Ezechiël
Inleiding 1-12 Het water uit de nieuwe tempel 13-20 De grenzen van het land 21-23 Erfelijk bezit van de vreemdeling
Inleiding

Meerdere profeten van het Oude Testament spreken in hun profetie over het komende tijdperk van het vrederijk en de verstrekkende veranderingen in de natuur, vooral in het land van de belofte zelf. Het eerste gedeelte van dit hoofdstuk gaat over een van die veranderingen: de verandering die in het water teweeg wordt gebracht (verzen 1-121Daarna bracht Hij mij terug naar de ingang van het huis. En zie, er stroomde water uit, van onder de drempel van het huis naar het oosten, want de voorkant van het huis lag naar het oosten. Het water stroomde naar beneden van onder de rechterzijde van het huis, ten zuiden van het altaar.2Vervolgens bracht Hij mij naar buiten via de noorderpoort en leidde mij buitenom rond naar de buitenpoort, in de richting die naar het oosten gekeerd is. En zie, uit de rechterzijde borrelde water.3Toen de Man [naar] het oosten naar buiten ging, was er een meetlint in Zijn hand. Hij mat duizend el en liet mij door het water gaan: het water kwam tot de enkels.4Hij mat [weer] duizend [el] en liet mij door het water gaan: het water kwam tot de knieën. Toen mat Hij er [weer] duizend en liet mij erdoor gaan: het water kwam tot de heupen.5[Nog eens] mat Hij duizend [el]: het was een beek waar ik niet door kon gaan, want het water was [heel] hoog – water waar men [alleen] zwemmend [door kon], een beek waar men [anders] niet door kon gaan.6Hij zei tegen mij: Hebt u het gezien, mensenkind? Toen leidde Hij mij en bracht mij terug naar de oever van de beek.7Toen ik teruggekeerd was, zie, bij de oever van de beek stonden zeer veel bomen, aan deze kant en aan de andere kant.8Hij zei tegen mij: Dit water stroomt weg naar het oostelijke gebied en stroomt in de Vlakte naar beneden en komt in de zee. In de zee uitgestort, wordt het water gezond.9Het zal gebeuren [dat] alle levende wezens die er wemelen, overal waar een van beide beken naartoe komt, zullen leven. Daar zal zeer veel vis zijn, omdat dit water daarheen komt, en alles waarheen deze beek komt, zal gezond worden en leven.10Verder zal het gebeuren dat er vissers langs zullen staan vanaf Engedi tot En-Eglaïm. Er zullen droogplaatsen voor sleepnetten zijn. Hun vis zal van elke soort zijn, zeer talrijk, zoals de vis in de Grote Zee.11Maar de moerassen ervan en de poelen ervan zullen niet gezond worden: ze zijn aan het zout prijsgegeven.12En langs de beek, langs de oever ervan, zullen aan deze kant en aan de andere kant allerlei vruchtbomen opkomen, waarvan het blad niet zal verwelken en waarvan de vrucht niet zal opraken. Elke maand zullen ze nieuwe vruchten voortbrengen, want het water ervoor stroomt uit het heiligdom. De vrucht ervan zal tot voedsel dienen en het blad ervan tot genezing.). Het tweede deel van het hoofdstuk gaat over de veranderde grenzen van het land (verzen 13-2313Zo zegt de Heere HEERE: Dit is de grens waar[binnen] u het land onder de twaalf stammen van Israël in erfelijk bezit zult nemen, [met voor] Jozef [twee] gebieden.14U zult die in erfelijk bezit krijgen, zowel het ene als het andere waarover Ik Mijn hand opgeheven heb [en gezworen] dat Ik het aan uw vaderen zou geven. Dit land zal u als erfelijk bezit toevallen.15En dit is de grens van het land: aan de noordzijde: van de Grote Zee, in de richting van Hethlon [tot] waar men in Zedad komt:16Hamath, Berotha, Sibraïm, dat tussen de grens van Damascus en de grens van Hamath ligt; Hazar-Hattichon, dat bij de grens van Havran ligt.17De grens loopt dus van de zee [tot] Hazar-Enon, [aan] de grens van Damascus en noordelijk, naar het noorden en de grens van Hamath. [Dat] is dan de noordzijde.18En de oostzijde moet u afmeten van tussen Havran en Damascus en van tussen Gilead en het land Israël langs de Jordaan, vanaf de grens naar de Oostelijke Zee. [Dat] is dan de oostzijde.19En de zuidzijde naar het zuiden: vanaf Tamar tot het water van Meribath-Kades, [langs] het beekdal naar de Grote Zee. [Dat] is dan de zuidzijde naar het zuiden.20En de westzijde: de Grote Zee van de grens tot recht tegenover Lebo-Hamath. Dat is de westzijde.21Dit land nu moet u voor uzelf verdelen over de stammen van Israël.22En het zal gebeuren dat u het [als] erfelijk bezit zult doen toevallen aan u en aan de vreemdelingen die in uw midden verblijven, die in uw midden kinderen verwekt hebben. Zij zullen voor u zijn als een ingezetene onder de Israëlieten. Hun zal het met u in erfelijk bezit toevallen, te midden van de stammen van Israël.23Het zal gebeuren [dat] in de stam waarbij de vreemdeling verblijft, u daar zijn erfelijk bezit moet geven, spreekt de Heere HEERE.).


