Ezechiël
Inleiding 1-3 De gesloten oostpoort 4-9 Het heiligdom niet weer ontheiligen 10-16 Ontrouwe en trouwe Levieten 17-27 De heiligheid van de zonen van Zadok 28-31 Het erfdeel van de zonen van Zadok
Inleiding

Het lege tempelcomplex van Ezechiël 40-42 komt tot leven, dat wil zeggen dat er nu personen naar voren komen die er dienst gaan doen. Als de HEERE is teruggekeerd naar de tempel (Ezechiël 43:1-12), kan Zijn volk daar tot Hem naderen. De wetten die in Ezechiël 44 onze aandacht vragen, onderstrepen dat de tempel die beschreven is in Ezechiël 40-42 geen levenloos monument is. Die tempel is het centrum van aanbidding en priesterdienst. Na al de aandacht te hebben gericht op het altaar als het centrum van aanbidding (Ezechiël 43:13-27), spreekt Ezechiël nu over de aanbidders (Ezechiël 44:1-45:8) en de voorschriften met betrekking tot aanbidding (Ezechiël 45:9-46:24).

Na een korte bespreking van de relatie van de vorst met het heiligdom (verzen 1-31Toen bracht Hij mij terug via de poort van het buitenste heiligdom die naar het oosten gekeerd was, maar die was gesloten.2En de HEERE zei tegen mij: Deze poort moet gesloten blijven. Hij mag niet geopend worden en niemand mag erdoor binnenkomen, want de HEERE, de God van Israël, is erdoor binnengekomen. Daarom moet hij gesloten blijven.3Wat de vorst betreft, de vorst, [alleen] hij mag erin zitten om brood te eten voor het aangezicht van de HEERE. Via de voorhal van de poort mag hij binnenkomen en via dezelfde weg naar buiten gaan.), spreekt Ezechiël in dit hoofdstuk verder over de kenmerken van de tempeldienaren (verzen 4-144Vervolgens bracht Hij mij via de noorderpoort tot vóór het huis. Ik zag, en zie, de heerlijkheid van de HEERE had het huis van de HEERE vervuld. Toen wierp ik mij met het gezicht [ter aarde].5De HEERE zei tegen mij: Mensenkind, sla er acht op, zie met uw ogen en hoor met uw oren alles wat Ik met u spreken zal aangaande alle verordeningen van het huis van de HEERE en aangaande alle wetten ervan. Sla acht op hen die het huis binnengaan, [en] op al wie van het heiligdom uitgesloten wordt,6en zeg tegen die opstandigen, tegen het huis van Israël: Zo zegt de Heere HEERE: Het is voor u lang genoeg geweest met al uw gruweldaden, huis van Israël,7want u hebt vreemdelingen binnengebracht, onbesnedenen van hart en onbesnedenen van vlees, om in Mijn heiligdom te [laten] zijn, zodat zij Mijn huis ontheiligden; want u bood Mijn brood – het vet en het bloed – aan, en zij verbraken Mijn verbond door al uw gruweldaden.8Verder hebt u [uw] taak ten behoeve van Mijn geheiligde dingen niet vervuld. U stelde voor uzelf [mensen] aan om [uw] taak ten behoeve van Mij in Mijn heiligdom te vervullen.9Zo zegt de Heere HEERE: Geen enkele vreemdeling, onbesneden van hart en onbesneden van lichaam, mag in Mijn heiligdom binnenkomen. [Dit geldt] voor elke vreemdeling die te midden van de Israëlieten is.10Voorzeker, de Levieten die zich ver van Mij hebben gehouden toen Israël afdwaalde – die van achter Mij afgedwaald zijn, hun stinkgoden achterna – moeten wel hun ongerechtigheid dragen;11toch moeten zij in Mijn heiligdom dienstdoen [en] de ambten bij de poorten van het huis [vervullen], en [ook] dienstdoen [in] het huis. Zij moeten zelf het brandoffer en het slachtoffer voor het volk slachten en zij moeten zelf voor hen [ter beschikking] staan om hen te dienen.12Omdat zij [de Israëlieten] gediend hebben voor [de ogen van] hun stinkgoden en voor het huis van Israël een struikelblok van ongerechtigheid zijn geworden, daarom heb Ik Mijn hand tegen hen opgeheven, spreekt de Heere HEERE, en moeten zij hun ongerechtigheid dragen.13En zij mogen niet tot Mij naderen om Mij als priester te dienen, en dicht bij al Mijn geheiligde dingen komen, bij de allerheiligste dingen. Zij moeten hun smaad dragen en hun gruweldaden, die zij gedaan hebben.14Ik zal hen aanstellen [tot] mannen die [hun] taak ten behoeve van het huis vervullen, voor heel de dienst ervan en voor alles wat er gedaan wordt.), de voorschriften voor de priesters (verzen 15-2715Maar de Levitische priesters, de zonen van Zadok, die [hun] taak ten behoeve van Mijn heiligdom vervuld hebben toen de Israëlieten van Mij afdwaalden, díe mogen in Mijn nabijheid komen om Mij te dienen. Zij mogen voor Mijn aangezicht staan om aan Mij vet en bloed aan te bieden, spreekt de Heere HEERE.16Zíj mogen Mijn heiligdom binnenkomen en zíj mogen in de nabijheid van Mijn tafel komen om Mij te dienen en zij zullen [hun] taak ten behoeve van Mij vervullen.17En het zal gebeuren, wanneer zij de poorten van de binnenste voorhof binnenkomen, dat zij linnen kleding moeten aantrekken. Zij mogen echter geen wol dragen wanneer zij in de poorten van de binnenste voorhof dienstdoen, en in het huis [zelf].18Linnen tulbanden moeten op hun hoofd zijn en linnen broeken om hun middel. Zij mogen zich niet [zo] omgorden dat zij gaan zweten.19Wanneer zij dan naar buiten gaan, naar de buitenste voorhof – naar de buitenste voorhof, naar het volk – moeten zij hun kleding, waarin zij gediend hebben, uittrekken en die neerleggen in de heilige kamers. Vervolgens moeten zij andere kleren aantrekken, zodat zij het volk niet met hun kleding heiligen.20Zij mogen hun hoofd niet scheren, maar zij mogen [ook] de [haar]lokken niet vrij laten groeien. Zij moeten hun hoofd[haar] goed kortknippen.21Geen enkele priester mag wijn drinken wanneer hij de binnenste voorhof binnenkomt.22Zij mogen zich geen weduwe of een verstoten vrouw tot vrouw nemen. Zij mogen [alleen] jonge vrouwen uit het nageslacht van het huis van Israël [tot vrouw] nemen, of een weduwe die weduwe van een priester is geworden.23Zij moeten Mijn volk [het onderscheid] leren tussen heilig en onheilig, en hun [het onderscheid] laten weten tussen onrein en rein.24Bij een rechtszaak moeten zíj optreden om recht te doen. Overeenkomstig Mijn bepalingen moeten zij die voeren. Op al Mijn feestdagen moeten zij Mijn wetten en Mijn verordeningen in acht nemen en Mijn sabbatten heiligen.25Geen van hen mag bij een dood mens komen, waardoor hij onrein zou worden. Maar [alleen] in geval van een vader, in geval van een moeder, in geval van een zoon, in geval van een dochter, in geval van een broer of in geval van een zuster die niet aan een man heeft toebehoord, mogen zij zich verontreinigen.26Na zijn reiniging moeten zij voor hem zeven dagen aftellen,27en op de dag dat hij het heilige binnengaat in de binnenste voorhof om in het heilige te dienen, moet hij zijn zondoffer aanbieden, spreekt de Heere HEERE.) en de voorzieningen voor de priesters (verzen 28-3128Dit zal voor hen tot erfelijk bezit zijn: Ik ben hun erfelijk bezit. [Daarom] mag u hun in Israël geen bezit geven: Ik ben hun erfelijk bezit.29Het graanoffer, het zondoffer en het schuldoffer, dat mogen zíj eten. Alles waarop de ban rust in Israël, is voor hen bestemd.30Ook het beste van alle eerstelingen van alles, en elk hefoffer van alles, van al uw hefoffers, zullen voor de priesters bestemd zijn. Ook het beste van uw deeg moet u aan de priester geven om een zegen op uw huis te doen rusten.31Geen enkel kadaver of wat verscheurd is van de vogels en van het vee, mogen de priesters eten.). In de eerste verzen van het volgende hoofdstuk spreekt hij nog over de toewijzing van land aan de priesters (Ez 45:1-81Wanneer u het land als erfelijk bezit toewijst, moet u de HEERE een heilig [deel] van het land [als] hefoffer brengen: de lengte moet vijfentwintigduizend [el] zijn en de breedte tienduizend. Dat zal, heel het gebied rond, heilig zijn.2Hiervan zal voor het heiligdom vijfhonderd bij vijfhonderd [el] bestemd zijn, rondom vierkant, en vijftig el weidegrond eromheen.3En met deze maat moet u een lengte van vijfentwintigduizend [el] en een breedte van tienduizend [el] afmeten. Daarin moet dan het heiligdom, het heilige der heiligen, zich bevinden.4Dat zal een heilig [deel] van het land zijn. Het zal bestemd zijn voor de priesters, die [in] het heiligdom dienstdoen, die naderen om de HEERE te dienen. Het zal voor hen dan een plaats zijn voor [woon]huizen en een heilige plaats voor het heiligdom.5En [een deel] van vijfentwintigduizend lang en tienduizend breed zal bestemd zijn voor de Levieten, die dienstdoen [in] het huis. Het zal voor hen als bezit zijn, [bestemd voor] twintig kamers.6U moet [als] bezit van de stad een [deel] van vijfduizend breed en van vijfentwintigduizend lang geven, dicht bij het heilige hefoffer. Het zal bestemd zijn voor heel het huis van Israël.7En voor de vorst zal [het gebied bestemd] zijn aan de ene kant en aan de andere kant van het heilige hefoffer en van het bezit van de stad, vóór aan het heilige hefoffer en vóór aan het bezit van de stad, aan de westzijde naar het westen, en aan de oostzijde naar het oosten. De lengte komt overeen met een van de delen, van de westgrens tot de oostgrens.8[Dat deel] van het land zal voor hem bestemd zijn als [grond]bezit in Israël. Dan zullen Mijn vorsten Mijn volk niet meer uitbuiten, maar zij zullen het land aan het huis van Israël geven, aan hun stammen.).


