Ezechiël
Inleiding 1-15 Het offer van de vorst 16-18 Erfelijk bezit van de vorst 19-24 De keukens van de tempel
Inleiding

In dit hoofdstuk worden voorschriften aan de vorst en het volk gegeven in verbinding met het brengen van offers (verzen 1-151Zo zegt de Heere HEERE: De poort van de binnenste voorhof die naar het oosten gekeerd is, moet [op] de zes werkdagen gesloten blijven, maar op de sabbatdag geopend worden. Ook op nieuwemaansdag moet hij geopend worden.2Dan zal de vorst van buiten binnenkomen via de voorhal van de poort, en bij de deurpost van de poort blijven staan. De priesters moeten zijn brandoffers en zijn dankoffers bereiden en hij zal zich neerbuigen op de drempel van de poort en [dan] naar buiten gaan. Maar de poort mag tot de avond niet gesloten worden.3De bevolking van het land moet zich op de sabbatten en op de nieuwemaans[dagen] neerbuigen voor het aangezicht van de HEERE [aan] de ingang van die poort.4Het brandoffer dat de vorst de HEERE aanbiedt, zal op de sabbatdag bestaan [uit] zes lammeren zonder enig gebrek en een ram zonder enig gebrek,5en het graanoffer, een efa per ram – maar bij de lammeren zal [als] graanoffer een gave naar zijn vermogen [dienen] – en [als] olie een hin per efa.6Op nieuwemaansdag [moet als offer] een jonge stier – het jong van een rund – zonder enig gebrek [dienen], en zes lammeren en een ram; [alle] moeten zonder enig gebrek zijn.7[Als] graanoffer moet hij voor een efa per jonge stier en een efa per ram zorgen – maar bij de lammeren, al naargelang zijn vermogen reikt – en [als] olie een hin per efa.8En wanneer de vorst binnenkomt, moet hij via de voorhal van de poort binnenkomen en langs dezelfde weg naar buiten gaan.9Maar wanneer de bevolking van het land voor het aangezicht van de HEERE komt op de feestdagen, moet degene die door de noorderpoort binnenkomt om zich neer te buigen, via de zuiderpoort naar buiten gaan. En degene die via de zuiderpoort binnenkomt, moet via de noorderpoort naar buiten gaan. Hij mag niet teruggaan via de poort waardoor hij binnengekomen is, maar moet naar buiten gaan [door de poort] daartegenover.10Wanneer zij binnenkomen, moet de vorst in hun midden binnenkomen, en wanneer zij naar buiten gaan, moeten zij [tegelijk] naar buiten gaan.11Op de feesten en op de feestdagen moet het graanoffer bestaan [uit] een efa per jonge stier en een efa per ram – maar bij de lammeren, een gave al naargelang zijn vermogen [reikt] – en [als] olie een hin per efa.12En wanneer dan de vorst een vrijwillige gave doet, een brandoffer of dankoffers [als] vrijwillige gave voor de HEERE, moet men voor hem de poort openen die naar het oosten gekeerd is, en mag hij voor zijn brandoffer en zijn dankoffers zorgen, zoals hij op de sabbatdag pleegt te doen. En wanneer hij naar buiten gaat, moet men de poort sluiten nadat hij naar buiten gegaan is.13Verder moet u elke dag een lam van een jaar oud zonder enig gebrek [als] brandoffer bereiden voor de HEERE. Elke morgen moet u dat bereiden.14Dan moet u daarop een graanoffer doen, elke morgen een zesde efa en een derde hin olie om de meelbloem vochtig te maken. Het is een graanoffer voor de HEERE, [het zijn] eeuwige verordeningen, voortdurend.15Zij moeten het lam, het graanoffer en de olie elke morgen [als] voortdurend brandoffer bereiden.). De vorst wordt er ook op gewezen wat zijn verplichtingen zijn als hij iets van zijn bezittingen aan zijn zonen en aan zijn dienaren geeft (verzen 16-1816Zo zegt de Heere HEERE: Wanneer de vorst een van zijn zonen een geschenk geeft, is het diens erfelijk bezit. Dat zal zijn zonen toebehoren, dat zal hun bezit in erfelijk bezit zijn.17Maar wanneer hij een geschenk uit zijn erfelijk bezit aan een van zijn dienaren geeft, zal dat van hem zijn tot het jaar van [zijn] vrijlating. Dan zal het naar de vorst teruggaan. Voorwaar, het is zijn erfelijk bezit, het zal zijn zonen toebehoren.18De vorst mag niets nemen van het erfelijk bezit van het volk door hen uit hun bezit te verdringen. Hij mag zijn zonen [alleen] van zijn [eigen] bezit in erfelijk bezit geven, zodat Mijn volk niet verspreid wordt, ieder [verdrongen] uit zijn [eigen] bezit.). Tot slot worden de kook- en bakgelegenheden (de keukens) voor het klaarmaken van enkele verschillende offers genoemd (verzen 19-2419Toen bracht Hij mij door de ingang die terzijde van de poort was, naar de heilige kamers die de priesters toe[behoorden], die naar het noorden gekeerd waren. En zie, daar was een ruimte aan beide zijden, aan de westzijde.20Hij zei tegen mij: Dit is de plaats waar de priesters het schuldoffer en het zondoffer moeten koken, waar zij het graanoffer moeten bakken, zodat zij het niet naar buiten hoeven te brengen naar de buitenste voorhof, waardoor zij het volk zouden heiligen.21Toen bracht Hij mij naar de buitenste voorhof en leidde mij langs de vier hoeken van de voorhof. En zie, in elke hoek van de voorhof was een ander voorhofje.22In de vier hoeken van de voorhof waren voorhofjes met rookkanalen, veertig [el] lang en dertig [el] breed. De vier hoekvoorhoven hadden eenzelfde maat.23Daaromheen lag een ringmuurtje, rond deze vier, en er waren kookgelegenheden gemaakt, rondom onderaan de ringmuurtjes.24Hij zei tegen mij: Dit zijn de kookgelegenheden waar de dienaren van het huis het slachtoffer van het volk moeten koken.).


