Ezechiël
Inleiding 1-4 Het heilige en het heilige der heiligen 5-11 De zijvertrekken 12 Het bouwwerk ten westen van het tempelhuis 13-15a De maten van het huis 15b-21 Materialen en versiering 22 Het altaar in de tempel 23-26 De deuren
Inleiding

In dit hoofdstuk brengt de Gids de profeet naar de tempel zelf. Hij geeft de afmetingen van de muurposten en deuren, zowel van het heilige als van het heilige der heiligen (verzen 1-41Hij bracht mij naar de tempel en mat de muurposten: zes el breed aan de ene kant en zes el breed aan de andere kant, de breedte van de tent.2De breedte van de ingang was tien el. En de zijkanten van de ingang: vijf el aan de ene kant en vijf el aan de andere kant. Daarop mat Hij de lengte ervan: veertig el, en de breedte: twintig el.3Toen ging Hij naar binnen en mat de muurpost van de ingang: twee el. De ingang was zes el en de breedte van de ingang zeven el.4Verder mat Hij de lengte ervan: twintig el, en de breedte: twintig el vóór de tempel. Toen zei Hij tegen mij: Dit is het heilige der heiligen.). Hij vervolgt met de maten van de muur van het huis en een beschrijving van de zijvertrekken (verzen 5-115Vervolgens mat Hij de muur van het huis: zes el, en de breedte van een zijvertrek: vier el rond het huis, helemaal rondom.6En de zijvertrekken lagen zijvertrek boven zijvertrek, drie[hoog], dertig keer. Er waren helemaal rondom nissen in de muur die bij het huis hoorde, bedoeld als draagvlakken, omdat er geen draagvlakken mogen zijn in de muur van het huis.7Het [huis] werd naar boven steeds breder en wentelde zich omhoog naar de zijvertrekken. Ja, er lag een omgang boven in de tempel, helemaal rondom de tempel. Daardoor werd het huis naar boven toe breder, en zo ging men naar boven van de onderste naar de bovenste [verdieping via] de middelste.8Ik zag helemaal rondom aan het huis een verhoging, de fundamenten van de zijvertrekken: een volle lat, een verbinding van zes el.9De breedte van de muur die bij de zijvertrekken naar buiten toe hoorde, was vijf el, en er was een open ruimte tussen de zijvertrekken die bij het huis hoorden.10Tussen de kamers was rond het huis, helemaal rondom, een breedte van twintig el.11De ingangen van de zijvertrekken [kwamen uit] op de open ruimte: één ingang in de richting van het noorden en één ingang naar het zuiden. De breedte van het gebied van de open ruimte was helemaal rondom vijf el.). Daarna horen we over de ligging en de maten van het bouwwerk ten westen van de tempel (vers 1212Wat het bouwwerk betreft dat lag vóór het afgezette gedeelte, de zijde in de richting van het westen, [daarvan] was de breedte zeventig el. En wat de muur van het bouwwerk betreft: de breedte helemaal rondom was vijf el en de lengte ervan negentig el.). Vervolgens wordt het huis gemeten (verzen 13-15a13Hij mat het huis: de lengte was honderd el. Het afgezette gedeelte, het bouwwerk en de muren ervan: de lengte was honderd el,14de breedte van de voorkant van het huis en van het afgezette gedeelte naar het oosten toe: honderd el.) en worden de materialen en de versieringen van het huis genoemd (verzen 15b-2116de drempels, de vensters met traliewerk en de galerijen rondom die drie tegenover de drempel, [hadden] helemaal rondom een houten beschot. Van de grond tot aan de vensters – en de vensters waren bedekt –17tot boven de ingang en tot het binnenste en buitenste huis toe, en helemaal rondom tegen heel de muur bevonden zich panelen, vanbinnen en vanbuiten.18Er waren cherubs en dadelpalmen gemaakt, één dadelpalm tussen twee cherubs. Een cherub had twee gezichten,19namelijk een mensengezicht naar de dadelpalm aan de ene kant en de kop van een jonge leeuw naar de dadelpalm aan de andere kant, helemaal rondom in heel het huis gemaakt.20De cherubs en de dadelpalmen waren vanaf de grond tot boven de ingang gemaakt, en [op] de muur van de tempel.21De tempel had deurposten in het vierkant. Wat de voorkant van het heiligdom betreft, het uiterlijk [ervan] was zoals het [andere] eruitzag.). Dan wordt het houten altaar beschreven (vers 2222De hoogte van het houten altaar was drie el en de lengte ervan twee el. En de hoeken eraan, de lengte ervan en de zijwanden ervan, waren van hout. Toen sprak Hij tot mij: Dit is de tafel die voor het aangezicht van de HEERE zal zijn.). Het hoofdstuk eindigt met een beschrijving van de deuren van het huis en de vensters met traliewerk (verzen 23-2623De tempel [zelf] en het heilige hadden twee deuren.24Verder hadden de deuren twee deurvleugels, twee draaiende deurvleugels, twee aan de ene deur en twee deurvleugels aan de andere.25En daaraan, aan de tempeldeuren, waren cherubs en dadelpalmen gemaakt, zoals er op de muren gemaakt waren. Er was een houten afdak buiten aan de voorkant van de voorhal.26Er waren vensters met traliewerk en dadelpalmen aan de ene kant en aan de andere kant, aan de wanden van de voorhal, de zijvertrekken van het huis en de afdaken.).


Het heilige en het heilige der heiligen

1Hij bracht mij naar de tempel en mat de muurposten: zes el breed aan de ene kant en zes el breed aan de andere kant, de breedte van de tent. 2De breedte van de ingang was tien el. En de zijkanten van de ingang: vijf el aan de ene kant en vijf el aan de andere kant. Daarop mat Hij de lengte ervan: veertig el, en de breedte: twintig el. 3Toen ging Hij naar binnen en mat de muurpost van de ingang: twee el. De ingang was zes el en de breedte van de ingang zeven el. 4Verder mat Hij de lengte ervan: twintig el, en de breedte: twintig el vóór de tempel. Toen zei Hij tegen mij: Dit is het heilige der heiligen.