De gesloten oostpoort

1Toen bracht Hij mij terug via de poort van het buitenste heiligdom die naar het oosten gekeerd was, maar die was gesloten. 2En de HEERE zei tegen mij: Deze poort moet gesloten blijven. Hij mag niet geopend worden en niemand mag erdoor binnenkomen, want de HEERE, de God van Israël, is erdoor binnengekomen. Daarom moet hij gesloten blijven. 3Wat de vorst betreft, de vorst, [alleen] hij mag erin zitten om brood te eten voor het aangezicht van de HEERE. Via de voorhal van de poort mag hij binnenkomen en via dezelfde weg naar buiten gaan.

Ezechiël, die in de binnenste voorhof is, wordt door de Man naar de buitenste oostpoort gebracht (vers 11Toen bracht Hij mij terug via de poort van het buitenste heiligdom die naar het oosten gekeerd was, maar die was gesloten.). Die poort blijkt gesloten te zijn. De HEERE laat Ezechiël weten dat die poort gesloten is omdat “de HEERE, de God van Israël” door die poort is binnengekomen. De poort moet daarom gesloten blijven (vers 22En de HEERE zei tegen mij: Deze poort moet gesloten blijven. Hij mag niet geopend worden en niemand mag erdoor binnenkomen, want de HEERE, de God van Israël, is erdoor binnengekomen. Daarom moet hij gesloten blijven.; Ez 43:1-41Daarop leidde Hij mij naar de poort, de poort die naar het oosten gekeerd was.2En zie, de heerlijkheid van de God van Israël kwam uit de richting van het oosten, en Zijn geluid was als het bruisen van machtige wateren, en de aarde werd verlicht vanwege Zijn heerlijkheid.3En de aanblik van het visioen dat ik zag, was als het visioen dat ik gezien had, toen ik kwam om de stad te gronde te richten. Het waren visioenen als het visioen dat ik aan de rivier de Kebar gezien had. Toen wierp ik mij met het gezicht [ter aarde].4En de heerlijkheid van de HEERE kwam het huis binnen via de poort die op het oosten uitzag.). De weg die Hij gaat, kan door niemand anders gegaan worden. Er blijft die heilige afstand tussen Hem en Zijn volk.

Die gesloten poort betekent ook dat God Zijn heiligdom nooit meer zal verlaten (vgl. Ez 43:7,97en Hij zei tegen mij: Mensenkind, [dit] is de plaats van Mijn troon en de plaats van Mijn voetzolen, waar Ik voor eeuwig wonen zal onder de Israëlieten. Zij die van het huis van Israël zijn, zullen Mijn heilige Naam niet meer verontreinigen, zij en hun koningen, met hun hoererij en met de dode lichamen van hun koningen [op] hun [offer]hoogten.9Nu zullen zij hun hoererij en de dode lichamen van hun koningen ver van Mij houden, zodat Ik voor eeuwig onder hen wonen zal.). Het zien van die gesloten poort mag zo een hele geruststelling voor Zijn volk zijn. Voor ons persoonlijk leven geldt dat de Heer Jezus heeft gezegd dat Hij bij ons blijft tot de voleinding van de eeuw (Mt 28:2020En zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding van de eeuw.; Hb 13:5b5Laat uw wandel zonder geldzucht zijn en weest tevreden met wat u hebt; want Hijzelf heeft gezegd: ‘Ik zal u geenszins begeven en u geenszins verlaten’,).

Hoewel de oostpoort gesloten is, zal hij toch een functie hebben (vers 33Wat de vorst betreft, de vorst, [alleen] hij mag erin zitten om brood te eten voor het aangezicht van de HEERE. Via de voorhal van de poort mag hij binnenkomen en via dezelfde weg naar buiten gaan.). De vorst zal namelijk in de voorhal van de poort zitten om brood te eten voor het aangezicht van de HEERE. Met dit brood wordt het deel van het dank- of vredeoffer bedoeld dat voor hem is. Hij zal daar in de voorhal zitten, die hij zal bereiken via de noorder- of de zuiderpoort. De oostpoort blijft ook voor hem gesloten, want hij kan niet door die poort naar binnen of naar buiten. Hij zal de buitenste voorhof weer via de noorder- of de zuiderpoort moeten verlaten.