Het offer van de vorst

1Zo zegt de Heere HEERE: De poort van de binnenste voorhof die naar het oosten gekeerd is, moet [op] de zes werkdagen gesloten blijven, maar op de sabbatdag geopend worden. Ook op nieuwemaansdag moet hij geopend worden. 2Dan zal de vorst van buiten binnenkomen via de voorhal van de poort, en bij de deurpost van de poort blijven staan. De priesters moeten zijn brandoffers en zijn dankoffers bereiden en hij zal zich neerbuigen op de drempel van de poort en [dan] naar buiten gaan. Maar de poort mag tot de avond niet gesloten worden. 3De bevolking van het land moet zich op de sabbatten en op de nieuwemaans[dagen] neerbuigen voor het aangezicht van de HEERE [aan] de ingang van die poort. 4Het brandoffer dat de vorst de HEERE aanbiedt, zal op de sabbatdag bestaan [uit] zes lammeren zonder enig gebrek en een ram zonder enig gebrek, 5en het graanoffer, een efa per ram – maar bij de lammeren zal [als] graanoffer een gave naar zijn vermogen [dienen] – en [als] olie een hin per efa. 6Op nieuwemaansdag [moet als offer] een jonge stier – het jong van een rund – zonder enig gebrek [dienen], en zes lammeren en een ram; [alle] moeten zonder enig gebrek zijn. 7[Als] graanoffer moet hij voor een efa per jonge stier en een efa per ram zorgen – maar bij de lammeren, al naargelang zijn vermogen reikt – en [als] olie een hin per efa. 8En wanneer de vorst binnenkomt, moet hij via de voorhal van de poort binnenkomen en langs dezelfde weg naar buiten gaan. 9Maar wanneer de bevolking van het land voor het aangezicht van de HEERE komt op de feestdagen, moet degene die door de noorderpoort binnenkomt om zich neer te buigen, via de zuiderpoort naar buiten gaan. En degene die via de zuiderpoort binnenkomt, moet via de noorderpoort naar buiten gaan. Hij mag niet teruggaan via de poort waardoor hij binnengekomen is, maar moet naar buiten gaan [door de poort] daartegenover. 10Wanneer zij binnenkomen, moet de vorst in hun midden binnenkomen, en wanneer zij naar buiten gaan, moeten zij [tegelijk] naar buiten gaan. 11Op de feesten en op de feestdagen moet het graanoffer bestaan [uit] een efa per jonge stier en een efa per ram – maar bij de lammeren, een gave al naargelang zijn vermogen [reikt] – en [als] olie een hin per efa. 12En wanneer dan de vorst een vrijwillige gave doet, een brandoffer of dankoffers [als] vrijwillige gave voor de HEERE, moet men voor hem de poort openen die naar het oosten gekeerd is, en mag hij voor zijn brandoffer en zijn dankoffers zorgen, zoals hij op de sabbatdag pleegt te doen. En wanneer hij naar buiten gaat, moet men de poort sluiten nadat hij naar buiten gegaan is. 13Verder moet u elke dag een lam van een jaar oud zonder enig gebrek [als] brandoffer bereiden voor de HEERE. Elke morgen moet u dat bereiden. 14Dan moet u daarop een graanoffer doen, elke morgen een zesde efa en een derde hin olie om de meelbloem vochtig te maken. Het is een graanoffer voor de HEERE, [het zijn] eeuwige verordeningen, voortdurend. 15Zij moeten het lam, het graanoffer en de olie elke morgen [als] voortdurend brandoffer bereiden.

De HEERE geeft nog meer aanwijzingen voor de vorst en de offers die hij moet brengen. De binnenste oostpoort speelt hierbij een belangrijke rol. De buitenste oostpoort moet altijd gesloten blijven (Ez 44:22En de HEERE zei tegen mij: Deze poort moet gesloten blijven. Hij mag niet geopend worden en niemand mag erdoor binnenkomen, want de HEERE, de God van Israël, is erdoor binnengekomen. Daarom moet hij gesloten blijven.). De binnenste “moet [op] de zes werkdagen gesloten blijven”, maar moet op de zevende dag, de sabbatdag, geopend worden (vers 11Zo zegt de Heere HEERE: De poort van de binnenste voorhof die naar het oosten gekeerd is, moet [op] de zes werkdagen gesloten blijven, maar op de sabbatdag geopend worden. Ook op nieuwemaansdag moet hij geopend worden.). Tevens moet deze poort op de eerste dag van elke maand, de nieuwemaansdag, geopend worden.

De uitdrukking ‘werkdagen’ komt alleen hier voor in het Oude Testament. Het maakt ons duidelijk dat er tijdens al de rust van het vrederijk zes dagen gewoon en rustig wordt gewerkt. Het is het herstel van de situatie in het paradijs, waar God aan Adam de opdracht geeft de hof “te bewerken en te onderhouden” (Gn 2:1515De HEERE God nam de mens, en zette hem in de hof van Eden om die te bewerken en te onderhouden.).

De vermelding van de sabbatdag” en de “nieuwemaansdag” bepalen ons er nog eens duidelijk bij dat we ons helemaal in de Joodse sfeer bevinden en niet in de christelijke sfeer, de sfeer van de nieuwtestamentische gemeente. De sabbat wordt in het vrederijk voor Gods volk hersteld. De lang verwachte nieuwe periode van zegen is voor het volk aangebroken, wat wordt voorgesteld in de nieuwemaansdag (Js 66:2323En het zal geschieden dat van nieuwe maan tot nieuwe maan
en van sabbat tot sabbat
alle vlees zal komen
om zich neer te buigen voor Mijn aangezicht, zegt de HEERE.
)
.

Met deze dagen hangen ook offers samen. Deze offers spreken van Christus en Zijn werk, want alleen daardoor kan de rust van de sabbat en de zegen van de nieuwe periode genoten worden. Over deze offers wordt in de volgende verzen gesproken.

Op de dagen waarop de binnenste oostpoort geopend moet worden, moet de vorst van buiten via de voorhal van de poort naar binnen komen. Hij loopt door de poort en gaat staan bij de deurpost van de poort die grenst aan de binnenste voorhof (vers 22Dan zal de vorst van buiten binnenkomen via de voorhal van de poort, en bij de deurpost van de poort blijven staan. De priesters moeten zijn brandoffers en zijn dankoffers bereiden en hij zal zich neerbuigen op de drempel van de poort en [dan] naar buiten gaan. Maar de poort mag tot de avond niet gesloten worden.). Onder zijn toeziend oog bereiden de priesters zijn brandoffers en dank- of vredeoffers. Bij die aanblik buigt hij zich in aanbidding neer op de drempel van de poort voor het altaarplein. Daarna gaat hij terug door de poort naar de buitenste voorhof.

Het altaar staat in de binnenste voorhof, waar het gewone volk niet mag komen, maar alleen de priesters. De situatie is dus anders dan in de tabernakel en de tempel van Salomo, want daar staat het altaar in de buitenste voorhof, waar ook het gewone volk mag komen.

De poort mag echter na het vertrek van de vorst niet direct gesloten worden, maar moet openblijven tot de avond. De bevolking van het land krijgt op die dagen zo de gelegenheid zich aan de ingang van die poort voor het aangezicht van de HEERE in aanbidding neer te buigen (vers 33De bevolking van het land moet zich op de sabbatten en op de nieuwemaans[dagen] neerbuigen voor het aangezicht van de HEERE [aan] de ingang van die poort.). Ze doen daarmee wat de vorst heeft gedaan. Zij mogen echter niet zoals de vorst door de poort naar de andere voorhal gaan.

