een tijd tussen beide verzen, maar loopt het verhaal van de schepping gewoon door. De scheppingshandelingen als doorlopend verhaal te zien is voor mij enige tijd een probleem geweest vanwege het woord “woest”. Het kon m.i. niet zo zijn, dat God de aarde “woest en leeg” geschapen had (Js 45:1818Want zo zegt de HEERE,
Die de hemel geschapen heeft,
die God
Die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft.
Hij heeft haar gegrondvest,
Hij heeft haar niet geschapen opdat zij woest zou zijn,
[maar] Hij heeft haar geformeerd opdat men erop zou wonen:
Ik ben de HEERE, en niemand anders.
)
. Een aannemelijke verklaring voor mij was dan ook, dat er enige tijd moest liggen tussen de vers 11In het begin schiep God de hemel en de aarde. en vers 22De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water. met als gebeurtenis de val van de satan, waardoor deze woestheid en ledigheid zou zijn veroorzaakt.

Naar aanleiding van de inbreng in een bijbelstudie ben ik er weer eens over gaan nadenken. In het Nederlands heeft dat woord “woest” een negatieve betekenis. In het Hebreeuws betekent het echter letterlijk ‘vormeloos’. God kan iets scheppen wat ‘vormeloos en leeg’ is en daarmee verder aan het werk gaan. In dit verband schoot mij een vers uit Psalm 139 te binnen, waar staat: Uw ogen hebben mijn ongevormd begin gezien, en zij allen werden in Uw boek beschreven, de dagen dat zij gevormd werden, toen er nog niet één van hen bestond (Ps 139:1616Uw ogen hebben mijn ongevormd begin gezien,
en zij alle werden in Uw boek beschreven,
de dagen dat zij gevormd werden,
toen er nog niet één van hen bestond.
)
. Er is sprake van een “ongevormd begin” van het leven dat God in de moederschoot geeft en verder laat groeien. Dit probleem is daarmee voor mij opgelost.

Het is wel eens ongeveer zo geformuleerd: ‘God deelt ons in vers 11In het begin schiep God de hemel en de aarde. eerst mee wat Hij doet, om vanaf vers 22De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water. te vertellen hoe Hij het doet.’ Dat lijkt mij goed weer te geven waar het in Genesis 1 om gaat.

Dan zien we dat God verder aan het werk gaat. Zijn Geest “zweefde” boven het water. Dit ‘zweven’ heeft de betekenis van ‘broeden’ en dan denken we aan nieuw leven dat straks tevoorschijn komt. Zoals gezegd, is de Heer Jezus, God de Zoon, de Schepper. Er is “één Heer, Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn” (1Ko 8:6b6dan is er toch voor ons maar één God, de Vader, uit Wie alle dingen zijn, en wij voor Hem; en één Heer, Jezus Christus, door Wie alle dingen zijn, en wij door Hem.). En Hij doet alles door de Heilige Geest.


De eerste dag

3En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. 4En God zag het licht, dat het goed was; en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. 5En God noemde het licht dag en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag.

Midden in de duisternis klinkt een machtige stem. God spreekt. Zijn eerste woord is: “Laat er licht zijn!” Het resultaat is er onmiddellijk: “En er was licht” (vgl. Ps 33:6,96Door het Woord van de HEERE is de hemel gemaakt,
door de Geest van Zijn mond heel hun legermacht.
9Want Híj spreekt en het is er,
Híj gebiedt en het staat er.
)
. Als God spreekt, worden Zijn macht en kracht openbaar.

God beziet Zijn werk en concludeert dat het goed is. Deze mededeling laat Gods betrokkenheid bij Zijn werk zien. Hij kijkt er niet naar om te zien of er oneffenheden aanwezig zijn. Hij is volmaakt en alles wat Hij doet, is volmaakt. Het werkstuk is niet alleen goed in zichzelf, maar dient ook een goed doel.