De Man leidt Ezechiël steeds verder het tempelcomplex binnen. Ezechiël wordt nu “naar de tempel”, het gebouw, gebracht (vers 11Hij bracht mij naar de tempel en mat de muurposten: zes el breed aan de ene kant en zes el breed aan de andere kant, de breedte van de tent.). Daar meet Hij de muurposten. Die zijn aan beide kanten van de ingang zes el breed. Dat de muurposten “de breedte van de tent” hebben, betekent volgens sommigen dat hierdoor de grote luister van deze tempel ten opzichte van de tabernakel wordt benadrukt. De breedte van de beide muurposten samen is twaalf el. Dat is net zo breed als de tabernakel in zijn geheel, dat wil zeggen de acht planken aan de westzijde van elk anderhalve el, dat is twaalf el, wat de totale ‘breedte van de tent’ is (Ex 26:16,2516De lengte van een plank moet tien el zijn, en anderhalve el de breedte van elke plank.25Er moeten dus acht planken zijn met hun zilveren voetstukken, [samen] zestien voetstukken: twee voetstukken onder de ene plank en twee voetstukken onder de andere plank.).

De ingang, dat is de ruimte tussen de beide muurposten, is tien el breed. De beide zijkanten (van de muurposten) van de ingang zijn elk vijf el (vers 22De breedte van de ingang was tien el. En de zijkanten van de ingang: vijf el aan de ene kant en vijf el aan de andere kant. Daarop mat Hij de lengte ervan: veertig el, en de breedte: twintig el.). Na de ingang komen de Man en Ezechiël in de ruimte vóór het heilige der heiligen, die in de tabernakel ‘het heilige’ wordt genoemd (Ex 26:3333Dan moet u het voorhangsel onder aan de haken hangen en de ark van de getuigenis daarbinnen achter het voorhangsel brengen. Het voorhangsel moet voor u scheiding maken tussen het heilige en het heilige der heiligen.; Ez 41:2323De tempel [zelf] en het heilige hadden twee deuren.). Die ruimte is veertig el lang en twintig el breed. Dat zijn ook de afmetingen van de tempel van Salomo (1Kn 6:2-32En het huis, dat de koning Salomo voor de HEERE bouwde, was zestig el in zijn lengte, twintig [el] in zijn breedte en dertig el in zijn hoogte.3En de voorhal, vóór aan de grote zaal van het huis, was twintig el in zijn lengte, overeenkomstig de breedte van het huis, [en] tien el in zijn breedte, vóór aan het huis.).

Ezechiël mag als priester mee in het heilige. Als de Man het heilige der heiligen binnengaat, lezen we niet dat Ezechiël met Hem meegaat. Ezechiël is geen hogepriester en mag daarom het heilige der heiligen niet binnengaan (vgl. Hb 9:6-86Waar deze dingen nu zo ingericht zijn, gaan de priesters wel steeds in de eerste tabernakel om de diensten te volbrengen,7maar in de tweede alleen de hogepriester, eenmaal in het jaar, niet zonder bloed, dat hij offert voor zichzelf en voor de afdwalingen van het volk.8Daarmee duidt de Heilige Geest aan dat de weg tot het heiligdom nog niet bekendgemaakt is, zolang de eerste tabernakel nog standhoudt.). De Man gaat daarom alleen naar binnen (vers 33Toen ging Hij naar binnen en mat de muurpost van de ingang: twee el. De ingang was zes el en de breedte van de ingang zeven el.).

Voor ons is de toegang tot God in het binnenste heiligdom geopend door het werk van Christus (Hb 10:19-22a19Daar wij dus, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,20langs [de] nieuwe en levende weg die Hij ons heeft ingewijd door het voorhangsel heen, dat is Zijn vlees,21en [wij] een grote Priester over het huis van God [hebben],22laten wij naderen met een waarachtig hart, in volle zekerheid van [het] geloof, de harten door besprenkeling gezuiverd van [het] kwaad geweten en het lichaam gewassen met rein water.). Wij kennen God als Vader en hebben door Christus de toegang tot Hem door één Geest (Ef 2:1818Want door Hem hebben wij beiden in één Geest de toegang tot de Vader.).

De muurpost van de ingang is twee el. Dat is beduidend smaller dan die van de ingang van het heilige. De breedte van de ingang wordt in twee maten gegeven. De opening zelf is zes el en de muur naast de opening is aan beide kanten zeven el, dat is samen twintig el. De breedte van de ingang wordt kleiner naarmate men verder in het gebouw komt. Bij de voorhal is de ingang veertien el, namelijk twintig el minus tweemaal drie el (Ez 40:47-4847Toen mat Hij de voorhof: honderd el lang en honderd el breed, een vierkant. Het altaar was vóór het huis.48Vervolgens bracht Hij mij naar de voorhal van het huis en Hij mat een muurpost van de voorhal: vijf el aan de ene kant en vijf el aan de andere kant, en de breedte van de poort was drie el aan de ene kant en drie el aan de andere kant.). De volgende ingang is tien el breed (Ez 41:22De breedte van de ingang was tien el. En de zijkanten van de ingang: vijf el aan de ene kant en vijf el aan de andere kant. Daarop mat Hij de lengte ervan: veertig el, en de breedte: twintig el.). De toegang tot het heilige der heiligen is zeven el breed (Ez 41:33Toen ging Hij naar binnen en mat de muurpost van de ingang: twee el. De ingang was zes el en de breedte van de ingang zeven el.).