Het brandoffer dat de vorst op de sabbatdag de HEERE aanbiedt, bestaat uit zeven dieren: zes lammeren en een ram, die allemaal zonder enig gebrek moeten zijn (vers 44Het brandoffer dat de vorst de HEERE aanbiedt, zal op de sabbatdag bestaan [uit] zes lammeren zonder enig gebrek en een ram zonder enig gebrek,). Daarbij wordt nog per offerdier een graanoffer gebracht met olie (vers 55en het graanoffer, een efa per ram – maar bij de lammeren zal [als] graanoffer een gave naar zijn vermogen [dienen] – en [als] olie een hin per efa.). Het offer op de nieuwemaansdag bestaat uit een jonge stier, zes lammeren en een ram, ook allemaal zonder gebrek (vers 66Op nieuwemaansdag [moet als offer] een jonge stier – het jong van een rund – zonder enig gebrek [dienen], en zes lammeren en een ram; [alle] moeten zonder enig gebrek zijn.). Ook daarbij wordt per offerdier een graanoffer met olie gebracht (vers 77[Als] graanoffer moet hij voor een efa per jonge stier en een efa per ram zorgen – maar bij de lammeren, al naargelang zijn vermogen reikt – en [als] olie een hin per efa.).

Al deze offerdieren zonder gebrek spreken van de Heer Jezus als het volmaakte Offer. Hij is ‘zonder gebrek’, dat wil zeggen dat Hij zonder zonde is en de zonde niet heeft gekend en niet heeft gedaan (1Jh 3:55En u weet dat Hij geopenbaard is, opdat Hij <onze> zonden zou wegnemen; en in Hem is geen zonde.; 2Ko 5:2121Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons [tot] zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem.; 1Pt 2:2222Hij ‘Die geen zonde heeft gedaan en geen bedrog werd in Zijn mond gevonden’,). Elk dier stelt weer andere kwaliteiten van Hem voor. Het lam laat Hem zien in Zijn gewilligheid en zachtmoedige overgave. De ram laat Hem zien in Zijn volkomen toewijding aan God om Zijn werk te doen. De jonge stier stelt Hem voor in Zijn krachtige volharding om dat werk te volbrengen. Het graanoffer is een beeld van Zijn leven vóór en op het kruis dat in alles volmaakt op God is gericht en waarin Hij volmaakt door de Heilige Geest (van Wie de olie een beeld is) is geleid.

Als wij samenkomen als gemeente, mogen we die offers brengen, dat is: aan God vertellen Wie Christus is. We mogen eraan denken dat Hij ons in de rust van Zijn werk heeft gebracht, waarvan de sabbat spreekt (Hb 4:9-119Er blijft dus een sabbatsrust over voor het volk van God.10Want wie in Zijn rust ingaat, komt ook zelf tot rust van zijn werken, evenals God van de Zijne.11Laten wij ons dan beijveren in die rust in te gaan, opdat niemand valt volgens hetzelfde voorbeeld van ongehoorzaamheid.). De offers op de nieuwemaansdag herinneren eraan dat door Zijn werk voor ons een nieuw leven is begonnen. Die rust mogen wij ook weer genieten als we na afwijking van de Heer weer tot Hem zijn teruggekeerd en opnieuw met Hem gaan leven. Alle zegen is gegrond op Zijn werk.

De HEERE zegt ook welke weg de vorst moet gaan als hij op de sabbatdag en de nieuwemaansdag de tempel binnenkomt en als hij weer naar buiten gaat (vers 88En wanneer de vorst binnenkomt, moet hij via de voorhal van de poort binnenkomen en langs dezelfde weg naar buiten gaan.). Hij moet langs dezelfde weg waarop hij naar binnen is gegaan ook weer naar buiten gaan.

Voor de bevolking van het land ligt dat anders. Als zij voor het aangezicht van de HEERE komen, moeten zij langs een andere weg (poort) weer naar buiten gaan (vers 99Maar wanneer de bevolking van het land voor het aangezicht van de HEERE komt op de feestdagen, moet degene die door de noorderpoort binnenkomt om zich neer te buigen, via de zuiderpoort naar buiten gaan. En degene die via de zuiderpoort binnenkomt, moet via de noorderpoort naar buiten gaan. Hij mag niet teruggaan via de poort waardoor hij binnengekomen is, maar moet naar buiten gaan [door de poort] daartegenover.). Het is allereerst een praktisch voorschrift om de toeloop in goede banen te leiden. Maar er is ook een geestelijke toepassing voor ons als wij samenkomen om de Heer te aanbidden. Als wij werkelijk in Gods tegenwoordigheid zijn geweest, zullen we de samenkomst anders verlaten dan we er gekomen zijn. We zullen er geestelijke ervaringen rijker door zijn geworden, omdat we weer meer van de Heer Jezus hebben gezien. Je kunt niet werkelijk in de tegenwoordigheid van de Heer zijn geweest, zonder dat het je verandert.

In dit komen voor het aangezicht van de HEERE neemt de vorst zijn plaats in te midden van het volk (vers 1010Wanneer zij binnenkomen, moet de vorst in hun midden binnenkomen, en wanneer zij naar buiten gaan, moeten zij [tegelijk] naar buiten gaan.). Dat brengt tot uitdrukking dat de vorst en het volk op één lijn staan voor God. De vorst is, zoals eerder is aangetoond, niet de Heer Jezus Zelf, maar hij is wel een beeld van Hem. Zo neemt ook het tegenwoordige hemelse volk van God samen met de Heer Jezus haar plaats in voor God (Hb 2:11a11Want én Hij Die heiligt én zij die geheiligd worden, zijn allen uit één; daarom schaamt Hij Zich niet hen broeders te noemen en zegt:). Als de gemeente samenkomt, is Hij in haar midden en stemt daar de lofzang aan tot eer van God (Hb 2:12b12‘Ik zal Uw Naam aan Mijn broeders verkondigen, in [het] midden van [de] gemeente zal Ik U lofzingen’.).

Ook op de jaarlijkse feesten en de feestdagen moeten offers worden gebracht (vers 1111Op de feesten en op de feestdagen moet het graanoffer bestaan [uit] een efa per jonge stier en een efa per ram – maar bij de lammeren, een gave al naargelang zijn vermogen [reikt] – en [als] olie een hin per efa.). Het lijkt erop dat hier de nadruk ligt op het graanoffer. Dat moet worden gebracht met de daarbij behorende olie. Hoe groot het graanoffer moet zijn, hangt af van het dier dat als offer dient en van de mogelijkheden van de offeraar.