Het water uit de nieuwe tempel

1Daarna bracht Hij mij terug naar de ingang van het huis. En zie, er stroomde water uit, van onder de drempel van het huis naar het oosten, want de voorkant van het huis lag naar het oosten. Het water stroomde naar beneden van onder de rechterzijde van het huis, ten zuiden van het altaar. 2Vervolgens bracht Hij mij naar buiten via de noorderpoort en leidde mij buitenom rond naar de buitenpoort, in de richting die naar het oosten gekeerd is. En zie, uit de rechterzijde borrelde water. 3Toen de Man [naar] het oosten naar buiten ging, was er een meetlint in Zijn hand. Hij mat duizend el en liet mij door het water gaan: het water kwam tot de enkels. 4Hij mat [weer] duizend [el] en liet mij door het water gaan: het water kwam tot de knieën. Toen mat Hij er [weer] duizend en liet mij erdoor gaan: het water kwam tot de heupen. 5[Nog eens] mat Hij duizend [el]: het was een beek waar ik niet door kon gaan, want het water was [heel] hoog – water waar men [alleen] zwemmend [door kon], een beek waar men [anders] niet door kon gaan. 6Hij zei tegen mij: Hebt u het gezien, mensenkind? Toen leidde Hij mij en bracht mij terug naar de oever van de beek. 7Toen ik teruggekeerd was, zie, bij de oever van de beek stonden zeer veel bomen, aan deze kant en aan de andere kant. 8Hij zei tegen mij: Dit water stroomt weg naar het oostelijke gebied en stroomt in de Vlakte naar beneden en komt in de zee. In de zee uitgestort, wordt het water gezond. 9Het zal gebeuren [dat] alle levende wezens die er wemelen, overal waar een van beide beken naartoe komt, zullen leven. Daar zal zeer veel vis zijn, omdat dit water daarheen komt, en alles waarheen deze beek komt, zal gezond worden en leven. 10Verder zal het gebeuren dat er vissers langs zullen staan vanaf Engedi tot En-Eglaïm. Er zullen droogplaatsen voor sleepnetten zijn. Hun vis zal van elke soort zijn, zeer talrijk, zoals de vis in de Grote Zee. 11Maar de moerassen ervan en de poelen ervan zullen niet gezond worden: ze zijn aan het zout prijsgegeven. 12En langs de beek, langs de oever ervan, zullen aan deze kant en aan de andere kant allerlei vruchtbomen opkomen, waarvan het blad niet zal verwelken en waarvan de vrucht niet zal opraken. Elke maand zullen ze nieuwe vruchten voortbrengen, want het water ervoor stroomt uit het heiligdom. De vrucht ervan zal tot voedsel dienen en het blad ervan tot genezing.

De Man brengt Ezechiël terug naar de ingang van het huis, dat is de binnenste oostpoort (vers 11Daarna bracht Hij mij terug naar de ingang van het huis. En zie, er stroomde water uit, van onder de drempel van het huis naar het oosten, want de voorkant van het huis lag naar het oosten. Het water stroomde naar beneden van onder de rechterzijde van het huis, ten zuiden van het altaar.). Daar ziet Ezechiël dat er water uit het heiligdom stroomt. Het water komt onder de drempel van het huis door. Het water stroomt, gezien vanuit het heiligdom, in oostelijke richting naar beneden rechts van het huis en aan de zuidzijde van het altaar. Het water komt “onder de drempel van het huis” vandaan, want het huis en het altaar liggen hoger dan de buitenste voorhof.

Het huis, dat wil zeggen het heiligdom, en het altaar zijn verbonden met de oorsprong van de waterstroom. Voor ons is de toepassing dat elke zegen die God geeft, alleen te vinden is in de gemeente van God (het huis) en in verbinding met Christus en Zijn werk aan het kruis (het altaar).

Vervolgens brengt de Man Ezechiël via de buitenste noorderpoort naar buiten – de buitenste oostpoort is immers gesloten – en gaat Ezechiël voor in oostelijke richting, de richting van de stroom (vers 22Vervolgens bracht Hij mij naar buiten via de noorderpoort en leidde mij buitenom rond naar de buitenpoort, in de richting die naar het oosten gekeerd is. En zie, uit de rechterzijde borrelde water.). Het is ook voor ons belangrijk met de stroom van de Geest en van het Woord – deze waterstroom is van allebei een beeld – mee te gaan.

Als de Man naar het oosten gaat, heeft hij een meetlint in Zijn hand (vers 33Toen de Man [naar] het oosten naar buiten ging, was er een meetlint in Zijn hand. Hij mat duizend el en liet mij door het water gaan: het water kwam tot de enkels.). Hij heeft het de hele tijd bij zich gehad (Ez 40:33Hij bracht mij erheen, en zie, een Man. Zijn uiterlijk was als het uiterlijk van koper en in Zijn hand was een linnen koord en een meetlat. En Hij stond in de poort.), maar Hij gaat het nu gebruiken. Ook het meetlint is een beeld van het Woord van God, en wel als de maat die God gebruikt om Zijn onderwijs aan ons door te geven (vgl. Js 28:17a17Ik stel het recht tot meetlint,
en de gerechtigheid tot paslood.
De hagel zal het toevluchtsoord van de leugen wegvagen,
het water zal de schuilplaats overspoelen.
)
. God meet voor ons af wat wij kunnen begrijpen van Zijn Woord. Wij zijn begrensd in ons kennen, maar kunnen groeien in inzicht. Dat moet zowel de prediker als de hoorder beseffen in het doorgeven van Gods Woord en het luisteren ernaar.

