Ezechiël
Inleiding 1-10 Het visioen van de beenderen 11-14 Verklaring van het visioen 15-28 God zal Juda en Israël herenigen
Inleiding

Israël zal een tweeledig herstel beleven:
1. Er zal een nationaal herstel zijn, een eigen volksbestaan met een eigen regering.
2. Er zal ook een geestelijk herstel zijn, een nieuw innerlijk, een nieuw hart en een nieuwe geest door de Geest bewerkt.

We zien deze twee zijden van het herstel in dit hoofdstuk en ook dat deze twee zijden in chronologische volgorde zullen plaatsvinden: eerst het nationale herstel en daarna het geestelijke herstel.

Dit hoofdstuk is het antwoord aan allen die geen herstel voor Israël zien, niet in de tijd van Ezechiël en niet in onze tijd. In de tijd van Ezechiël betekent de verwoesting van de tempel het verlies van hun geloof. Het volk is absoluut overtuigd van het definitieve einde van de natie en dat er geen herstel zal zijn (vers 1111Toen zei Hij tegen mij: Mensenkind, deze beenderen zijn heel het huis van Israël. Zie, ze zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vergaan, wij zijn afgesneden!; vgl. Ez 11:17-2017Zeg daarom: Zo zegt de Heere HEERE: Ik zal u verzamelen uit de volken, en Ik zal u bijeenbrengen uit de landen waarover u [overal] verspreid bent, en Ik zal u het land van Israël geven.18Zij zullen daarheen komen en daaruit al zijn afschuwelijke [afgoden] en al zijn gruweldaden wegdoen.19Ik zal hun één hart geven en een nieuwe geest in uw binnenste geven. Ik zal het hart van steen uit hun vlees wegdoen en hun een hart van vlees geven,20zodat zij in Mijn verordeningen gaan en Mijn bepalingen in acht nemen en die houden. Dan zullen zij Mij een volk zijn, en zal Ík hun een God zijn.). De HEERE antwoordt door een visioen (verzen 1-141De hand van de HEERE was op mij, en de HEERE bracht mij in de geest naar buiten en zette mij neer, midden in een vallei. Die lag vol beenderen.2Hij deed mij er aan alle kanten omheen gaan. En zie, er lagen er zeer veel op de grond van de vallei, en zie, ze waren zeer dor.3Hij zei tegen mij: Mensenkind, zullen deze beenderen tot leven komen? En ik zei: Heere HEERE, Ú weet [het]!4Toen zei Hij tegen mij: Profeteer tegen deze beenderen en zeg tegen hen: Dorre beenderen, hoor het woord van de HEERE.5Zo zegt de Heere HEERE tegen deze beenderen: Zie, Ik ga geest in u brengen en u zult tot leven komen.6Ik zal pezen op u leggen, vlees op u doen komen, een huid over u heen trekken, en geest in u geven, zodat u tot leven komt. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.7Toen profeteerde ik zoals mij geboden was, en er ontstond een geluid zodra ik profeteerde, en zie, een gedruis! De beenderen kwamen bij elkaar, [elk] been bij het bijbehorende been.8En ik zag, en zie, er kwamen pezen op, er kwam vlees op en Hij trok er een huid overheen, maar er was geen geest in hen.9Hij zei tegen mij: Profeteer tegen de geest, profeteer, mensenkind! Zeg tegen de geest: Zo zegt de Heere HEERE: Geest, kom uit de vier wind[streken] en blaas in deze gedoden, zodat zij tot leven komen.10Ik profeteerde zoals Hij mij geboden had. Toen kwam de geest in hen en zij kwamen tot leven. Zij gingen op hun voeten staan, een zeer, zeer groot leger.11Toen zei Hij tegen mij: Mensenkind, deze beenderen zijn heel het huis van Israël. Zie, ze zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vergaan, wij zijn afgesneden!12Profeteer daarom, en zeg tegen hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal uw graven openen en Ik zal u uit uw graven doen oprijzen, Mijn volk, en Ik zal u brengen in het land van Israël.13Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben, als Ik uw graven open en als Ik u uit uw graven doe oprijzen, Mijn volk.14Ik zal Mijn Geest in u geven, u zult tot leven komen en Ik zal u in uw land zetten. Dan zult u weten dat Ík, de HEERE, [dit] gesproken en gedaan heb, spreekt de HEERE.), een symbolische handeling (verzen 15-2515Het woord van de HEERE kwam tot mij:16En u, mensenkind, neem een stuk hout voor uzelf en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de Israëlieten, zijn metgezellen. Neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop: Voor Jozef, het stuk hout van Efraïm, en van heel het huis van Israël, zijn metgezellen.17Breng ze dan bij elkaar, het ene bij het andere, tot één stuk hout, zodat ze in uw hand één worden.18Als dan uw volksgenoten tegen u zeggen: Wilt u ons niet vertellen wat deze dingen voor u [betekenen]?19Spreek dan tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal het stuk hout van Jozef nemen, dat zich in de hand van Efraïm bevindt, en van de stammen van Israël, zijn metgezellen, en Ik zal het bij het stuk hout van Juda voegen, en Ik zal ze tot één stuk hout maken. Ze zullen in Mijn hand één worden.20Die stukken hout, die u beschreven hebt, moeten voor hun ogen in uw hand zijn.21En spreek tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga de Israëlieten nemen uit de heidenvolken waarheen zij gegaan zijn. Ik zal hen van rondom bijeenbrengen en hen naar hun land brengen.22Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allen één Koning als koning hebben. Zij zullen niet langer als twee volken zijn, en niet langer nog in twee koninkrijken verdeeld zijn.23Dan zullen zij zich niet meer verontreinigen met hun stinkgoden en met hun afschuwelijke [afgoden] en met al hun overtredingen. Ik zal hen verlossen in al hun woongebieden, waar zij gezondigd hebben, en Ik zal hen reinigen. Dan zullen zij een volk voor Mij zijn en Ík zal een God voor hen zijn.24En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn. Voor hen allen zal er één Herder zijn. Zij zullen in Mijn bepalingen wandelen en Mijn verordeningen in acht nemen en die houden.25Zij zullen wonen in het land dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb, waarin uw vaderen gewoond hebben. Zij zullen daarin wonen, zij met hun kinderen en hun kleinkinderen, tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal tot in eeuwigheid hun Vorst zijn.) en een verbond (verzen 26-2826Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten. Het zal een eeuwig verbond met hen zijn, Ik zal hun [een plaats] geven en hen talrijk maken, en Ik zal Mijn heiligdom in hun midden zetten tot in eeuwigheid.27Mijn tabernakel zal bij hen zijn, Ik zal een God voor hen zijn en zíj zullen een volk voor Mij zijn.28Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, Die Israël heiligt, wanneer Mijn heiligdom voor eeuwig in hun midden zal zijn.) op hun hopeloosheid.