Naast de verplichte offers mag de vorst ook een vrijwillige gave doen (vers 1212En wanneer dan de vorst een vrijwillige gave doet, een brandoffer of dankoffers [als] vrijwillige gave voor de HEERE, moet men voor hem de poort openen die naar het oosten gekeerd is, en mag hij voor zijn brandoffer en zijn dankoffers zorgen, zoals hij op de sabbatdag pleegt te doen. En wanneer hij naar buiten gaat, moet men de poort sluiten nadat hij naar buiten gegaan is.). Die vrijwillige gave mag bestaan uit een brandoffer of dank- of vredeoffers. Bij die gelegenheid moet de poort voor hem worden opengedaan als op een sabbatdag. Wel moet in dit geval de poort weer direct worden gesloten als hij naar buiten is gegaan. De poort mag dus niet, zoals wel op de sabbat, tot de avond openblijven (vers 22Dan zal de vorst van buiten binnenkomen via de voorhal van de poort, en bij de deurpost van de poort blijven staan. De priesters moeten zijn brandoffers en zijn dankoffers bereiden en hij zal zich neerbuigen op de drempel van de poort en [dan] naar buiten gaan. Maar de poort mag tot de avond niet gesloten worden.).

Behalve al de voorgaande offers die op de diverse speciale dagen of bij speciale gelegenheden gebracht moeten worden, moet ook het dagelijkse morgenbrandoffer worden gebracht (vers 1313Verder moet u elke dag een lam van een jaar oud zonder enig gebrek [als] brandoffer bereiden voor de HEERE. Elke morgen moet u dat bereiden.; Ex 29:38-3938Dit nu is het wat u op het altaar moet bereiden: elke dag twee lammeren van een jaar oud, [en dat] voortdurend.39Het ene lam moet u in de morgen bereiden en het andere lam moet u tegen het vallen van de avond bereiden,; Nm 28:2-82Gebied de Israëlieten en zeg tegen hen: U moet zorg dragen voor Mijn offergave – Mijn voedsel voor Mijn vuuroffers, voor Mij een aangename geur – door Mij [die] op de ervoor vastgestelde tijd aan te bieden.3U moet tegen hen zeggen: Dit is het vuuroffer dat u de HEERE moet aanbieden: elke dag twee lammeren van een jaar oud, zonder enig gebrek, als een voortdurend brandoffer.4Het ene lam moet u 's morgens bereiden, het andere lam moet u tegen het vallen van de avond bereiden,5met een tiende efa meelbloem als graanoffer, gemengd met een kwart hin gestoten olie.6Het is het voortdurende brandoffer, dat op de berg Sinaï werd ingesteld als een aangename geur, een vuuroffer voor de HEERE.7Het bijbehorende plengoffer moet een kwart hin zijn per lam; in het heiligdom moet u het plengoffer van sterkedrank voor de HEERE uitgieten.8En het andere lam moet u tegen het vallen van de avond bereiden. U moet het bereiden zoals het ochtendgraanoffer en als het bijbehorende plengoffer, een vuuroffer van aangename geur voor de HEERE.). Dit moet Ezechiël doen. Het woord “u” in vers 1313Verder moet u elke dag een lam van een jaar oud zonder enig gebrek [als] brandoffer bereiden voor de HEERE. Elke morgen moet u dat bereiden. en vers 1414Dan moet u daarop een graanoffer doen, elke morgen een zesde efa en een derde hin olie om de meelbloem vochtig te maken. Het is een graanoffer voor de HEERE, [het zijn] eeuwige verordeningen, voortdurend. staat in het enkelvoud. Het offer is “een lam van een jaar oud zonder enig gebrek”. Het offer spreekt van de Heer Jezus, van Wie Johannes de doper heeft gezegd: “Zie, het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt” (Jh 1:2929De volgende dag zag hij Jezus naar zich toe komen en zei: Zie, het Lam van God, Dat de zonde van de wereld wegneemt.). Het wegnemen van de zonde ziet in zijn volle vervulling op de eeuwige toestand, als er een nieuwe schepping zonder zonde is, maar we zien in het vrederijk daarvan wel een voorvervulling.

Nadrukkelijk wordt gezegd: “Elke morgen moet u dat bereiden.” Het besef dat alles is gebaseerd op het brandoffer, moet elke morgen opnieuw groot voor de aandacht van Gods volk staan. Voor de uitdrukking “elke morgen” staat in het Hebreeuws zowel in vers 1313Verder moet u elke dag een lam van een jaar oud zonder enig gebrek [als] brandoffer bereiden voor de HEERE. Elke morgen moet u dat bereiden. als in vers 1414Dan moet u daarop een graanoffer doen, elke morgen een zesde efa en een derde hin olie om de meelbloem vochtig te maken. Het is een graanoffer voor de HEERE, [het zijn] eeuwige verordeningen, voortdurend. “in de morgen, in de morgen”, wat aangeeft dat het om een voortdurende herhaling gaat: “elke morgen” (Ex 16:2121Zo verzamelden zij het elke morgen, ieder naar wat hij eten [kon], want zodra de zon heet werd, smolt het weg.; 30:77En Aäron moet daarop geurig reukwerk in rook laten opgaan. Elke morgen als hij de lampen in orde gebracht heeft, moet hij het in rook laten opgaan.; Lv 6:1212En het vuur op het altaar moet daarop blijven branden; het mag niet uitgeblust worden. De priester moet er elke morgen hout op aansteken, daarop het brandoffer schikken en het vet van de dankoffers erop in rook laten opgaan.; 2Sm 13:44Die zei tegen hem: Waarom ben je [er] morgen na morgen zo ellendig [aan toe], zoon van de koning? Zou je het mij niet vertellen? Toen zei Amnon tegen hem: Ik heb Tamar, de zuster van mijn broer Absalom, lief.; 1Kr 23:3030Vervolgens [moesten zij] elke morgen, en eveneens in de avond, [gereed]staan om de HEERE te loven en te prijzen,; Js 50:44De Heere HEERE gaf Mij een tong van een die onderwijs ontving,
zodat Ik weet met de vermoeide een woord op de juiste tijd te spreken.
Hij wekt Mij elke morgen, Hij wekt Mij het oor,
zodat Ik hoor als zij die onderwijs ontvangen.
; Ez 46:13,14,1513Verder moet u elke dag een lam van een jaar oud zonder enig gebrek [als] brandoffer bereiden voor de HEERE. Elke morgen moet u dat bereiden.14Dan moet u daarop een graanoffer doen, elke morgen een zesde efa en een derde hin olie om de meelbloem vochtig te maken. Het is een graanoffer voor de HEERE, [het zijn] eeuwige verordeningen, voortdurend.15Zij moeten het lam, het graanoffer en de olie elke morgen [als] voortdurend brandoffer bereiden.; Zf 3:55De rechtvaardige HEERE is in haar midden,
Hij doet geen onrecht.
Elke morgen brengt Hij Zijn recht aan het licht,
er ontbreekt niets aan.
Maar wie onrecht doet, kent geen schaamte.
).