Met het meetlint meet de Man de eerste duizend el van de stroom. Hij laat Ezechiël door het water gaan, waarbij het water tot de enkels van Ezechiël komt. De Man meet de volgende duizend el en laat Ezechiël door het water gaan (vers 44Hij mat [weer] duizend [el] en liet mij door het water gaan: het water kwam tot de knieën. Toen mat Hij er [weer] duizend en liet mij erdoor gaan: het water kwam tot de heupen.). Daarbij komt het water tot zijn knieën. Dan wordt de derde duizend el door de Man gemeten. Het water komt dan tot aan zijn heupen. Bij de vierde duizend el die de Man meet, heeft het water een diepte bereikt waar Ezechiël niet meer kan lopen (vers 55[Nog eens] mat Hij duizend [el]: het was een beek waar ik niet door kon gaan, want het water was [heel] hoog – water waar men [alleen] zwemmend [door kon], een beek waar men [anders] niet door kon gaan.). Daar moet hij zwemmen, zo hoog is het water geworden. Het is een beek geworden waarin hij niet meer kan staan.

In het boek Joël is ook sprake van een beek die uit de tempel ontspringt. Dat moet deze zelfde beek zijn (Jl 3:1818Op die dag zal het gebeuren
dat de bergen van jonge wijn zullen druipen,
de heuvels van melk zullen stromen,
en alle waterstromen van Juda
zullen overlopen van water.
Een bron zal uit het huis van de HEERE ontspringen,
die het dal van Sittim zal bevochtigen.
)
. In Zacharia 14 gaat het om een andere beek, want die komt uit de stad (Zc 14:88Op die dag zal het geschieden
dat er levend water vanuit Jeruzalem zal stromen,
de [ene] helft ervan naar de zee in het oosten
en de [andere] helft ervan naar de zee in het westen:
's zomers en 's winters zal het plaatsvinden.
)
. Ook moeten we deze beek niet verwarren met de beek of rivier in het nieuwe Jeruzalem (Op 22:1-21En hij toonde mij een rivier van levenswater, blinkend als kristal, die uitging vanuit de troon van God en van het Lam.2In [het] midden van haar straat en aan beide zijden van de rivier was [de] boom van [het] leven, die twaalf vruchten draagt en elke maand zijn vrucht geeft; en de bladeren van de boom zijn tot genezing van de naties.).

De meting gebeurt in fasen van telkens duizend el. In de geestelijke toepassing zien we dat het Woord ‘afgemeten’ moet worden gebracht en dat er onderbreking in het onderwijs is. Dat hangt samen met het feit dat er in de geestelijke ontwikkeling van een gelovige fasen zijn (Fp 3:15-1615Voor zover wij dan volmaakt zijn, laten wij zó gezind zijn; en als u andersgezind bent, God zal u ook dat openbaren.16Waartoe wij echter gekomen zijn, [laten wij] in hetzelfde [spoor verder] wandelen.; 1Jh 2:12-1412Ik schrijf u, kinderen, omdat de zonden u vergeven zijn ter wille van Zijn Naam.13Ik schrijf u, vaders, omdat u Hem kent Die van [het] begin af is. Ik schrijf u, jongelingen, omdat u de boze overwonnen hebt. Ik heb u geschreven, kinderen, omdat u de Vader kent.14Ik heb u geschreven, vaders, omdat u Hem kent Die van [het] begin af is. Ik heb u geschreven, jongelingen, omdat u sterk bent en het Woord van God in u blijft en u de boze overwonnen hebt.). Daar houdt de Heer rekening mee in Zijn onderwijs.

Als we geestelijk groeien, zullen we bij al onze studie van Gods Woord steeds meer ervaren dat we komen in een oceaan waar we niet kunnen staan. We hebben geen grond meer onder de voeten, we kunnen het niet meer bevatten, maar we kunnen er wel intens van genieten. We zijn omgeven door de zegen van de Heer, we zwemmen als het ware in alles wat Hij ons heeft gegeven.

We kunnen het ook toepassen op het ontdekken van het Woord van God zelf. Sommige waarheden daarin zijn heel eenvoudig. Ze zijn gemakkelijk te begrijpen, ze komen tot de enkels. Andere waarheden daarin liggen wat dieper verborgen. Om die te leren kennen, moeten we dieper graven. Ze zijn als het water dat tot knieën of tot de heupen komt.

Er zijn ook waarheden die we in hun volheid nooit zullen leren kennen, die we nooit tot op de bodem zullen begrijpen. Daar willen we wel heel graag ‘induiken’, terwijl we weten dat ze onze kennis te boven gaan, zoals er staat: “Te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat” (Ef 3:1919en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat u vervuld wordt tot de hele volheid van God.). Als we ons daarmee bezighouden, zwemmen we erin en genieten er optimaal van. We begrijpen wel dat God dit met grote vreugde aanziet.

Geestelijke groei wordt bewerkt door de Geest van God, Die met water wordt vergeleken. Mogelijk verwijst de Heer Jezus naar dit gedeelte in Ezechiël als Hij zegt: Als iemand dorst heeft, laat hij bij Mij komen en drinken! Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien. Dit nu zei Hij van de Geest, Die zij die in Hem geloven, zouden ontvangen; want de Geest was er nog niet, omdat Jezus nog niet was verheerlijkt (Jh 7:37b-3937En op de laatste, de grote dag van het feest, stond Jezus [daar] en riep aldus: Als iemand dorst heeft, laat hij bij Mij komen en drinken!38Wie in Mij gelooft, zoals de Schrift zegt: Stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien.39Dit nu zei Hij van de Geest, Die zij die in Hem geloven, zouden ontvangen; want [de] Geest was [er] nog niet, omdat Jezus nog niet was verheerlijkt.; Js 44:33Want Ik zal water gieten op het dorstige
en stromen op het droge.
Ik zal Mijn Geest op uw nageslacht gieten
en Mijn zegen op uw nakomelingen.
)
. Als we in de stroom gaan staan, als we ons leven overgeven aan God en Zijn Woord, zal de Heilige Geest bewerken dat we vol worden van Christus en dat we vrucht dragen voor God.

