Ezechiël
Inleiding 1-9 Profetie over Gog 10-13 Overleggingen van Gog 14-16 Gog en zijn bondgenoten 17-23 Gog geoordeeld door de HEERE
Inleiding

Het gedeelte Ezechiël 33-37 geeft een mooi overzicht over het herstel van Israël in de eindtijd, met het Messiaanse vrederijk als hoogtepunt (Ez 37:24-2824En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn. Voor hen allen zal er één Herder zijn. Zij zullen in Mijn bepalingen wandelen en Mijn verordeningen in acht nemen en die houden.25Zij zullen wonen in het land dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb, waarin uw vaderen gewoond hebben. Zij zullen daarin wonen, zij met hun kinderen en hun kleinkinderen, tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal tot in eeuwigheid hun Vorst zijn.26Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten. Het zal een eeuwig verbond met hen zijn, Ik zal hun [een plaats] geven en hen talrijk maken, en Ik zal Mijn heiligdom in hun midden zetten tot in eeuwigheid.27Mijn tabernakel zal bij hen zijn, Ik zal een God voor hen zijn en zíj zullen een volk voor Mij zijn.28Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, Die Israël heiligt, wanneer Mijn heiligdom voor eeuwig in hun midden zal zijn.). Uit andere profetieën weten we dat de Heer Jezus bij Zijn terugkeer naar de aarde om Zijn volk van hun vijanden te bevrijden diverse vijanden heeft verslagen. Het betreft in elk geval:
1. De legers van het herstelde West-Romeinse rijk, dat is het verenigd Europa. Zij worden door de Heer in Harmagedon verpletterend verslagen (Op 16:13-1613En ik zag uit de mond van de draak en uit de mond van het beest en uit de mond van de valse profeet drie onreine geesten [komen] als kikkers;14want het zijn geesten van demonen die tekenen doen [en] die uitgaan naar de koningen van het hele aardrijk, om hen te verzamelen tot de oorlog van de grote dag van God de Almachtige.15Zie, Ik kom als een dief. Gelukkig hij die waakt en zijn kleren bewaart, opdat hij niet naakt wandelt en men zijn schaamte niet ziet.16En Hij verzamelde hen op de plaats die in het Hebreeuws Harmagedon heet.; 19:17-1917En ik zag één engel staan in de zon, en hij riep met luider stem en zei tegen alle vogels die in [het] midden van de hemel vlogen: Komt, verzamelt u tot de grote maaltijd van God;18opdat u vlees eet van koningen, vlees van oversten over duizend, vlees van sterken, vlees van paarden, en van hen die daarop zitten en vlees van allen, zowel van vrijen als van slaven, van kleinen als van groten.19En ik zag het beest en de koningen van de aarde en hun legers verzameld om oorlog te voeren tegen Hem Die op het paard zat en tegen Zijn leger.).
2. Volken die in Edom, de grootste hater van Gods volk, zijn verzameld. Zij worden door de Heer in Edom verpletterend verslagen (Js 63:1-61Wie is Deze Die uit Edom komt,
in helrode kleding uit Bozra,
Die luisterrijk is in Zijn gewaad,
Die voorttrekt in Zijn grote kracht?
Ik ben het, Die spreek in gerechtigheid,
Die machtig ben om te verlossen.
2Waarom is dat rood aan Uw gewaad,
en is Uw kleding als [die] van iemand die de wijnpers treedt?
3Ik heb de pers alleen getreden;
er was niemand uit de volken met Mij.
Ik heb hen vertreden in Mijn toorn,
hen vertrapt in Mijn grimmigheid.
Hun bloed is op Mijn kleding gespat,
heel Mijn gewaad heb Ik besmet.
4Want de dag van de wraak was in Mijn hart,
het jaar van Mijn verlosten was gekomen.
5Ik keek rond, maar er was niemand die hielp;
Ik ontzette Mij, want er was niemand die ondersteunde.
Daarom heeft Mijn arm Mij heil verschaft,
en Mijn grimmigheid, die heeft Mij ondersteund.
6Ik heb de volken vertrapt in Mijn toorn,
Ik heb hen dronken gemaakt in Mijn grimmigheid,
Ik heb hun bloed ter aarde doen neerdalen.
)
.
3. De koning van het noorden en zijn bondgenoten. Zij worden door de Heer tussen Jeruzalem en de Middellandse Zee verpletterend verslagen (Dn 11:40-4540Dan zal in de tijd van het einde de koning van het zuiden hem [met de horens] stoten. En de koning van het noorden zal op hem aanstormen met wagens en met ruiters en met vele schepen. Hij zal de landen binnentrekken, [ze] overspoelen en [er] doorheen trekken.41Hij zal het sieraadland binnentrekken, en vele [landen] zullen struikelen. Maar deze [zijn het die] aan zijn hand zullen ontkomen: Edom, Moab en de voornaamsten van de zonen van Ammon.42Hij zal zijn hand tegen de landen uitstrekken. Ook voor het land Egypte is er geen ontkomen aan.43Hij zal heersen over de verborgen schatten van goud en zilver en al de kostbaarheden van Egypte. De Libiërs en de Cusjieten zullen in zijn voetstappen [treden].44Maar de geruchten uit het oosten en uit het noorden zullen hem schrik aanjagen. Daarom zal hij in grote grimmigheid uittrekken om velen weg te vagen en met de ban te slaan.45En hij zal de tenten van zijn paleis tussen de zeeën opzetten, bij de berg van het heilig sieraad. Dan zal hij tot zijn einde komen, en geen helper hebben.).

Deze vijanden in het bijzonder hebben Israël tijdens de grote verdrukking zwaar verdrukt. Over die grote verdrukking spreekt Ezechiël niet. Hij spreekt vooral over Gods werk om Israël te brengen in de beloofde zegen. Die zegen is gekomen met de komst van de Messias tot Zijn volk. Hij heeft van de twee volken en koninkrijken die ze waren – de tien en de twee stammen – weer “één volk … op de bergen van Israël” gemaakt met “één Koning”, dat is Hij Zelf (Ez 37:2222Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allen één Koning als koning hebben. Zij zullen niet langer als twee volken zijn, en niet langer nog in twee koninkrijken verdeeld zijn.).

Op dit punt zijn we in dit boek aangekomen. Maar er is nog een vijand die moet worden verslagen voordat het vrederijk ten volle kan worden gevestigd. Die vijand wordt in dit en in het volgende hoofdstuk beschreven (Ez 38-39).