De persoon van de vorst die hier wordt genoemd, is niet de Messias. Van de Messias als ‘Vorst’ is al eerder sprake geweest (Ez 34:2424En Ik, de HEERE, zal een God voor ze zijn, en Mijn Knecht David zal Vorst zijn in hun midden. Ík, de HEERE, heb gesproken.; 37:2525Zij zullen wonen in het land dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb, waarin uw vaderen gewoond hebben. Zij zullen daarin wonen, zij met hun kinderen en hun kleinkinderen, tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal tot in eeuwigheid hun Vorst zijn.). Hij is de Vorst van Israël in het vrederijk. De vorst die we hier in verbinding met de nieuwe tempel ontmoeten, wordt hier voor de eerste keer genoemd. We komen hem hierna nog verschillende keren tegen. Dan zien we dat het zijn taak is om de priesters van offers te voorzien die zij namens hem moeten offeren (Ez 45:1717Op de vorst rust [de taak te zorgen voor] de brandoffers, het graanoffer en het plengoffer op de feesten, op nieuwemaans[dagen] en op de sabbatten: op alle feestdagen van het huis van Israël. Hij moet zorgen voor het zondoffer, het graanoffer, het brandoffer en de dankoffers om verzoening te doen voor het huis van Israël.; 46:1-71Zo zegt de Heere HEERE: De poort van de binnenste voorhof die naar het oosten gekeerd is, moet [op] de zes werkdagen gesloten blijven, maar op de sabbatdag geopend worden. Ook op nieuwemaansdag moet hij geopend worden.2Dan zal de vorst van buiten binnenkomen via de voorhal van de poort, en bij de deurpost van de poort blijven staan. De priesters moeten zijn brandoffers en zijn dankoffers bereiden en hij zal zich neerbuigen op de drempel van de poort en [dan] naar buiten gaan. Maar de poort mag tot de avond niet gesloten worden.3De bevolking van het land moet zich op de sabbatten en op de nieuwemaans[dagen] neerbuigen voor het aangezicht van de HEERE [aan] de ingang van die poort.4Het brandoffer dat de vorst de HEERE aanbiedt, zal op de sabbatdag bestaan [uit] zes lammeren zonder enig gebrek en een ram zonder enig gebrek,5en het graanoffer, een efa per ram – maar bij de lammeren zal [als] graanoffer een gave naar zijn vermogen [dienen] – en [als] olie een hin per efa.6Op nieuwemaansdag [moet als offer] een jonge stier – het jong van een rund – zonder enig gebrek [dienen], en zes lammeren en een ram; [alle] moeten zonder enig gebrek zijn.7[Als] graanoffer moet hij voor een efa per jonge stier en een efa per ram zorgen – maar bij de lammeren, al naargelang zijn vermogen reikt – en [als] olie een hin per efa.).

Dat deze vorst niet de Messias is, blijkt uit enkele kenmerken die van hem worden gegeven. Zo moet deze vorst voor zichzelf offers brengen (Ez 45:2222Dan moet de vorst op die dag voor zichzelf en voor de hele bevolking van het land voor een jonge stier als zondoffer zorgen.; vgl. Hb 5:33en wegens deze [zwakheid] moet hij, evenals voor het volk, ook voor zichzelf offeren voor [de] zonden.; 7:2727Die het niet dagelijks nodig heeft, zoals de hogepriesters, eerst voor Zijn eigen zonden slachtoffers op te offeren, daarna voor die van het volk, want dit heeft Hij eens voor altijd gedaan door Zichzelf op te offeren.). Verder blijkt ook dat hij zonen heeft, dus getrouwd is en een gezin heeft (Ez 46:1616Zo zegt de Heere HEERE: Wanneer de vorst een van zijn zonen een geschenk geeft, is het diens erfelijk bezit. Dat zal zijn zonen toebehoren, dat zal hun bezit in erfelijk bezit zijn.). Hij heeft ook een aards domein, een stuk land dat voor hem is (Ez 45:77En voor de vorst zal [het gebied bestemd] zijn aan de ene kant en aan de andere kant van het heilige hefoffer en van het bezit van de stad, vóór aan het heilige hefoffer en vóór aan het bezit van de stad, aan de westzijde naar het westen, en aan de oostzijde naar het oosten. De lengte komt overeen met een van de delen, van de westgrens tot de oostgrens.; 46:17-1817Maar wanneer hij een geschenk uit zijn erfelijk bezit aan een van zijn dienaren geeft, zal dat van hem zijn tot het jaar van [zijn] vrijlating. Dan zal het naar de vorst teruggaan. Voorwaar, het is zijn erfelijk bezit, het zal zijn zonen toebehoren.18De vorst mag niets nemen van het erfelijk bezit van het volk door hen uit hun bezit te verdringen. Hij mag zijn zonen [alleen] van zijn [eigen] bezit in erfelijk bezit geven, zodat Mijn volk niet verspreid wordt, ieder [verdrongen] uit zijn [eigen] bezit.). Hij woont op aarde, met eigen huizen en eigen weidegronden.


Het heiligdom niet weer ontheiligen

4Vervolgens bracht Hij mij via de noorderpoort tot vóór het huis. Ik zag, en zie, de heerlijkheid van de HEERE had het huis van de HEERE vervuld. Toen wierp ik mij met het gezicht [ter aarde]. 5De HEERE zei tegen mij: Mensenkind, sla er acht op, zie met uw ogen en hoor met uw oren alles wat Ik met u spreken zal aangaande alle verordeningen van het huis van de HEERE en aangaande alle wetten ervan. Sla acht op hen die het huis binnengaan, [en] op al wie van het heiligdom uitgesloten wordt, 6en zeg tegen die opstandigen, tegen het huis van Israël: Zo zegt de Heere HEERE: Het is voor u lang genoeg geweest met al uw gruweldaden, huis van Israël, 7want u hebt vreemdelingen binnengebracht, onbesnedenen van hart en onbesnedenen van vlees, om in Mijn heiligdom te [laten] zijn, zodat zij Mijn huis ontheiligden; want u bood Mijn brood – het vet en het bloed – aan, en zij verbraken Mijn verbond door al uw gruweldaden. 8Verder hebt u [uw] taak ten behoeve van Mijn geheiligde dingen niet vervuld. U stelde voor uzelf [mensen] aan om [uw] taak ten behoeve van Mij in Mijn heiligdom te vervullen. 9Zo zegt de Heere HEERE: Geen enkele vreemdeling, onbesneden van hart en onbesneden van lichaam, mag in Mijn heiligdom binnenkomen. [Dit geldt] voor elke vreemdeling die te midden van de Israëlieten is.

Hoewel de rondleiding door de tempel klaar is, blijft de Man Ezechiël begeleiden. Hij brengt hem vervolgens via de binnenste noorderpoort tot vóór het huis (vers 44Vervolgens bracht Hij mij via de noorderpoort tot vóór het huis. Ik zag, en zie, de heerlijkheid van de HEERE had het huis van de HEERE vervuld. Toen wierp ik mij met het gezicht [ter aarde].). Daar ziet Ezechiël nog een keer, en nu voor de laatste keer, de heerlijkheid van de HEERE. Weer brengt dat hem ertoe zich in aanbidding voor de HEERE neer te werpen. De HEERE heeft instructies voor Ezechiël en zegt tegen hem dat hij op alles wat Hij met hem zal spreken, acht moet slaan door er goed naar te kijken en goed naar te luisteren (vers 55De HEERE zei tegen mij: Mensenkind, sla er acht op, zie met uw ogen en hoor met uw oren alles wat Ik met u spreken zal aangaande alle verordeningen van het huis van de HEERE en aangaande alle wetten ervan. Sla acht op hen die het huis binnengaan, [en] op al wie van het heiligdom uitgesloten wordt,). De instructies betreffen de verordeningen van Zijn huis en alle wetten die daar betrekking op hebben. Ezechiël moet ook acht slaan op hen die het huis binnengaan evenals op ieder die er niet mag komen.

Na deze algemene en tevens indringende mededeling zegt de HEERE tegen Ezechiël wat hij moet zeggen tegen het opstandige volk (vers 66en zeg tegen die opstandigen, tegen het huis van Israël: Zo zegt de Heere HEERE: Het is voor u lang genoeg geweest met al uw gruweldaden, huis van Israël,). De bedreven gruweldaden worden het hele volk aangerekend. Waaruit de gruweldaden bestaan, wordt duidelijk gezegd (vers 77want u hebt vreemdelingen binnengebracht, onbesnedenen van hart en onbesnedenen van vlees, om in Mijn heiligdom te [laten] zijn, zodat zij Mijn huis ontheiligden; want u bood Mijn brood – het vet en het bloed – aan, en zij verbraken Mijn verbond door al uw gruweldaden.). Ze hebben het huis van de HEERE op afschuwelijke wijze ontheiligd door er mensen in te brengen die volkomen buiten het verbond van de HEERE met Zijn volk staan. Zij hebben hen laten deelnemen aan de heilige offers. Het is voor de Israëliet al verboden om het vet en het bloed te eten (Lv 7:22-2722De HEERE sprak tot Mozes:23Spreek tot de Israëlieten en zeg: U mag totaal geen vet eten van een rund, een schaap of een geit.24Het vet van een dood [dier] of het vet van een verscheurd [dier] mag voor allerlei werk gebruikt worden, maar u mag het beslist niet eten.25Voorzeker, al wie het vet eet van het [stuk] vee waarvan men de HEERE een vuuroffer aanbiedt, de persoon die [dit] gegeten heeft, moet van zijn volksgenoten worden afgesneden.26Ook mag u in al uw woongebieden totaal geen bloed eten, niet van vogels en [ook] niet van vee.27Iedere persoon die ook maar iets van bloed eet, die persoon moet van zijn volksgenoten worden afgesneden.), laat staan voor de vreemdeling. Het vet en het bloed behoren volledig aan de HEERE. Zo hebben zij het verbond van de HEERE met hun gruweldaden verbroken.