Deze toepassing brengt ons tot nog een andere toepassing. Het water dat tot de enkels komt, kunnen we zien als de reinigende werking van Gods Woord dat door de Geest wordt toegepast op de wandel van de gelovige. De knieën zijn een symbool van het gebed (Ef 3:1414Om deze oorzaak buig ik mijn knieën voor de Vader <van onze Heer Jezus Christus>,). Het water dat tot de knieën reikt, wijst erop dat Gods Woord en Gods Geest ons op onze knieën brengen om te bidden dat we mogen begrijpen wat onze zegeningen zijn. Het water dat tot de heupen reikt, spreekt van het omgorden van de lendenen (de heupen) met de waarheid (Ef 6:1414Houdt dan stand, uw lendenen omgord met [de] waarheid, en bekleed met het borstharnas van de gerechtigheid,; vgl. 1Pt 1:1313Omgordt daarom de lendenen van uw verstand, weest nuchter en hoopt volkomen op de genade die u gebracht wordt bij [de] openbaring van Jezus Christus.) en ook van dienstbaarheid (Lk 12:35-3735Laten uw lendenen omgord en uw lampen brandend zijn,36en weest u gelijk aan mensen die op hun heer wachten, wanneer hij terugkomt van de bruiloft, om als hij komt en klopt, hem terstond open te doen.37Gelukkig die slaven die de heer, als hij komt, wakend zal vinden. Voorwaar, Ik zeg u, dat hij zich zal omgorden, hen zal doen aanliggen en zal naderkomen om hen te dienen.). Het zwemmen in het water is een beeld van het volledig leven in de sfeer van het Woord en de Geest.

De Man vraagt aan Ezechiël of hij het gezien heeft (vers 66Hij zei tegen mij: Hebt u het gezien, mensenkind? Toen leidde Hij mij en bracht mij terug naar de oever van de beek.). Hij vraagt naar zijn betrokkenheid (vgl. 1Kn 21:2929Hebt u gezien dat Achab zich heeft vernederd voor Mijn aangezicht? Omdat hij zich heeft vernederd voor Mijn aangezicht, zal Ik dat onheil [nog] niet in zijn dagen brengen. In de dagen van zijn zoon zal Ik dat onheil over zijn huis brengen.; Jr 3:66In de dagen van koning Josia zei de HEERE tegen mij: Hebt u gezien wat het afvallige Israël gedaan heeft? Zij ging elke hoge berg op en onder elke bladerrijke boom, en bedreef daar hoererij.; Ez 8:12,15,1712Daarop zei Hij tegen mij: Hebt u gezien, mensenkind, wat de oudsten van het huis van Israël in de duisternis doen, ieder in de kamer [waar] zijn afbeelding zich bevindt? Want zij zeggen: De HEERE ziet ons niet, de HEERE heeft het land verlaten.15Hij zei tegen mij: Hebt u [het] gezien, mensenkind? U zult, opnieuw, nog grotere gruweldaden zien dan deze.17Toen zei Hij tegen mij: Hebt u [het] gezien, mensenkind? Is er iets geringer voor het huis van Juda dan deze gruweldaden hier te doen? Ja, zij vervullen het land met geweld. Steeds opnieuw verwekken zij Mij tot toorn. En zie, zij steken wijnranken in hun neus.). Zo vraagt de Heer ook wel eens aan ons of we wel goed hebben gezien wat Hij heeft gezegd of heeft laten zien in Zijn Woord. We kunnen met Zijn Woord bezig zijn en daarin groeien, zoals in beeld Ezechiël daarin bezig is en in de kennis ervan toeneemt. Toch kan de werkelijke betekenis ons nog ontgaan.

De Man neemt Ezechiël mee voor verder onderwijs. Hij leidt hem voor dat onderwijs terug naar de oever van de beek. Met een uitroep van verbazing (“zie”) ziet Ezechiël aan de beide oevers van de beek “zeer veel bomen” staan (vers 77Toen ik teruggekeerd was, zie, bij de oever van de beek stonden zeer veel bomen, aan deze kant en aan de andere kant.). Het valt hem zozeer op, dat het erop lijkt dat die bomen er voordien niet hebben gestaan en dat de beide oevers kaal zijn geweest. Het water deelt aan zijn hele omgeving ongekende vruchtbaarheid mee.

Als de Heer ons terugbrengt naar een plaats waar wij eerder zijn geweest, is dat meer dan alleen een herinnering aan een vroegere ervaring. Hij wil ons laten zien wat er sinds die vroegere ervaring in ons leven is veranderd, wat er is gegroeid. We krijgen oog voor onze geestelijke groei. Naarmate we ouder worden, merken we, als het goed is, dat ook op. Door de omgang met de Heer en het werk van Gods Geest in ons leven zal er overvloediger vrucht zichtbaar worden. We kunnen dat bijvoorbeeld merken aan onze reactie op bepaalde gebeurtenissen of uitspraken. Vroeger zijn we van sommige dingen van slag geraakt, terwijl we nu meer zien hoe alle dingen in de hand van de Heer zijn.