Het visioen van de beenderen

1De hand van de HEERE was op mij, en de HEERE bracht mij in de geest naar buiten en zette mij neer, midden in een vallei. Die lag vol beenderen. 2Hij deed mij er aan alle kanten omheen gaan. En zie, er lagen er zeer veel op de grond van de vallei, en zie, ze waren zeer dor. 3Hij zei tegen mij: Mensenkind, zullen deze beenderen tot leven komen? En ik zei: Heere HEERE, Ú weet [het]! 4Toen zei Hij tegen mij: Profeteer tegen deze beenderen en zeg tegen hen: Dorre beenderen, hoor het woord van de HEERE. 5Zo zegt de Heere HEERE tegen deze beenderen: Zie, Ik ga geest in u brengen en u zult tot leven komen. 6Ik zal pezen op u leggen, vlees op u doen komen, een huid over u heen trekken, en geest in u geven, zodat u tot leven komt. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben. 7Toen profeteerde ik zoals mij geboden was, en er ontstond een geluid zodra ik profeteerde, en zie, een gedruis! De beenderen kwamen bij elkaar, [elk] been bij het bijbehorende been. 8En ik zag, en zie, er kwamen pezen op, er kwam vlees op en Hij trok er een huid overheen, maar er was geen geest in hen. 9Hij zei tegen mij: Profeteer tegen de geest, profeteer, mensenkind! Zeg tegen de geest: Zo zegt de Heere HEERE: Geest, kom uit de vier wind[streken] en blaas in deze gedoden, zodat zij tot leven komen. 10Ik profeteerde zoals Hij mij geboden had. Toen kwam de geest in hen en zij kwamen tot leven. Zij gingen op hun voeten staan, een zeer, zeer groot leger.

Ezechiël krijgt een bijzonder visioen te zien (vers 11De hand van de HEERE was op mij, en de HEERE bracht mij in de geest naar buiten en zette mij neer, midden in een vallei. Die lag vol beenderen.). Daarvoor komt de hand van de HEERE op hem (vgl. Ez 1:33kwam het woord van de HEERE uitdrukkelijk tot Ezechiël, de zoon van Buzi, de priester, in het land van de Chaldeeën bij de rivier de Kebar, en de hand van de HEERE was daar op hem.; 3:14,2214Toen hief de Geest mij op en voerde mij weg en ik ging weg, bitter bedroefd en hevig ontdaan, en de hand van de HEERE was zwaar op mij.22De hand van de HEERE was daar op mij en Hij zei tegen mij: Sta op, vertrek naar de vallei en daar zal Ik met u spreken.; 8:11Het gebeurde in het zesde jaar, in de zesde [maand], op de vijfde van de maand, toen ik in mijn huis zat en de oudsten van Juda vóór mij zaten, dat daar de hand van de Heere HEERE op mij viel.; 33:2222Nu was de hand van de HEERE 's avonds op mij geweest, voordat de ontkomene aangekomen was. Hij had mijn mond geopend voordat hij 's morgens bij mij gekomen was. Zo werd mijn mond geopend en was ik niet langer stom.; 40:11In het vijfentwintigste jaar van onze ballingschap, aan het begin van het jaar, op de tiende van de maand, in het veertiende jaar nadat de stad was verslagen, op diezelfde dag was de hand van de HEERE op mij en bracht Hij mij erheen.). De HEERE neemt hem in de geest op en brengt hem buiten zijn huis en woonplaats en zet hem neer, midden in een vallei of dal (vgl. Ez 3:2222De hand van de HEERE was daar op mij en Hij zei tegen mij: Sta op, vertrek naar de vallei en daar zal Ik met u spreken.). De vallei is bedekt met beenderen van mensen. Het dal is geen begraafplaats, maar een slagveld (vgl. vers 1010Ik profeteerde zoals Hij mij geboden had. Toen kwam de geest in hen en zij kwamen tot leven. Zij gingen op hun voeten staan, een zeer, zeer groot leger.). Het slagveld is gevuld met beenderen van de gesneuvelden die onbegraven zijn blijven liggen. Het is een grote smaad om niet begraven te zijn (vgl. 2Sm 21:12-1412Toen ging David bij de burgers van Jabes in Gilead de beenderen van Saul en de beenderen van diens zoon Jonathan halen. Zij hadden die weggenomen van het plein in Beth-San, waar de Filistijnen hen hadden opgehangen, op de dag dat de Filistijnen Saul gedood hadden op de Gilboa.13Hij bracht vandaar de beenderen van Saul en de beenderen van diens zoon Jonathan mee. Ook verzamelden zij de beenderen van hen die opgehangen waren.14Zij begroeven de beenderen van Saul en van zijn zoon Jonathan in het land van Benjamin in Zela, in het graf van zijn vader Kis, en deden alles wat de koning geboden had. En daarna liet God Zich verbidden ten gunste van het land.; Ps 141:77Onze beenderen liggen verstrooid bij de mond van het graf,
alsof iemand op de grond [iets] gekloofd en gespleten had.
; Jr 8:1-21In die tijd, spreekt de HEERE, zullen zij de beenderen van de koningen van Juda, de beenderen van hun vorsten, de beenderen van de priesters, de beenderen van de profeten en de beenderen van de inwoners van Jeruzalem uit hun graven halen,2en ze uitspreiden voor de zon, voor de maan en voor heel het leger aan de hemel, die zij hebben liefgehad, die zij hebben gediend, die zij achterna zijn gegaan, die zij hebben geraadpleegd en waarvoor zij zich hebben neergebogen. Die zullen niet verzameld en niet begraven worden: als mest op de aardbodem zullen zij zijn.; 22:1919Met een ezelsbegrafenis zal hij begraven worden:
men zal [hem] wegslepen en wegwerpen,
ver weg van de poorten van Jeruzalem.
; Ez 6:55Ik zal de dode lichamen van de Israëlieten vóór hun stinkgoden leggen en Ik zal uw beenderen rondom uw altaren verstrooien.)
. Die smaad is over Israël gekomen.