Er is geen sprake meer van een dagelijks avondbrandoffer (vgl. Ex 29:38-3938Dit nu is het wat u op het altaar moet bereiden: elke dag twee lammeren van een jaar oud, [en dat] voortdurend.39Het ene lam moet u in de morgen bereiden en het andere lam moet u tegen het vallen van de avond bereiden,). Dat is omdat er in het vrederijk in geestelijke zin geen avond en een daarop volgende nacht meer zullen zijn. Het is voortdurend dag door de aanwezigheid van de Heer Jezus als “de Zon der gerechtigheid” (Ml 4:22Maar voor u die Mijn Naam vreest,
zal de Zon der gerechtigheid opgaan en onder Zijn vleugels zal genezing zijn;
en u zult naar buiten gaan en dartelen
als kalveren uit de stal.
)
, Die gedurende het hele vrederijk schijnt. Elke morgen zal er bij het brengen van het brandoffer aan worden gedacht dat Zijn aanwezigheid in Zijn tempel het resultaat is van Zijn werk op het kruis. Het is voortdurend dag, een dag die overgaat in de eeuwige toestand. Er is geen avond meer. Deze Zon gaat nooit onder (vgl. Zc 14:77Maar er zal één dag zijn,
die de HEERE bekend zal zijn,
geen dag en geen nacht.
Het zal geschieden ten tijde van de avond
dat het licht blijft.
)
.

Bij het lam als morgenbrandoffer moet weer een graanoffer gebracht worden (vers 1414Dan moet u daarop een graanoffer doen, elke morgen een zesde efa en een derde hin olie om de meelbloem vochtig te maken. Het is een graanoffer voor de HEERE, [het zijn] eeuwige verordeningen, voortdurend.). De vereenzelviging van het graanoffer met het brandoffer krijgt hier volle nadruk, want er staat dat het graanoffer “daarop”, dat is op het brandoffer, moet worden gedaan. Ook dit graanoffer moet met olie worden bereid. Er wordt speciaal vermeld dat de olie dient “om het graanoffer vochtig te maken”. De olie wordt dus met de meelbloem vermengd.

Deze offers spreken allemaal op indrukwekkende wijze van de Heer Jezus in Zijn offer aan het kruis en van Zijn leven dat aan Zijn kruiswerk is voorafgegaan. Zijn kruiswerk en Zijn leven horen bij elkaar. Nooit zou Hij dat werk op het kruis hebben kunnen doen, als daaraan niet een volmaakt door de Geest geleid leven aan zou zijn voorafgegaan. Dit moet het volk in het vrederijk en moeten wij in deze tijd voortdurend voor ogen houden. Het zijn “eeuwige verordeningen”.

Het wordt samengevat in vers 1515Zij moeten het lam, het graanoffer en de olie elke morgen [als] voortdurend brandoffer bereiden. waar we zien dat het lam, het graanoffer en de olie samen het “voortdurend brandoffer” vormen. Het wordt hier ook voorgesteld als een offer niet alleen voor het hele volk, maar ook door het hele volk (zij moeten het … bereiden”). Het volk beantwoordt hier aan Gods doel met hun verlossing uit Egypte: om voor Hem een “koninkrijk van priesters” te zijn (Ex 19:66U dan, u zult voor Mij een koninkrijk van priesters en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden die u tot de Israëlieten moet spreken.).


Erfelijk bezit van de vorst

16Zo zegt de Heere HEERE: Wanneer de vorst een van zijn zonen een geschenk geeft, is het diens erfelijk bezit. Dat zal zijn zonen toebehoren, dat zal hun bezit in erfelijk bezit zijn. 17Maar wanneer hij een geschenk uit zijn erfelijk bezit aan een van zijn dienaren geeft, zal dat van hem zijn tot het jaar van [zijn] vrijlating. Dan zal het naar de vorst teruggaan. Voorwaar, het is zijn erfelijk bezit, het zal zijn zonen toebehoren. 18De vorst mag niets nemen van het erfelijk bezit van het volk door hen uit hun bezit te verdringen. Hij mag zijn zonen [alleen] van zijn [eigen] bezit in erfelijk bezit geven, zodat Mijn volk niet verspreid wordt, ieder [verdrongen] uit zijn [eigen] bezit.

Nadat de HEERE heeft gesproken over de offers die door de vorst worden gebracht, spreekt Hij over het bezit van de vorst. Hij geeft duidelijke voorschriften hoe de vorst met zijn bezit moet omgaan (vers 1616Zo zegt de Heere HEERE: Wanneer de vorst een van zijn zonen een geschenk geeft, is het diens erfelijk bezit. Dat zal zijn zonen toebehoren, dat zal hun bezit in erfelijk bezit zijn.). Als hij een van zijn zonen iets van zijn bezit als geschenk geeft, is het vanaf dat moment het bezit van zijn zoon. Zijn zoon is dan de erfelijke bezitter ervan.

Als we in de vorst een beeld zien van de Heer Jezus, zien we in de zonen een beeld van de nieuwtestamentische gelovigen. Zij zijn de ‘kinderen die God Hem gegeven heeft’ (Hb 2:1313En opnieuw: ‘Ik zal in Hem vertrouwen hebben’. En opnieuw: ‘Zie, Ik en de kinderen die God Mij gegeven heeft’.). Dat betekent niet dat gelovigen ‘kinderen van de Heer Jezus’ zijn. Zo worden zij nergens in de Schrift genoemd. Ze zijn kinderen van God en als zodanig door God aan Zijn Zoon gegeven (vgl. Jh 17:66Ik heb Uw Naam geopenbaard aan de mensen die U Mij uit de wereld hebt gegeven. Zij waren de Uwen en U hebt ze Mij gegeven; en zij hebben Uw woord bewaard.). Samen met de Zoon mogen zij de erfenis bezitten. Hij geeft ieder van hen een eigen erfdeel, waartoe de Vader hen bekwaam heeft gemaakt (Ko 1:1212terwijl u de Vader dankt, Die u bekwaam heeft gemaakt om deel te hebben aan het erfdeel van de heiligen in het licht;).