Voor ons geldt hetzelfde. Het is onmogelijk om samen met ongelovigen, die geen verbinding hebben met de Heer Jezus, een gemeenschappelijke dienst te hebben om Hem te eren en avondmaal te vieren (2Ko 6:14-7:114Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk. Want welk deelgenootschap hebben gerechtigheid en wetteloosheid? Of welke gemeenschap heeft licht met duisternis?). Er is tussen een gelovige en een ongelovige geen gemeenschap mogelijk. Ongelovigen hebben immers geen nieuw leven. Nieuw leven wordt alleen verkregen door berouw en bekering tot God en geloof in de Heer Jezus. Het hart van ongelovigen is niet rein. Daarom moeten we er ook op toezien dat alleen kinderen van God aan het avondmaal worden toegelaten. Volledigheidshalve moet daaraan worden toegevoegd dat van deze kinderen van God ook duidelijk moet zijn dat zij in hun leer en leven de zonde afwijzen en daarmee ook niet verbonden willen zijn.

Verder hebben de Israëlieten zelf hun taak niet waargenomen in de heilige dingen van de HEERE (vers 88Verder hebt u [uw] taak ten behoeve van Mijn geheiligde dingen niet vervuld. U stelde voor uzelf [mensen] aan om [uw] taak ten behoeve van Mij in Mijn heiligdom te vervullen.). Die taak hebben ze door anderen laten verrichten, mogelijk door hun slaven. Zelf hebben ze geen belangstelling voor de HEERE, maar ze willen toch wel de indruk geven dat ze godsdienstig zijn. Zo hebben ze op verschillende manieren hun minachting voor de HEERE en Zijn dienst getoond. Een dergelijke verachting zien wij in onze dagen, bijvoorbeeld bij groeperingen die ongelovige muzikanten inhuren om de aanbiddingsdiensten te begeleiden of een voorganger aanstellen of handhaven die loochent dat God bestaat.

De HEERE staat erop dat dit gedrag niet weer getoond wordt (vers 99Zo zegt de Heere HEERE: Geen enkele vreemdeling, onbesneden van hart en onbesneden van lichaam, mag in Mijn heiligdom binnenkomen. [Dit geldt] voor elke vreemdeling die te midden van de Israëlieten is.). Geen vreemdeling, iemand die geen deel heeft aan het verbond van de HEERE, mag Zijn heiligdom binnengaan. Alleen zij die de HEERE heeft geroepen, mogen dienst doen aan het altaar. Nergens is het aardse heiligdom heiliger dan in het vrederijk, wanneer alles Gods heiligheid ademt.


Ontrouwe en trouwe Levieten

10Voorzeker, de Levieten die zich ver van Mij hebben gehouden toen Israël afdwaalde – die van achter Mij afgedwaald zijn, hun stinkgoden achterna – moeten wel hun ongerechtigheid dragen; 11toch moeten zij in Mijn heiligdom dienstdoen [en] de ambten bij de poorten van het huis [vervullen], en [ook] dienstdoen [in] het huis. Zij moeten zelf het brandoffer en het slachtoffer voor het volk slachten en zij moeten zelf voor hen [ter beschikking] staan om hen te dienen. 12Omdat zij [de Israëlieten] gediend hebben voor [de ogen van] hun stinkgoden en voor het huis van Israël een struikelblok van ongerechtigheid zijn geworden, daarom heb Ik Mijn hand tegen hen opgeheven, spreekt de Heere HEERE, en moeten zij hun ongerechtigheid dragen. 13En zij mogen niet tot Mij naderen om Mij als priester te dienen, en dicht bij al Mijn geheiligde dingen komen, bij de allerheiligste dingen. Zij moeten hun smaad dragen en hun gruweldaden, die zij gedaan hebben. 14Ik zal hen aanstellen [tot] mannen die [hun] taak ten behoeve van het huis vervullen, voor heel de dienst ervan en voor alles wat er gedaan wordt. 15Maar de Levitische priesters, de zonen van Zadok, die [hun] taak ten behoeve van Mijn heiligdom vervuld hebben toen de Israëlieten van Mij afdwaalden, díe mogen in Mijn nabijheid komen om Mij te dienen. Zij mogen voor Mijn aangezicht staan om aan Mij vet en bloed aan te bieden, spreekt de Heere HEERE. 16Zíj mogen Mijn heiligdom binnenkomen en zíj mogen in de nabijheid van Mijn tafel komen om Mij te dienen en zij zullen [hun] taak ten behoeve van Mij vervullen.

Met de Levieten over wie in de verzen 10-1410Voorzeker, de Levieten die zich ver van Mij hebben gehouden toen Israël afdwaalde – die van achter Mij afgedwaald zijn, hun stinkgoden achterna – moeten wel hun ongerechtigheid dragen;11toch moeten zij in Mijn heiligdom dienstdoen [en] de ambten bij de poorten van het huis [vervullen], en [ook] dienstdoen [in] het huis. Zij moeten zelf het brandoffer en het slachtoffer voor het volk slachten en zij moeten zelf voor hen [ter beschikking] staan om hen te dienen.12Omdat zij [de Israëlieten] gediend hebben voor [de ogen van] hun stinkgoden en voor het huis van Israël een struikelblok van ongerechtigheid zijn geworden, daarom heb Ik Mijn hand tegen hen opgeheven, spreekt de Heere HEERE, en moeten zij hun ongerechtigheid dragen.13En zij mogen niet tot Mij naderen om Mij als priester te dienen, en dicht bij al Mijn geheiligde dingen komen, bij de allerheiligste dingen. Zij moeten hun smaad dragen en hun gruweldaden, die zij gedaan hebben.14Ik zal hen aanstellen [tot] mannen die [hun] taak ten behoeve van het huis vervullen, voor heel de dienst ervan en voor alles wat er gedaan wordt. wordt gesproken, worden de nakomelingen van Levi bedoeld, behalve de zonen van Zadok. Over de zonen van Zadok wordt in de verzen 15-1615Maar de Levitische priesters, de zonen van Zadok, die [hun] taak ten behoeve van Mijn heiligdom vervuld hebben toen de Israëlieten van Mij afdwaalden, díe mogen in Mijn nabijheid komen om Mij te dienen. Zij mogen voor Mijn aangezicht staan om aan Mij vet en bloed aan te bieden, spreekt de Heere HEERE.16Zíj mogen Mijn heiligdom binnenkomen en zíj mogen in de nabijheid van Mijn tafel komen om Mij te dienen en zij zullen [hun] taak ten behoeve van Mij vervullen. gesproken. Eerst spreekt de HEERE over de ontrouwe Levieten. In de perioden dat het volk van Hem is afgedwaald, hebben zij, in plaats van het volk tot Hem terug te roepen, zich ver van Hem gehouden (vers 1010Voorzeker, de Levieten die zich ver van Mij hebben gehouden toen Israël afdwaalde – die van achter Mij afgedwaald zijn, hun stinkgoden achterna – moeten wel hun ongerechtigheid dragen;). Dat is hun ongerechtigheid. Zij hebben zich niet aan de kant van de HEERE geplaatst tegenover het volk dat de stinkgoden achterna is gegaan. Dit is een schuldige nalatigheid. Zij zijn het volk zelfs in de afgoderij voorgegaan, waardoor zij het volk tot een struikelblok geworden zijn (vers 1212Omdat zij [de Israëlieten] gediend hebben voor [de ogen van] hun stinkgoden en voor het huis van Israël een struikelblok van ongerechtigheid zijn geworden, daarom heb Ik Mijn hand tegen hen opgeheven, spreekt de Heere HEERE, en moeten zij hun ongerechtigheid dragen.).