De HEERE laat hem in de geest aan alle kanten om de beenderen heen gaan (vers 22Hij deed mij er aan alle kanten omheen gaan. En zie, er lagen er zeer veel op de grond van de vallei, en zie, ze waren zeer dor.). Daardoor kan hij het hele schouwspel goed in zich opnemen. Hij constateert dat het er zeer veel zijn en ook dat ze heel erg dor zijn. Het is een massaslachting geweest die heel grondig is verricht. Alle leven is er al lang geleden uit verdwenen.

Dan stelt de HEERE Ezechiël de vraag of deze beenderen weer tot leven zullen komen (vers 33Hij zei tegen mij: Mensenkind, zullen deze beenderen tot leven komen? En ik zei: Heere HEERE, Ú weet [het]!). Het enige antwoord dat Ezechiël kan geven, is dat de HEERE het weet. Zijn antwoord geeft enerzijds aan dat hij geen antwoord weet op de vraag of het zelfs voor onmogelijk houdt het te kunnen weten, want het tafereel biedt werkelijk geen enkele hoop op leven. Anderzijds geeft zijn antwoord aan dat hij ervan overtuigd is, dat de HEERE het antwoord wel weet en ook in staat is om leven te geven waar de situatie zo hopeloos is (vgl. Gn 18:1414Zou er iets voor de HEERE te wonderlijk zijn? Op de vastgestelde tijd, over een jaar, zal Ik bij u terugkomen, en Sara zal een zoon hebben!; Jr 32:17-1817Ach, Heere HEERE! Zie, Ú hebt de hemel en de aarde gemaakt door Uw grote kracht en door Uw uitgestrekte arm. Niets is voor U te wonderlijk.18U, Die goedertierenheid bewijst aan duizenden, Die de ongerechtigheid van de vaderen vergeldt in de schoot van hun kinderen na hen, U, grote, machtige God – HEERE van de legermachten is Zijn Naam –). Hij gelooft, zoals iedere oudtestamentische gelovige, in de opstanding als een daad van de macht van de HEERE (Js 25:88Hij zal de dood voor altijd verslinden,
de Heere HEERE zal de tranen van alle gezichten afwissen
en de smaad van Zijn volk wegnemen van heel de aarde,
want de HEERE heeft gesproken.
; 26:1919Uw doden zullen leven – [ook] mijn dood lichaam – zij zullen opstaan.
Ontwaak en juich, u die woont in het stof,
want Uw dauw zal zijn [als] dauw op jong, fris groen
en de aarde zal de gestorvenen baren.
; Dn 12:22En velen van hen die slapen
in het stof van de aarde, zullen ontwaken,
sommigen tot eeuwig leven,
anderen tot smaad, tot eeuwig afgrijzen.
; Hs 6:22Na twee dagen zal Hij ons levend maken,
op de derde dag zal Hij ons doen opstaan
en zullen wij voor Zijn aangezicht leven.
)
.

Na zijn antwoord, waaruit vertrouwen in de HEERE spreekt, krijgt hij de opdracht om tegen de beenderen te profeteren (vers 44Toen zei Hij tegen mij: Profeteer tegen deze beenderen en zeg tegen hen: Dorre beenderen, hoor het woord van de HEERE.). Hij moet de dorre beenderen aanspreken en hun gebieden het woord van de HEERE te horen. Menselijkerwijs is het dwaasheid om tot dorre doodsbeenderen te spreken alsof ze als levende wezens kunnen horen en gehoorzamen. Maar voor God is dat geen probleem. Het toont Zijn Godheid. Hij roept de dingen die niet zijn, alsof zij waren, en Hij brengt leven waar de dood heerst (Rm 4:17b17(zoals geschreven staat: ‘Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld’) voor het aangezicht van God Die hij geloofde – Die de doden levend maakt en de dingen die niet zijn, roept alsof zij zijn –,). Dat is in geestelijk opzicht ook zo. Wij waren dood in misdaden en zonden, maar toen de stem van de Zoon van God tot ons klonk, kwam er een uitgaan vanuit de dood in het leven (Jh 5:2525Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: er komt een uur, en het is nu, dat de doden de stem van de Zoon van God zullen horen en zij die deze hebben gehoord, zullen leven.).

De Heere HEERE spreekt door Ezechiël tot de beenderen dat Hij de levensgeest in hen zal geven, waardoor ze tot leven zullen komen (vers 55Zo zegt de Heere HEERE tegen deze beenderen: Zie, Ik ga geest in u brengen en u zult tot leven komen.; vgl. Gn 2:77toen vormde de HEERE God de mens [uit] het stof van de aardbodem en blies de levensadem in zijn neusgaten; zo werd de mens tot een levend wezen.; Nm 16:2222Maar zij wierpen zich met hun gezicht [ter aarde] en zeiden: O God! God van de geesten van alle vlees! Als één man zondigt, zult U dan zeer toornig worden op heel de gemeenschap?; Ps 104:2929Verbergt U Uw aangezicht, zij worden door schrik overmand,
neemt U hun adem weg, zij geven de geest
en keren terug tot hun stof.
; Pr 3:2121Wie merkt op
dat de adem van de mensenkinderen
naar boven stijgt
en de adem van de dieren
naar beneden daalt naar de aarde?
)
. Om dat te bewerken zal Hij de beenderen alles geven wat ze nodig hebben om een lichaam te vormen, zoals pezen, vlees en een huid (vers 66Ik zal pezen op u leggen, vlees op u doen komen, een huid over u heen trekken, en geest in u geven, zodat u tot leven komt. Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben.; vgl. Jb 10:1111Met huid en vlees hebt U mij bekleed;
met beenderen en pezen hebt U mij samengeweven.
)
. Hij zal hun ook een geest geven, zodat de beenderen tot leven zullen kunnen komen. Door deze handeling van de HEERE zullen de beenderen weten dat Hij de HEERE is. De eer van deze gebeurtenis is voor Hem.