God geeft alles een naam. In die naam brengt Hij het karakter, de aard ervan tot uitdrukking. Zo kunnen we zaken herkennen. De mens doet er verstandig aan de dingen te noemen zoals God ze noemt (vgl. Js 5:2020Wee hun die het kwade goed noemen
en het goede kwaad;
die duisternis voorstellen als licht,
en licht als duisternis;
die bitter voorstellen als zoet
en zoet als bitter.
)
. De eerste dag wordt afgegrensd door avond en morgen. Hierdoor weten we dat de scheppingsdagen gewone dagen van vierentwintig uur zijn, zoals we die nog steeds kennen.

Als we onbevooroordeeld Genesis 1 lezen, kunnen we niet anders dan concluderen dat God de hemel en de aarde in zes letterlijke dagen heeft geschapen (Ex 20:1111Want in zes dagen heeft de HEERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee, en al wat erin is, en Hij rustte op de zevende dag. Daarom zegende de HEERE de sabbatdag, en heiligde die.). Er wordt gesproken over dag en nacht en over “en het was avond geweest en het was morgen geweest”. Het Hebreeuwse woord voor dag (yom) als losstaand woord, is in alle gevallen ‘dag’ in de gewone betekenis van het woord (Gn 8:2222Voortaan, al de dagen van de aarde,
zullen zaaitijd en oogsttijd, koude en hitte,
zomer en winter, dag en nacht niet ophouden.
; 29:77Hij zei: Zie, het is nog volop dag! Het is [toch nog] geen tijd om het vee bij elkaar te drijven? Geef het kleinvee te drinken en ga dan [weer] weg om ze te laten grazen.
, als tegenstelling van ‘nacht’). Het kennen van de waarheid ontmaskert de leugen. Elke ontstaanstheorie die afwijkt van het verslag in Genesis 1, kunnen we naar het rijk der fabelen verwijzen.

Vers 33En God zei: Laat er licht zijn! En er was licht. wordt door Paulus toegepast op het werk van God in het verduisterde hart van een zondaar: Want de God Die gezegd heeft: ‘Uit duisternis zal licht schijnen’, Die heeft geschenen in onze harten tot [de] lichtglans van de kennis van de heerlijkheid van God in [het] aangezicht van <Jezus> Christus” (2Ko 4:66Want de God Die gezegd heeft: ‘Uit duisternis zal licht schijnen’, Die heeft geschenen in onze harten tot [de] lichtglans van de kennis van de heerlijkheid van God in [het] aangezicht van <Jezus> Christus.). Hieruit leren we dat wat er letterlijk en historisch is gebeurd, ook een geestelijke toepassing bevat. Zo gezien ontdekken we in de scheppingsdagen een proces dat zich voltrekt in iemand die tot bekering komt.

Dat proces begint in de zondaar, die in de duisternis is: “Want vroeger was u duisternis” (Ef 5:88want vroeger was u duisternis, maar nu bent u licht in [de] Heer; wandelt als kinderen van het licht). De Geest begint aan het hart van zo iemand te werken, te ‘broeden’. Dan komt het moment dat de zondaar ontdekt dat hij in de duisternis is en licht nodig heeft. Vervolgens laat God Zijn licht in het hart schijnen. Hierdoor wordt alle boosheid en vuiligheid openbaar. Door berouw en bekering komt er nieuw leven.


De tweede dag

6En God zei: Laat er een gewelf zijn in het midden van het water, en laat dat scheiding maken tussen water en water! 7En God maakte dat gewelf en maakte scheiding tussen het water dat onder het gewelf is, en het water dat boven het gewelf is. En het was zo. 8En God noemde het gewelf hemel. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de tweede dag.

In het licht dat geschapen is, wordt de heersende ordeloosheid of vormeloosheid gezien. In de ordeloze watermassa van vers 22De aarde nu was woest en leeg, en duisternis lag over de watervloed; en de Geest van God zweefde boven het water. gaat God door middel van een scheiding orde aanbrengen. Hij spreekt voor de tweede keer Zijn bevelend “laat er”. Op Zijn bevel ontstaat de dampkring met de constatering “en het was zo”. Hierdoor bevindt zich water beneden en water boven het gewelf. Het valt op dat hier niet bij staat: ‘En God zag dat het goed was.’ Bij de andere dagen staat dat er wel bij. Wel staat er aan het einde van alle scheppingsdagen, dus inclusief deze tweede dag: “En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed” (vers 31a31En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.).