Dat deze vijand speciaal is, blijkt uit de uitvoerige beschrijving om duidelijk te maken waarom, waar en hoe God met deze vijand afrekent. In zeven profetieën, telkens ingeleid met “zo zegt de Heere HEERE”, wordt het beeld van de verdelging van deze geheimzinnige vijand getekend: Ezechiël 38:1-9,10-13,14-16,17-23; 39:1-16,17-24,25-291En u, mensenkind, profeteer tegen Gog, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál u, Gog, oppervorst van Mesech en Tubal!2Ik zal u omkeren, u meeslepen, u doen optrekken uit het uiterste noorden en u op de bergen van Israël brengen,3maar Ik zal uw boog uit uw linkerhand slaan, en uw pijlen uit uw rechterhand doen vallen.4Op de bergen van Israël zult u vallen, u en al uw troepen, en de volken die met u zijn. Ik heb u aan allerlei soorten roofvogels en aan de dieren van het veld tot voedsel gegeven.5Op het open veld zult u vallen, want Ík heb het gesproken, spreekt de Heere HEERE.6Ik zal vuur zenden in Magog en onder hen die onbezorgd de kustlanden bewonen. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.7Ik zal Mijn heilige Naam te midden van Mijn volk Israël bekendmaken en Mijn heilige Naam niet langer laten ontheiligen. Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, de Heilige in Israël.8Zie, het komt en zal gebeuren, spreekt de Heere HEERE. Dit is de dag waarover Ik gesproken heb.9De inwoners van de steden van Israël zullen [de stad] uit gaan, [een vuur] aansteken en de wapens, de kleine en de grote schilden, de bogen en de pijlen, de handstokken en de speren verbranden. Zij zullen daarvan zeven jaar [lang] vuur stoken,10zodat zij geen hout uit het veld hoeven te halen en niets uit de bossen hoeven te hakken, maar vuur kunnen stoken van de wapens. Zo zullen zij hun plunderaars plunderen en beroven wie hen beroofd hadden, spreekt de Heere HEERE.11Op die dag zal het gebeuren dat Ik Gog daar in Israël een plaats voor een graf zal geven, het dal van de reizigers, dat reizigers [de weg] verspert, ten oosten van de zee. Daar zullen zij Gog en heel zijn menigte begraven en zullen het noemen: Dal van de menigte van Gog.12Het huis van Israël zal hen begraven om het land te reinigen, zeven maanden [lang].13Heel de bevolking van het land zal begraven. En het zal hun tot een naam zijn op de dag dat Ik Mijzelf verheerlijk, spreekt de Heere HEERE.14Ook zullen zij mannen afzonderen die voortdurend met de reizigers door het land trekken [en] hen die op het land achtergebleven zijn, begraven om het [land] te reinigen. Na verloop van zeven maanden moeten zij op onderzoek uitgaan.15En als de reizigers door het land trekken en [iemand] een menselijk bot ziet, moet hij er een merkteken bij zetten, totdat de doodgravers het begraven hebben in het Dal van de menigte van Gog.16(En Hamona is ook de naam van een stad.) Zo zullen zij het land reinigen.17En u, mensenkind, zo zegt de Heere HEERE: Zeg tegen alle soorten vogels en tegen alle dieren van het veld: Verzamel u en kom, kom van rondom bijeen, bij Mijn offer, dat Ik breng, een groot offer voor u op de bergen van Israël, en eet vlees en drink bloed.18U zult vlees van helden eten en het bloed van de vorsten van het land drinken: van rammen, lammeren, bokken, jonge stieren, allemaal gemest [vee] van Basan.19U zult vet eten tot verzadiging toe en bloed drinken tot dronkenschap toe, van Mijn offer dat Ik voor u gebracht heb.20U zult verzadigd worden aan Mijn tafel met paarden en ruiters, helden en alle strijdbare mannen, spreekt de Heere HEERE.21Ik zal Mijn heerlijkheid onder de heidenvolken laten blijken. Alle heidenvolken zullen Mijn oordeel zien dat Ik geveld heb, en Mijn hand, die Ik op hen gelegd heb.22Dan zullen zij die van het huis van Israël zijn, weten dat Ik, de HEERE, hun God ben, vanaf die dag en daarna.23Dan zullen de heidenvolken weten dat zij die van het huis van Israël zijn, om hun ongerechtigheid in ballingschap zijn gegaan. Omdat zij Mij ontrouw waren, verborg Ik Mijn aangezicht voor hen en gaf Ik hen in de hand van hun tegenstanders, zodat zij allen door het zwaard vielen.24Overeenkomstig hun onreinheid en overeenkomstig hun overtredingen heb Ik met hen gehandeld en Ik heb Mijn aangezicht voor hen verborgen.25Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Ik zal nu een omkeer brengen in de gevangenschap van Jakob, Ik zal Mij ontfermen over heel het huis van Israël en Ik zal het opnemen voor Mijn heilige Naam.26Zij zullen hun schande moeten dragen, en heel hun trouwbreuk, die zij tegenover Mij gepleegd hebben toen zij onbezorgd in hun land woonden en er niemand was die hun schrik aanjoeg.27Wanneer Ik hen uit de volken terugbreng en hen bijeenbreng uit de landen van hun vijanden, zal Ik door hen voor de ogen van veel heidenvolken geheiligd worden.28Dan zullen zij weten dat Ik, de HEERE, hun God ben, omdat Ik hen onder de heidenvolken in ballingschap voerde, maar hen [ook weer] verzamelde in hun land en niemand van hen daarginds nog liet achterblijven.29Ik zal Mijn aangezicht niet meer voor hen verbergen, wanneer Ik Mijn Geest over het huis van Israël heb uitgestort, spreekt de Heere HEERE..


Profetie over Gog

1Het woord van de HEERE kwam tot mij: 2Mensenkind, richt uw blik op Gog, het land van Magog, de oppervorst van Mesech en Tubal, en profeteer tegen hem. 3Zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál u, Gog, oppervorst van Mesech en Tubal! 4Ik zal u omkeren, Ik zal haken in uw kaken slaan en Ik zal [u] doen uittrekken: u, met heel uw leger, paarden en ruiters, allen uitmuntend gekleed, een grote strijdmacht [met] grote en kleine schilden, die allen het zwaard hanteren. 5Bij hen zijn Perzen, Cusjieten en Puteeërs, allen [met] schild en helm, 6Gomer met al zijn troepen, Beth-Togarma, [in] het uiterste noorden, met al zijn troepen, vele volken met u. 7Wees bereid en maak u gereed, u en uw hele strijdmacht, die bij u bijeengekomen is. Wees een wachter voor hen. 8Na vele dagen zult u gestraft worden. Aan het einde van de jaren zult u komen in een land dat hersteld is van het zwaard, bijeengebracht uit vele volken op de bergen van Israël, die tot een blijvende verwoesting waren geworden. Als zij uitgeleid zijn uit de volken, zullen zij allen onbezorgd wonen. 9U zult oprukken, u zult komen als een verwoesting; u zult als een wolk zijn en het land bedekken, u en al uw troepen en vele volken met u.

Het woord van de HEERE komt tot Ezechiël (vers 11Het woord van de HEERE kwam tot mij:). Hij moet zijn blik richten op Gog (vers 22Mensenkind, richt uw blik op Gog, het land van Magog, de oppervorst van Mesech en Tubal, en profeteer tegen hem.). Gog bevindt zich in het land van Magog en is oppervorst van Mesech en Tubal. Magog, Mesech en Tubal zijn volken die afstammen van de zonen van Jafeth, de zoon van Noach (Gn 10:22De zonen van Jafeth zijn: Gomer, Magog, Madai, Javan, Tubal, Mesech en Tiras.; 1Kr 1:55De zonen van Jafeth waren Gomer, Magog, Madai, Javan, Tubal, Mesech en Tiras.). Wie Gog zelf is, is niet duidelijk uit de Schrift af te leiden. Hij woont “in het uiterste noorden” (vers 1515U zult uit uw [woon]plaats komen, uit het uiterste noorden, u en vele volken met u, allen ruiters, een grote menigte en een talrijk leger.). Gog is niet de koning van het noorden van Daniël 11, want die wordt met Assyrië of groot-Syrië verbonden. De koning van het noorden zal Israël niet aanvallen als het in rust in zijn onbeschermde land woont, maar eerder. Gog is een macht die zo vermetel is, om na alles wat er is gebeurd, Israël aan te vallen.