Het staat de vorst ook vrij om iets uit zijn erfelijk bezit als een geschenk aan een van zijn dienaren te geven (vers 1717Maar wanneer hij een geschenk uit zijn erfelijk bezit aan een van zijn dienaren geeft, zal dat van hem zijn tot het jaar van [zijn] vrijlating. Dan zal het naar de vorst teruggaan. Voorwaar, het is zijn erfelijk bezit, het zal zijn zonen toebehoren.). Dat geschenk blijft wel zijn erfelijk bezit. De dienaar mag ervan genieten tot het “jaar van [zijn] vrijlating”, wat doet denken aan het jubeljaar (vgl. Lv 27:2424In het jubeljaar komt de akker weer terug aan hem van wie hij die gekocht heeft, aan hem die het land in bezit had.; 25:10-1310U moet het vijftigste jaar heiligen en vrijlating in het land uitroepen voor alle bewoners ervan. Het is jubeljaar voor u: ieder zal terugkeren naar zijn [eigen] bezit en ieder zal terugkeren naar zijn familie.11Elk vijftigste jaar moet jubeljaar voor u zijn. U mag [dan] niet zaaien, niet oogsten wat er na uw [laatste] oogst [nog] opkomt, en [de druiven] van uw ongesnoeide wijnstok mag u niet plukken,12want het is jubeljaar. Het moet heilig voor u zijn. U mag van de akker eten wat het uit zichzelf opbrengt.13In dit jubeljaar mag u terugkeren, ieder naar zijn [eigen] bezit.). Dan moet hij het bezit teruggeven aan de vorst. Alles wat de vorst als erfelijk bezit toebehoort, blijft in zijn familie. Het erfelijk bezit is allemaal bestemd voor zijn zonen.

Wij, gelovigen van de gemeente, zijn behalve zonen van God ook dienaren van de Heer Jezus. Als dienaren heeft de Heer Jezus ons ook aardse bezittingen gegeven. Daarmee mogen we voor Hem werken (Lk 16:8-128En de heer prees de onrechtvaardige rentmeester, omdat hij met overleg had gehandeld; want de zonen van deze eeuw zijn verstandiger ten aanzien van hun eigen geslacht dan de zonen van het licht.9En Ik zeg u: maakt u vrienden met de onrechtvaardige Mammon, opdat, wanneer die [u] ontvalt, men u ontvangt in de eeuwige tenten.10Wie trouw is in [het] minste, is ook in veel trouw; en wie in [het] minste onrechtvaardig is, is ook in veel onrechtvaardig.11Als u dan in de onrechtvaardige Mammon niet trouw bent geweest, wie zal u het ware toevertrouwen?12En als u in dat van een ander niet trouw bent geweest, wie zal u het uwe geven?). We mogen daarvan genieten, terwijl we ze inzetten voor Hem (1Tm 6:17-1917Beveel de rijken in de tegenwoordige eeuw niet hoogmoedig te zijn en hun hoop niet gevestigd te hebben op [de] onzekerheid van [de] rijkdom, maar op God Die ons alles rijkelijk geeft om te genieten,18om goed te doen, rijk te zijn in goede werken, vrijgevig te zijn en mededeelzaam,19om voor zichzelf een goed fundament weg te leggen voor de toekomst, opdat zij het werkelijke leven grijpen.). Maar wat Hij ons geeft om voor Hem te gebruiken, blijft van Hem. Als het jubeljaar, het vrederijk, aanbreekt, zullen we aan Hem teruggeven wat Hij ons heeft toevertrouwd en zal Hij belonen wat we hebben verdiend met Zijn goederen (Mt 25:20-2320En hij die de vijf talenten had ontvangen, kwam bij hem en bracht vijf andere talenten en zei: Heer, vijf talenten hebt u mij toevertrouwd, zie, vijf andere talenten heb ik [daarbij] gewonnen.21Zijn heer zei tot hem: Voortreffelijk, goede en trouwe slaaf, over weinig ben je trouw geweest, over veel zal ik je stellen; ga de vreugde van je heer in.22Degene <nu> met de twee talenten kwam ook bij hem en zei: Heer, twee talenten hebt u mij toevertrouwd, zie, twee andere talenten heb ik [daarbij] gewonnen.23Zijn heer zei tot hem: Voortreffelijk, goede en trouwe slaaf, over weinig ben je trouw geweest, over veel zal ik je stellen; ga de vreugde van je heer in.; 2Ko 5:1010Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat ieder ontvangt wat in het lichaam is [gedaan], naardat hij heeft bedreven, hetzij goed hetzij kwaad.). De nadruk ligt echter op wat we als zonen hebben ontvangen. We hebben alle geestelijke zegeningen als zonen ontvangen (Ef 1:3-53Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,4zoals Hij ons in Hem heeft uitverkoren vóór [de] grondlegging van [de] wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn vóór Hem in [de] liefde,5terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van Zijn wil,). Die zijn ons eigendom en blijven eeuwig ons bezit.

De HEERE bepaalt ook dat de vorst zijn bezit niet mag uitbreiden door volksgenoten uit hun bezit te verdrijven (vers 1818De vorst mag niets nemen van het erfelijk bezit van het volk door hen uit hun bezit te verdringen. Hij mag zijn zonen [alleen] van zijn [eigen] bezit in erfelijk bezit geven, zodat Mijn volk niet verspreid wordt, ieder [verdrongen] uit zijn [eigen] bezit.; vgl. Ez 45:88[Dat deel] van het land zal voor hem bestemd zijn als [grond]bezit in Israël. Dan zullen Mijn vorsten Mijn volk niet meer uitbuiten, maar zij zullen het land aan het huis van Israël geven, aan hun stammen.). Vroegere vorsten hebben vaak schaamteloos bezittingen van hun onderdanen geroofd, zoals Achab het erfelijk bezit van Naboth heeft geroofd (1Kn 21:1-3,11-161Hierna gebeurde [het volgende]: Naboth uit Jizreël had een wijngaard die in Jizreël lag, naast het paleis van Achab, de koning van Samaria.2En Achab sprak tot Naboth: Geef mij uw wijngaard, dan kan die mij tot moestuin dienen. Hij ligt immers vlak naast mijn huis. Dan geef ik u in plaats daarvan een wijngaard die beter is dan deze, [of,] als het goed is in uw ogen, geef ik u de waarde ervan in geld.3Maar Naboth zei tegen Achab: Laat de HEERE daarvan bij mij geen sprake doen zijn, dat ik u het erfelijk bezit van mijn vaderen zou geven!11En de mannen van zijn stad, die oudsten en die edelen die in zijn stad woonden, deden zoals Izebel hun opgedragen had, zoals geschreven was in de brieven die zij hun gestuurd had.12Zij riepen een vasten uit, en zij lieten Naboth aan het hoofd van het volk zitten.13Toen kwamen er twee mannen, verdorven lieden, tegenover hem zitten, en die verdorven lieden getuigden tegen hem, tegen Naboth, ten overstaan van het volk: Naboth heeft God en de koning vaarwel gezegd. Daarop brachten zij hem buiten de stad en stenigden hem met stenen, zodat hij stierf.14Daarna stuurden zij Izebel [een bode] om te zeggen: Naboth is gestenigd en is dood.15Het gebeurde nu, toen Izebel hoorde dat Naboth gestenigd en dood was, dat Izebel tegen Achab zei: Sta op, neem de wijngaard van Naboth uit Jizreël in bezit, die hij weigerde u voor geld te geven. Naboth leeft namelijk niet [meer], maar is dood.16En het gebeurde, toen Achab hoorde dat Naboth dood was, dat Achab opstond om naar de wijngaard van Naboth uit Jizreël af te dalen om die in bezit te nemen.). In het nieuwe Israël zal dat niet mogen voorkomen. Hier zien we dat ondanks de volkomen regering van de Heer Jezus het hart van de mens niet is veranderd. De begeerte naar meer blijft aanwezig. De HEERE waarschuwt de vorst de rechten van anderen te respecteren en zijn machtspositie niet te misbruiken. Overigens blijkt uit dit vers eens te meer dat de vorst niet de Messias, de Heer Jezus, is. Het is onmogelijk dat God iets dergelijks tegen Hem zou moeten zeggen.