Zowel de lengte als de breedte van het heilige der heiligen is twintig el (vers 44Verder mat Hij de lengte ervan: twintig el, en de breedte: twintig el vóór de tempel. Toen zei Hij tegen mij: Dit is het heilige der heiligen.). Een hoogtemaat wordt niet gegeven. Hier verbreekt de Man voor de tweede keer het stilzwijgen. Hij zegt tegen Ezechiël dat die ruimte “het heilige der heiligen” is. Dat zal Ezechiël als priester zeker hebben geweten. Dat de Man het zegt, benadrukt de heiligheid van die plaats. Ezechiël zal diep onder de indruk zijn gekomen van wat hij vanuit het heilige ziet. Aäron mocht slechts eenmaal in het jaar in het heilige der heiligen naar binnen, niet zonder bloed (Hb 9:77maar in de tweede alleen de hogepriester, eenmaal in het jaar, niet zonder bloed, dat hij offert voor zichzelf en voor de afdwalingen van het volk.) en als het ware omhuld door de rook van het reukwerk (Lv 16:12-1312Verder moet hij van het altaar voor het aangezicht van de HEERE een vuurschaal vol vurige kolen nemen, met beide handen vol fijn[gestoten] geurig reukwerk, en dit binnen het voorhangsel brengen.13Hij moet dan het reukwerk op het vuur leggen voor het aangezicht van de HEERE, zodat de wolk van het reukwerk het verzoendeksel, dat boven de getuigenis is, bedekt en hij niet zal sterven.).


De zijvertrekken

5Vervolgens mat Hij de muur van het huis: zes el, en de breedte van een zijvertrek: vier el rond het huis, helemaal rondom. 6En de zijvertrekken lagen zijvertrek boven zijvertrek, drie[hoog], dertig keer. Er waren helemaal rondom nissen in de muur die bij het huis hoorde, bedoeld als draagvlakken, omdat er geen draagvlakken mogen zijn in de muur van het huis. 7Het [huis] werd naar boven steeds breder en wentelde zich omhoog naar de zijvertrekken. Ja, er lag een omgang boven in de tempel, helemaal rondom de tempel. Daardoor werd het huis naar boven toe breder, en zo ging men naar boven van de onderste naar de bovenste [verdieping via] de middelste. 8Ik zag helemaal rondom aan het huis een verhoging, de fundamenten van de zijvertrekken: een volle lat, een verbinding van zes el. 9De breedte van de muur die bij de zijvertrekken naar buiten toe hoorde, was vijf el, en er was een open ruimte tussen de zijvertrekken die bij het huis hoorden. 10Tussen de kamers was rond het huis, helemaal rondom, een breedte van twintig el. 11De ingangen van de zijvertrekken [kwamen uit] op de open ruimte: één ingang in de richting van het noorden en één ingang naar het zuiden. De breedte van het gebied van de open ruimte was helemaal rondom vijf el.

Dan meet de Man de dikte van de muur van het huis (vers 55Vervolgens mat Hij de muur van het huis: zes el, en de breedte van een zijvertrek: vier el rond het huis, helemaal rondom.). De muur is zes el dik. De dikte van de muur lijkt van belang te zijn vanwege de zijvertrekken die direct daarna worden genoemd. Deze zijvertrekken worden helemaal rondom het huis, dat wil zeggen langs de noord-, west- en zuidzijde, tegen de muur aangebouwd (1Kn 6:5-65En rondom tegen de muur van het huis bouwde hij een uitbouw, tegen de muren van het huis rondom, [zowel] van de grote zaal als van het binnenste heiligdom. Zo maakte hij zijkamers rondom.6De onderste [verdieping van deze] uitbouw was vijf el in zijn breedte, de middelste was zes el in zijn breedte, en de derde was zeven el in zijn breedte, want hij had aan het huis rondom aan de buitenkant uitdiepingen gemaakt, zonder in te grijpen in de muren van het huis.).

Deze zijvertrekken worden in drie etages gebouwd met dertig zijvertrekken per etage (vers 66En de zijvertrekken lagen zijvertrek boven zijvertrek, drie[hoog], dertig keer. Er waren helemaal rondom nissen in de muur die bij het huis hoorde, bedoeld als draagvlakken, omdat er geen draagvlakken mogen zijn in de muur van het huis.). In totaal gaat het om negentig zijvertrekken. Voor de bevestiging aan het huis zijn er in de muur nissen aangebracht. Die nissen dienen als draagvlakken, want de muur zelf mag geen draagvlakken hebben.

De eerste etage, de middelste rij zijvertrekken, is breder dan de zijvertrekken op begane grond en steekt daar overheen uit. De tweede etage, de bovenste rij zijvertrekken, is weer breder dan de eerste etage. De bovenste rij zijvertrekken steekt weer verder naar buiten toe uit over de middelste rij zijvertrekken heen (vers 77Het [huis] werd naar boven steeds breder en wentelde zich omhoog naar de zijvertrekken. Ja, er lag een omgang boven in de tempel, helemaal rondom de tempel. Daardoor werd het huis naar boven toe breder, en zo ging men naar boven van de onderste naar de bovenste [verdieping via] de middelste.). Via een trap gaat men van de onderste verdieping naar de middelste en via de middelste naar de bovenste. De trap verbindt de drie verdiepingen met zijvertrekken met elkaar. De tekst vermeldt dat de vertrekken “het huis naar boven toe breder” maken, wat betekent dat de vertrekken een wezenlijk onderdeel van het huis zijn en niet slechts een aanhangsel eraan zijn. Ze vormen mee het huis.