Ezechiël doet wat hem is geboden (vers 77Toen profeteerde ik zoals mij geboden was, en er ontstond een geluid zodra ik profeteerde, en zie, een gedruis! De beenderen kwamen bij elkaar, [elk] been bij het bijbehorende been.; vgl. Ez 12:77Toen deed ik precies zoals mij geboden was. Overdag bracht ik mijn bagage naar buiten als bagage voor ballingschap en 's avonds brak ik voor mijzelf met de hand door de muur heen. In het donker bracht ik [alles] naar buiten [en] droeg ik het voor hun ogen op [mijn] schouder.; 24:1818's Morgens sprak ik tot het volk en 's avonds stierf mijn vrouw. De [volgende] morgen deed ik zoals mij geboden was.). Zijn profeteren heeft onmiddellijk resultaat. Eerst ontstaat er het geluid van een gedruis. Dat gedruis ontstaat doordat de beenderen gaan bewegen. Ze nemen elk hun eigen plaats in ten opzichte van de andere beenderen. Zo voegen zij zich aaneen tot geordende geraamten. Vervolgens ziet Ezechiël hoe de pezen en het vlees erop komen en hoe de HEERE de huid eroverheen trekt (vers 88En ik zag, en zie, er kwamen pezen op, er kwam vlees op en Hij trok er een huid overheen, maar er was geen geest in hen.). Maar er is nog geen geest in de lichamen. Het blijven nog lijken.

Om de levensgeest in de lichamen te brengen gebruikt de HEERE Ezechiël (vers 99Hij zei tegen mij: Profeteer tegen de geest, profeteer, mensenkind! Zeg tegen de geest: Zo zegt de Heere HEERE: Geest, kom uit de vier wind[streken] en blaas in deze gedoden, zodat zij tot leven komen.). Ezechiël moet profeteren tegen de geest om in de gedoden te komen. Hij moet de geest “uit de vier wind[streken]” roepen, wat een toespeling is op het feit dat de Israëlieten naar alle hoeken van de aarde verstrooid zijn en van daaruit bijeen moeten worden verzameld (vgl. Jr 31:8a8Zie, Ik doe hen komen
uit het land van het noorden,
Ik zal hen bijeenbrengen van de uithoeken van de aarde;
onder hen zijn blinden en verlamden,
zwangeren en barenden met elkaar:
[met] een grote menigte zullen zij hierheen terugkomen.
; Js 43:5-65Wees niet bevreesd, want Ik ben met u.
Vanwaar [de zon] opkomt, zal Ik uw nageslacht halen
en vanwaar [hij] ondergaat zal Ik u bijeenbrengen.
6Ik zal zeggen tegen het noorden: Geef!
En tegen het zuiden: Weerhoud niet!
Breng Mijn zonen van ver,
en Mijn dochters van het einde der aarde.
)
. Deze geest is de levensadem die van God komt en die door de hele natuur waait en aan alle schepselen het leven geeft.

Ezechiël doet weer zoals hem door de HEERE geboden is (vers 1010Ik profeteerde zoals Hij mij geboden had. Toen kwam de geest in hen en zij kwamen tot leven. Zij gingen op hun voeten staan, een zeer, zeer groot leger.). Dan komt de geest in hen en de lichamen komen tot leven. Er ontstaat zo een groot leger. Ezechiël is zichtbaar onder de indruk van de grootte van dat leger en spreekt over “een zeer, zeer groot leger”.


Verklaring van het visioen

11Toen zei Hij tegen mij: Mensenkind, deze beenderen zijn heel het huis van Israël. Zie, ze zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vergaan, wij zijn afgesneden! 12Profeteer daarom, en zeg tegen hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal uw graven openen en Ik zal u uit uw graven doen oprijzen, Mijn volk, en Ik zal u brengen in het land van Israël. 13Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben, als Ik uw graven open en als Ik u uit uw graven doe oprijzen, Mijn volk. 14Ik zal Mijn Geest in u geven, u zult tot leven komen en Ik zal u in uw land zetten. Dan zult u weten dat Ík, de HEERE, [dit] gesproken en gedaan heb, spreekt de HEERE.

Dan geeft de HEERE Ezechiël de verklaring van het visioen (vers 1111Toen zei Hij tegen mij: Mensenkind, deze beenderen zijn heel het huis van Israël. Zie, ze zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vergaan, wij zijn afgesneden!). De doodsbeenderen zijn niet alleen een beeld van Juda, maar van “heel het huis van Israël”. Het hele volk heeft de hoop op een volksbestaan opgegeven. Ze zien zichzelf als afgesneden van Gods land en Gods zegeningen. Dat is ook hun situatie als gevolg van hun zonden. Ze leiden een dor en doods bestaan (vgl. Ps 31:1111Want mijn leven teert weg door verdriet
en mijn jaren door zuchten;
mijn kracht is vervallen door mijn ongerechtigheid
en mijn beenderen zijn verzwakt.
; 32:33Toen ik zweeg, teerden mijn beenderen weg,
onder mijn jammerklachten, de hele dag.
)
.

Na het slagveld als beeld van de dood krijgen we nu de graven als beeld van de dood. De vallei met dorre beenderen spreekt over de totaliteit van de nederlaag. Er is niemand die is overgebleven om de beenderen te begraven. Het graf spreekt over de onmogelijkheid om weer tot leven te komen. Het volk is als het ware begraven in Babel en andere landen. Daarom moet Ezechiël profeteren dat de Heere HEERE de graven zal openen en hen daaruit zal doen oprijzen en dat Hij hen “in het land van Israël” zal brengen (vers 1212Profeteer daarom, en zeg tegen hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal uw graven openen en Ik zal u uit uw graven doen oprijzen, Mijn volk, en Ik zal u brengen in het land van Israël.).