Ook moeten deze Gog en Magog niet worden verwisseld met de Gog en Magog die in Openbaring 20 worden genoemd. Daar zijn het machten die na het vrederijk de opstand organiseren (Op 20:7-97En wanneer de duizend jaren voleindigd zijn, zal de satan uit zijn gevangenis worden losgelaten,8en hij zal uitgaan om de naties te misleiden die aan de vier hoeken van de aarde zijn, Gog en Magog, om hen tot de oorlog te verzamelen, en hun getal is als het zand van de zee.9En zij kwamen op over de breedte van de aarde en omsingelden de legerplaats van de heiligen en de geliefde stad; en er daalde vuur neer <van God> uit de hemel en verteerde hen.), terwijl het hier in Ezechiël gaat om een aanval bij het begin van het vrederijk. De opstand in Openbaring 20 komt ook niet alleen uit het uiterste noorden, zoals hier in Ezechiël, maar vanuit alle hoeken van de aarde en over de hele breedte ervan. De namen Gog en Magog worden in Openbaring 20 gebruikt omdat die opstand lijkt op de aanval die Ezechiël beschrijft. Ezechiël beschrijft een opstand die plaatsvindt als de Heer Jezus al op aarde aanwezig is en Israël rustig en onbezorgd woont, terwijl er nog enkele vijanden zijn die ook nog onderworpen moeten worden.

De meest aannemelijke verklaring – die in meerdere commentaren te vinden is – is dat met de vijand die Ezechiël beschrijft, Rusland wordt bedoeld. M.i. ondersteunen diverse details in de beschrijving deze verklaring, hoewel er zeker ook enkele details onduidelijk blijven. Bij de overdenking van deze hoofdstukken komen deze details aan de orde.

Wat betreft de namen Mesech en Tubal zegt Roger Liebi in zijn verklaring van dit hoofdstuk het volgende: ‘Mesech en Tubal betekenen de Moskovieten en Tobolskieten. Het gaat hier om de oervolken van de huidige Russen, die 2000 jaar geleden het gebied tussen de Zwarte Zee en de Kaspische Zee bevolkten.’

Opmerkelijk is dat de HEERE de aanval van Gog op Israël Zelf in gang zet. Hij zál die vorst (vers 33Zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál u, Gog, oppervorst van Mesech en Tubal!), dat betekent: Hij zal die vorst oordelen. Dat zal Hij doen door hem aan haken in zijn kaken als een beest op onweerstaanbare wijze naar Israël te trekken (vgl. Ez 19:4,94Toen heidenvolken over hem hoorden,
werd hij gevangen in hun kuil.
Zij brachten hem aan haken
naar het land Egypte.
9Zij zetten hem met haken [vast] in een kooi,
zodat zij hem naar de koning van Babel konden brengen.
Zij brachten hem in vestingen,
zodat zijn stem niet meer gehoord werd
op de bergen van Israël.
; 29:44Ik zal haken in uw kaken slaan
en de vis van uw rivieren aan uw schubben hechten.
Ik zal u uit het midden van uw rivieren omhoogtrekken,
ja, al de vis van die rivieren van u zal zich aan uw schubben hechten.
)
. Dat laat onverlet dat deze macht zelf van plan is om op te trekken. Hier zien we dat de HEERE gebruikmaakt van de boze plannen van deze macht, zoals Hij ook gebruikmaakt van de boze plannen van de satan (vgl. 2Sm 24:11De toorn van de HEERE ontbrandde opnieuw tegen Israël. Hij zette David tegen hen op door te zeggen: Ga Israël en Juda tellen.; 1Kr 21:11Toen stond de satan op tegen Israël, en hij zette David ertoe aan om Israël te tellen.; Js 10:5-195Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
6Op een huichelachtig volk zal Ik hem afsturen;
tegen het volk waarop Ik verbolgen ben, zal Ik hem bevel geven
om roof te plegen, om buit te roven,
en om het te vertrappen als slijk op straat.7Maar zelf meent hij het zo niet,
en [diep in] zijn hart denkt hij zo niet.
Want [het leeft] in zijn hart om weg te vagen
en de volken uit te roeien – niet weinige!
8Want hij zegt:
Zijn mijn vorsten niet allemaal koningen?
9Is het Kalno niet [vergaan] als Karchemis,
Hamath als Arpad,
Samaria als Damascus?
10Zoals mijn hand wist te vinden
de koninkrijken van de afgoden,
hoewel hun beelden [die] van Jeruzalem en [die] van Samaria overtroffen;
11zoals ik gedaan heb
met Samaria en zijn afgoden –
zou ik zo niet doen met Jeruzalem en zijn afgodsbeelden?12Het zal gebeuren, zodra de Heere heel Zijn werk op de berg Sion en in Jeruzalem voltooid heeft, dat Ik de vrucht van de trots van de koning van Assyrië en de glans van zijn hooghartige oogopslag zal vergelden.
13Want hij zegt:
Door de kracht van mijn hand heb ik [dit] gedaan,
en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig.
Ik heb de grenzen tussen de volken weggenomen,
hun voorraden uitgeplunderd,
en als een machtige de [hoog]gezetenen neergehaald.
14Mijn hand vond, als was het een vogelnest,
het vermogen van de volken.
En zoals men verlaten eieren bijeenraapt,
raapte ík de hele wereld bijeen.
Niemand was er die [zijn] vleugel verroerde,
die [zijn] snavel opende of die [ook maar] piepte.
15Zou een bijl zich beroemen tegen wie ermee hakt,
of een zaag zich verheffen tegen wie hem trekt?
Alsof een staf regeert over wie hem hanteert,
alsof een stok opheft wie geen stuk hout is.16Daarom zal de Heere, de HEERE van de legermachten,
zijn welgedane vorsten doen uitteren.
Onder zijn rijkdom zal Hij een brand laten woeden,
als een brand van [verzengend] vuur.
17Want het Licht van Israël zal worden tot een vuur,
zijn Heilige tot een vlam,
en die zal zijn distels en zijn dorens
verbranden en verteren, in één dag.
18Hij zal ook de luister van zijn wouden en zijn vruchtbare velden
vernietigen met [alles] wat [daar] leeft.
En hij zal zijn als een wegkwijnende zieke.
19En het overblijfsel van de bomen in zijn bos zal te tellen zijn,
een jongen zou [het aantal] kunnen opschrijven.
; Hk 1:5-115Zie [rond] onder de heidenvolken en aanschouw,
verbijster [u], sta verbijsterd,
want Ik breng in uw dagen een werk tot stand
dat u niet zult geloven wanneer het verteld wordt.6Want zie, Ik doe de Chaldeeën opstaan,
dat grimmige en onstuimige volk,
dat de breedten van de aarde doorkruist
om woningen in bezit te nemen die niet van hem zijn.7Schrikwekkend en ontzagwekkend is het.
Zijn recht en zijn hoogheid gaan van hem uit.8Zijn paarden zijn sneller dan luipaarden,
feller dan avondwolven.
Zijn ruiters komen eraan in galop,
zijn ruiters komen van ver aangevlogen
als een arend die toeschiet om te verslinden.9Ieder van hen komt om geweld [te bedrijven],
hun gezichten oostwaarts gericht,
en men verzamelt gevangenen als zand.10Ja, zelf drijft hij de spot met de koningen,
vorsten zijn hem een bespotting.
Zelf lacht hij om elke vesting,
hij hoopt er aarde tegen op en neemt hem in.11Dan zal hij [als] de wind veranderen en verdertrekken.
Zo maakt hij zich schuldig die van zijn kracht zijn god [maakt].
)
.

Het grote verschil met de andere vijanden van Gods volk in het verleden is dat Gog geen instrument in Gods hand is om Zijn volk te tuchtigen. Dat is met bijvoorbeeld de Assyriërs in Jesaja en de Babyloniërs in Jeremia wel het geval. Die heidenvolken zijn door God als Zijn tuchtroede voor Zijn volk gebruikt. Wat we bij Gog echter zien, is dat God deze vijand wil en zal oordelen in Zijn land vanwege alles wat deze vijand Zijn volk heeft aangedaan en wegens zijn verzet en vijandschap tegen Hem.