Het is een bemoediging voor de ballingen dat er een tijd komt dat de HEERE weer in het midden van Zijn volk zal wonen. Met die tijd hangt een grote werkzaamheid van de Heilige Geest samen. Als de Messias regeert, zal Gods Woord door de Geest overal nieuw leven wekken en groei en een overvloed aan vrucht voortbrengen. Dat is ook nu in geestelijk opzicht zo, overal waar gelovigen hun leven onder de volle heerschappij van de Heer Jezus en Gods Geest plaatsen.

De Man spreekt over de gezonde uitwerking van het water (vers 88Hij zei tegen mij: Dit water stroomt weg naar het oostelijke gebied en stroomt in de Vlakte naar beneden en komt in de zee. In de zee uitgestort, wordt het water gezond.). Hij wijst op de loop van de stroom. De tempelbeek stroomt naar het oostelijke gebied, het gebied tussen Jeruzalem en Jericho. Daarna komt het in de Vlakte beneden, dat is de Jordaanvlakte, en mondt dan uit in de Dode Zee. Als het water in de Dode Zee komt, wordt het water van de Dode Zee gezond. Het gevolg van het gezonde water is dat deze zee, waarin nu vanwege het hoge zoutgehalte geen leven mogelijk is, van levende wezens zal wemelen (vers 99Het zal gebeuren [dat] alle levende wezens die er wemelen, overal waar een van beide beken naartoe komt, zullen leven. Daar zal zeer veel vis zijn, omdat dit water daarheen komt, en alles waarheen deze beek komt, zal gezond worden en leven.). Het herinnert aan de wateren die op de vijfde scheppingsdag van levende wezens wemelen (Gn 1:20-2120En God zei: Laat het water wemelen van wemelende levende wezens; en laten er vogels boven de aarde vliegen, langs het hemelgewelf!21En God schiep de grote zeedieren en alle krioelende levende wezens waarvan het water wemelt, naar hun soort, en alle gevleugelde vogels naar hun soort. En God zag dat het goed was.).

Er wordt gesproken over “beide beken”, terwijl er – in elk geval hier in Ezechiël – toch maar over één beek uit de tempel wordt gesproken die in korte tijd tot een diepe beek wordt. De suggestie is gedaan dat er sprake is van een ‘dubbele rivier’, waarmee dan wordt aangegeven dat de rivier stroomt met de kracht van twee rivieren.

“Overal” waar de beek komt, ontstaat leven, en “alles” wat met de beek in aanraking komt, wordt levend en gezond. Voor ons betekent dit dat overal waar de Heilige Geest in ons leven komt, Hij leven en geestelijke gezondheid bewerkt. Dat betreft ons gebedsleven, ons gezinsleven, ons gemeenteleven, ons dagelijks leven, ons getuigenis. Dat alles zal op zijn beurt ook weer zegen voor onze omgeving tot gevolg hebben.

De overvloed aan vis zal een overvloed van vissers trekken (vers 1010Verder zal het gebeuren dat er vissers langs zullen staan vanaf Engedi tot En-Eglaïm. Er zullen droogplaatsen voor sleepnetten zijn. Hun vis zal van elke soort zijn, zeer talrijk, zoals de vis in de Grote Zee.). Er zullen droogplaatsen voor sleepnetten zijn (vgl. Ez 26:5,145Het zal een droogplaats voor sleepnetten worden, midden in de zee, want Ík heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE. Het zal een buit voor de heidenvolken worden,14Ik zal u maken tot een kale rots. U zult een droogplaats voor sleepnetten worden. U zult niet meer herbouwd worden, want Ík, de HEERE, heb gesproken, spreekt de Heere HEERE.). Daaruit blijkt de overvloed aan vissen. De vissers gebruiken geen hengel, omdat daarmee slechts een enkele vis kan worden gevangen. Er is ook een grote verscheidenheid aan vissoorten. De vis in de beek doet in aantal en soort niet onder voor de vis in de Grote Zee, dat is de Middellandse Zee.

Zoals de wateren nieuw leven scheppen in de Dode Zee, zal de uitstorting van de Heilige Geest in die dagen nieuw leven wekken in Israël en de volken. Overal waar de Heilige Geest komt, ontstaat nieuw en overvloedig leven. Het is ook een symbolische voorstelling van het leven dat in het dode Israël zal worden gewekt en van het verslinden van de dood tot overwinning (Js 25:88Hij zal de dood voor altijd verslinden,
de Heere HEERE zal de tranen van alle gezichten afwissen
en de smaad van Zijn volk wegnemen van heel de aarde,
want de HEERE heeft gesproken.
; Hs 13:1414Ik zal hen verlossen uit de macht van het graf.
Ik zal hen vrijkopen uit de dood.
Dood, waar zijn uw pestziekten?
Graf, waar is uw verderf?
Berouw verbergt zich voor Mijn ogen!
)
.