Hij noemt hen hier “Mijn volk”. Hij zal hen uit het graf doen oprijzen omdat Israël Zijn volk is. Die profetie heeft geen betrekking op de afvallige massa, maar op het overblijfsel dat Hij naar de verkiezing van Zijn genade altijd voor Zichzelf in stand houdt (Rm 11:55Zo is er dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel naar [de] verkiezing van [de] genade.).

Deze profetie is een prachtige belofte van het herstel van Israël als natie in hun land. De terugkeer uit Babel is als een herrijzenis uit het graf en de dood. Maar dat is slechts een gedeeltelijke en ook nog een tijdelijke herrijzenis. In de toekomst zal die herrijzenis nadrukkelijk voor het hele volk gelden.

Ze zullen weten dat Hij de HEERE is, wanneer Hij dit machtige levendmakende werk aan Zijn volk heeft gedaan door hun graven te openen en hen uit hun graven te laten oprijzen (vers 1313Dan zult u weten dat Ik de HEERE ben, als Ik uw graven open en als Ik u uit uw graven doe oprijzen, Mijn volk.). Dan zal Hij hun ook Zijn Geest geven en zij zullen, na hun nationale herstel, ook innerlijk hersteld worden en nieuw leven ontvangen (vers 1414Ik zal Mijn Geest in u geven, u zult tot leven komen en Ik zal u in uw land zetten. Dan zult u weten dat Ík, de HEERE, [dit] gesproken en gedaan heb, spreekt de HEERE.). Ze zullen zien dat wat de HEERE gesproken heeft, ook door Hem waargemaakt is. De Geest moet nog komen (Jl 2:28-3228Daarna zal het geschieden
dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op alle vlees:
uw zonen en uw dochters zullen profeteren,
uw ouderen zullen dromen dromen,
uw jongemannen zullen visioenen zien.29Ja, zelfs op de dienaren en op de dienaressen
zal Ik in die dagen Mijn Geest uitstorten.30Ik zal wondertekenen geven aan de hemel en op de aarde:
bloed en vuur en rookzuilen.
31De zon zal veranderd worden in duisternis
en de maan in bloed,
voor die dag van de HEERE komt,
die grote en ontzagwekkende.32Het zal geschieden dat ieder die de Naam van de HEERE zal aanroepen, behouden zal worden.
Want op de berg Sion en in Jeruzalem zal ontkoming zijn,
zoals de HEERE gezegd heeft,
namelijk bij hen die ontkomen zijn,
die de HEERE roepen zal.
)
. Hij komt in een bekeerd Israël. Het is, zoals al is gezegd, een herstel in twee fasen: eerst nationaal, daarna geestelijk.


God zal Juda en Israël herenigen

15Het woord van de HEERE kwam tot mij: 16En u, mensenkind, neem een stuk hout voor uzelf en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de Israëlieten, zijn metgezellen. Neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop: Voor Jozef, het stuk hout van Efraïm, en van heel het huis van Israël, zijn metgezellen. 17Breng ze dan bij elkaar, het ene bij het andere, tot één stuk hout, zodat ze in uw hand één worden. 18Als dan uw volksgenoten tegen u zeggen: Wilt u ons niet vertellen wat deze dingen voor u [betekenen]? 19Spreek dan tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal het stuk hout van Jozef nemen, dat zich in de hand van Efraïm bevindt, en van de stammen van Israël, zijn metgezellen, en Ik zal het bij het stuk hout van Juda voegen, en Ik zal ze tot één stuk hout maken. Ze zullen in Mijn hand één worden. 20Die stukken hout, die u beschreven hebt, moeten voor hun ogen in uw hand zijn. 21En spreek tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga de Israëlieten nemen uit de heidenvolken waarheen zij gegaan zijn. Ik zal hen van rondom bijeenbrengen en hen naar hun land brengen. 22Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allen één Koning als koning hebben. Zij zullen niet langer als twee volken zijn, en niet langer nog in twee koninkrijken verdeeld zijn. 23Dan zullen zij zich niet meer verontreinigen met hun stinkgoden en met hun afschuwelijke [afgoden] en met al hun overtredingen. Ik zal hen verlossen in al hun woongebieden, waar zij gezondigd hebben, en Ik zal hen reinigen. Dan zullen zij een volk voor Mij zijn en Ík zal een God voor hen zijn. 24En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn. Voor hen allen zal er één Herder zijn. Zij zullen in Mijn bepalingen wandelen en Mijn verordeningen in acht nemen en die houden. 25Zij zullen wonen in het land dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb, waarin uw vaderen gewoond hebben. Zij zullen daarin wonen, zij met hun kinderen en hun kleinkinderen, tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal tot in eeuwigheid hun Vorst zijn. 26Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten. Het zal een eeuwig verbond met hen zijn, Ik zal hun [een plaats] geven en hen talrijk maken, en Ik zal Mijn heiligdom in hun midden zetten tot in eeuwigheid. 27Mijn tabernakel zal bij hen zijn, Ik zal een God voor hen zijn en zíj zullen een volk voor Mij zijn. 28Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, Die Israël heiligt, wanneer Mijn heiligdom voor eeuwig in hun midden zal zijn.