Hun nalatigheid en hun slechte voorbeeld betekenen niet dat zij nu geen dienst meer mogen doen in Gods huis. De HEERE verplicht hen er zelfs toe in Zijn heiligdom dienst te doen (vers 1111toch moeten zij in Mijn heiligdom dienstdoen [en] de ambten bij de poorten van het huis [vervullen], en [ook] dienstdoen [in] het huis. Zij moeten zelf het brandoffer en het slachtoffer voor het volk slachten en zij moeten zelf voor hen [ter beschikking] staan om hen te dienen.). Ze zullen echter een geringere taak krijgen, ze worden als het ware gedegradeerd. Ze hebben niet de HEERE, maar de Israëlieten gediend en gedaan naar hun wensen en verlangens (vers 1212Omdat zij [de Israëlieten] gediend hebben voor [de ogen van] hun stinkgoden en voor het huis van Israël een struikelblok van ongerechtigheid zijn geworden, daarom heb Ik Mijn hand tegen hen opgeheven, spreekt de Heere HEERE, en moeten zij hun ongerechtigheid dragen.). Daarom heeft de HEERE Zich tegen hen moeten keren en gezworen dat zij hun ongerechtigheid zullen dragen.

Ze zullen mogen dienen in de nieuwe tempel, maar ze mogen niet tot de HEERE als priester naderen (vers 1313En zij mogen niet tot Mij naderen om Mij als priester te dienen, en dicht bij al Mijn geheiligde dingen komen, bij de allerheiligste dingen. Zij moeten hun smaad dragen en hun gruweldaden, die zij gedaan hebben.). Ook mogen ze niet dicht bij de geheiligde dingen, bij de allerheiligste dingen, komen, want er ligt smaad op hen. Hun ontrouw heeft ingrijpende gevolgen voor hun dienst. De aanstelling die ze van de HEERE krijgen, is voor een taak ten behoeve van het huis, in de buitenste voorhof, niet erin, niet in de hoger gelegen binnenste voorhof waar het brandofferaltaar staat (vers 1414Ik zal hen aanstellen [tot] mannen die [hun] taak ten behoeve van het huis vervullen, voor heel de dienst ervan en voor alles wat er gedaan wordt.). Het kan ook bij ons zo zijn, dat wij door ontrouw (een deel van) onze dienst verliezen.

Dan gaat de HEERE spreken over de zonen van Zadok (vers 1515Maar de Levitische priesters, de zonen van Zadok, die [hun] taak ten behoeve van Mijn heiligdom vervuld hebben toen de Israëlieten van Mij afdwaalden, díe mogen in Mijn nabijheid komen om Mij te dienen. Zij mogen voor Mijn aangezicht staan om aan Mij vet en bloed aan te bieden, spreekt de Heere HEERE.). In de tempel die Ezechiël heeft beschreven, wordt de offerdienst door de zonen van Aäron verricht die van Zadok afstammen. Zadok, de zoon van Ahitub, is een nakomeling van Eleazar, de derde zoon van Aäron (1Kr 6:3,50-533De kinderen van Amram waren Aäron, Mozes en Mirjam; en de zonen van Aäron waren Nadab, Abihu, Eleazar en Ithamar.50Dit zijn de zonen van Aäron: Eleazar was zijn zoon, Pinehas diens zoon, Abisua diens zoon,51Bukki diens zoon, Uzzi diens zoon, Zerahja diens zoon,52Merajoth diens zoon, Amarja diens zoon, Ahitub diens zoon,53Zadok diens zoon, Ahimaäz diens zoon.).

In de tijd van de opstand van Absalom tegen David kiest Zadok niet de zijde van Absalom, maar blijft David trouw (2Sm 15:2424En zie, Zadok was daar ook en al de Levieten met hem, die de ark van het verbond van God droegen, en zij zetten de ark van God neer. En Abjathar klom naar boven, totdat al het volk uit de stad het oversteken beëindigd had.). Later zalft hij Salomo en stelt hij zich op tegenover Adonia, de broer van Salomo, die Salomo van de troon wil stoten (1Kn 1:32-3432Toen zei koning David: Roep de priester Zadok voor mij, en de profeet Nathan en Benaja, de zoon van Jojada. En zij kwamen bij de koning.33En de koning zei tegen hen: Neem de dienaren van uw heer met u mee, en laat mijn zoon Salomo op het muildier rijden dat van mij is, en laat hem naar Gihon afdalen.34Daar moet de priester Zadok met de profeet Nathan hem tot koning over Israël zalven. Vervolgens moet u op de bazuin blazen en zeggen: Leve koning Salomo!). Abjathar, die uit de lijn van Ithamar stamt, heeft de kant van de opstandeling Absalom gekozen. Salomo zet hem daarom af als hogepriester en geeft dit ambt aan Zadok (1Kn 2:27,3527Zo verdreef Salomo Abjathar, zodat hij geen priester van de HEERE meer zou zijn, en [zo] liet hij het woord van de HEERE in vervulling gaan dat Hij over het huis van Eli in Silo gesproken had.35En de koning stelde Benaja, de zoon van Jojada, in zijn plaats aan over het leger, en de priester Zadok stelde de koning aan in de plaats van Abjathar.). Zo wordt Zadok de eerste hogepriester in de kort daarna gebouwde eerste tempel, die van Salomo.

De HEERE spreekt met vreugde en nadruk over de zonen van Zadok. Hij zegt wat zij allemaal voor Hem mogen doen. Zij hebben die voorrechten te danken aan hun trouw aan de HEERE in de tijd dat de Israëlieten van Hem zijn afgedwaald. Zoals ontrouw ‘degradatie’ betekent, zo betekent trouw ‘promotie’. De zonen van Zadok mogen in de nabijheid van de HEERE komen om Hem te dienen. Ze mogen Hem vet en bloed aanbieden, dat Hij “Mijn brood noemt” (vers 77want u hebt vreemdelingen binnengebracht, onbesnedenen van hart en onbesnedenen van vlees, om in Mijn heiligdom te [laten] zijn, zodat zij Mijn huis ontheiligden; want u bood Mijn brood – het vet en het bloed – aan, en zij verbraken Mijn verbond door al uw gruweldaden.), die alleen voor de HEERE bestemd zijn.

Met nadruk zegt de Heere HEERE dat zíj Zijn heiligdom mogen binnenkomen en dat zíj in de nabijheid van Zijn tafel mogen komen (vers 1616Zíj mogen Mijn heiligdom binnenkomen en zíj mogen in de nabijheid van Mijn tafel komen om Mij te dienen en zij zullen [hun] taak ten behoeve van Mij vervullen.). Het meest aannemelijk is, dat hiermee het brandofferaltaar wordt bedoeld. Zoals we hebben gezien, wordt het houten reukofferaltaar ook “tafel” genoemd (Ez 41:2222De hoogte van het houten altaar was drie el en de lengte ervan twee el. En de hoeken eraan, de lengte ervan en de zijwanden ervan, waren van hout. Toen sprak Hij tot mij: Dit is de tafel die voor het aangezicht van de HEERE zal zijn.). Daarop wordt echter niet het vet en het bloed van de offers gebracht, wat hier wel gebeurt. In beeld wil dat zeggen dat ze gemeenschap met God hebben op grond van het bloed en het werk van Christus, dat Hij met inzet van al Zijn kracht, waarvan het vet spreekt, heeft volbracht. Zo zullen ze Hem dienen en hun taak ten behoeve van Hem vervullen. Hun taak is speciaal op de HEERE gericht, omdat zij op Hem gericht zijn geweest in de tijd dat het volk is afgedwaald.