Dat het initiatief van de HEERE uitgaat, is duidelijk (vers 44Ik zal u omkeren, Ik zal haken in uw kaken slaan en Ik zal [u] doen uittrekken: u, met heel uw leger, paarden en ruiters, allen uitmuntend gekleed, een grote strijdmacht [met] grote en kleine schilden, die allen het zwaard hanteren.). Gog wordt als het ware met geweld tot deze expeditie gedwongen. Er ontstaat een machtig leger, met paarden en ruiters, die indrukwekkende uniformen aan hebben. De soldaten zijn tot de tanden bewapend en bedreven in het hanteren van het zwaard. Van dit leger maken ook soldaten van andere volken deel uit (verzen 5-65Bij hen zijn Perzen, Cusjieten en Puteeërs, allen [met] schild en helm,6Gomer met al zijn troepen, Beth-Togarma, [in] het uiterste noorden, met al zijn troepen, vele volken met u.). Maar de algehele verantwoordelijkheid ligt bij Gog, die door de HEERE als wachter, in de zin van bewaker, over dit enorme leger wordt aangesteld (vers 77Wees bereid en maak u gereed, u en uw hele strijdmacht, die bij u bijeengekomen is. Wees een wachter voor hen.).

De voorbereiding van de expeditie zal geruime tijd (“vele dagen”) in beslag nemen, maar als het zover is, zal Gog gestraft worden. Dat zal gebeuren als hij eindelijk in het herstelde Israël zal aankomen met de bedoeling daar zijn slag te slaan (vers 88Na vele dagen zult u gestraft worden. Aan het einde van de jaren zult u komen in een land dat hersteld is van het zwaard, bijeengebracht uit vele volken op de bergen van Israël, die tot een blijvende verwoesting waren geworden. Als zij uitgeleid zijn uit de volken, zullen zij allen onbezorgd wonen.). Israël is “aan het einde van de jaren” van omzwervingen uit vele volken bijeengebracht en woont dan op de bergen van zijn land, die door de vorige vijanden zo verwoest zijn, dat het een blijvende verwoesting lijkt te zijn. Nu het volk terug is in zijn land, de vijandige machten zijn geoordeeld en de Messias hen beschermt, wonen ze er onbezorgd. Ezechiël gebruikt de uitdrukking ‘onbezorgd wonen’ (verzen 11,1411U zult zeggen: Ik zal optrekken tegen een niet ommuurd land, komen bij [mensen] die rustig [en] onbezorgd wonen, die allen zonder muur en grendel wonen en geen poorten hebben,14Profeteer daarom, mensenkind, en zeg tegen Gog: Zo zegt de Heere HEERE: Zult u het op die dag, wanneer Mijn volk Israël onbezorgd woont, niet te weten komen?; Ez 39:2626Zij zullen hun schande moeten dragen, en heel hun trouwbreuk, die zij tegenover Mij gepleegd hebben toen zij onbezorgd in hun land woonden en er niemand was die hun schrik aanjoeg.; vgl. Lv 25:18,1918U moet Mijn verordeningen houden en Mijn bepalingen in acht nemen en ze houden. Dan zult u onbezorgd in het land wonen.19En het land zal zijn vruchten geven, zodat u tot verzadiging toe kunt eten. U zult er onbezorgd kunnen wonen.; 26:55Dan zal de dorstijd bij u tot de wijnoogst duren, en de wijnoogst zal tot de zaaitijd duren. U zult uw brood tot verzadiging toe eten en onbezorgd in uw land wonen.; 1Kn 4:2525En Juda en Israël woonden onbezorgd, ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgenboom, van Dan tot Berseba, al de dagen van Salomo.) om de Messiaanse zekerheid en veiligheid van het nieuwe Israël van God te beschrijven.

Deze situatie is voor Gog en zijn legers de uitgelezen gelegenheid voor een nietsontziende aanval (vers 99U zult oprukken, u zult komen als een verwoesting; u zult als een wolk zijn en het land bedekken, u en al uw troepen en vele volken met u.). Ze verbeelden zich het land te overspoelen met hun menigte soldaten en het opnieuw te verwoesten. Hun aanval richt zich op een land dat eeuwenlang onbeschrijflijk heeft geleden en nu eindelijk rust heeft. Uit de hele houding van Gog blijkt zijn verraderlijke geslepenheid en meedogenloosheid.


Overleggingen van Gog

10Zo zegt de Heere HEERE: Op die dag zal het gebeuren dat er overleggingen in uw hart zullen opkomen en dat u een kwaad plan beramen zult. 11U zult zeggen: Ik zal optrekken tegen een niet ommuurd land, komen bij [mensen] die rustig [en] onbezorgd wonen, die allen zonder muur en grendel wonen en geen poorten hebben, 12om roof te plegen, om buit te roven, om u tegen de [nu] bewoonde puinhopen te keren en tegen een volk dat uit de heidenvolken verzameld is, dat vee en bezit verworven heeft, dat in het midden van het land woont. 13Sjeba, Dedan, de kooplieden van Tarsis en al hun jonge leeuwen zullen tegen u zeggen: Komt u om een roof te plegen? Hebt u uw strijdmacht bijeengebracht om buit te roven, om zilver en goud mee te voeren, om vee en bezit mee te nemen, om een grote roof te plegen?

Voor de tweede keer klinken de woorden “zo zegt de Heere HEERE” (vers 1010Zo zegt de Heere HEERE: Op die dag zal het gebeuren dat er overleggingen in uw hart zullen opkomen en dat u een kwaad plan beramen zult.). De HEERE zegt dat Hij de overleggingen van het hart van Gog kent. Niets is voor Hem verborgen, zelfs niet de diepst verborgen gedachten. Hij weet precies wat Gog zal zeggen over het optrekken tegen Zijn volk (vers 1111U zult zeggen: Ik zal optrekken tegen een niet ommuurd land, komen bij [mensen] die rustig [en] onbezorgd wonen, die allen zonder muur en grendel wonen en geen poorten hebben,). Gog is uitstekend op de hoogte van de situatie in Israël, hoe het volk daar volkomen onbeschermd en onbezorgd woont (vgl. Ez 39:2626Zij zullen hun schande moeten dragen, en heel hun trouwbreuk, die zij tegenover Mij gepleegd hebben toen zij onbezorgd in hun land woonden en er niemand was die hun schrik aanjoeg.; Jr 49:3131Sta op, ruk op naar het geruste volk,
[dat] onbezorgd woont, spreekt de HEERE,
[dat] geen poorten en geen grendel heeft
– zij wonen alleen.
; Zc 2:1-51[Opnieuw] sloeg ik mijn ogen op en zag, en zie, er was een Man met een meetsnoer in Zijn hand.2Toen zei ik: Waar gaat U heen? Hij zei tegen mij: [Ik ga] Jeruzalem opmeten om te zien hoe groot zijn breedte en hoe groot zijn lengte zal zijn.3En zie, de Engel Die met mij sprak, trad naar voren en een andere engel trad Hem tegemoet.4En Hij zei tegen hem: Loop snel, spreek tot die jongeman en zeg:
Jeruzalem zal niet ommuurd blijven,
vanwege de veelheid aan mensen en dieren in haar midden.5En Ík zal voor haar zijn, spreekt de HEERE,
een muur van vuur rondom,
en Ik zal in haar midden tot heerlijkheid zijn.
)
. Hij heeft er alleen geen oog voor dat de HEERE de Beschermer van Zijn volk is.