Deze tweede dag heeft ook zijn betekenis in de geestelijke ontwikkeling van iemand die bekeerd is. Bij zijn bekering krijgt iemand een nieuwe natuur. Hij heeft vanaf dat moment een oude en een nieuwe natuur. Die oude natuur raakt iemand pas kwijt bij de komst van de Heer of bij zijn sterven.

Door onderwijs uit de Bijbel, vooral door de brief aan de Romeinen, leert de bekeerde mens te leven naar zijn nieuwe natuur. Hij leert daar ook wat God met de oude natuur heeft gedaan. Hij leert daardoor dat er een scheiding tussen die twee naturen bestaat. In de praktijk van het geloofsleven kan dit leerproces heel wat conflicten geven (Rm 7:15-19,2415Want wat ik doe, weet ik niet; want niet wat ik wil, bedrijf ik, maar wat ik haat, dat doe ik.16Als ik nu dat doe wat ik niet wil, stem ik met de wet in dat zij goed is.17Maar dan ben ik het niet meer die het doe, maar de zonde die in mij woont.18Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is bij mij aanwezig, maar het doen van het goede niet.19Want het goede dat ik wil, doe ik niet; maar het kwade dat ik niet wil, dat bedrijf ik.24Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit dit lichaam van de dood?). Maar het is niet Gods uiteindelijk doel met het leven van de gelovige dat hij blijft worstelen en tobben met de oude natuur. Dat blijkt uit de volgende dagen.


De derde dag

9En God zei: Laat het water dat onder de hemel is, in één plaats samenvloeien en laat het droge zichtbaar worden! En het was zo. 10En God noemde het droge aarde en het samengevloeide water noemde Hij zeeën; en God zag dat het goed was. 11En God zei: Laat de aarde groen doen opkomen, zaaddragend gewas, vruchtbomen, die naar hun soort vrucht dragen, waarin hun zaad is op de aarde! En het was zo. 12En de aarde bracht groen voort, zaaddragend gewas naar zijn soort en bomen die vrucht dragen waarin hun zaad is, naar hun soort. En God zag dat het goed was. 13Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de derde dag.

Weer brengt God een scheiding aan. Hij laat het droge uit het water tevoorschijn komen. Weer geeft Hij de namen aan Zijn werk: Hij noemt het droge “aarde” en het samengevloeide water noemt Hij “zeeën”. Hierdoor grenst Hij ook de wateren af (Sp 8:2929toen Hij voor de zee zijn plaats bepaalde,
zodat het water Zijn bevel niet zou overtreden,
toen Hij de fundamenten van de aarde verordende,
; Jr 5:2222Zou u voor Mij niet bevreesd zijn, spreekt de HEERE,
of zou u voor Mijn aangezicht niet beven?
Ik, Die het zand gemaakt heb tot een grens voor de zee,
een eeuwige verordening, die zij niet zal overschrijden.
Al kolken haar golven, zij zullen niets kunnen [uitrichten],
al bruisen zij, zij zullen hem niet overschrijden.
)
.

Daarmee is de derde dag niet afgelopen. God spreekt op deze dag twee keer. Hij wil dat er vrucht op aarde verschijnt. Daarvan zal de mens mogen genieten. In de vrucht zelf legt Hij zaad, waardoor er nieuwe vrucht komt. De vrucht zal zich vermenigvuldigen. God is een God van vermenigvuldiging, van overvloed.