In geestelijk opzicht wil het zeggen dat we kunnen toenemen in geestelijk inzicht in de hemelse dingen. Dat gebeurt als we de dingen zoeken “die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan Gods rechterhand” en als we “de dingen die boven zijn” bedenken (Ko 3:1-21Als u nu met Christus opgewekt bent, zoekt dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan Gods rechterhand.2Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.). Het ‘verruimt’ ons denken over de gemeente van God, zodat het meer in overeenstemming wordt met Zijn kijk erop. We ‘wentelen’ omhoog als we in Gods Woord lezen en ons daarin laten voorlichten door de Geest. De drie ‘verdiepingen’ in de geestelijke groei herkennen we in de drie groeistadia die de apostel Johannes in zijn eerste brief noemt. Als het goed is, groeit een gelovige op van baby (‘begane grond’) naar jongeling (‘middelste verdieping’) en van jongeling naar vader in Christus (‘bovenste verdieping’) (1Jh 2:12-1812Ik schrijf u, kinderen, omdat de zonden u vergeven zijn ter wille van Zijn Naam.13Ik schrijf u, vaders, omdat u Hem kent Die van [het] begin af is. Ik schrijf u, jongelingen, omdat u de boze overwonnen hebt. Ik heb u geschreven, kinderen, omdat u de Vader kent.14Ik heb u geschreven, vaders, omdat u Hem kent Die van [het] begin af is. Ik heb u geschreven, jongelingen, omdat u sterk bent en het Woord van God in u blijft en u de boze overwonnen hebt.15Hebt de wereld niet lief, noch wat in de wereld is. Als iemand de wereld liefheeft, is de liefde van de Vader niet in hem.16Want al wat in de wereld is: de begeerte van het vlees, de begeerte van de ogen en de hoogmoed van het leven, is niet uit de Vader, maar is uit de wereld.17En de wereld gaat voorbij en haar begeerte, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid.18Kinderen, het is [het] laatste uur; en zoals u hebt gehoord dat [de] antichrist komt, zijn er ook nu vele antichristen gekomen, waaraan wij weten dat het [het] laatste uur is.).

Ezechiël ziet (“Ik zag”) dat het huis op een verhoging staat, waardoor het hoger ligt dan de voorhof eromheen (vers 88Ik zag helemaal rondom aan het huis een verhoging, de fundamenten van de zijvertrekken: een volle lat, een verbinding van zes el.). Die verhoging wordt gevormd door de fundamenten van de zijvertrekken. Het onderstreept de nauwe samenhang tussen de kamers en het huis. De hoogte van de fundamenten is zes el.

Het gedeelte van de muur waartegen de zijvertrekken worden gebouwd, is vijf el breed (vers 99De breedte van de muur die bij de zijvertrekken naar buiten toe hoorde, was vijf el, en er was een open ruimte tussen de zijvertrekken die bij het huis hoorden.). De galerij van dertig zijvertrekken loopt niet ononderbroken rond het huis, maar wordt ergens door een ruimte van twintig el onderbroken (vers 1010Tussen de kamers was rond het huis, helemaal rondom, een breedte van twintig el.).

De zijvertrekken hebben twee ingangen, één in noordelijke en één in zuidelijke richting (vers 1111De ingangen van de zijvertrekken [kwamen uit] op de open ruimte: één ingang in de richting van het noorden en één ingang naar het zuiden. De breedte van het gebied van de open ruimte was helemaal rondom vijf el.). Voor die beide ingangen is een open ruimte van vijf el. De open ruimte loopt om het hele gebouw heen. Het is als een trottoir voor een rij woningen. Over dit voetgangerspad kunnen de priesters hun kamer bereiken. Het is tegelijk de verbinding tussen de kamers, waarmee de eenheid van en verbondenheid tussen de afzonderlijke kamers tot uiting komt. Ieder heeft een kamer, maar kan via het voetgangerspad een andere kamer bezoeken. Het wijst op de onderlinge gemeenschap van de priesters.


Het bouwwerk ten westen van het tempelhuis

12Wat het bouwwerk betreft dat lag vóór het afgezette gedeelte, de zijde in de richting van het westen, [daarvan] was de breedte zeventig el. En wat de muur van het bouwwerk betreft: de breedte helemaal rondom was vijf el en de lengte ervan negentig el.

Aan de achterzijde van de tempel, dat is aan de westkant, bevindt zich nog een bouwwerk (vers 1212Wat het bouwwerk betreft dat lag vóór het afgezette gedeelte, de zijde in de richting van het westen, [daarvan] was de breedte zeventig el. En wat de muur van het bouwwerk betreft: de breedte helemaal rondom was vijf el en de lengte ervan negentig el.). Dat bouwwerk hoort bij het tempelcomplex. Het ligt binnen “het afgezette deel”. Waarvoor dat gebouw dient, wordt niet gezegd. Als we kijken naar de tempel van Salomo, dan heeft die tempel ook zo’n gebouw aan de westkant (1Kr 26:1818Voor het bijgebouw aan de westkant waren er vier bij de hoofdweg [en] twee voor het bijgebouw.). Daar bevindt zich “de Schallechetpoort”, dat betekent ‘poort van uitwerpen’ (1Kr 26:1616Suppim en Hosa op de West[poort], met de Schallechetpoort, bij de oplopende hoofdweg, wacht naast wacht.). Het gebouw dient mogelijk om afval op te slaan, om het daarna uit het heilige tempelgebouw te verwijderen.

Dit kunnen we toepassen op een plaatselijke gemeente en op het lichaam van de individuele gelovige als een tempel van de Heilige Geest (1Ko 3:1616Weet u niet, dat u Gods tempel bent en dat de Geest van God in u woont?; 6:1919Of weet u niet, dat uw lichaam [de] tempel is van [de] Heilige Geest Die in u is, Die u van God hebt, en dat u niet van uzelf bent?). Wij moeten daarom ook alles uit de plaatselijke gemeente en uit ons persoonlijke leven en denken verwijderen wat niet in overeenstemming is met de heiligheid van God de Heilige Geest.

In verband met onze ‘tempeldienst’ kan het voorkomen dat er gedachten over de Heer Jezus zijn die tegen de Schrift ingaan, bijvoorbeeld dat Hij kon zondigen, hoewel Hij, zo wordt er dan bij gezegd, dat niet heeft gedaan. Als we ons persoonlijk of gemeenschappelijk ervan bewust worden dat een dergelijke gedachte niet naar de Schrift is, moeten we die door de ‘poort van uitwerpen’ verwijderen, dat wil zeggen voor Gods aangezicht veroordelen.