De heiligheid van de zonen van Zadok

17En het zal gebeuren, wanneer zij de poorten van de binnenste voorhof binnenkomen, dat zij linnen kleding moeten aantrekken. Zij mogen echter geen wol dragen wanneer zij in de poorten van de binnenste voorhof dienstdoen, en in het huis [zelf]. 18Linnen tulbanden moeten op hun hoofd zijn en linnen broeken om hun middel. Zij mogen zich niet [zo] omgorden dat zij gaan zweten. 19Wanneer zij dan naar buiten gaan, naar de buitenste voorhof – naar de buitenste voorhof, naar het volk – moeten zij hun kleding, waarin zij gediend hebben, uittrekken en die neerleggen in de heilige kamers. Vervolgens moeten zij andere kleren aantrekken, zodat zij het volk niet met hun kleding heiligen. 20Zij mogen hun hoofd niet scheren, maar zij mogen [ook] de [haar]lokken niet vrij laten groeien. Zij moeten hun hoofd[haar] goed kortknippen. 21Geen enkele priester mag wijn drinken wanneer hij de binnenste voorhof binnenkomt. 22Zij mogen zich geen weduwe of een verstoten vrouw tot vrouw nemen. Zij mogen [alleen] jonge vrouwen uit het nageslacht van het huis van Israël [tot vrouw] nemen, of een weduwe die weduwe van een priester is geworden. 23Zij moeten Mijn volk [het onderscheid] leren tussen heilig en onheilig, en hun [het onderscheid] laten weten tussen onrein en rein. 24Bij een rechtszaak moeten zíj optreden om recht te doen. Overeenkomstig Mijn bepalingen moeten zij die voeren. Op al Mijn feestdagen moeten zij Mijn wetten en Mijn verordeningen in acht nemen en Mijn sabbatten heiligen. 25Geen van hen mag bij een dood mens komen, waardoor hij onrein zou worden. Maar [alleen] in geval van een vader, in geval van een moeder, in geval van een zoon, in geval van een dochter, in geval van een broer of in geval van een zuster die niet aan een man heeft toebehoord, mogen zij zich verontreinigen. 26Na zijn reiniging moeten zij voor hem zeven dagen aftellen, 27en op de dag dat hij het heilige binnengaat in de binnenste voorhof om in het heilige te dienen, moet hij zijn zondoffer aanbieden, spreekt de Heere HEERE.

De HEERE geeft de priesters van de nieuwe tempel nauwkeurige voorschriften over een aantal zaken. Het eerste voorschrift betreft hun kleding (verzen 17-1917En het zal gebeuren, wanneer zij de poorten van de binnenste voorhof binnenkomen, dat zij linnen kleding moeten aantrekken. Zij mogen echter geen wol dragen wanneer zij in de poorten van de binnenste voorhof dienstdoen, en in het huis [zelf].18Linnen tulbanden moeten op hun hoofd zijn en linnen broeken om hun middel. Zij mogen zich niet [zo] omgorden dat zij gaan zweten.19Wanneer zij dan naar buiten gaan, naar de buitenste voorhof – naar de buitenste voorhof, naar het volk – moeten zij hun kleding, waarin zij gediend hebben, uittrekken en die neerleggen in de heilige kamers. Vervolgens moeten zij andere kleren aantrekken, zodat zij het volk niet met hun kleding heiligen.). Ze mogen hun priesterlijke kleding alleen dragen als ze dienst doen in de binnenste voorhof (vers 1717En het zal gebeuren, wanneer zij de poorten van de binnenste voorhof binnenkomen, dat zij linnen kleding moeten aantrekken. Zij mogen echter geen wol dragen wanneer zij in de poorten van de binnenste voorhof dienstdoen, en in het huis [zelf].). Die kleding moet van linnen zijn. Wollen kleding mogen ze niet dragen. Wol trekt vuil aan. Ook kunnen insecten zich gemakkelijk in wol nestelen. De kans op verontreiniging is groot. Linnen biedt geen mogelijkheid aan insecten om zich erin te nestelen.

Linnen spreekt van gerechtigheid (vgl. Ps 132:9a9Laat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid,
laat Uw gunstelingen juichen.
; Op 19:88en haar is gegeven bekleed te zijn met blinkend, rein, fijn linnen, want het fijne linnen zijn de gerechtigheden van de heiligen.)
. Om in de tegenwoordigheid van God te kunnen zijn, moeten ze kleding hebben die tot uitdrukking brengt dat ze in overeenstemming met God zijn, geschikt om daar te zijn. Hun tulband moet van linnen zijn en ook hun broek (vers 1818Linnen tulbanden moeten op hun hoofd zijn en linnen broeken om hun middel. Zij mogen zich niet [zo] omgorden dat zij gaan zweten.). Ze moeten die dragen op een manier die niet doet zweten.

Zweet vinden we voor het eerst na de zondeval. Het is een voortvloeisel van de zondeval en verbonden aan het moeizame werk van de mens (Gn 3:1919In het zweet van uw gezicht zult u brood eten,
totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent;
want stof bent u
en u zult tot stof terugkeren.
)
. Nadat Christus het werk heeft volbracht, is Hij in een graf gelegd en is Zijn zweetdoek samengerold en apart gelegd (Jh 20:77en de zweetdoek die op Zijn hoofd was geweest, niet bij de doeken liggen, maar op één plaats afzonderlijk samengerold.). Bij de Heer, Die zonder zonde is, is de zweetdoek het symbool van Zijn moeitevolle lijden aan het kruis waar Hij tot zonde werd gemaakt. Dat werk is volbracht, waardoor de zweetdoek niet meer nodig is en in het graf kon blijven. Wol komt uit het vlees van een schaap voort. Het spreekt van wat uit de natuurlijke mens voortkomt. Zweet spreekt van de inspanning van de mens. Beide kan God niet in Zijn tegenwoordigheid verdragen.

Als de priester klaar is met zijn dienst, moet hij zich eerst omkleden, voordat hij zich onder het volk in de buitenste voorhof begeeft (vers 1919Wanneer zij dan naar buiten gaan, naar de buitenste voorhof – naar de buitenste voorhof, naar het volk – moeten zij hun kleding, waarin zij gediend hebben, uittrekken en die neerleggen in de heilige kamers. Vervolgens moeten zij andere kleren aantrekken, zodat zij het volk niet met hun kleding heiligen.). Hij moet de uitgetrokken kleding neerleggen in de heilige kamers (Ez 42:1414Als de priesters binnengekomen zijn, mogen zij niet [meer] vanuit het heiligdom naar de buitenste voorhof gaan, maar zij moeten daar hun kleding, waarin zij dienst hebben gedaan, neerleggen, want die is heilig. Dan moeten zij andere kleding aantrekken en mogen zij in de nabijheid komen van [de plaats] die voor het volk is.). Elke vermenging van het heilige en onheilige moet worden voorkomen. Als het heilige in aanraking komt met het onheilige, wordt het onheilige erdoor geheiligd (vgl. Lv 6:1818Al wie mannelijk is onder de kinderen van Aäron moet het eten. Het is een eeuwige verordening, [al] uw generaties door, met betrekking tot de vuuroffers van de HEERE. Ieder die het aanraakt, wordt [erdoor] geheiligd.), maar zonder dat er in dit geval iets in de kern van het onheilige verandert. Dit voorschrift moet voorkomen dat mensen die niet in het heiligdom mogen komen, de verkeerde indruk opdoen dat het heiligdom naar hen komt, waardoor heiligheid een algemeen iets wordt en haar ware betekenis voor het verblijf in Gods huis verliest.

De kleding waarin de priesters dienst hebben gedaan, is niet geschikt om in het dagelijks leven te dragen. Onze dienst als priester in het heiligdom is van een andere orde dan ons verblijf in de wereld. Als we in het dagelijks leven zijn, moeten en kunnen we niet doen alsof we in het heiligdom zijn. De heiligheid van ons verblijf in het heiligdom is niet overdraagbaar op anderen, bijvoorbeeld onze kinderen. We moeten ervoor oppassen dat we hun niet de indruk geven dat zij op onze omgang met de Heer kunnen ‘meeliften’ en door Hem worden aangenomen op grond van onze Godsvrucht.