De derde dag in het leven van de gelovige wordt gekenmerkt door vrucht dragen. Hij heeft Gods onderwijs over de oude en de nieuwe natuur aangenomen. Het conflict van de tweede dag is voorbij. Hij staat op vaste grond, op het droge. De derde dag spreekt in de Bijbel van de opstanding van de Heer Jezus. Wie ziet dat de Heer Jezus niet alleen voor zijn zonden is gestorven en begraven, maar dat Hij ook op de derde dag is opgewekt (1Ko 15:3-43Want ik heb u in de eerste plaats overgegeven wat ik ook ontvangen heb: dat Christus voor onze zonden gestorven is, naar de Schriften;4en dat Hij is begraven, en dat Hij op de derde dag is opgewekt, naar de Schriften;), heeft vrede met God: “Ons die geloven in Hem Die Jezus onze Heer uit [de] doden heeft opgewekt, Die overgegeven is om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging. Wij dan, gerechtvaardigd op grond van geloof, hebben vrede met God door onze Heer Jezus Christus” (Rm 4:24b-2524maar ook ter wille van ons, wie het zal worden toegerekend, ons die geloven in Hem Die Jezus onze Heer uit [de] doden heeft opgewekt,25Die overgegeven is om onze overtredingen en opgewekt om onze rechtvaardiging.; 5:11Wij dan, gerechtvaardigd op grond van geloof, hebben vrede met God door onze Heer Jezus Christus,). Er ontstaat rust in zijn hart. Hij weet zich geborgen in de Heer Jezus en aanvaard door God. Het nieuwe leven gaat vrucht dragen (Jh 15:55Ik ben de wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt u helemaal niets doen.), vrucht die is tot eer van God (Jh 15:88Hierin is Mijn Vader verheerlijkt, dat u veel vrucht draagt, en u zult Mijn discipelen zijn.).


De vierde dag

14En God zei: Laten er lichten zijn aan het hemelgewelf om scheiding te maken tussen de dag en de nacht; en laten zij zijn tot aanduiding van vaste tijden en van dagen en jaren! 15En laten zij tot lichten zijn aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde! En het was zo. 16En God maakte de twee grote lichten: het grote licht om de dag te beheersen en het kleine licht om de nacht te beheersen; [en] ook de sterren. 17En God plaatste ze aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde, 18om de dag en de nacht te beheersen en om scheiding te maken tussen het licht en de duisternis. En God zag dat het goed was. 19Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de vierde dag.

De vierde dag kunnen we verbinden met de eerste dag. Op de eerste dag is het licht tot stand gebracht; op de vierde dag maakt God de hemellichamen of lichtdragers. Daarbij geeft de zon niet alleen licht, maar ook warmte. De hemellichamen zijn aan God onderworpen en worden door Hem bij name gekend (Js 40:2626Sla uw ogen op naar omhoog,
en zie Wie deze dingen geschapen heeft;
Hij is het Die hun leger voltallig tevoorschijn brengt,
ze alle bij name roept
door [Zijn] grote vermogen en [Zijn] sterke kracht;
er ontbreekt er niet één.
)
. Ze mogen nooit worden aanbeden (Dt 4:1919[Pas er ook voor op] dat u uw ogen niet opslaat naar de hemel, en de zon, de maan en de sterren ziet, heel het leger aan de hemel, en u laat verleiden om u voor hen neer te buigen en hen te dienen. De HEERE, uw God, heeft hen aan al de volken onder de hele hemel toebedeeld,; 17:33en [als] deze [persoon] andere goden gaat dienen en zich voor die neerbuigt, of voor de zon, de maan of heel het leger aan de hemel, wat ik niet geboden heb,).

Ook hier is weer sprake van een scheiding die God aanbrengt. Ook zijn de lichten tot tekenen van Gods grootheid. Hij stelt ze tot bepaling van de tijdrekening in dagen en jaren en regelmatig terugkerende perioden in de natuur en de cyclus van feesten in Israël.