De maten van het huis

13Hij mat het huis: de lengte was honderd el. Het afgezette gedeelte, het bouwwerk en de muren ervan: de lengte was honderd el, 14de breedte van de voorkant van het huis en van het afgezette gedeelte naar het oosten toe: honderd el. 15a Ook mat Hij de lengte van het bouwwerk vóór het afgezette gedeelte dat erachter lag, met de galerijen aan de ene kant en aan de andere kant: honderd el.

De Man meet ook de eigenlijke tempel, het huis (vers 1313Hij mat het huis: de lengte was honderd el. Het afgezette gedeelte, het bouwwerk en de muren ervan: de lengte was honderd el,). De lengte is honderd el, dat is gemeten van oost naar west, van muur tot muur:

 

Van oost naar west

Tekst

Lengte

1.

Voormuur van de voorhal

40:48

    5 el

2.

Voorhal

40:49

  12 el (vlgs. LXX)

3.

Voormuur van de tempel

41:1

    6 el

4.

De tempel (of ‘het heilige’)

41:2

  40 el

5.

Muurpost van de ingang naar ‘het heilige der heiligen’

41:3

    2 el

6.

Het ‘heilige der heiligen’

41:4

  20 el

7.

De achtermuur

41:5

    6 el

8.

Zijvertrek

41:6

    4 el

9.

Buitenmuur van ombouw

41:9

    5 el

 

Totaal

41:13

100 el

De breedte van het huis, van noord naar zuid, is ook honderd el (vers 1414de breedte van de voorkant van het huis en van het afgezette gedeelte naar het oosten toe: honderd el.). Lengte en breedte van het huis zijn honderd el, waardoor het volmaakt vierkant is. Dezelfde lengte van honderd el heeft ook het gebouw aan de westzijde (vers 15a). Zie de volgende tabellen.

 

Van noord naar zuid

Tekst

Lengte

1.

‘Tussen de kamers’

41:10

  20 el

2.

‘Open ruimte’

41:11

    5 el

3.

Buitenmuur van ombouw

41:9

    5 el

4.

Zijvertrek

41:6

    4 el

5.

Muur van het huis

41:5

    6 el

6.

Het ‘heilige der heiligen’

41:4

  20 el

7.

Muur van het huis

41:5

    6 el

8.

Zijvertrek

41:6

    4 el

9.

Buitenmuur van ombouw

41:9

    5 el

10.

‘Open ruimte’

41:11

    5 el

11.

‘Tussen de kamers’

41:10

  20 el

 

Totaal

41:13

100 el

Gebouw aan de westzijde

 

Van oost naar west

Tekst

Lengte

1.

‘Tussen de kamers’

41:10

  20 el

2.

Muur van gebouw

41:12

    5 el

3.

Gebouw zelf (breedte)

41:12

  70 el

4.

Muur van gebouw

41:12

    5 el

 

Totaal

41:14

100 el

Wat Ezechiël hier doorgeeft, zijn maar niet dode getallen. Hij heeft als priester de diepste belangstelling voor de tempel als de plaats van de aanwezigheid van God. Ezechiël moet eenzelfde soort opwinding hebben gevoeld als de apostel Paulus wanneer hij aan de Korinthiërs schrijft: “Naar de genade <van God> die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester [het] fundament gelegd en een ander bouwt erop. Maar laat ieder uitkijken hoe hij erop bouwt. Want niemand kan een ander fundament leggen dan wat er ligt, dat is Jezus Christus” (1Ko 3:10-1110Naar de genade <van God> die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester [het] fundament gelegd en een ander bouwt erop. Maar laat ieder uitkijken hoe hij erop bouwt.11Want niemand kan een ander fundament leggen dan wat er ligt, dat is Jezus Christus.). En even verder schrijft hij: “Weet u niet, dat u Gods tempel bent en dat de Geest van God in u woont?” (1Ko 3:1616Weet u niet, dat u Gods tempel bent en dat de Geest van God in u woont?).

Wij mogen met Ezechiël ervan onder de indruk komen dat God voor Zijn aardse huis, de tempel, van alles de maat heeft gegeven (in sommige vertalingen eindigt vers 1717tot boven de ingang en tot het binnenste en buitenste huis toe, en helemaal rondom tegen heel de muur bevonden zich panelen, vanbinnen en vanbuiten. met “alles had zijn maat”). Voor ons betekent het dat wij ervan onder de indruk komen dat in Gods huis nu, de gemeente, ieder lid op de juiste plaats is en daar kan functioneren zoals Hij bepaalt. Dat “werkt één en dezelfde Geest, Die aan ieder afzonderlijk toedeelt zoals Hij wil” (1Ko 12:1111Maar al deze dingen werkt een en dezelfde Geest, Die aan ieder afzonderlijk toedeelt zoals Hij wil.). Om de gave op de juiste plaats, tijd en manier uit te oefenen wordt aan ieder lid “de genade gegeven naar de maat van de gave van Christus” (Ef 4:77Maar aan ieder van ons is de genade gegeven naar de maat van de gave van Christus.).

Elke inbreuk op de orde van God veroorzaakt wanorde. We zien dat in de kerkgeschiedenis. Heel wat menselijke inzettingen die – soms met de beste bedoelingen – in de gemeente zijn binnengevoerd, hebben de orde van God terzijde geschoven. Niet God heeft het meer te zeggen in Zijn huis, maar de mens die zelf wil regelen en besturen. Maar God geeft Zijn rechten op Zijn huis nooit prijs. Hij maakt ook nu nog in Zijn Woord duidelijk hoe wij ons hebben te gedragen in Zijn huis, “dat is [de] gemeente van [de] levende God” (1Tm 3:14-1514Deze dingen schrijf ik je in de hoop spoedig tot je te komen.15Maar als ik uitblijf, [schrijf ik] opdat je weet hoe men zich moet gedragen in [het] huis van God, dat is [de] gemeente van [de] levende God, [de] pilaar en grondslag van de waarheid.).