De vorst heeft zijn eigen erfelijk bezit en van dat bezit mag hij zijn zonen in erfelijk bezit geven wat hij wil. Als hij zich daaraan houdt en zich niet vergrijpt aan de eigendommen van anderen, zal het volk, dat de HEERE “Mijn volk” noemt, in het genot van het eigen bezit blijven.

Evenals de vorst zijn eigen bezit niet mag verminderen door er een deel van aan bedienden te schenken, zo mag hij ook niet iemand met geweld uit zijn bezit zetten om dat bijvoorbeeld aan zijn zonen te geven. Hij mag zijn zonen alleen een erfdeel geven van zijn eigen bezit. Wanneer hij het volk van hun eigen bezit verdringt om het in bezit te nemen, verjaagt hij hen ervan en verspreidt hij hen. Een dergelijke handelwijze is volledig in strijd met wat God in het vrederijk heeft gerealiseerd: ieder woont onbezorgd onder zijn eigen wijnstok en onder zijn eigen vijgenboom (1Kn 4:2525En Juda en Israël woonden onbezorgd, ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom, van Dan tot Berseba, al de dagen van Salomo.).


De keukens van de tempel

19Toen bracht Hij mij door de ingang die terzijde van de poort was, naar de heilige kamers die de priesters toe[behoorden], die naar het noorden gekeerd waren. En zie, daar was een ruimte aan beide zijden, aan de westzijde. 20Hij zei tegen mij: Dit is de plaats waar de priesters het schuldoffer en het zondoffer moeten koken, waar zij het graanoffer moeten bakken, zodat zij het niet naar buiten hoeven te brengen naar de buitenste voorhof, waardoor zij het volk zouden heiligen. 21Toen bracht Hij mij naar de buitenste voorhof en leidde mij langs de vier hoeken van de voorhof. En zie, in elke hoek van de voorhof was een ander voorhofje. 22In de vier hoeken van de voorhof waren voorhofjes met rookkanalen, veertig [el] lang en dertig [el] breed. De vier hoekvoorhoven hadden eenzelfde maat. 23Daaromheen lag een ringmuurtje, rond deze vier, en er waren kookgelegenheden gemaakt, rondom onderaan de ringmuurtjes. 24Hij zei tegen mij: Dit zijn de kookgelegenheden waar de dienaren van het huis het slachtoffer van het volk moeten koken.

De rondleiding wordt hervat. In Ezechiël 44:4 bevinden de Man en Ezechiël zich bij de binnenste noordelijke poort. De Man brengt Ezechiël nu door de ingang naast de poort naar de heilige kamers van de priesters (vers 1919Toen bracht Hij mij door de ingang die terzijde van de poort was, naar de heilige kamers die de priesters toe[behoorden], die naar het noorden gekeerd waren. En zie, daar was een ruimte aan beide zijden, aan de westzijde.; Ez 42:1,7,8,10-131Hij bracht mij naar buiten, naar de buitenste voorhof, de weg in de richting van het noorden. Hij bracht mij naar de kamers die tegenover het afgezette gedeelte en die tegenover het bouwwerk naar het noorden lagen,7Ook [was er] een muur die naar buiten toe dicht langs de kamers in de richting van de buitenste voorhof liep, langs de voorkant van de kamers. De lengte ervan was vijftig el.8De lengte van de kamers die bij de buitenste voorhof hoorden, was namelijk vijftig el, maar zie, [van die] tegenover de tempel was die honderd el.10Over de breedte van de muur van de voorhof in de richting van het oosten, vóór het afgezette gedeelte en vóór het bouwwerk, bevonden zich [ook] kamers,11met een weg daarvoorlangs. Die zagen eruit als de kamers die in de richting van het noorden lagen. Even groot als de lengte ervan was ook de breedte ervan. En alle uitgangen ervan, de inrichting ervan en de ingangen ervan waren [net eender als die van de noordelijke kamers].12Net als de ingangen van de kamers die in de richting van het zuiden lagen, was er een ingang aan het begin van een weg, [namelijk van] de weg langs de beschermmuur, in de richting van het oosten, als men binnenkomt.13Toen zei Hij tegen mij: De kamers van het noorden [en] de kamers van het zuiden, die vóór het afgezette gedeelte liggen, dat zijn heilige kamers, waar de priesters die tot de HEERE naderen, de allerheiligste [offergaven] zullen eten. Daar moeten zij de allerheiligste [offergaven] neerleggen, het graanoffer, het zondoffer en het schuldoffer, want die plaats is heilig.). De kamers grenzen aan de noordzijde van de buitenste voorhof, maar maken deel uit van de binnenste voorhof. De Man verklaart dat deze kamers de plaats zijn waar de priesters het schuldoffer en het zondoffer moeten koken en het graanoffer moeten bakken (vers 2020Hij zei tegen mij: Dit is de plaats waar de priesters het schuldoffer en het zondoffer moeten koken, waar zij het graanoffer moeten bakken, zodat zij het niet naar buiten hoeven te brengen naar de buitenste voorhof, waardoor zij het volk zouden heiligen.).

De priesterkeuken is de plaats waar de offers worden klaargemaakt om te worden gebracht. Het klaarmaken van de offers ziet op het voortdurend bezig zijn met Christus door het lezen van de Schrift, om daarin te zien Wie Hij is en wat Hij heeft gedaan. Lukas, de schrijver van het evangelie naar Lukas, is om zo te zeggen bezig in de keuken als hij nauwkeurig de dingen onderzoekt betreffende alle zaken aangaande de Heer Jezus waarover hij heeft gehoord van anderen (Lk 1:1-41Aangezien velen ondernomen hebben een verhaal op te stellen over de zaken die zich onder ons voltrokken hebben, [of: die onder ons volkomen zekerheid hebben,]2zoals zij die van [het] begin af ooggetuigen en dienaren van het Woord zijn geweest, ons hebben overgeleverd,3heeft het ook mij goed gedacht, na alles van voren af aan nauwkeurig onderzocht te hebben, het in geregelde orde aan u te schrijven, hoogedele Theófilus,4opdat u de zekerheid kent van de dingen waarin u bent onderwezen.).