Er zijn wel plaatsen die uitgesloten zijn van het leven dat de stroom meebrengt (vers 1111Maar de moerassen ervan en de poelen ervan zullen niet gezond worden: ze zijn aan het zout prijsgegeven.). Dat zijn de moerassen en poelen die losstaan van de Dode Zee. De toepassing voor ons is dat waar de Geest geen toegang krijgt, Zijn levendmakend werk niet kan plaatsvinden. We kunnen hierbij denken aan mensen over wie de apostel Petrus in zijn tweede brief schrijft (2Pt 2:11Er waren echter ook valse profeten onder het volk, zoals er ook onder u valse leraars zullen zijn, die verderfelijke sekten heimelijk zullen invoeren en de Meester Die hen gekocht heeft, zullen verloochenen en een spoedig verderf over zichzelf brengen.; Jd 1:12-1312Dezen zijn de vlekken in uw liefdemalen, als zij zonder vrees bij u brassen en zichzelf weiden; waterloze wolken, door winden voortgedreven, bomen in de late herfst zonder vrucht, tweemaal gestorven, ontworteld;13wilde golven van [de] zee, die hun eigen schandelijkheden opschuimen; dwaalsterren, voor wie de donkerheid van de duisternis tot in eeuwigheid bewaard wordt.). Zulke plaatsen worden aan het zout prijsgegeven, dat wil zeggen aan het oordeel dat nooit eindigt (vgl. Mk 9:4949Want ieder zal met vuur gezouten worden.). Het toont ook aan dat in het vrederijk niet alles volmaakt is, zoals het wel zal zijn als er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde zullen zijn (2Pt 3:1313Wij echter verwachten naar Zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde waar gerechtigheid woont.; Op 21:1-71En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan, en de zee was niet meer.2En ik zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, uit de hemel neerdalen van God, gereed als een bruid die voor haar man versierd is.3En ik hoorde een luide stem vanuit de troon zeggen: Zie, de tabernakel van God is bij de mensen en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen zijn, <hun God>.4En Hij zal elke traan van hun ogen afwissen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch geschrei, noch pijn zal er meer zijn, <want> de eerste dingen zijn voorbijgegaan.5En Hij Die op de troon zat, zei: Zie, Ik maak alles nieuw. En Hij zei <tegen mij>: Schrijf, want deze woorden zijn getrouw en waarachtig.6En Hij zei tegen mij: Zij zijn gebeurd! Ik ben de Alfa en de Oméga, het Begin en het Einde. Ik zal hem die dorst heeft, geven uit de bron van het water van het leven om niet.7Wie overwint, zal deze dingen beërven, en Ik zal Hem een God zijn en hij zal Mij een zoon zijn.).

De bomen van vers 77Toen ik teruggekeerd was, zie, bij de oever van de beek stonden zeer veel bomen, aan deze kant en aan de andere kant. blijken vruchtbomen te zijn (vers 1212En langs de beek, langs de oever ervan, zullen aan deze kant en aan de andere kant allerlei vruchtbomen opkomen, waarvan het blad niet zal verwelken en waarvan de vrucht niet zal opraken. Elke maand zullen ze nieuwe vruchten voortbrengen, want het water ervoor stroomt uit het heiligdom. De vrucht ervan zal tot voedsel dienen en het blad ervan tot genezing.). Door het leven brengende water blijven de bladeren altijd fris en zal er voortdurend, het hele jaar door, vrucht zijn (vgl. Op 22:22In [het] midden van haar straat en aan beide zijden van de rivier was [de] boom van [het] leven, die twaalf vruchten draagt en elke maand zijn vrucht geeft; en de bladeren van de boom zijn tot genezing van de naties.). Het geheim en de kracht ervan liggen in het feit dat het water “uit het heiligdom” stroomt. De vrucht is dan ook tot voedsel en de bladeren hebben een geneeskrachtige werking, alles door dit water uit het heiligdom.

De altijd groene en voortdurend vruchtdragende bomen met hun voedzame vruchten en geneeskrachtige bladeren zijn een beeld van de gelovigen die in verbinding met Christus leven. De gelovige wordt in het Oude Testament meerdere keren met een boom vergeleken (Ps 1:33Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken,
die zijn vrucht geeft op zijn tijd,
waarvan het blad niet afvalt;
al wat hij doet, zal goed gelukken.
; Jr 17:7-87Gezegend is de man die op de HEERE vertrouwt,
wiens vertrouwen de HEERE is.
8Hij zal zijn als een boom, die bij water geplant is,
en [die] zijn wortels laat uitlopen bij een waterloop.
Hij merkt het niet als er hitte komt,
zijn blad blijft groen.
Een jaar van droogte deert hem niet,
en hij houdt niet op vrucht te dragen.
)
. De gelovige brengt vruchten voort, de vrucht van de Geest, en is voor anderen door zijn getuigenis, waarvan de bladeren spreken, tot een genezende zegen.


De grenzen van het land

13Zo zegt de Heere HEERE: Dit is de grens waar[binnen] u het land onder de twaalf stammen van Israël in erfelijk bezit zult nemen, [met voor] Jozef [twee] gebieden. 14U zult die in erfelijk bezit krijgen, zowel het ene als het andere waarover Ik Mijn hand opgeheven heb [en gezworen] dat Ik het aan uw vaderen zou geven. Dit land zal u als erfelijk bezit toevallen. 15En dit is de grens van het land: aan de noordzijde: van de Grote Zee, in de richting van Hethlon [tot] waar men in Zedad komt: 16Hamath, Berotha, Sibraïm, dat tussen de grens van Damascus en de grens van Hamath ligt; Hazar-Hattichon, dat bij de grens van Havran ligt. 17De grens loopt dus van de zee [tot] Hazar-Enon, [aan] de grens van Damascus en noordelijk, naar het noorden en de grens van Hamath. [Dat] is dan de noordzijde. 18En de oostzijde moet u afmeten van tussen Havran en Damascus en van tussen Gilead en het land Israël langs de Jordaan, vanaf de grens naar de Oostelijke Zee. [Dat] is dan de oostzijde. 19En de zuidzijde naar het zuiden: vanaf Tamar tot het water van Meribath-Kades, [langs] het beekdal naar de Grote Zee. [Dat] is dan de zuidzijde naar het zuiden. 20En de westzijde: de Grote Zee van de grens tot recht tegenover Lebo-Hamath. Dat is de westzijde.