Materialen en versiering

15b Het binnenste van de tempel, de voorhallen van de voorhof, 16de drempels, de vensters met traliewerk en de galerijen rondom die drie tegenover de drempel, [hadden] helemaal rondom een houten beschot. Van de grond tot aan de vensters – en de vensters waren bedekt – 17tot boven de ingang en tot het binnenste en buitenste huis toe, en helemaal rondom tegen heel de muur bevonden zich panelen, vanbinnen en vanbuiten. 18Er waren cherubs en dadelpalmen gemaakt, één dadelpalm tussen twee cherubs. Een cherub had twee gezichten, 19namelijk een mensengezicht naar de dadelpalm aan de ene kant en de kop van een jonge leeuw naar de dadelpalm aan de andere kant, helemaal rondom in heel het huis gemaakt. 20De cherubs en de dadelpalmen waren vanaf de grond tot boven de ingang gemaakt, en [op] de muur van de tempel. 21De tempel had deurposten in het vierkant. Wat de voorkant van het heiligdom betreft, het uiterlijk [ervan] was zoals het [andere] eruitzag.

Met vers 15b begint een nieuw gedeelte. Daarin wordt gewezen op het materiaal van het binnenste van de tempel, de voorhallen van de voorhof, de drempel, de vensters met traliewerk en de galerijen: alles heeft “rondom een houten beschot” (verzen 15b-16a16de drempels, de vensters met traliewerk en de galerijen rondom die drie tegenover de drempel, [hadden] helemaal rondom een houten beschot. Van de grond tot aan de vensters – en de vensters waren bedekt –). Verder wordt nog gezegd dat tegen heel de muur tot een zekere hoogte, dat wil zeggen “tot boven de ingang”, rondom panelen zijn, zowel van binnen als van buiten (verzen 16b-1716de drempels, de vensters met traliewerk en de galerijen rondom die drie tegenover de drempel, [hadden] helemaal rondom een houten beschot. Van de grond tot aan de vensters – en de vensters waren bedekt –17tot boven de ingang en tot het binnenste en buitenste huis toe, en helemaal rondom tegen heel de muur bevonden zich panelen, vanbinnen en vanbuiten.). Dit betekent dat wanden van de drie afdelingen van het tempelgebouw – het heilige, het heilige der heiligen en de voorhal – van binnen met hout beschoten zijn.

Hoogtematen worden hier niet gegeven. De tempel is enerzijds op aarde, een aards bouwwerk. Anderzijds staat de tempel in directe verbinding met de hemel, het is alsof hij tot in de hemel reikt, tot een niet in getallen uit te drukken hoogte. Omdat de heerlijkheid van de HEERE er woont, valt een hoogtemaat weg. Door Zijn aanwezigheid op aarde worden hemel en aarde met elkaar verbonden. Het valt op dat ook zilver en goud niet worden genoemd. Zou dat zijn omdat de heerlijkheid van de HEERE de tempel stralend maakt, zodat zelfs goud erbij verbleekt?

De binnen- en buitenmuren zijn versierd met cherubs en dadelpalmen (vers 1818Er waren cherubs en dadelpalmen gemaakt, één dadelpalm tussen twee cherubs. Een cherub had twee gezichten,). Van de cherubs staat dat ze twee gezichten hebben. Het ene gezicht is “een mensengezicht”, het andere “de kop van een jonge leeuw”. Elk van de beide gezichten kijkt naar een kant, dat wil zeggen dat het ene gezicht naar links en het andere naar rechts kijkt. Omdat er tussen twee cherubs telkens een dadelpalm staat, kijkt zowel het mensengezicht als de kop van de jonge leeuw naar een dadelpalm (vers 1919namelijk een mensengezicht naar de dadelpalm aan de ene kant en de kop van een jonge leeuw naar de dadelpalm aan de andere kant, helemaal rondom in heel het huis gemaakt.). Deze cherubs en dadelpalmen zijn op “de muur van de tempel”, dat is in het heilige der heiligen (vers 2020De cherubs en de dadelpalmen waren vanaf de grond tot boven de ingang gemaakt, en [op] de muur van de tempel.). We zien ze ook in de tempel van Salomo (1Kn 6:29,32,3529En op alle wanden van het huis rondom bracht hij graveringen van houtsnijwerk aan: cherubs, dadelpalmen en ontluikende bloemen, vanbinnen en vanbuiten.32De twee deuren waren ook van olijfwilgenhout. Hij bracht er houtsnijwerk op aan: cherubs, dadelpalmen en ontluikende bloemen, die hij met goud overtrok. Ook op de cherubs en op de dadelpalmen bracht hij goud aan.35Hij bracht er [houtsnijwerk] op aan: cherubs, dadelpalmen en ontluikende bloemen, die hij overtrok met goud, glad uitgeslagen over het gegraveerde.; 7:3636Op de vlakken van de draagstukken ervan en op de panelen ervan graveerde hij cherubs, leeuwen en dadelpalmen, op ieder leeg vlak, met kransen eromheen.).

De cherubs herinneren aan de heiligheid van God (Gn 3:2424Hij verdreef de mens, en plaatste ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een vlammend zwaard, dat heen en weer bewoog, om de weg naar de boom des levens te bewaken.). Het mensengezicht herinnert aan de Heer Jezus als de Zoon des mensen aan Wie de Vader macht heeft gegeven “het oordeel uit te oefenen, omdat Hij [de] Mensenzoon is” (Jh 5:2727en Hij heeft Hem macht gegeven oordeel uit te oefenen, omdat Hij [de] Mensenzoon is.). De kop van een jonge leeuw doet denken aan de waardigheid en majesteit van de Heer Jezus als de Heerser in het vrederijk. Hij is “de Leeuw uit de stam van Juda” (Op 5:55En een van de oudsten zei tegen mij: Ween niet, zie, de Leeuw uit de stam van Juda, de Wortel van David, heeft overwonnen om het boek en zijn zeven zegels te openen.). De dadelpalmen zijn een beeld van vrede en overwinning en de vrucht daarvan, die zijn verkregen door het werk van Christus aan het kruis. Ze spreken ook van de komende overwinning in de eindtijd en de daarop volgende vrede met het genot daarvan na de grote verdrukking.