Daarom maakt hij hoogmoedige plannen voor een rooftocht (vers 1212om roof te plegen, om buit te roven, om u tegen de [nu] bewoonde puinhopen te keren en tegen een volk dat uit de heidenvolken verzameld is, dat vee en bezit verworven heeft, dat in het midden van het land woont.). Hij laat zich leiden door hebzucht. Het is voorstelbaar dat Israël door zijn overwinningen op zijn vijanden na de grote verdrukking een enorm rijk volk is, dat vee en bezit verworven heeft. Dat het volk “in het midden van het land woont”, is letterlijk: het woont op de navel van de aarde (Ez 5:55Zo zegt de Heere HEERE: Dit is Jeruzalem: Ik heb het te midden van de heidenvolken gezet met landen eromheen.; vgl. Dt 32:88Toen de Allerhoogste aan de volken het erfelijk bezit uitdeelde,
toen Hij Adams kinderen van elkaar scheidde,
heeft Hij het grondgebied van de volken vastgesteld
overeenkomstig het aantal Israëlieten.
)
. Het land is het centrum van de aarde, vanwaar alle zegen voor de hele aarde uitgaat. Het land is geografisch, globaal gesproken, het knooppunt van drie werelddelen: Europa, Azië en Afrika.

Er zijn ook andere volken die wel winst zien in de onderneming van Gog (vers 1313Sjeba, Dedan, de kooplieden van Tarsis en al hun jonge leeuwen zullen tegen u zeggen: Komt u om een roof te plegen? Hebt u uw strijdmacht bijeengebracht om buit te roven, om zilver en goud mee te voeren, om vee en bezit mee te nemen, om een grote roof te plegen?). Ze stellen vragen die aantonen waar hun belangstelling naar uitgaat. Deze volken zijn ontkomen aan de oordelen die over de aarde zijn gegaan en zij zijn gespaard gebleven zonder dat het heeft bij hen een innerlijke verandering heeft gebracht.


Gog en zijn bondgenoten

14Profeteer daarom, mensenkind, en zeg tegen Gog: Zo zegt de Heere HEERE: Zult u het op die dag, wanneer Mijn volk Israël onbezorgd woont, niet te weten komen? 15U zult uit uw [woon]plaats komen, uit het uiterste noorden, u en vele volken met u, allen ruiters, een grote menigte en een talrijk leger. 16U zult als een wolk optrekken tegen Mijn volk Israël om het land te bedekken. Het zal gebeuren in later tijd. Dan zal Ik u over Mijn land doen komen, zodat de heidenvolken Mij kennen, wanneer Ik door u, Gog, voor hun ogen geheiligd word.

De boze, maar bij de HEERE bekende overleggingen van Gog zijn aanleiding om Ezechiël opnieuw te gebieden tegen Gog te profeteren (vers 1414Profeteer daarom, mensenkind, en zeg tegen Gog: Zo zegt de Heere HEERE: Zult u het op die dag, wanneer Mijn volk Israël onbezorgd woont, niet te weten komen?). Ernstig klinkt voor de derde keer “zo zegt de Heere HEERE” tot Gog. Hij vertelt Gog dat hij op de dag dat hij in Israël zal zijn, te weten zal komen dat de HEERE alles weet en bestuurt.

Dan zal de HEERE hem te kennen geven dat Hij alles weet en heeft geweten en dat deze vijand uit het uiterste noorden is gekomen met een enorm leger om Zijn volk en het land als een wolk te bedekken (verzen 15-1615U zult uit uw [woon]plaats komen, uit het uiterste noorden, u en vele volken met u, allen ruiters, een grote menigte en een talrijk leger.16U zult als een wolk optrekken tegen Mijn volk Israël om het land te bedekken. Het zal gebeuren in later tijd. Dan zal Ik u over Mijn land doen komen, zodat de heidenvolken Mij kennen, wanneer Ik door u, Gog, voor hun ogen geheiligd word.). Ook het tijdstip is bij de HEERE bekend. Het tijdstip is niet alleen bij Hem bekend, maar het is door Hem bepaald. Hij bestuurt alles zo, dat Hij Gog gebruikt om Zichzelf door hem aan de heidenvolken bekend te maken en Zich voor hun ogen te heiligen.

Het Goddelijk voornemen staat boven alles. Bij de uitvoering van Zijn voornemen gebruikt God ook de lage motieven van de mens. Hetzelfde zien we bij wat Jesaja zegt over de inval door Assyrië (Js 10:5-125Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
6Op een huichelachtig volk zal Ik hem afsturen;
tegen het volk waarop Ik verbolgen ben, zal Ik hem bevel geven
om roof te plegen, om buit te roven,
en om het te vertrappen als slijk op straat.7Maar zelf meent hij het zo niet,
en [diep in] zijn hart denkt hij zo niet.
Want [het leeft] in zijn hart om weg te vagen
en de volken uit te roeien – niet weinige!
8Want hij zegt:
Zijn mijn vorsten niet allemaal koningen?
9Is het Kalno niet [vergaan] als Karchemis,
Hamath als Arpad,
Samaria als Damascus?
10Zoals mijn hand wist te vinden
de koninkrijken van de afgoden,
hoewel hun beelden [die] van Jeruzalem en [die] van Samaria overtroffen;
11zoals ik gedaan heb
met Samaria en zijn afgoden –
zou ik zo niet doen met Jeruzalem en zijn afgodsbeelden?12Het zal gebeuren, zodra de Heere heel Zijn werk op de berg Sion en in Jeruzalem voltooid heeft, dat Ik de vrucht van de trots van de koning van Assyrië en de glans van zijn hooghartige oogopslag zal vergelden.
)
en bij wat Habakuk zegt over Babel (Hk 1:5-115Zie [rond] onder de heidenvolken en aanschouw,
verbijster [u], sta verbijsterd,
want Ik breng in uw dagen een werk tot stand
dat u niet zult geloven wanneer het verteld wordt.6Want zie, Ik doe de Chaldeeën opstaan,
dat grimmige en onstuimige volk,
dat de breedten van de aarde doorkruist
om woningen in bezit te nemen die niet van hem zijn.7Schrikwekkend en ontzagwekkend is het.
Zijn recht en zijn hoogheid gaan van hem uit.8Zijn paarden zijn sneller dan luipaarden,
feller dan avondwolven.
Zijn ruiters komen eraan in galop,
zijn ruiters komen van ver aangevlogen
als een arend die toeschiet om te verslinden.9Ieder van hen komt om geweld [te bedrijven],
hun gezichten oostwaarts gericht,
en men verzamelt gevangenen als zand.10Ja, zelf drijft hij de spot met de koningen,
vorsten zijn hem een bespotting.
Zelf lacht hij om elke vesting,
hij hoopt er aarde tegen op en neemt hem in.11Dan zal hij [als] de wind veranderen en verdertrekken.
Zo maakt hij zich schuldig die van zijn kracht zijn god [maakt].
)
. God activeert niet de zondige wil van de mens, maar Hij gebruikt de actieve zondige wil van de mens. Wat Gog bedoelt als een overwinning voor zichzelf, wordt door God gemaakt tot een gelegenheid om Zichzelf te verheerlijken.