Als de Heer Jezus regeert, zal het land dat aan Abraham is beloofd (Gn 15:1818Op die dag sloot de HEERE een verbond met Abram, en zei: Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat:) op een heel nieuwe wijze “onder de twaalf stammen” worden verdeeld (vers 1313Zo zegt de Heere HEERE: Dit is de grens waar[binnen] u het land onder de twaalf stammen van Israël in erfelijk bezit zult nemen, [met voor] Jozef [twee] gebieden.). Er wordt vooropgesteld dat alle twaalf stammen, de twee en de tien stammen, weer herenigd, in het land wonen. Omdat Levi geen erfdeel heeft, ontvangt Jozef twee gebieden, voor zijn beide zonen een gebied: één gebied voor Efraïm en één gebied voor Manasse.

De HEERE zegt hun het land toe als een zekerheid: ze zullen het in erfelijk bezit krijgen (vers 1414U zult die in erfelijk bezit krijgen, zowel het ene als het andere waarover Ik Mijn hand opgeheven heb [en gezworen] dat Ik het aan uw vaderen zou geven. Dit land zal u als erfelijk bezit toevallen.). Hij voegt eraan toe dat Hij het zal doen ”zowel het ene als het andere”, wat betekent dat Hij het ‘in gelijke mate onder broeders’ zal verdelen, zoals er in het Hebreeuws letterlijk staat. Hij heeft er Zijn hand ten teken van het zweren van een eed voor opgeheven toen Hij hun vaderen het land heeft beloofd. De zaak ligt onwankelbaar vast. Dit land zal hun als erfelijk bezit toevallen. Dat houdt in dat ze het uit genade krijgen.

De grenzen zullen heel anders liggen zijn dan bij de verdeling van het land door Jozua (verzen 15-2015En dit is de grens van het land: aan de noordzijde: van de Grote Zee, in de richting van Hethlon [tot] waar men in Zedad komt:16Hamath, Berotha, Sibraïm, dat tussen de grens van Damascus en de grens van Hamath ligt; Hazar-Hattichon, dat bij de grens van Havran ligt.17De grens loopt dus van de zee [tot] Hazar-Enon, [aan] de grens van Damascus en noordelijk, naar het noorden en de grens van Hamath. [Dat] is dan de noordzijde.18En de oostzijde moet u afmeten van tussen Havran en Damascus en van tussen Gilead en het land Israël langs de Jordaan, vanaf de grens naar de Oostelijke Zee. [Dat] is dan de oostzijde.19En de zuidzijde naar het zuiden: vanaf Tamar tot het water van Meribath-Kades, [langs] het beekdal naar de Grote Zee. [Dat] is dan de zuidzijde naar het zuiden.20En de westzijde: de Grote Zee van de grens tot recht tegenover Lebo-Hamath. Dat is de westzijde.; vgl. Nm 34:1-151De HEERE sprak tot Mozes:2Gebied de Israëlieten en zeg tegen hen: Wanneer u het land Kanaän binnenkomt, zal dit het land zijn dat u als erfelijk bezit toevalt, het land Kanaän wat zijn grenzen betreft:3de zuidzijde zal voor u vanaf de woestijn Zin langs Edom lopen en de zuidgrens zal voor u aan de oostkant vanaf het einde van de Zoutzee lopen.4Deze grens zal voor u van het zuiden naar de Schorpioenenpas ombuigen en doorlopen tot Zin, en haar uitlopers zullen vanuit het zuiden naar Kades-Barnea lopen en uitkomen [bij] Hazar-Addar en doorlopen tot Azmon.5Deze grens zal dan van Azmon naar de Beek van Egypte ombuigen en haar uitlopers zullen naar de zee lopen.6Wat betreft de westgrens, dat zal voor u de Grote Zee zijn; dat zal voor u de westgrens zijn.7En dit zal voor u de noordgrens zijn: vanaf de Grote Zee moet u voor uzelf een lijn tekenen naar de berg Hor;8van de berg Hor moet u een lijn tekenen naar Lebo-Hamath; de uitlopers van deze grens zullen naar Zedad lopen.9Deze grens zal uitkomen bij Zifron, en haar uitlopers zullen naar Hazar-Enan lopen; dit zal voor u de noordgrens zijn.10Verder moet u voor uzelf voor de grens aan de oostkant een lijn trekken van Hazar-Enan naar Sefam.11Van Sefam zal deze grens naar beneden lopen naar Ribla, ten oosten van Aïn; vervolgens zal de grens [verder] naar beneden lopen en langs de oever van het Kinnerethmeer in oostelijke richting lopen.12Daarna zal de grens [nog verder], langs de Jordaan, naar beneden lopen en haar uitlopers zullen naar de Zoutzee lopen. Dit zal voor u het land zijn wat zijn grenzen rondom betreft.13En Mozes gebood de Israëlieten: Dit is het land dat u door het lot in erfbezit moet nemen, dat de HEERE geboden heeft aan de negen en een halve stam te geven.14Want de stam van de nakomelingen van de Rubenieten, naar hun families, en de stam van de nakomelingen van de Gadieten, naar hun families, hebben [hun erfelijk bezit al] ontvangen; ook de halve stam Manasse heeft zijn erfelijk bezit ontvangen.15Deze twee en een halve stam hebben hun erfelijk bezit ontvangen aan deze zijde van de Jordaan, [ter hoogte] van Jericho, aan de oostkant, waar [de zon] opkomt.; Jz 13-21). Dat komt omdat de verdeling tussen de negenenhalve stam in het land en de tweeënhalve stam in het Overjordaanse ongedaan wordt gemaakt. Elk van de twaalf stammen krijgt een (groot) deel van het land en een (klein) deel van het Overjordaanse. Hiermee is de verdeling van het land onder de stammen van Israël vastgesteld (vers 2121Dit land nu moet u voor uzelf verdelen over de stammen van Israël.).