In de geestelijke ontwikkeling van de bekeerde is de vierde dag het stadium van licht dragen in de wereld. De zon stelt de Heer Jezus voor (Ml 4:22Maar voor u die Mijn Naam vreest,
zal de Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn;
en u zult naar buiten gaan en dartelen
als kalveren uit de stal.
)
. Hij is “het licht van de wereld” (Jh 8:1212Jezus dan sprak opnieuw tot hen en zei: Ik ben het licht van de wereld; wie Mij volgt, zal geenszins in de duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben.). De gelovige is “licht in [de] Heer” (Ef 5:88want vroeger was u duisternis, maar nu bent u licht in [de] Heer; wandelt als kinderen van het licht) en “het licht van de wereld” (Mt 5:1414U bent het licht van de wereld; een stad die op een berg ligt, kan niet verborgen zijn.). De maan schijnt in de nacht. Hij krijgt zijn licht van de zon. Zo is het met de gelovige. Het is nacht in de wereld. Daarin mag de gelovige het licht van de zon, de Heer Jezus, doorgeven. Sterren schijnen ook in de nacht. Gods kinderen schijnen als lichtdragers in de wereld, “te midden van een krom en verdraaid geslacht” (Fp 2:1515opdat u onberispelijk en rein bent, onbesproken kinderen van God te midden van een krom en verdraaid geslacht, waaronder u schijnt als lichten in [de] wereld,).

Zien de mensen bij ons het onderscheid tussen dag en nacht en kunnen ze in ons iets waarnemen van Gods grootheid en hoe Hij de dingen in het wereldgebeuren bestuurt?


De vijfde dag

20En God zei: Laat het water wemelen van wemelende levende wezens; en laten er vogels boven de aarde vliegen, langs het hemelgewelf! 21En God schiep de grote zeedieren en alle krioelende levende wezens waarvan het water wemelt, naar hun soort, en alle gevleugelde vogels naar hun soort. En God zag dat het goed was. 22En God zegende ze en zei: Wees vruchtbaar, word talrijk, en vervul het water van de zeeën; en laten de vogels talrijk worden op de aarde! 23Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de vijfde dag.

De vijfde dag kunnen we verbinden met de tweede dag. Op Gods bevel komt er leven in het water en in de lucht. Vissen en wat kan vliegen worden geschapen. God schept in een grote verscheidenheid, zowel in grootte als in soort. De eerste vorm van bezield leven ontstaat. De eerste vier dagen geven de voorwaarden voor het leven; op de vijfde en zesde dag komt het leven zelf.

Een tweede bevel van God houdt in dat het leven zich zal vermenigvuldigen. Vissen en gevogelte moeten veel nakomelingen krijgen. Waterdieren moeten de wateren vervullen, gevogelte moet talrijk worden op aarde.

Met de vijfde dag zijn we bij een volgend aspect in de geestelijke ontwikkeling aangekomen. Wateren zijn een symbool voor de beproevingen in het geloofsleven. De wateren van de tweede dag symboliseren innerlijke strijd en twijfel, wanhoop soms. Het zijn om zo te zeggen de wateren in ons. Aan de innerlijke strijd komt een einde zodra het geloof op de Heer Jezus ziet. De wateren van de vijfde dag symboliseren strijd van buitenaf (1Pt 1:66Daarin verheugt u zich, zo nodig nu een korte tijd bedroefd door allerlei verzoekingen,). Het zijn om zo te zeggen de wateren om ons heen, de omstandigheden waarin we ons bevinden. Innerlijk kan er rust zijn, maar dan komen van buitenaf de beproevingen (Rm 5:3-43En [dat] niet alleen, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, daar wij weten dat de verdrukking volharding werkt,4en de volharding beproefdheid en de beproefdheid hoop;). De vijand zal alles in het werk stellen het geloof aan het wankelen te brengen.

Het resultaat dat God daarmee wil bereiken, is een geloofsleven dat ‘wemelt’ van geloofsactiviteiten. Die geloofsactiviteiten brengen op hun beurt nieuwe geloofsdaden voort, bij de persoon zelf of bij anderen die dit zien en erdoor bemoedigd worden.