We kunnen dit ook toepassen op de diverse maaltijden waaraan we kunnen deelnemen. We kunnen deelnemen aan de maaltijd van de Heer, het avondmaal, aan Zijn tafel. De manier waarop we aan die maaltijd deelnemen, zal anders zijn dan de manier waarop we onze maaltijden thuis nuttigen. De Korinthiërs moeten vermaand worden dat ze de maaltijd van de Heer hebben gedegradeerd tot een gewone maaltijd (1Ko 11:20-2220Wanneer u nu op één plaats samenkomt, is dat niet ‘s Heren avondmaal eten;21want bij het eten neemt ieder vooraf zijn eigen avondmaal, en de een is hongerig en de ander dronken.22Hebt u dan soms geen huizen om te eten en te drinken? Of veracht u de gemeente van God en beschaamt u hen die niets hebben? Wat zal ik u zeggen? Zal ik u prijzen? Hierin prijs ik [u] niet.). Bij de maaltijd van de Heer hoort de hoogste heiligheid. Aan die maaltijd mogen geen ongelovigen deelnemen.

Onze maaltijden thuis gebruiken we op een andere, lossere, manier dan de maaltijd van de Heer. Daaraan mogen ook ongelovigen deelnemen en we mogen hen er zelfs voor uitnodigen. Voor wat we eten en drinken, danken we de Heer, want we beseffen dat we het van Hem krijgen (1Tm 4:3-53Zij verbieden te trouwen [en gebieden] zich van voedsel te onthouden, dat God geschapen heeft om met dankzegging te worden genuttigd door hen die geloven en de waarheid kennen.4Want al [het] door God geschapene is goed en niets is verwerpelijk als het met dankzegging wordt genomen,5want het wordt geheiligd door Gods Woord en door gebed.). Ook bepalen wij de sfeer bij de maaltijd. In vergelijking met de maaltijd van de Heer aan Zijn tafel is de maaltijd aan onze huistafel van geringere heiligheid.

Dan is er nog de maaltijd waarvoor we kunnen worden uitgenodigd door een ongelovige (1Ko 10:2727Als iemand van de ongelovigen u uitnodigt en u wilt er heengaan, eet dan alles wat u wordt voorgezet, zonder te onderzoeken om het geweten.). Zo’n maaltijd is een nog geringere vorm van heiligheid. Als we besluiten erheen te gaan – dat zullen we met de Heer overleggen –, mogen we eten wat ons wordt voorgezet. We zullen de gelegenheid benutten om ervan te getuigen aan Wie we toebehoren en Wie we dienen, wat we bijvoorbeeld doen door voor ons eten de Heer te danken.

Het tweede voorschrift betreft hun hoofdhaar (vers 2020Zij mogen hun hoofd niet scheren, maar zij mogen [ook] de [haar]lokken niet vrij laten groeien. Zij moeten hun hoofd[haar] goed kortknippen.). De priesters mogen hun hoofd niet kaalscheren, maar ze mogen het haar ook niet vrij laten groeien (Lv 21:5,105[Priesters] mogen op hun hoofd geen kale plek maken, de rand van hun baard niet afscheren en in hun lichaam geen inkervingen maken.10De priester die de hoogste onder zijn broeders is, over wiens hoofd de zalfolie is uitgegoten en die gewijd is om de [priester]kleding aan te trekken, mag zijn hoofdhaar niet los laten hangen en zijn kleding niet scheuren.). Het hoofdhaar moet kortgeknipt zijn.

Het derde voorschrift gaat over het drinken van wijn (vers 2121Geen enkele priester mag wijn drinken wanneer hij de binnenste voorhof binnenkomt.). Wijn drinken wordt de priester niet verboden. Wel is het de priester verboden wijn te drinken als hij dienst gaat doen in de binnenste voorhof (vgl. Lv 10:99Wijn en sterkedrank mag u niet drinken, u niet en uw zonen met u [ook] niet, als u de tent van ontmoeting binnenkomt, opdat u niet sterft – [het is] een eeuwige verordening, [al] uw generaties door –). Dit verbod is bedoeld om de geringste mate van beneveling in de dienst van de HEERE te voorkomen. Elke extase of verlies van bewustzijn, van zelfbeheersing of zelfcontrole moet uitgesloten worden. We moeten in alles nuchter zijn (2Tm 4:55Maar jij, wees nuchter in alles, lijd verdrukking, doe [het] werk van een evangelist, vervul je dienst ten volle.). Dienst van de HEERE dient met helder inzicht te gebeuren.

Dan volgt als vierde een voorschrift over het huwelijk, de reinheid in de huwelijksrelatie (vers 2222Zij mogen zich geen weduwe of een verstoten vrouw tot vrouw nemen. Zij mogen [alleen] jonge vrouwen uit het nageslacht van het huis van Israël [tot vrouw] nemen, of een weduwe die weduwe van een priester is geworden.). In de wet is het huwelijk met een weduwe alleen verboden voor de hogepriester (Lv 21:7,137Zij mogen geen vrouw nemen die een hoer of ontheiligde is. Zij mogen ook geen vrouw nemen die door haar man verstoten is, want [een priester] is heilig voor zijn God.13Hij moet een vrouw nemen die nog maagd is.). Hier wordt dit verbod uitgebreid tot alle priesters. De enige uitzondering op dit verbod is dat hij wel met de weduwe van een priester mag trouwen. Het laat wel zien hoe de HEERE waakt voor de heiligheid van hen die tot Hem naderen. De priester mag alleen een huwelijksverbintenis aangaan met iemand die tot het volk van God behoort en nog maagd is. Dit voorschrift houdt, uiteraard, ook het verbod op voorechtelijke geslachtsgemeenschap in (“jonge vrouwen” wil zeggen maagden).

Dan volgen er nog diverse voorschriften voor de dienst van priesters onder het volk. De zonen van Zadok moeten Gods volk onderwijzen over het verschil “tussen heilig en onheilig” en “tussen onrein en rein” (vers 2323Zij moeten Mijn volk [het onderscheid] leren tussen heilig en onheilig, en hun [het onderscheid] laten weten tussen onrein en rein.; Lv 10:10-1110zowel om onderscheid te kunnen maken tussen het heilige en het onheilige, tussen het onreine en het reine,11als om de Israëlieten in al de verordeningen te kunnen onderwijzen die de HEERE door de dienst van Mozes tot hen gesproken heeft.; Dt 33:1010Zij zullen Jakob Uw bepalingen leren
en Israël Uw wet,
zij zullen reukwerk voor Uw neus leggen,
en een offer dat geheel verteerd wordt op Uw altaar.
; Ml 2:77Voorzeker, de lippen van een priester moeten kennis bewaren,
uit zijn mond moet men [onderwijs in] de wet zoeken,
want hij is een gezant van de HEERE van de legermachten.
)
. Dat verschil zullen ze in de eerste plaats door hun wandel moeten tonen, maar daarnaast ook in hun onderwijs. Voor onze tijd kunnen we dit toepassen op de leraren die de Heer Jezus aan de gemeente heeft gegeven. Zij moeten hun die tot de gemeente behoren, het verschil laten zien tussen de gezonde leer, die geestelijke gezondheid bevordert, en de dwaling, die voortwoekert als de kanker met de geestelijke dood als resultaat (Tt 1:9-119vasthoudend aan het naar de leer betrouwbare woord, opdat hij in staat is zowel met de gezonde leer te vermanen als de tegensprekers te weerleggen.10Want er zijn vele <en> weerspannige zwetsers en bedriegers, vooral zij die uit de besnijdenis zijn.11Men moet hun de mond stoppen, daar zij hele huizen omkeren, door te leren wat niet behoort ter wille van schandelijke winst.; 2:11Maar jij, spreek wat de gezonde leer past:).