De deurposten van de tempel – dat is de hele deuropening met de zijposten, de bovendorpel en de drempel – zijn vierkant (vers 2121De tempel had deurposten in het vierkant. Wat de voorkant van het heiligdom betreft, het uiterlijk [ervan] was zoals het [andere] eruitzag.). Als Ezechiël naar de ingang van het heilige der heiligen (het heiligdom) kijkt, ziet dat er hetzelfde uit als de voorkant van de tempel. Het geeft aan dat zowel de toegang tot de gemeente op aarde (de tempel, het huis) als de toegang tot het heiligdom in de hemel (het heilige der heiligen) is gebaseerd op de Heer Jezus als ‘de deur’. Het geloof in Hem geeft toegang tot het een en tot het ander.


Het altaar in de tempel

22De hoogte van het houten altaar was drie el en de lengte ervan twee el. En de hoeken eraan, de lengte ervan en de zijwanden ervan, waren van hout. Toen sprak Hij tot mij: Dit is de tafel die voor het aangezicht van de HEERE zal zijn.

Dan wordt de aandacht gericht op het enige voorwerp dat in de tempel schijnt te staan, “het houten altaar” (vers 2222De hoogte van het houten altaar was drie el en de lengte ervan twee el. En de hoeken eraan, de lengte ervan en de zijwanden ervan, waren van hout. Toen sprak Hij tot mij: Dit is de tafel die voor het aangezicht van de HEERE zal zijn.). Het is een ander altaar dan het brandofferaltaar, want dat staat in de voorhof (Ez 43:13-1713Dit zijn de afmetingen van het altaar in ellen, [te weten] een el en een el en een handbreedte: de geul [eromheen] is een el [diep] en een el breed, en de opstaande rand ervan, [die] eromheen [loopt], is één span [hoog]. Dit is de verhoging van het altaar:14van de geul [in] de grond tot de onderste omgang twee el en één el breed, en van de kleine omgang tot de grote omgang vier el en één el breed.15Dan de vuurhaard van vier el; en uit de vuurhaard staken de vier horens naar boven.16De vuurhaard is twaalf [el] lang en twaalf [el] breed, vierkant naar de vier zijden ervan.17En de [grote] omgang is veertien [el] lang en veertien [el] breed, aan de vier zijden ervan, met de [opstaande] rand eromheen van een halve el [hoog], met een geul ervan van een el rondom. En de trappen ervan zijn gericht naar het oosten.). Deze twee altaren zijn de enige voorwerpen in het hele tempelgebouw die expliciet worden genoemd: een altaar in het heiligdom en een altaar in de binnenste voorhof.

Dit altaar heeft een positie waar in de tabernakel en in de tempel van Salomo het gouden reukofferaltaar heeft gestaan (Ex 30:1-21U moet ook een altaar voor het branden van reukwerk maken. Van acaciahout moet u het maken;2zijn lengte moet een el zijn en zijn breedte een el – vierkant moet het zijn – en zijn hoogte twee el. De bijbehorende horens moeten er één geheel mee vormen.; 1Kn 7:4848Ook maakte Salomo alle voorwerpen die voor het huis van de HEERE bestemd waren: het gouden altaar, de gouden tafel waarop de toonbroden lagen,). Alleen is dit altaar groter en alleen van hout. Op het materiaal wordt extra nadruk gelegd door in de beschrijving ervan er nog eens op te wijzen dat de hoeken, de lengte en de zijden “van hout” zijn.

Er is bij de beschrijving van dit altaar geen sprake van goud, wat wel het geval is bij het reukofferaltaar in de tabernakel en in de tempel, want die worden er beide mee overtrokken (Ex 30:33U moet dat vervolgens met zuiver goud overtrekken, zijn bovenkant, zijn wanden rondom, en zijn horens. Ook moet u er een gouden rand omheen maken.; 1Kn 6:2020Het binnenste heiligdom vooraan was twintig el in [zijn] lengte, twintig el in [zijn] breedte en twintig el in zijn hoogte. Hij overtrok die met bladgoud. Ook overtrok hij het altaar van ceder[hout daarmee].). Dit wil echter niet zeggen dat het niet zal worden gebruikt. De profeet Haggaï zegt dat de laatste heerlijkheid van het huis – waarmee hij wijst op de tempel die hier wordt beschreven – groter zal zijn dan de eerste heerlijkheid van het huis. Daarmee verwijst hij naar de tempel van Salomo (Hg 2:1010De heerlijkheid van dit toekomstige huis zal groter zijn
dan die van het eerste,
zegt de HEERE van de legermachten.
In deze plaats zal Ik vrede geven,
spreekt de HEERE van de legermachten.
)
. Daaruit valt op te maken dat het niet ondenkbaar is dat er bij de daadwerkelijke bouw edelmetalen zullen worden gebruikt.

De hele ruimte is leeg, op dit kleine altaar na. Het is het enige voorwerp in het heilige. In het allerheiligste is geen ark, maar daar woont de heerlijkheid van de HEERE. In het heilige van de tabernakel en de tempel zijn ook nog de tafel van de toonbroden en de kandelaar. Die ontbreken hier. Hier is slechts sprake van het altaar. Hier onderbreekt de Man voor de derde keer het stilzwijgen door op te merken dat dit altaar “de tafel” is “die voor het aangezicht van de HEERE zal zijn”.