Het woord van de HEERE komt tot Ezechiël (vers 1515Het woord van de HEERE kwam tot mij:). Hij moet weer een zinnebeeldige handeling verrichten (vers 1616En u, mensenkind, neem een stuk hout voor uzelf en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de Israëlieten, zijn metgezellen. Neem dan een ander stuk hout en schrijf daarop: Voor Jozef, het stuk hout van Efraïm, en van heel het huis van Israël, zijn metgezellen.; vgl. Ez 4:1,91En u, mensenkind, neem u een tegel, leg die vóór u neer en teken daarop een stad, Jeruzalem.9En u, neem u tarwe, gerst, bonen, linzen, gierst en spelt. Doe die dan in één pot en maak daarvan voor uzelf brood. Het aantal dagen dat u op uw zij ligt, driehonderdnegentig dagen, moet u dat eten.; 5:11En u, mensenkind, neem u een scherp zwaard. U moet [dat] voor uzelf [als] kappersscheermes gebruiken, en dat over uw hoofd en over uw baard laten gaan. Daarna moet u voor uzelf een weegschaal nemen en de [haren] verdelen.; 6:1111Zo zegt de Heere HEERE: Sla uzelf in uw hand, stamp met uw voet en zeg ‘ach’ over alle gruwelijke slechte daden van het huis van Israël, want zij zullen door het zwaard, door de honger en door de pest vallen.; 12:33En u, mensenkind, maak voor uzelf bagage voor de ballingschap gereed en ga voor hun ogen overdag in ballingschap: voor hun ogen moet u vanuit uw [woon]plaats naar een andere plaats in ballingschap gaan. Misschien zullen zij inzien dat zij een opstandig huis zijn.; 24:1616Mensenkind, zie, Ik ga [haar die] de lust van uw ogen is, door een [plotselinge] slag van u wegnemen. Toch mag u geen rouw bedrijven, u mag niet huilen en geen traan laten.). Hij moet een stuk hout nemen. Daarop moet hij “voor Juda” schrijven, dat is het tweestammenrijk. Hij moet daarop ook “voor de Israëlieten” schrijven. Daarmee wordt niet het hele tienstammenrijk bedoeld, maar worden de “metgezellen” van Juda onder de Israëlieten bedoeld. Bij deze metgezellen kunnen we denken aan de stam Simeon (Jz 19:1-91Het tweede lot kwam uit op Simeon, op de stam van de nakomelingen van Simeon, naar hun geslachten. En hun erfelijk bezit lag te midden van het erfelijk bezit van de nakomelingen van Juda.2En zij hadden in hun erfelijk bezit: Berseba, Seba en Molada;3Hazar-Sual, Bala en Azem;4Eltholad, Bethul en Horma;5Ziklag, Beth-Hammerchaboth en Hazar-Suza;6Beth-Lebaoth en Saruhen: dertien steden met hun dorpen;7Ain, Rimmon, Ether en Asan: vier steden met hun dorpen;8en alle dorpen die rondom deze steden lagen, tot Baälath-Beër, [dat is] Ramath van het zuiden. Dit is het erfelijk bezit van de stam van de nakomelingen van Simeon, naar hun geslachten.9Het erfelijk bezit van de nakomelingen van Simeon [lag] binnen het gebied van de nakomelingen van Juda, want het erfelijk bezit van de nakomelingen van Juda was te groot voor hen. Te midden van hun erfelijk bezit ontvingen de nakomelingen van Simeon daarom erfelijk bezit.) en aan de stam Benjamin. Ook kunnen we denken aan hen die zich in de loop van de tijd vanuit het tienstammenrijk bij het tweestammenrijk hebben gevoegd omdat ze trouw willen blijven aan de dienst van de HEERE in de tempel te Jeruzalem (2Kr 11:13-1413Verder voegden de priesters en de Levieten, die in heel Israël waren, zich vanuit heel hun gebied bij hem.14Want de Levieten verlieten hun weidegronden en hun bezit, en gingen naar Juda en naar Jeruzalem, omdat Jerobeam en zijn zonen hen uit de priesterdienst voor de HEERE verstoten hadden.; 15:99Hij riep heel Juda en Benjamin bijeen, en hen die als vreemdelingen uit Efraïm, Manasse en uit Simeon bij hen verbleven. In groten getale waren zij uit Israël naar hem toe gekomen, toen zij zagen, dat de HEERE, zijn God, met hem was.; 30:11,1811Maar toch vernederden sommigen van Aser, Manasse en van Zebulon zich en kwamen naar Jeruzalem.18Want een groot deel van het volk, velen uit Efraïm, Manasse, Issaschar en Zebulon, hadden zich niet gereinigd. Toch aten zij het Pascha, [maar] niet zoals het voorgeschreven was. Hizkia bad echter voor hen en zei: Laat de HEERE, Die goed is, verzoening doen voor [hem]; 31:11Toen nu dit alles beëindigd was, vertrokken alle Israëlieten die zich daar bevonden, naar de steden van Juda. Zij braken de gewijde stenen in stukken, hakten de gewijde palen om en braken de [offer]hoogten en de altaren af in heel Juda en Benjamin, ook in Efraïm en Manasse, totdat zij alles vernietigd hadden. Daarna keerden al de Israëlieten terug, ieder naar zijn bezit, naar hun steden.).

Ezechiël moet dan een ander stuk hout nemen en daarop “voor Jozef” schrijven. Het is “het stuk hout van Efraïm” – de naam die vaak gebruikt wordt om het geheel van de tien stammen mee aan te duiden – “en van heel het huis van Israël, zijn metgezellen”. “Zijn metgezellen” zijn allen die tot de tien stammen behoren.

Ezechiël moet vervolgens die twee stukken hout bij elkaar brengen en “tot één stuk hout” maken, zodat ze in zijn hand één worden (vers 1717Breng ze dan bij elkaar, het ene bij het andere, tot één stuk hout, zodat ze in uw hand één worden.). De symboliek van de handeling is duidelijk. Toch verwacht de HEERE dat de ballingen vragen zullen stellen over wat Ezechiël doet (vers 1818Als dan uw volksgenoten tegen u zeggen: Wilt u ons niet vertellen wat deze dingen voor u [betekenen]?). De symboliek is dat de beide huizen van Israël weer één zullen worden. Maar bij het weggevoerde volk is daar geen enkel geloof in. Ze vragen dan ook niet zozeer wat het voor hen betekent, maar wat het voor Ezechiël betekent, wat hij ermee wil.