We zien dit bijvoorbeeld bij Paulus. Zijn gevangenschap bemoedigt de Filippenzen: En ik wil dat u weet, broeders, dat mijn omstandigheden veeleer tot bevordering van het evangelie hebben gediend, zodat in het hele pretorium en aan alle overigen duidelijk is geworden dat ik in gevangenschap ben om Christus’ wil; en dat de meesten van de broeders in [de] Heer vertrouwen hebben gekregen door mijn gevangenschap, om des te overvloediger het woord <van God> zonder vrees te durven spreken” (Fp 1:12-1412En ik wil dat u weet, broeders, dat mijn omstandigheden veeleer tot vordering van het evangelie hebben gediend,13zodat in het hele pretorium en aan alle overigen duidelijk is geworden dat ik in gevangenschap ben om Christus’ wil;14en dat de meesten van de broeders in [de] Heer vertrouwen hebben gekregen door mijn gevangenschap, om des te overvloediger het Woord <van God> zonder vrees te durven spreken.).


De zesde dag – de dieren

24En God zei: Laat de aarde levende wezens naar hun soort voortbrengen: vee, kruipende dieren en wilde dieren van de aarde, naar zijn soort! En het was zo. 25En God maakte de wilde dieren van de aarde naar hun soort, het vee naar hun soort, en alle kruipende dieren van de aardbodem naar hun soort. En God zag dat het goed was.

Net als op de derde dag gaat het op de zesde dag om de aarde. Op de slotdag van Gods werken worden de landdieren en ten slotte de mens geschapen. Met het maken van de dieren is alle voorbereidende werk voor de introductie van de mens afgesloten. In Zijn scheppingswerk werkt Hij daar naartoe. Hij creëert een terrein waarop de mens – man en vrouw – zich optimaal ‘thuis’ kan voelen. Voor hen doet Hij dat allemaal.


De zesde dag – de mens

26En God zei: Laten Wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis; en laten zij heersen over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht, over het vee, over heel de aarde en over al de kruipende dieren die over de aarde kruipen! 27En God schiep de mens naar Zijn beeld; naar het beeld van God schiep Hij hem; mannelijk en vrouwelijk schiep Hij hen. 28En God zegende hen en God zei tegen hen: Wees vruchtbaar, word talrijk, vervul de aarde en onderwerp haar, en heers over de vissen van de zee, over de vogels in de lucht en over al de dieren die over de aarde kruipen!

Ook op de zesde dag spreekt God twee keer. De schepping van de mens wordt op een speciale manier ingeleid en op een speciale manier toegelicht. De speciale inleiding horen we in de woorden “laten Wij mensen maken”. Het wil zeggen dat er in de Godheid overleg heeft plaatsgevonden. Het woord “Wij” wijst erop dat God drie-enig is.

De speciale toelichting is dat God de mens schept “naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis”. Het beeld van God zien we in de positie die de mens als hoofd van de schepping inneemt: hij is daarin Gods vertegenwoordiger. De gelijkenis van God komt tot uiting in het handelen van de mens: hij handelt met inzicht in de schepping. Vanwege deze hoge plaats van de mens worden we opgeroepen alle mensen te eren (1Pt 2:1717Eert allen, hebt de broederschap lief, vreest God, eert de koning.; Jk 3:99Met haar zegenen wij de Heer en Vader, en met haar vervloeken wij de mensen die naar Gods gelijkenis gemaakt zijn.), ook al is de mens door de zonde nog zo in verval geraakt en wordt hij soms vergeleken met een redeloos dier (Jd 1:1010Maar dezen, alles wat zij niet kennen, lasteren zij, en in alles wat zij van nature weten, zoals de redeloze levende wezens, daarin verderven zij zich.; 2Pt 2:1212Dezen echter, als redeloze dieren, die van nature voortgebracht zijn om gevangen en omgebracht te worden, zullen ook, daar zij lasteren in dingen die zij niet begrijpen, in hun eigen verderf omkomen,).

God schept de mens “mannelijk en vrouwelijk”. Er is, om zo te zeggen, een mannelijke en een vrouwelijke variant van de mens. God heeft één mens geschapen, waarbij die mens als het ware een twee-eenheid is. De moderne mens doet wel verwoede pogingen om het onderscheid uit te wissen is, maar dat is ronduit dwaasheid.

[Zie verder voor het verschil tussen man en vrouw, de aanval daarop en de weerlegging ervan aan de hand van het Woord van God het boekje ‘Seksualiteit, een gave van God. Deel 2’ en het boekje ‘Die Twee’ op www.oudesporen.nl.]