Gog geoordeeld door de HEERE

17Zo zegt de Heere HEERE: Bent u het over wie Ik in vroeger tijd gesproken heb door de dienst van Mijn dienaren, de profeten van Israël, die in die tijd geprofeteerd hebben, jaren[lang], dat Ik u over hen zou brengen? 18Op die dag zal het gebeuren, op de dag dat Gog over het land van Israël komt, spreekt de Heere HEERE, dat Mijn grimmigheid in Mijn neus zal opstijgen. 19Want in Mijn na-ijver, in het vuur van Mijn verbolgenheid, heb Ik gesproken: Voorwaar, op die dag zal een zware aardbeving het land van Israël treffen! 20De vissen in de zee, de vogels in de lucht, de dieren van het veld, al de kruipende dieren die op de aardbodem kruipen, en alle mensen die op de aardbodem zijn, zullen voor Mijn aangezicht beven. De bergen zullen omvergehaald worden, de bergwanden zullen instorten en alle muren zullen op de grond neervallen. 21Op al Mijn bergen zal Ik een zwaard tegen hem oproepen, spreekt de Heere HEERE. Ieders zwaard zal tegen zijn broeder zijn. 22Ik zal met hem een rechtszaak voeren door pest en door bloed. Ik zal een [alles] wegspoelende regen, en hagelstenen, vuur en zwavel op hem doen regenen, op zijn troepen en op de vele volken die met hem zijn. 23Zo zal Ik Mijn grootheid tonen en Mij heiligen en voor de ogen van vele heidenvolken bekend worden. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.

Voor de vierde keer klinken de woorden “zo zegt de Heere HEERE” (vers 1717Zo zegt de Heere HEERE: Bent u het over wie Ik in vroeger tijd gesproken heb door de dienst van Mijn dienaren, de profeten van Israël, die in die tijd geprofeteerd hebben, jaren[lang], dat Ik u over hen zou brengen?). Gog wordt herinnerd aan een vroeger spreken van de HEERE. We hebben in de Schrift geen gegevens over die profetieën; de naam Gog wordt althans nergens in de profetieën of door profeten genoemd. Het kan betekenen dat hiermee verwezen wordt naar uitspraken van de profeten over het noorden als de richting waaruit het oordeel komt. We kunnen de verwijzing naar wat de profeten hebben gezegd over Rusland, zo opvatten, dat wat de HEERE over en tegen Assyrië heeft gezegd (Js 10:5-345Wee Assyrië, de roede van Mijn toorn;
en Mijn gramschap is een stok in hun hand.
6Op een huichelachtig volk zal Ik hem afsturen;
tegen het volk waarop Ik verbolgen ben, zal Ik hem bevel geven
om roof te plegen, om buit te roven,
en om het te vertrappen als slijk op straat.7Maar zelf meent hij het zo niet,
en [diep in] zijn hart denkt hij zo niet.
Want [het leeft] in zijn hart om weg te vagen
en de volken uit te roeien – niet weinige!
8Want hij zegt:
Zijn mijn vorsten niet allemaal koningen?
9Is het Kalno niet [vergaan] als Karchemis,
Hamath als Arpad,
Samaria als Damascus?
10Zoals mijn hand wist te vinden
de koninkrijken van de afgoden,
hoewel hun beelden [die] van Jeruzalem en [die] van Samaria overtroffen;
11zoals ik gedaan heb
met Samaria en zijn afgoden –
zou ik zo niet doen met Jeruzalem en zijn afgodsbeelden?12Het zal gebeuren, zodra de Heere heel Zijn werk op de berg Sion en in Jeruzalem voltooid heeft, dat Ik de vrucht van de trots van de koning van Assyrië en de glans van zijn hooghartige oogopslag zal vergelden.
13Want hij zegt:
Door de kracht van mijn hand heb ik [dit] gedaan,
en door mijn wijsheid, want ik ben verstandig.
Ik heb de grenzen tussen de volken weggenomen,
hun voorraden uitgeplunderd,
en als een machtige de [hoog]gezetenen neergehaald.
14Mijn hand vond, als was het een vogelnest,
het vermogen van de volken.
En zoals men verlaten eieren bijeenraapt,
raapte ík de hele wereld bijeen.
Niemand was er die [zijn] vleugel verroerde,
die [zijn] snavel opende of die [ook maar] piepte.
15Zou een bijl zich beroemen tegen wie ermee hakt,
of een zaag zich verheffen tegen wie hem trekt?
Alsof een staf regeert over wie hem hanteert,
alsof een stok opheft wie geen stuk hout is.16Daarom zal de Heere, de HEERE van de legermachten,
zijn welgedane vorsten doen uitteren.
Onder zijn rijkdom zal Hij een brand laten woeden,
als een brand van [verzengend] vuur.
17Want het Licht van Israël zal worden tot een vuur,
zijn Heilige tot een vlam,
en die zal zijn distels en zijn dorens
verbranden en verteren, in één dag.
18Hij zal ook de luister van zijn wouden en zijn vruchtbare velden
vernietigen met [alles] wat [daar] leeft.
En hij zal zijn als een wegkwijnende zieke.
19En het overblijfsel van de bomen in zijn bos zal te tellen zijn,
een jongen zou [het aantal] kunnen opschrijven.20Op die dag zal het gebeuren dat de rest van Israël en wie van het huis van Jakob ontkomen zijn, niet langer zullen steunen op hem die hen geslagen heeft, maar zij zullen steunen op de HEERE, de Heilige van Israël, in trouw.21[Die] rest zal terugkeren, de rest van Jakob, naar de sterke God.22Want, Israël, al is uw volk als het zand van de zee, [toch] zal [maar] een rest daarvan terugkeren; [tot] verdelging is vast besloten; het stroomt over van gerechtigheid.23Ja, een [vernietigend] einde – en dat is vast besloten – gaat de Heere, de HEERE van de legermachten, in het midden van heel het land ten uitvoer brengen.24Daarom, zo zegt de Heere, de HEERE van de legermachten: Wees niet bevreesd, Mijn volk dat in Sion woont, voor Assyrië, wanneer het u met de staf zal slaan of zijn stok tegen u zal opheffen, zoals Hij eens bij Egypte deed.25Want nog een klein moment – en dan is de gramschap voorbij en [zal] Mijn toorn [zich richten] op hún vernietiging.26Dan zal de HEERE van de legermachten over hem de gesel zwaaien, zoals [eens] Midian is geslagen bij de rots Oreb. Zijn staf zal over de zee zijn en Hij zal hem opheffen, zoals Hij eens bij Egypte deed.27Op die dag zal het gebeuren
dat zijn last van uw schouder zal afglijden
en zijn juk van uw hals; en [dat] juk zal te gronde gericht worden
omwille van de Gezalfde.28Hij komt naar Ajath,
trekt Migron door,
te Michmas legt hij zijn uitrusting af.
29Dan trekken zij de bergpas door:
Geba is ons nachtkwartier!
Rama beeft;
Gibea, [de stad] van Saul, slaat op de vlucht.
30Gil het uit, dochter van Gallim!
Laïs, sla er acht op!
Arm Anathoth!
31Madmena vlucht,
de inwoners van Gebim brengen zich in veiligheid.
32Vandaag nog staat hij in Nob
[en] zwaait met zijn vuist tegen de berg van de dochter van Sion,
de heuvel van Jeruzalem.33Zie, de Heere, de HEERE van de legermachten,
zal met geweld de takken afhouwen;
de statige [woud]reuzen zullen worden omgehakt,
en de hoge [bomen] neergeworpen.
34Hij zal het struikgewas in het woud wegkappen met het ijzer,
en de Libanon zal vallen door de Machtige.
), ook voor Rusland geldt.