De HEERE zegt tegen Ezechiël wat hij moet antwoorden (vers 1919Spreek dan tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal het stuk hout van Jozef nemen, dat zich in de hand van Efraïm bevindt, en van de stammen van Israël, zijn metgezellen, en Ik zal het bij het stuk hout van Juda voegen, en Ik zal ze tot één stuk hout maken. Ze zullen in Mijn hand één worden.). Dan blijkt dat wat Ezechiël moet doen, de handelingen van de HEERE Zelf zijn. Hij, de HEERE, neemt Efraïm als een stuk hout en voegt het bij het stuk hout dat Juda voorstelt. Zo maakt Hij die twee tot één stuk. De plaats waar dat gebeurt, is Zijn hand. In Zijn hand worden ze één. Het samenvoegen is Zijn werk. Terwijl Ezechiël doorgeeft wat de HEERE zegt, moet hij de stukken hout, waarop hij de namen heeft geschreven, voor de ogen van zijn gehoor in zijn hand houden (vers 2020Die stukken hout, die u beschreven hebt, moeten voor hun ogen in uw hand zijn.).

Vervolgens zegt de HEERE tegen Ezechiël dat hij tegen zijn volksgenoten moet zeggen hoe Hij de beide stukken hout tot één stuk hout zal maken (vers 2121En spreek tot hen: Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga de Israëlieten nemen uit de heidenvolken waarheen zij gegaan zijn. Ik zal hen van rondom bijeenbrengen en hen naar hun land brengen.). Hij zal de Israëlieten uit alle volken waarheen ze verstrooid zijn, bijeen verzamelen en hen naar hun land brengen. Dan zal Hij hen op de bergen van Israël tot één volk maken (vers 2222Ik zal hen tot één volk maken in het land, op de bergen van Israël. Zij zullen allen één Koning als koning hebben. Zij zullen niet langer als twee volken zijn, en niet langer nog in twee koninkrijken verdeeld zijn.). Ze zullen dan één Koning over zich hebben, dat is de Messias, en zullen niet langer verdeeld zijn. Deze profetie is niet vervuld bij de terugkeer uit de Babylonische ballingschap, maar zal in de toekomst worden vervuld.

Als ze dan in hun land wonen en de zegen van de heerschappij van de Messias genieten, zullen ze niet meer in afgoderij vervallen (vers 2323Dan zullen zij zich niet meer verontreinigen met hun stinkgoden en met hun afschuwelijke [afgoden] en met al hun overtredingen. Ik zal hen verlossen in al hun woongebieden, waar zij gezondigd hebben, en Ik zal hen reinigen. Dan zullen zij een volk voor Mij zijn en Ík zal een God voor hen zijn.). Hun terugkeer zal samengaan met een reinigend werk van de HEERE. Hij kan alleen een gereinigd en rein volk als Zijn volk erkennen en van dat volk hun God zijn. Zijn Knecht David is de Messias (vgl. Js 9:66Aan de uitbreiding van deze heerschappij
en aan de vrede zal geen einde komen
op de troon van David
en over zijn koninkrijk,
om het te grondvesten
en het te ondersteunen
door recht en gerechtigheid,
van nu aan tot in eeuwigheid.
De na-ijver van de HEERE van de legermachten
zal dit doen.
; Jr 23:55Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE,
dat Ik voor David een rechtvaardige SPRUIT zal doen opstaan.
Hij zal als Koning regeren en verstandig handelen,
Hij zal recht en gerechtigheid doen op de aarde.
; 30:99maar zij zullen de HEERE, hun God, dienen, en hun Koning David, Die Ik hun zal doen opstaan.
; 33:1717Want zo zegt de HEERE: Aan David zal het niet aan een man ontbreken die op de troon van het huis van Israël zit,; Am 9:1111Op die dag zal Ik oprichten
de vervallen hut van David.
Zijn scheuren zal Ik dichtmaken,
en wat aan hem is afgebroken, zal Ik oprichten,
Ik zal hem opbouwen als [in] de dagen van oude tijden af;
; Mi 5:1-31En u, Bethlehem-Efratha,
[al] bent u klein om te zijn onder de duizenden van Juda,
uit u zal Mij voortkomen
Die een Heerser zal zijn in Israël.
Zijn oorsprongen zijn van oudsher,
van eeuwige dagen af.2Daarom zal Hij hen overgeven
tot de tijd dat zij die baren zal, gebaard heeft.
Dan zal de rest van Zijn broeders zich bekeren,
met de Israëlieten.3Hij zal staan en [hen] weiden in de kracht van de HEERE,
in de majesteit van de Naam van de HEERE, Zijn God.
Zij zullen [veilig] wonen, want nu zal Hij groot zijn
tot aan de einden van de aarde.
)
. Hij zal zowel Koning als Herder zijn (vers 2424En Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn. Voor hen allen zal er één Herder zijn. Zij zullen in Mijn bepalingen wandelen en Mijn verordeningen in acht nemen en die houden.). De Heer Jezus, Die nu al onze Herder is, zal dan ook de Herder van Zijn volk zijn. Onder een dergelijke leiding van liefdevolle zorg en weldadig gezag zullen zij in de bepalingen van de HEERE wandelen en Zijn verordeningen in acht nemen. Ze zullen niet anders willen.

Het land waar ze wonen, is het land dat de HEERE vele eeuwen geleden aan Zijn knecht Jakob heeft beloofd (vers 2525Zij zullen wonen in het land dat Ik aan Mijn knecht, aan Jakob, gegeven heb, waarin uw vaderen gewoond hebben. Zij zullen daarin wonen, zij met hun kinderen en hun kleinkinderen, tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal tot in eeuwigheid hun Vorst zijn.; Gn 28:1313En zie, de HEERE stond boven aan die [ladder] en zei: Ik ben de HEERE, de God van uw vader Abraham en de God van Izak; dit land waarop u ligt te slapen, zal Ik u en uw nageslacht geven.). In dat land hebben zijn nakomelingen gewoond. In dat land zullen ook de toekomstige nakomelingen wonen, voor altijd. De garantie daarvoor is dat de Messias tot in eeuwigheid hun Vorst zal zijn. Met “tot in eeuwigheid” wordt de toekomende eeuw van het vrederijk bedoeld, wanneer de Heer Jezus zal regeren.