Uit wat Hij over het altaar zegt, blijkt dat het om gemeenschap met God gaat. Een tafel is een beeld van gemeenschap. Van de tafel zegt Hij dat deze “voor het aangezicht van de HEERE zal zijn”, waardoor Hij er de nadruk op legt dat het gaat om gemeenschap met God, om gemeenschap in Zijn tegenwoordigheid. Het gaat vooral om wat het altaar voorstelt, de symboliek ervan, en die duidt op het naderen tot God om gemeenschap met Hem te hebben.

Het is opmerkelijk dat dit altaar “tafel” wordt genoemd. Zo wordt ook het brandofferaltaar genoemd (Ez 44:1616Zíj mogen Mijn heiligdom binnenkomen en zíj mogen in de nabijheid van Mijn tafel komen om Mij te dienen en zij zullen [hun] taak ten behoeve van Mij vervullen.; vgl. Ml 1:7,127[Doordat] u onrein brood op Mijn altaar brengt. En u zegt: Waardoor maken wij U onrein? Doordat u zegt: De tafel van de HEERE, die is verachtelijk.12Maar u ontheiligt hem, wanneer u zegt: De tafel van de Heere, die is onrein, en wat zij oplevert, haar voedsel, is verachtelijk.). Zoals gezegd, spreekt een tafel van gemeenschap. Het is dan ook niet verwonderlijk dat Paulus dit beeld gebruikt in verbinding met de viering van het avondmaal en daarbij spreekt over “de tafel van de Heer” (1Ko 10:2121U kunt niet [de] drinkbeker van [de] Heer drinken en [de] drinkbeker van [de] demonen; u kunt niet deelnemen aan [de] tafel van [de] Heer en aan [de] tafel van [de] demonen.). Daar is, in tegenstelling tot bij de tafel (houten altaar) in de tempel in het vrederijk, wel een volk dat samenkomt en gemeenschap heeft met elkaar en met God en met de Heer Jezus.

Wat bij dit houten altaar opvalt, is dat we niet lezen over priesters die aan dit altaar dienst doen. We kunnen ons afvragen waarom dat altaar, die tafel, daar dan staat. De algemene gedachte bij een ‘altaar’ is ‘offeren’ en bij een ‘tafel’ is dat ‘gemeenschap’. Deze ‘altaar-tafel’ staat daar om God offers te brengen en daarin gemeenschap met Hem tot uitdrukking te brengen. Maar de priesters komen daar niet. Het lijkt alsof God in deze tempel aangeeft dat, hoe bevoorrecht de priesters die tot de familie van Zadok behoren in het vrederijk ook zijn, er iets is wat voor deze aardse priesters niet is weggelegd.

Er is een binnenst heiligdom met een symbolisch altaar dat aangeeft dat er in het binnenst heiligdom een gezelschap is dat op grond van het offer van Christus met God gemeenschap heeft, rondom de Heer Jezus. Het is de tafel die voor Zijn aangezicht staat. Dit is het voorrecht van de gemeente. Dat mag nu al werkelijkheid zijn als de gemeente samenkomt.


De deuren

23De tempel [zelf] en het heilige hadden twee deuren. 24Verder hadden de deuren twee deurvleugels, twee draaiende deurvleugels, twee aan de ene deur en twee deurvleugels aan de andere. 25En daaraan, aan de tempeldeuren, waren cherubs en dadelpalmen gemaakt, zoals er op de muren gemaakt waren. Er was een houten afdak buiten aan de voorkant van de voorhal. 26Er waren vensters met traliewerk en dadelpalmen aan de ene kant en aan de andere kant, aan de wanden van de voorhal, de zijvertrekken van het huis en de afdaken.

De beide ruimten van de tempel, het heilige en het heilige der heiligen, hebben elk een deur (vers 2323De tempel [zelf] en het heilige hadden twee deuren.). De deuren worden in hun vorm en werking beschreven (vers 2424Verder hadden de deuren twee deurvleugels, twee draaiende deurvleugels, twee aan de ene deur en twee deurvleugels aan de andere.). Aan de deuren zijn, net als op de muren, cherubs en dadenpalmen gemaakt (vers 2525En daaraan, aan de tempeldeuren, waren cherubs en dadelpalmen gemaakt, zoals er op de muren gemaakt waren. Er was een houten afdak buiten aan de voorkant van de voorhal.). De deuren in Gods huis zijn een beeld van de Heer Jezus. Hij is “de deur” (Jh 10:7,97Jezus dan zei opnieuw: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur van de schapen.9Ik ben de deur; als iemand door Mij binnengaat, zal hij behouden worden, en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden.). Alleen door Hem is het mogelijk om tot de Vader te komen (Jh 14:66Jezus zei tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij.; Ef 2:1818Want door Hem hebben wij beiden in één Geest de toegang tot de Vader.). De cherubs op de deuren symboliseren de heiligheid van God. De dadelpalmen symboliseren vrucht en overwinning.

Aan de voorkant van de voorhal, boven de deur, bevindt zich ook nog “een houten afdak”, een soort luifel. Het doel daarvan zal zijn om priesters die naar binnen willen, maar nog even moeten wachten, tegen de zon of de regen te beschermen. God zorgt ervoor dat de ingang in Zijn huis afgeschermd wordt tegen invloeden die een verhindering vormen om er binnen te gaan.

Aan de beide zijden van de voorhal zijn vensters met traliewerk en dadelpalmen (vers 2626Er waren vensters met traliewerk en dadelpalmen aan de ene kant en aan de andere kant, aan de wanden van de voorhal, de zijvertrekken van het huis en de afdaken.). Die bevinden zich ook aan de zijvertrekken en de afdaken of luifels. Gods huis is een plaats waarin vensters zijn die licht doorlaten, maar waar vanwege het traliewerk niets kan binnenkomen wat er niet hoort. Dat geldt voor het huis en de vertrekken die ermee verbonden zijn.


Lees verder