We kunnen dat vergelijken met wat de Heer Jezus over Johannes zegt. De Heer noemt hem “Elia die zou komen” (Mt 11:1414En als u het wilt aannemen, hij is Elia die zou komen.). Maleachi heeft Elia aangekondigd (Ml 4:55Zie, Ik zend tot u
de profeet Elia,
voordat de dag van de HEERE komt,
die grote en ontzagwekkende [dag].
)
. Die aankondiging gaat met de komst van Johannes in vervulling, want hij is in geestelijk opzicht Elia. Hij heeft bekering gepredikt om het volk klaar te maken voor het ontvangen van de Messias. Maar het volk heeft zich niet bekeerd. Daarom moet Elia nog eens komen. Dat gebeurt bij de komst van de twee getuigen in Jeruzalem in de eindtijd van wie hij er één is (Op 11:3-63En ik zal aan Mijn twee getuigen [macht] geven en zij zullen profeteren twaalfhonderdzestig dagen lang, met zakken bekleed.4Dezen zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaars, die vóór de Heer van de aarde staan.5En als iemand hun schade wil toebrengen, komt er vuur uit hun mond en verteert hun vijanden; en als iemand hun schade wil toebrengen, dan moet hij zó gedood worden.6Dezen hebben de macht de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt in de dagen van hun profeteren; en zij hebben macht over de wateren om die in bloed te veranderen en om de aarde te slaan met allerlei plagen, zo dikwijls zij willen.). Elia is niet als persoon een van die getuigen, maar een van die getuigen vertoont zijn kenmerken.

Dit zien we bij Rusland die de kenmerken van Assyrië heeft. Er is een sterke verbinding tussen Rusland en Assyrië. Het is zelfs zo, dat Rusland de drijvende kracht achter het optreden van Assyrië is. Dat lezen we in Daniël 8 (Dn 8:21-2721En de harige bok is de koning van Griekenland, en de grote hoorn die tussen zijn ogen zat, dat is de eerste koning.22En dat die afbrak en er vier voor in de plaats kwamen: vier koninkrijken zullen uit [dat] volk ontstaan, maar zonder de kracht ervan.
23In het laatst van hun koningschap,
wanneer de afvalligen [de maat] hebben volgemaakt,
zal er een meedogenloze koning opstaan,
bedreven in slinkse streken.
24Zijn kracht zal machtig worden, maar niet door eigen kracht.
Op wonderlijke wijze zal hij verderf aanrichten,
het zal [hem] lukken, hij zal [het] doen.
Machtigen zal hij te gronde richten,
ook het heilige volk.
25Door zijn sluwheid
zal hij het bedrog onder zijn hand doen slagen.
Hij zal zich in zijn hart verheffen.
In [hun] zorgeloze rust zal hij velen te gronde richten.
Ja, tegen de Vorst der vorsten zal hij opstaan,
maar zonder [mensen]hand zal hij gebroken worden.26Wat betreft het visioen van de avond en de morgen,
wat gezegd is, dat is de waarheid.
En u, houd het visioen geheim,
want er liggen [nog] vele dagen vóór.
27Ik, Daniël, kon niet meer en was [enige] dagen ziek. Daarna stond ik op en deed ik [weer mijn] werk voor de koning. Ik was verbijsterd over het visioen, maar niemand merkte het.
)
, in het bijzonder in de zin: “Zijn kracht zal groot worden, maar niet door eigen kracht” (Dn 8:2424Zijn kracht zal machtig worden, maar niet door eigen kracht.
Op wonderlijke wijze zal hij verderf aanrichten,
het zal [hem] lukken, hij zal [het] doen.
Machtigen zal hij te gronde richten,
ook het heilige volk.
)
. Met "zijn kracht" wordt de kracht van Assyrië bedoeld, en met "niet door eigen kracht" wordt bedoeld dat hij wordt geholpen door de kracht van Rusland.

Er is wel een onderscheid, waarop hierboven al is gewezen, en het is goed dat in dit verband te herhalen. Andere volken, waaronder vooral Assyrië, die tegen Israël zijn opgetrokken, hebben gezegevierd omdat God hen als tuchtmiddel voor Zijn volk heeft gebruikt. Dat de HEERE Magog ofwel Rusland over Zijn land brengt, gebeurt niet als dreigement voor Zijn volk omdat het van Hem is afgeweken, want aan alle afwijking is een einde gekomen. Ze leven nu in vrede in het land onder de zegen en bescherming van hun Messias. Gog wordt niet gebruikt als tuchtmiddel, maar wordt geoordeeld vanwege zijn roofzuchtige begeerten, waarbij hij het bijzonder op Gods volk gemunt heeft.

Op de dag dat Gog in Gods land komt, zal de HEERE in grimmigheid tegen hem ontsteken (vers 1818Op die dag zal het gebeuren, op de dag dat Gog over het land van Israël komt, spreekt de Heere HEERE, dat Mijn grimmigheid in Mijn neus zal opstijgen.; Ps 18:9,169Rook steeg op uit Zijn neus
en vuur uit Zijn mond verteerde.
Kolen werden daardoor aangestoken.
16De waterstromen werden zichtbaar,
de fundamenten van de wereld werden blootgelegd
door Uw bestraffing, HEERE,
door het blazen van de adem uit Uw neus.
)
. In Zijn woede zal Hij het land Israël door een zware aardbeving doen schudden, zodat de opgetrokken legers niet zullen weten waar ze het zoeken moeten (vers 1919Want in Mijn na-ijver, in het vuur van Mijn verbolgenheid, heb Ik gesproken: Voorwaar, op die dag zal een zware aardbeving het land van Israël treffen!). De hele natuur zal beven, niet alleen de landdieren en alle mensen, maar ook de vissen in de zee en de vogels in de lucht (vers 2020De vissen in de zee, de vogels in de lucht, de dieren van het veld, al de kruipende dieren die op de aardbodem kruipen, en alle mensen die op de aardbodem zijn, zullen voor Mijn aangezicht beven. De bergen zullen omvergehaald worden, de bergwanden zullen instorten en alle muren zullen op de grond neervallen.). Elke plaats waar de vijanden beschutting zouden kunnen zoeken, wordt neergehaald. Het zal zo zijn, dat het land alleen zal beven op de plaatsen waar de vijanden zijn, terwijl de rust van Zijn volk niet zal worden verstoord. We zien iets dergelijks bij de plagen die God over Egypte brengt, terwijl Hij Zijn volk dat daar woont, van die plagen vrijwaart (Ex 8:2222Maar op die dag zal Ik de landstreek Gosen, waar Mijn volk woont, afzonderen, zodat daar geen steekvliegen zullen zijn, opdat u zult weten dat Ik, de HEERE, in het midden van het land [aanwezig] ben.; 9:4,264En de HEERE zal onderscheid maken tussen het vee van Israël en het vee van Egypte, zodat er niets zal sterven van alles wat van de Israëlieten is.26Alleen in de landstreek Gosen, waar de Israëlieten woonden, viel er geen hagel.; 11:77Maar bij alle Israëlieten zal [nog] geen hond zijn tong roeren tegen mens of dier. Zo zult u weten dat de HEERE onderscheid maakt tussen de Egyptenaren en de Israëlieten.).

Op al de bergen, die de HEERE “Mijn bergen” noemt, waar de vijanden zich onterecht bevinden, zal Hij het zwaard tegen hen oproepen (vers 2121Op al Mijn bergen zal Ik een zwaard tegen hem oproepen, spreekt de Heere HEERE. Ieders zwaard zal tegen zijn broeder zijn.). Dat zal hun eigen zwaard zijn. Hij zal het zwaard zijn dodelijke werk laten verrichten, doordat de vijanden, verdwaasd en verblind door de schrik, elkaar zullen doden (vgl. Ri 7:2222Toen de driehonderd op de bazuinen bliezen, richtte de HEERE het zwaard van de een tegen de ander, en [dat] in heel het kamp. En het leger vluchtte naar Beth-Sitta in de richting van Zerera, tot aan de oever van Abel-Mehola, boven Tabbath.; 1Sm 14:2020En Saul en al het volk dat bij hem was, werden [bijeen]geroepen en kwamen naar de [plaats van de] strijd. En zie, het zwaard van de een was tegen de ander; er heerste een bijzonder grote verwarring.). De pest zal ook uitbreken (vers 2222Ik zal met hem een rechtszaak voeren door pest en door bloed. Ik zal een [alles] wegspoelende regen, en hagelstenen, vuur en zwavel op hem doen regenen, op zijn troepen en op de vele volken die met hem zijn.). Daardoor en door het bloed dat het zwaard doet vloeien, zal God Zijn rechtszaak tegen Gog voeren.