Een extra bevestiging van deze voortdurende zegenrijke situatie is het “verbond van vrede” dat de HEERE met hen zal sluiten (vers 2626Ik zal met hen een verbond van vrede sluiten. Het zal een eeuwig verbond met hen zijn, Ik zal hun [een plaats] geven en hen talrijk maken, en Ik zal Mijn heiligdom in hun midden zetten tot in eeuwigheid.; Nm 25:1212Zeg daarom: Zie, Ik geef hem Mijn verbond van vrede:; Ez 34:2525Ik zal een verbond van vrede met ze sluiten en de wilde dieren uit het land wegdoen. Ze zullen onbezorgd wonen in de woestijn en slapen in de wouden.). Dit verbond is ook een “eeuwig verbond” (vgl. Gn 9:1616Als deze boog in de wolken is, zal Ik hem zien, en aan het eeuwig verbond denken tussen God en alle levende wezens van alle vlees dat op de aarde is.; Gn 17:7,13,197Ik zal Mijn verbond maken tussen Mij, u en uw nageslacht na u, [al] hun generaties door, tot een eeuwig verbond, om voor u tot een God te zijn, en voor uw nageslacht na u.13Degene die in uw huis geboren is én degene die met uw geld gekocht is, moeten zeker besneden worden. Zo zal mijn verbond in uw vlees tot een eeuwig verbond zijn.19God zei: Integendeel, uw vrouw Sara zal u een zoon baren en u moet hem de naam Izak geven. Ik zal Mijn verbond met hem maken, tot een eeuwig verbond voor zijn nageslacht na hem.; Ex 31:1616Laat de Israëlieten dan de sabbat in acht nemen, door de sabbat te houden, [al] hun generaties door, als een eeuwig verbond.; Lv 24:88Elke sabbatdag moet hij dat voor het aangezicht van de HEERE verzorgen, voortdurend; omwille van de Israëlieten is het een eeuwig verbond.; Nm 18:1919Alle hefoffers van de geheiligde [gaven] die de Israëlieten de HEERE moeten brengen, geef Ik u, en uw zonen, en uw dochters met u, als een eeuwige verordening. Het is een eeuwig, [met] zout [bekrachtigd] verbond, voor het aangezicht van de HEERE, voor u en voor uw nageslacht met u.; 2Sm 23:55Hoewel mijn huis zo niet is bij God,
heeft Hij mij toch een eeuwig verbond gesteld,
in alles geordend en bewaard.
Voorzeker, [daarin] is al mijn heil en al [mijn] vreugde,
hoewel Hij het [nog] niet laat opkomen.
; 1Kr 16:1717       Voor Jakob heeft Hij het vastgesteld als een verordening,
                        voor Israël [tot] een eeuwig verbond,
; Ps 105:1010Voor Jakob heeft Hij het vastgesteld als een verordening,
voor Israël [als] een eeuwig verbond,
; Js 24:55Want het land is ontheiligd door zijn inwoners:
zij overtreden de wetten, zij veranderen [elke] verordening,
zij verbreken het eeuwige verbond.
; Js 55:33Neig uw oor en kom tot Mij,
luister, en uw ziel zal leven;
want Ik zal met u een eeuwig verbond sluiten:
de betrouwbare gunstbewijzen aan David.
; Js 61:88Want Ik, de HEERE, heb het recht lief,
Ik haat roof bij het brandoffer,
en Ik zal geven dat hun werk in waarheid zal zijn
en Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten.
; Jr 32:4040Ik zal een eeuwig verbond met hen sluiten, dat Ik Mij van achter hen niet zal afwenden, opdat Ik hun goeddoe. En Ik zal Mijn vreze in hun hart geven, zodat zij niet van Mij afwijken.; Jr 50:55Zij zullen vragen naar Sion,
hun gezicht gericht op de weg daarheen.
Zij zullen komen en bij de HEERE gevoegd worden
[met] een eeuwig verbond, het zal niet vergeten worden.
; Ez 16:6060Toch zal Ík denken aan Mijn verbond met u in de dagen van uw jeugd. Ik zal met u een eeuwig verbond maken.)
, dat alleen gesloten kan worden op grond van het bloed van Christus (Hb 13:2020De God nu van de vrede, Die uit [de] doden heeft teruggebracht de grote Herder van de schapen, onze Heer Jezus, door [het] bloed van [het] eeuwig verbond,).

De HEERE geeft hun een plaats van zegen waar Hij hen ook talrijk zal maken. Dit talrijke nageslacht zal Hem toegewijd zijn, zodat Hij Zijn heiligdom in hun midden kan zetten. Dat heiligdom zal er ook zijn tot in eeuwigheid. De HEERE heeft sinds de uittocht van het volk uit Egypte ernaar verlangd bij een verlost volk te wonen. Dat zal dan op volkomen wijze het geval zijn, omdat het volk helemaal in overeenstemming met Hem is.

Zo is er een drievoudige zekerheid dat de zegen tot in eeuwigheid, dat is gedurende de hele periode van het vrederijk, zal duren:
1. hun Vorst zal tot in eeuwigheid regeren,
2. het verbond is een eeuwig verbond,
3. het heiligdom van de HEERE zal voor eeuwig in hun midden zijn.

Zijn tabernakel, Zijn woonplaats, is dan bij hen (vers 2727Mijn tabernakel zal bij hen zijn, Ik zal een God voor hen zijn en zíj zullen een volk voor Mij zijn.). Dan kan die volkomen gemeenschap tussen God en Zijn volk genoten worden, tot vreugde voor Zijn hart en tot welzijn van Zijn volk. Door de aanwezigheid van Zijn heiligdom in het midden van Zijn volk zullen de volken weten dat Hij de HEERE is, Die Israël heiligt (vers 2828Dan zullen de heidenvolken weten dat Ik de HEERE ben, Die Israël heiligt, wanneer Mijn heiligdom voor eeuwig in hun midden zal zijn.).

Het is duidelijk dat Israël het niet aan zichzelf te danken heeft dat zij weer in het land zijn en een overvloedige zegen genieten. Hun terugkeer en de zegen die zij mogen ervaren, zijn een getuigenis tot eer van de Naam van de HEERE. Alle eer zal Hem worden gegeven. Hij zal die eer krijgen zowel van Zijn volk als van de heidenvolken.


Lees verder