“En God zegende hen” door de mens toe te zeggen dat hij de aarde mag vervullen en onderwerpen. Deze zegen is meer dan het verlenen van de kracht om vruchtbaar te zijn en talrijk te worden, zoals dat van de zeedieren en de vogels ook is gezegd (vers 2222En God zegende ze en zei: Wees vruchtbaar, word talrijk, en vervul het water van de zeeën; en laten de vogels talrijk worden op de aarde!). Het is ook de macht over de aarde en alle dieren.


De zesde dag – voedsel

29En God zei: Zie Ik geef u al het zaaddragende gewas dat op heel de aarde is, en alle bomen waaraan zaaddragende boomvruchten zijn; dat zal u tot voedsel dienen. 30Maar aan al de dieren van de aarde, aan alle vogels in de lucht en aan al wat over de aarde kruipt, waarin leven is, [heb Ik] al het groene gewas tot voedsel [gegeven]. En het was zo.

Nadat God Zijn handelen op de zesde dag heeft afgesloten, zegt Hij tegen de mens wat zijn voedsel en dat van de dieren zal zijn. Dit voedsel is voor de mens alles wat zaad draagt van het gewas en wat vrucht draagt van het geboomte. Dat betekent dat de mens zich voedt met wat in zichzelf de kracht van het leven heeft. Dat is voor het lichaam. Het voedsel voor de ziel is het Woord van God (Mt 4:44Hij antwoordde echter en zei: Er staat geschreven: ‘Niet van brood alleen zal de mens leven, maar van alle woord dat door [de] mond van God uitgaat’.), dat ook met zaad wordt vergeleken, maar dan wel onvergankelijk zaad (1Pt 1:2323u die wedergeboren bent, niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, door Gods levend en blijvend Woord.). De dieren en vogels krijgen het groene kruid tot voedsel.

Tot het voedsel van de mens behoort in oorsprong niet het vlees van dieren en ook de dieren eten niet elkaar op. Gewelddadig doden van dieren is niet aan de orde. Dat zal pas gebeuren als de zondeval en de zondvloed hebben plaatsgevonden (Gn 9:33Alles wat zich beweegt, waarin leven is, zal u tot voedsel dienen; Ik heb het u allemaal gegeven, evenals het groene gewas.). Dat er van oorsprong geen vleesetende en verscheurende dieren zijn, wordt ook bewezen door de toestand in het vrederijk.

Wanneer Gods rijk is gevestigd en de zonde zijn verwoestende werk niet meer kan doen, zal het doden in het dierenrijk ophouden: Een wolf zal bij een lam verblijven, een luipaard bij een geitenbok neerliggen, een kalf, een jonge leeuw en gemest [vee] zullen bij elkaar zijn, een kleine jongen zal ze drijven. Koe en berin zullen [samen] weiden, hun jongen zullen bij elkaar neerliggen. Een leeuw zal stro eten als het rund. Een zuigeling zal zich vermaken bij het hol van een adder, en in het nest van een gifslang zal een peuter zijn hand steken” (Js 11:6-86Een wolf zal bij een lam verblijven,
een luipaard bij een geitenbok neerliggen,
een kalf, een jonge leeuw en gemest [vee] zullen bij elkaar zijn,
een kleine jongen zal ze drijven.
7Koe en berin zullen [samen] weiden,
hun jongen zullen bij elkaar neerliggen.
Een leeuw zal stro eten als het rund.
8Een zuigeling zal zich vermaken bij het hol van een adder,
en in het nest van een gifslang
zal een peuter zijn hand steken.
)
.


De zesde dag – alles was zeer goed

31En God zag al wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.

Na elke scheppingsdag heeft God van het resultaat gezegd: “Het was goed.” De zesde dag is een unieke dag. Als God op deze dag het resultaat van al Zijn werk ziet, kan Hij als een conclusie van het hele scheppingswerk laten optekenen: “En zie, het was zeer goed.” Dat betekent dat alles volmaakt is, waardoor elk schepsel het doel dient waartoe God het geschapen heeft.