Ook zal God Zelf actief deelnemen aan de strijd door vanuit de hemel “een [alles] wegspoelende regen, en hagelstenen, vuur en zwavel” als een regen op hem te laten neerkomen. En niet alleen op hem, maar ook op al zijn troepen en de vele volken die hem op deze expeditie vergezellen.

Met het oordeel over Gog geeft God een laatste bewijs van Zijn grootheid en heiligheid voor de ogen van vele heidenvolken (vers 2323Zo zal Ik Mijn grootheid tonen en Mij heiligen en voor de ogen van vele heidenvolken bekend worden. Dan zullen zij weten dat Ik de HEERE ben.). Hierdoor zullen ze allemaal weten dat Hij de HEERE is.

Deze strijd en dit oordeel van de HEERE vinden plaats, wanneer de Heer Jezus al in Jeruzalem is. Een vergelijking met de regeringen van David en Salomo kan helpen deze situatie te begrijpen. David en Salomo zijn samen een beeld van de Heer Jezus. David is een beeld van de Heer Jezus als de lijdende en ook heersende Koning en Salomo is een beeld van Hem als de Vredevorst. Zowel bij David als bij Salomo zien we dat niet alles direct vrede is als zij koning zijn. Ook dan zijn er tegenstanders die overwonnen moeten worden, voordat er werkelijk vrede in het rijk is.

Een andere overweging is, dat Gog zich nooit iets van God en Zijn Christus heeft aangetrokken. Hij heeft het bestaan van God en Christus altijd geloochend en zal dat blijven doen. Hij zal er dan ook totaal niet van onder de indruk zijn dat Christus Zijn troon in Jeruzalem heeft gevestigd. God heeft een paar hoofdstukken terug iets van Edom gezegd wat hierop lijkt. Hij weet dat Edom vermetel beweert: "Wij zullen ze in bezit nemen, al zou de HEERE daar zijn" (Ez 35:1010Omdat u zegt: Die beide volken en die beide landen zullen mij toebehoren, wij zullen ze in bezit nemen, al zou de HEERE daar zijn,). Zo gelooft Gog domweg niet in Zijn opperheerschappij. Voor hem regeert daar slechts een mens, hoewel een mens met een enorme macht. Aangestuurd en verblind door de satan voert hij zijn eigen goddeloze voornemens uit.

Wat God met Rusland doet, doet denken aan wat Hij eens door Elisa met het leger van de koning van Syrië heeft gedaan (2Kn 6:8-238De koning van Syrië voerde oorlog tegen Israël en pleegde overleg met zijn dienaren en zei: Mijn legerkamp moet op die en die plaats zijn.9Maar de man Gods stuurde [boden] naar de koning van Israël om te zeggen: Wees op uw hoede dat u niet langs die plaats trekt, want de Syriërs zijn daar neergestreken.10Daarom stuurde de koning van Israël [een boodschap] naar de plaats die de man Gods hem gezegd had en waarvoor deze hem had gewaarschuwd, zodat men daar op zijn hoede was; dat gebeurde niet een- of twee[maal].11Toen werd de koning van Syrië innerlijk verbolgen over deze zaak. Hij riep zijn dienaren en zei tegen hen: Kunt u mij niet vertellen wie van ons voor de koning van Israël is?12En een van zijn dienaren zei: Nee, mijn heer koning, maar Elisa, de profeet die in Israël is, maakt de koning van Israël de woorden bekend die u in uw slaapkamer spreekt.13Hij zei toen: Ga [op weg] en kijk waar hij is, zodat ik er [boden] opuit kan sturen en hem kan [laten] halen. Hem werd daarop verteld: Zie, hij is in Dothan.14Toen stuurde hij daar paarden en strijdwagens heen, en een groot leger. Die kwamen ‘s nachts en omsingelden de stad.15De dienaar van de man Gods stond heel vroeg op en ging naar buiten, en zie, een leger met paarden en strijdwagens omringde de stad. Toen zei zijn knecht tegen hem: Ach, mijn heer! Wat moeten wij doen?16Hij zei: Wees niet bevreesd, want die bij ons zijn, zijn méér dan die bij hen zijn.17En Elisa bad en zei: HEERE, open toch zijn ogen, zodat hij ziet. En de HEERE opende de ogen van de knecht, zodat hij zag; en zie, de berg was vol paarden en strijdwagens van vuur rondom Elisa.18Toen [de Syriërs] naar hem afdaalden, bad Elisa tot de HEERE en zei: Sla dit volk toch met blindheid. En Hij sloeg hen met blindheid, overeenkomstig het woord van Elisa.19Toen zei Elisa tegen hen: Dit is de weg niet en dit is de stad niet. Volg mij, dan zal ik u naar de man brengen die u zoekt. En hij bracht hen naar Samaria.20En het gebeurde, toen zij in Samaria aangekomen waren, dat Elisa zei: HEERE, open de ogen van deze [mannen], zodat zij zien. En de HEERE opende hun ogen, zodat zij zagen; en zie, zij waren midden in Samaria.21Toen hij hen zag, zei de koning van Israël tegen Elisa: Zal ik hen doden? Zal ik hen doden, mijn vader?22Maar hij zei: Dood hen niet! Zou u hén doden die u met uw zwaard en met uw boog gevangengenomen hebt? Zet hun brood en water voor, dan kunnen zij eten en drinken en [terug]gaan naar hun heer.23Hij bereidde daarop een grote maaltijd voor hen, en zij aten en dronken. Daarop stuurde hij hen [terug] en gingen zij naar hun heer. En de benden van de Syriërs kwamen niet meer in het land Israël [terug].). Het is een vergelijkbare geschiedenis met een volledig tegengesteld einde. De koning van Syrië stuurt een groot leger om één man, Elisa, gevangen te nemen. Op het gebed van Elisa slaat God dat grote leger met blindheid. Vervolgens brengt Elisa dit leger “midden in Samaria” (2Kn 6:2020En het gebeurde, toen zij in Samaria aangekomen waren, dat Elisa zei: HEERE, open de ogen van deze [mannen], zodat zij zien. En de HEERE opende hun ogen, zodat zij zagen; en zie, zij waren midden in Samaria.). De koning van Israël wil de vijanden doden, maar Elisa wil dat ze voedsel krijgen en kunnen terugkeren naar hun heer.

In de tijd van Elisa is er genade voor de Syriërs. Die genade is er in de tijd waarover Ezechiël spreekt voor Rusland niet. Zij worden door God “op de bergen van Israël” gebracht (Ez 39:1-21En u, mensenkind, profeteer tegen Gog, en zeg: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál u, Gog, oppervorst van Mesech en Tubal!2Ik zal u omkeren, u meeslepen, u doen optrekken uit het uiterste noorden en u op de bergen van Israël brengen,), dat is in het midden van het land, waar onder andere ook Samaria ligt. In dat gebied worden ze door God omgebracht.

Syrië en Rusland zijn in de tijd waarover Ezechiël spreekt nauw aan elkaar verbonden. We zien in onze dagen dat die nauwe band zich steeds duidelijker in het politieke krachtenveld openbaart. De vervulling van de profetie van Ezechiël 38-39 werpt haar schaduw vooruit.


Lees verder