De priesters moeten ook als rechter optreden als er geschillen zijn (vers 2424Bij een rechtszaak moeten zíj optreden om recht te doen. Overeenkomstig Mijn bepalingen moeten zij die voeren. Op al Mijn feestdagen moeten zij Mijn wetten en Mijn verordeningen in acht nemen en Mijn sabbatten heiligen.). Voorkomende rechtszaken moeten ze voeren overeenkomstig de bepalingen van de HEERE. Ze mogen niet naar eigen inzicht handelen. Dat geldt ook voor ons, die leven in het koninkrijk van God dat nu in verborgen vorm bestaat. Iedere gelovige moet in staat zijn recht te spreken tussen broeders die onenigheid met elkaar hebben (1Ko 6:1-41Durft iemand van u, als hij een zaak heeft tegen de ander, recht te zoeken bij de onrechtvaardigen en niet bij de heiligen?2Of weet u niet, dat de heiligen de wereld zullen oordelen? En als door u de wereld wordt geoordeeld, bent u dan onwaardig voor [de] geringste rechtszaken?3Weet u niet, dat wij engelen zullen oordelen? Hoeveel te meer [de] dingen van dit leven?4Als u dan rechtszaken hebt over de dingen van dit leven, stelt dan daarover hen die in de gemeente niet geacht zijn!).

Met betrekking tot de feestdagen, die de HEERE “Mijn feestdagen” noemt, zegt Hij dat ze die moeten houden in overeenstemming met Zijn wetten en Zijn bepalingen. Zijn sabbatten moeten zij heiligen. Hiermee wordt terugverwezen naar de schepping, waar God de zevende dag heeft geheiligd (Gn 2:33En God zegende de zevende dag en heiligde die, want daarop rustte Hij van al Zijn werk, dat God schiep door het te maken.). Dit voornemen van God vindt in het vrederijk zijn volle vervulling. Het vrederijk is een duizendjarige sabbat.

Een laatste voorschrift is dat de priester geen dood mens mag aanraken, want de dood verontreinigt (vers 2525Geen van hen mag bij een dood mens komen, waardoor hij onrein zou worden. Maar [alleen] in geval van een vader, in geval van een moeder, in geval van een zoon, in geval van een dochter, in geval van een broer of in geval van een zuster die niet aan een man heeft toebehoord, mogen zij zich verontreinigen.; Lv 21:1-31De HEERE zei tegen Mozes: Spreek tot de priesters, de zonen van Aäron, en zeg tegen hen: [Een priester] mag zichzelf niet verontreinigen met een dode onder zijn volksgenoten,2behalve met zijn naaste bloedverwant: met zijn moeder, met zijn vader, met zijn zoon, met zijn dochter, met zijn broer.3En met zijn zuster die maagd is, [die] nauw aan hem verwant is, die [nog] niet aan een man toebehoort. Met haar mag hij zich verontreinigen.). Enkele uitzonderingen waarbij hij wel een dode mag aanraken, betreffen directe familieleden. Die aanraking verontreinigt evenzeer, maar in die gevallen voorziet de HEERE in een mogelijkheid tot reiniging (vers 2626Na zijn reiniging moeten zij voor hem zeven dagen aftellen,). Als hij rein is, moet hij nog zeven dagen wachten (Nm 19:1111Wie een dode, welk dood lichaam van een mens ook, aanraakt, die is zeven dagen onrein.). Daarna mag hij de binnenste voorhof binnengaan om in het heilige te dienen, maar hij moet dan wel eerst “zijn zondoffer” aan de HEERE aanbieden (vers 2727en op de dag dat hij het heilige binnengaat in de binnenste voorhof om in het heilige te dienen, moet hij zijn zondoffer aanbieden, spreekt de Heere HEERE.).


Het erfdeel van de zonen van Zadok

28Dit zal voor hen tot erfelijk bezit zijn: Ik ben hun erfelijk bezit. [Daarom] mag u hun in Israël geen bezit geven: Ik ben hun erfelijk bezit. 29Het graanoffer, het zondoffer en het schuldoffer, dat mogen zíj eten. Alles waarop de ban rust in Israël, is voor hen bestemd. 30Ook het beste van alle eerstelingen van alles, en elk hefoffer van alles, van al uw hefoffers, zullen voor de priesters bestemd zijn. Ook het beste van uw deeg moet u aan de priester geven om een zegen op uw huis te doen rusten. 31Geen enkel kadaver of wat verscheurd is van de vogels en van het vee, mogen de priesters eten.

De zonen van Zadok zullen, evenals vroeger de stam Levi, geen stuk land als erfelijk bezit hebben (Nm 18:23b23Maar de Levieten, zij moeten de dienst van de tent van ontmoeting verrichten, en zij moeten zelf hun ongerechtigheid dragen. Dat zal een eeuwige verordening zijn, [al] uw generaties door, en in het midden van de Israëlieten mogen zij geen erfelijk bezit ontvangen,; Dt 10:99Daarom heeft Levi geen aandeel of erfelijk bezit met zijn broeders; de HEERE Zelf is zijn erfelijk bezit, zoals de HEERE, uw God, tot hem gesproken heeft.; Jz 13:1414Alleen de stam Levi gaf hij geen erfelijk bezit. De vuuroffers van de HEERE, de God van Israël, dat is hun erfelijk bezit, zoals Hij tot hem gesproken had.). Hun erfelijk bezit is oneindig veel groter, want de HEERE Zelf is hun erfelijk bezit (vers 2828Dit zal voor hen tot erfelijk bezit zijn: Ik ben hun erfelijk bezit. [Daarom] mag u hun in Israël geen bezit geven: Ik ben hun erfelijk bezit.). De HEERE zegt het twee keer, om daarmee te benadrukken dat zij in Israël geen erfelijk bezit mogen krijgen. Het mag hun niet gegeven worden.

Dat betekent niet dat ze slechter af zijn. Ze mogen eten van de offers die aan de HEERE worden gebracht (vers 2929Het graanoffer, het zondoffer en het schuldoffer, dat mogen zíj eten. Alles waarop de ban rust in Israël, is voor hen bestemd.). De toepassing voor ons die in deze tijd priesters mogen zijn, is dat wij een nauwe gemeenschap met God mogen hebben in het offer van Christus. Alles wat met de ban is geslagen en daardoor aan de HEERE is gewijd, geeft de HEERE aan de priesters.

De woorden “alle”, “alles”, “elk” en “al” (vers 3030Ook het beste van alle eerstelingen van alles, en elk hefoffer van alles, van al uw hefoffers, zullen voor de priesters bestemd zijn. Ook het beste van uw deeg moet u aan de priester geven om een zegen op uw huis te doen rusten.) wijzen op een enorme hoeveelheid (vgl. 2Ko 9:88En God is machtig alle genade overvloedig te doen zijn jegens u, opdat u in alles, altijd in bezit van al het nodige, overvloedig bent tot alle goed werk,). En van die enorme hoeveelheid krijgen de priesters “het beste”. Het volk moet de priesters ook het beste van hun deeg geven. Als het volk dat doet, zal er zegen op hun huis rusten. Alles dient tot bevordering van de priesterdienst. Tot slot komt nog als een groot contrast dat de priesters niets mogen eten wat een onbekende of gewelddadige dood is gestorven (vers 3131Geen enkel kadaver of wat verscheurd is van de vogels en van het vee, mogen de priesters eten.), wat niet door mensenhand is geslacht.

Zij die God als hun erfelijk bezit hebben, hoeven zich niet druk te maken over bezittingen en erfenissen op aarde. Als we God hebben, hebben we alles en daarom genoeg. Paulus bevestigt deze waarheid in wat hij aan de Korinthiërs schrijft: Laat daarom niemand in mensen roemen; want alles is van u: hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Kefas, hetzij wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomstige dingen, alles is van u; en u bent van Christus, en Christus is van God” (1Ko 3:21-2321Laat daarom niemand in mensen roemen; want alles is van u:22hetzij Paulus, hetzij Apollos, hetzij Kefas, hetzij wereld, hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige, hetzij toekomstige dingen, alles is van u;23en u bent van Christus, en Christus is van God.).


Lees verder