In al het handelen van God in dit hoofdstuk zien we een beeld van Zijn plan met de wereld waarin wij nu leven. God heeft de aarde aan Adam en Eva gegeven om daarover te heersen. Zo zal Hij binnenkort Christus, “de laatste Adam” (1Ko 15:4545Zo staat er ook geschreven: ‘De eerste mens, Adam, [werd] tot een levende ziel’; de laatste Adam tot een levendmakende geest.), samen met de gemeente, waarvan Eva een beeld is (2Ko 11:2-32Want ik ben na-ijverig over u met een na-ijver van God; want ik heb u aan één man verloofd om u als een reine maagd voor Christus te stellen.3Maar ik vrees dat wellicht, zoals de slang Eva verleidde door haar sluwheid, uw gedachten bedorven [en afgeweken] zijn van de eenvoudigheid <en de reinheid> jegens Christus.), de regering in handen geven over alle dingen in de hemel en op de aarde, zodat alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd … in Christus” is samengebracht (Ef 1:1010dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande [de] bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd samen te brengen in Christus;). En zo, “als Hoofd over alles”, heeft Hij Hem “gegeven aan de gemeente” (Ef 1:2222En Hij heeft alles aan Zijn voeten onderworpen en Hem als Hoofd over alles gegeven aan de gemeente,).

Christus zal dan het centrum van het heelal zijn. Alles zal aan Zijn voeten onderworpen zijn (Ps 8:4-104Als ik Uw hemel zie, het werk van Uw vingers,
de maan en de sterren, die U [hun] plaats gegeven hebt,
5wat is [dan] de sterveling, dat U aan hem denkt,
en de mensenzoon, dat U naar hem omziet?
6Toch hebt U hem weinig minder gemaakt dan de engelen
en hem met eer en glorie gekroond.
7U doet hem heersen over de werken van Uw handen,
U hebt alles onder zijn voeten gelegd:
8schapen en runderen, die allemaal,
en ook de dieren van het veld,
9de vogels in de lucht en de vissen in de zee,
al wat over de paden van de zeeën gaat.10HEERE, onze Heere,
hoe machtig is Uw Naam op de hele aarde!
)
en Hem eren: En elk schepsel dat in de hemel en op de aarde en onder de aarde en op de zee is, en alles wat daarin is, hoorde ik zeggen: Hem Die op de troon zit, en het Lam, zij de lof en de eer en de heerlijkheid en de macht tot in alle eeuwigheid” (Op 5:1313En elk schepsel dat in de hemel en op de aarde en onder de aarde en op de zee is, en alles wat daarin is, hoorde ik zeggen: Hem Die op de troon zit, en het Lam, zij de lof en de eer en de heerlijkheid en de macht tot in alle eeuwigheid.).

In de geestelijke ontwikkeling van de gelovige is dat ook het doel waar God naartoe werkt. Hij wil dat Christus in iedere gelovige gestalte krijgt (Gl 4:1919mijn kinderen, van wie ik opnieuw in barensweeën ben, totdat Christus gestalte in u krijgt.), dat hij in zijn doen en laten Christus vertoont (2Ko 3:33u, van wie blijkt dat u een brief van Christus bent, door onze bediening opgesteld, geschreven niet met inkt, maar met [de] Geest van [de] levende God, niet op stenen tafelen, maar op vlezen tafelen van de harten.) Als in iemands leven het alleen nog maar draait om Christus, is in de geestelijke groei het ‘vader’-stadium bereikt (1Jh 2:13-1413Ik schrijf u, vaders, omdat u Hem kent Die van [het] begin af is. Ik schrijf u, jongelingen, omdat u de boze overwonnen hebt. Ik heb u geschreven, kinderen, omdat u de Vader kent.14Ik heb u geschreven, vaders, omdat u Hem kent Die van [het] begin af is. Ik heb u geschreven, jongelingen, omdat u sterk bent en het Woord van God in u blijft en u de boze overwonnen hebt.).


Lees verder