Het lijkt er overigens op dat de hier vastgestelde grenzen niet definitief zijn. Ze zullen door de toenemende bevolking in het vrederijk steeds verruimd worden, tot de belofte aan Abraham vervuld is: “Op die dag sloot de HEERE een verbond met Abram, en zei: Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat” (Gn 15:1818Op die dag sloot de HEERE een verbond met Abram, en zei: Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat:).


Erfelijk bezit van de vreemdeling

21Dit land nu moet u voor uzelf verdelen over de stammen van Israël. 22En het zal gebeuren dat u het [als] erfelijk bezit zult doen toevallen aan u en aan de vreemdelingen die in uw midden verblijven, die in uw midden kinderen verwekt hebben. Zij zullen voor u zijn als een ingezetene onder de Israëlieten. Hun zal het met u in erfelijk bezit toevallen, te midden van de stammen van Israël. 23Het zal gebeuren [dat] in de stam waarbij de vreemdeling verblijft, u daar zijn erfelijk bezit moet geven, spreekt de Heere HEERE.

Er is nog iets wat geregeld moet worden en dat is het erfelijk bezit voor vreemdelingen die al langere tijd in het midden van de Israëlieten wonen en daar ook een gezin met kinderen hebben (vers 2222En het zal gebeuren dat u het [als] erfelijk bezit zult doen toevallen aan u en aan de vreemdelingen die in uw midden verblijven, die in uw midden kinderen verwekt hebben. Zij zullen voor u zijn als een ingezetene onder de Israëlieten. Hun zal het met u in erfelijk bezit toevallen, te midden van de stammen van Israël.). Ze zijn zozeer ingeburgerd, dat ze deel uitmaken van het volk. Zij krijgen ook een deel van het land in de stam waarin ze wonen (vers 2323Het zal gebeuren [dat] in de stam waarbij de vreemdeling verblijft, u daar zijn erfelijk bezit moet geven, spreekt de Heere HEERE.). God vergeet hen niet, maar laat hen delen in de zegen die Hij voor Zijn volk heeft (Js 56:3-83Laat de vreemdeling die zich bij de HEERE gevoegd heeft, niet zeggen:
De HEERE heeft mij geheel en al van Zijn volk gescheiden;
laat de ontmande niet zeggen:
Zie, ik ben [maar] een dorre boom.
4Want zo zegt de HEERE
over de ontmanden die Mijn sabbatten in acht nemen,
verkiezen wat Mij behaagt,
en vasthouden aan Mijn verbond:
5Ik zal hun in Mijn huis en binnen Mijn muren een plaats en een naam geven,
beter dan [die] van zonen en dan [die] van dochters;
een eeuwige naam zal Ik ieder van hen geven,
[een naam] die niet uitgewist zal worden.
6En de vreemdelingen die zich bij de HEERE voegen
om Hem te dienen en om de Naam van de HEERE lief te hebben,
om Hem tot dienaren te zijn;
allen die de sabbat in acht nemen, zodat zij hem niet ontheiligen,
en die aan Mijn verbond vasthouden:
7hen zal Ik ook brengen naar Mijn heilige berg,
en Ik zal hen verblijden in Mijn huis van gebed.
Hun brandoffers en hun slachtoffers zullen welgevallig zijn op Mijn altaar.
Want Mijn huis zal een huis van gebed genoemd worden voor alle volken.
8De Heere HEERE,
Die de verdrevenen uit Israël bijeenbrengt, spreekt:
Ik zal er tot Hem nog meer bijeenbrengen,
naast hen die [al] tot Hem bijeengebracht zijn.
)
. In de tijd dat de Heer Jezus regeert, zal het eindelijk mogelijk zijn dat Joden en niet-Joden in vrede samenleven.

Joden en niet-Joden leven nu al, in de genadetijd waarin wij leven, in de gemeente in vrede samen. Dat betekent overigens wel dat de Jood ophoudt Jood te zijn evenals de heiden geen heiden meer is. Ze zijn beiden één gemaakt tot een nieuwe mens in Christus (Ef 2:13-1613Maar nu, in Christus Jezus, bent u die vroeger veraf was, nabijgekomen door het bloed van Christus.14Want Hij is onze vrede, Die die beiden een gemaakt en de scheidsmuur van de omheining weggebroken heeft,15toen Hij in Zijn vlees de vijandschap, de wet van de geboden [die] in inzettingen [bestaat], tenietgedaan had, opdat Hij die twee in Zichzelf tot één nieuwe mens zou scheppen, vrede makend,16en die beiden in één lichaam met God zou verzoenen door het kruis, terwijl Hij daardoor de vijandschap gedood heeft.).


Lees verder