Eerder zijn we bij de kamers geweest, waarvan wordt gezegd dat de priesters daar de offers mogen eten (Ez 42:1313Toen zei Hij tegen mij: De kamers van het noorden [en] de kamers van het zuiden, die vóór het afgezette gedeelte liggen, dat zijn heilige kamers, waar de priesters die tot de HEERE naderen, de allerheiligste [offergaven] zullen eten. Daar moeten zij de allerheiligste [offergaven] neerleggen, het graanoffer, het zondoffer en het schuldoffer, want die plaats is heilig.; 44:2929Het graanoffer, het zondoffer en het schuldoffer, dat mogen zíj eten. Alles waarop de ban rust in Israël, is voor hen bestemd.). In verband met de keukens houdt dit voor de Schriftonderzoeker een belangrijke les in. Na het Schriftonderzoek dat ‘in de keuken’ plaatsvindt, volgt het ‘eten in de kamers’. Dit wijst erop dat we in gemeenschap met God in ons hart verwerken wat we in ons onderzoek van de Schrift aan waarheden hebben ontdekt, zowel over de Heer Jezus als over onszelf. Het brengt ons tot zelfonderzoek, en zo nodig tot zelfoordeel en belijdenis, en tot aanbidding van God.

De priesterkeuken is een plaats die afgezonderd is van het volk. Er mag geen contact zijn met het volk dat zich in de buitenste voorhof bevindt. Het gevolg van de heiligende werking die van het offer uitgaat, is dat het volk schuldig wordt en dat er losgeld betaald moet worden of een zondoffer moet worden gebracht (vgl. Ez 44:1919Wanneer zij dan naar buiten gaan, naar de buitenste voorhof – naar de buitenste voorhof, naar het volk – moeten zij hun kleding, waarin zij gediend hebben, uittrekken en die neerleggen in de heilige kamers. Vervolgens moeten zij andere kleren aantrekken, zodat zij het volk niet met hun kleding heiligen.; Lv 6:11,18,2711Dan moet hij zijn kleding uittrekken en andere kleren aantrekken, en de as buiten het kamp naar een reine plaats brengen.18Al wie mannelijk is onder de kinderen van Aäron moet het eten. Het is een eeuwige verordening, [al] uw generaties door, met betrekking tot de vuuroffers van de HEERE. Ieder die het aanraakt, wordt [erdoor] geheiligd.27Ieder die het vlees ervan aanraakt, wordt [erdoor] geheiligd. En als [een deel] van het bloed ervan op de kleding spat, moet u datgene waarop hij het gespat heeft, op een heilige plaats wassen.).

Vervolgens brengt de Man Ezechiël uit de binnenste voorhof naar de buitenste voorhof en leidt hem langs de vier hoeken ervan (vers 2121Toen bracht Hij mij naar de buitenste voorhof en leidde mij langs de vier hoeken van de voorhof. En zie, in elke hoek van de voorhof was een ander voorhofje.). In de vier hoeken bevinden zich wat genoemd wordt “hoekvoorhoven”, allemaal van dezelfde afmeting (vers 2222In de vier hoeken van de voorhof waren voorhofjes met rookkanalen, veertig [el] lang en dertig [el] breed. De vier hoekvoorhoven hadden eenzelfde maat.). Rond elk van die voorhofjes is een ringmuurtje en in elk ervan is een kookgelegenheid (vers 2323Daaromheen lag een ringmuurtje, rond deze vier, en er waren kookgelegenheden gemaakt, rondom onderaan de ringmuurtjes.).

De Man verklaart ook hier de bedoeling ervan. Deze keukens zijn de kookgelegenheden waar de Levieten de offers koken die het volk brengt (vers 2424Hij zei tegen mij: Dit zijn de kookgelegenheden waar de dienaren van het huis het slachtoffer van het volk moeten koken.; vgl. 1Sm 2:12-1712De zonen van Eli echter waren verdorven mannen; zij kenden de HEERE niet.13Want de handelwijze van deze priesters met het volk was [aldus: wanneer] iemand een offer bracht, kwam de knecht van de priester, terwijl het vlees kookte, met een drietandige vork in zijn hand,14stak die in de kookpot, in de ketel, in de pan of in de pot, [en] alles wat de vork [dan] optrok, nam de priester voor zichzelf. Zo deden zij met al de Israëlieten die daar in Silo kwamen.15Ook vóór zij het vet in rook lieten opgaan, kwam de knecht van de priester en zei tegen de man die het offer bracht: Geef dat vlees om te braden aan de priester, want hij wil geen gekookt vlees van u aannemen, maar rauw.16En wanneer die man tegen hem zei: Zij moeten dat vet beslist eerst in rook laten opgaan; neem daarna [maar] voor uzelf zoals uw ziel verlangt, [dan] zei hij tegen hem: Nee, u moet het nú geven, en zo niet, dan neem ik het met geweld.17Zo was de zonde van deze jongemannen voor het aangezicht van de HEERE erg groot, want de mensen verwierpen [hierdoor] het offer van de HEERE.). Die offers zijn de dank- of vredeoffers. Het vlees van het dank- of vredeoffer mag door de offeraar gegeten worden, samen met de priester die het offer aan de HEERE aanbiedt en met de HEERE aan Wie het dank- of vredeoffer wordt aangeboden (Lv 3:1,6,121Als [iemands] offergave een dankoffer is, als wat hij aanbiedt van de runderen is, of het nu een mannetje of een vrouwtje is: zonder enig gebrek moet hij het voor het aangezicht van de HEERE aanbieden.6Als zijn offergave als dankoffer voor de HEERE [afkomstig] uit het kleinvee is, of het nu een mannetje of een vrouwtje is: zonder enig gebrek moet hij het aanbieden.12Als nu zijn offergave een geit is, moet hij die voor het aangezicht van de HEERE aanbieden.; 7:19b,30-3419Ook het vlees dat met iets onreins in aanraking is gekomen, mag niet gegeten worden. Het moet in het vuur verbrand worden. Maar wat het [andere] vlees betreft, ieder die rein is, mag [dat] vlees eten.30Eigenhandig moet hij de vuuroffers van de HEERE brengen. Het vet aan het borststuk moet hij met dat borststuk brengen om het als een beweegoffer voor het aangezicht van de HEERE te bewegen.31De priester moet vervolgens het vet op het altaar in rook laten opgaan, maar het borststuk is voor Aäron en zijn zonen.32Van uw dankoffers moet u ook de rechterachterbout als een hefoffer aan de priester geven.33Wie van Aärons zonen het bloed van het dankoffer en het vet aanbiedt, voor hém is de rechterachterbout bestemd.34Want het borststuk van het beweegoffer en de achterbout van het hefoffer heb Ik van de Israëlieten uit hun dankoffers genomen, en Ik geef die van de kant van de Israëlieten aan de priester Aäron en aan zijn zonen, als een eeuwige verordening.).


Lees verder