Ezechiël
Inleiding 1-10 ‘Wee’ over de slechte herders 11-16 De HEERE weidt Zelf Zijn schapen 17-22 De HEERE oordeelt 23-31 Belofte van de ene Herder
Inleiding

De zonden van Israël en het oordeel daarover zijn hoofdzakelijk te wijten aan een verdorven en egoïstisch leiderschap. De eerste stap op weg naar het herstel van het volk is het vervangen van de waardeloze herders door de ware Herder. Dit hoofdstuk gaat over de situatie van Israël na de val van Jeruzalem tot de tijd dat de Heer Jezus terugkomt. Die situatie geldt dus ook vandaag (vgl. Lk 21:24b24En zij zullen vallen door [het] scherp van [het] zwaard en als gevangenen worden weggevoerd onder alle volken; en Jeruzalem zal door [de] volken worden vertrapt, totdat [de] tijden van [de] volken zijn vervuld.; Jr 23:1-81Wee de herders die de schapen van Mijn weide ombrengen en [overal] verspreiden, spreekt de HEERE.2Daarom, zo zegt de HEERE, de God van Israël, van de herders die Mijn volk weiden: Ú hebt Mijn schapen [overal] verspreid en verdreven, en u hebt niet naar ze omgezien. Zie, Ik ga u uw slechte daden vergelden, spreekt de HEERE.3Ik echter, Ik zal het overblijfsel van Mijn schapen bijeenbrengen uit al de landen waarheen Ik hen verdreven heb. Ik zal hen terugbrengen naar hun schaapskooien, en zij zullen vruchtbaar zijn en talrijk worden.4Ik zal over hen herders doen opstaan die hen weiden zullen. Zij zullen niet meer bevreesd zijn, ontsteld zijn of gemist worden, spreekt de HEERE.5Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE,
dat Ik voor David een rechtvaardige SPRUIT zal doen opstaan.
Hij zal als Koning regeren en verstandig handelen,
Hij zal recht en gerechtigheid doen op de aarde.
6In Zijn dagen zal Juda verlost worden
en Israël onbezorgd wonen.
Dit zal Zijn Naam zijn waarmee men Hem noemen zal:
DE HEERE ONZE GERECHTIGHEID.
7Daarom zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat men niet meer zal zeggen: [Zo waar] de HEERE leeft, Die de Israëlieten geleid heeft uit het land Egypte,8maar: [Zo waar] de HEERE leeft, Die het nageslacht van het huis van Israël geleid heeft en Die het gebracht heeft uit het land in het noorden en uit al de landen waarheen Ik hen verdreven had: zij zullen wonen in hun [eigen] land.
)
.


‘Wee’ over de slechte herders

1Het woord van de HEERE kwam tot mij: 2Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer, en zeg tegen hen, tegen die herders: Zo zegt de Heere HEERE: Wee de herders van Israël die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden? 3U eet het beste op en u kleedt u met de wol; u slacht het vetgemeste, [maar] de schapen weidt u niet. 4Het zwakke versterkt u niet, het zieke geneest u niet, het gebrokene verbindt u niet, het afgedwaalde brengt u niet terug en het verlorene zoekt u niet, maar u heerst met geweld en met harde hand over hen. 5Ze zijn overal verspreid, zonder herder, en ze zijn alle dieren van het veld tot voedsel geworden: ze zijn verspreid. 6Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel. Over heel het aardoppervlak zijn Mijn schapen verspreid. Er is niemand die naar [ze] vraagt, en niemand die [ze] zoekt. 7Daarom, herders, hoor het woord van de HEERE! 8[Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, voorwaar, omdat Mijn schapen tot een prooi geworden zijn en Mijn schapen voor alle dieren van het veld tot voedsel geworden zijn, omdat er geen herder is, en Mijn herders niet naar Mijn schapen gevraagd hebben, maar de herders zichzelf geweid hebben, en Mijn schapen niet geweid hebben. 9Daarom, herders, hoor het woord van de HEERE! 10Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál die herders! Ik eis Mijn schapen op uit hun hand, en doe hen ophouden met het weiden van de schapen. Die herders zullen zichzelf niet meer weiden en Ik zal Mijn schapen uit hun mond redden, zodat ze hun niet [meer] tot voedsel zijn.

Het woord van de HEERE komt tot Ezechiël (vers 11Het woord van de HEERE kwam tot mij:). Hij krijgt de opdracht tegen de herders van Israël te profeteren, dat wil zeggen dat hij hun het oordeel moet aanzeggen (vers 22Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer, en zeg tegen hen, tegen die herders: Zo zegt de Heere HEERE: Wee de herders van Israël die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden?). De herders zijn de leidslieden van het volk. Over hen moet hij het ‘wee’ uitspreken (vgl. Mt 23:13,15,16,23,25,27,2913Wee u echter, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, want u sluit het koninkrijk der hemelen voor de mensen; want uzelf gaat niet naar binnen, en hun die willen binnengaan, laat u niet toe binnen te komen. [Vers 1414In goede weide zal Ik ze weiden en op de hoge bergen van Israël zal hun weideplaats zijn. Ze zullen daar neerliggen in een goede weideplaats en ze zullen grazen [in] de voortreffelijkste weide op de bergen van Israël. is als niet-authentiek weggelaten.]15Wee u, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, want u trekt de zee en het droge rond om één proseliet te maken; en wanneer hij het geworden is, maakt u van hem een zoon van [de] hel, tweemaal erger dan u.16Wee u, blinde leidslieden, die zegt: Wie bij het tempelhuis zweert – dat is niets; wie echter bij het goud van het tempelhuis zweert, is gebonden.23Wee u, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, want u geeft tienden van de munt, de dille en de komijn, en u laat het gewichtigste van de wet na: het oordeel en de barmhartigheid en de trouw.25Wee u, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, want u reinigt de buitenkant van de drinkbeker en de schotel, maar van binnen zijn zij vol roof en onmatigheid.27Wee u, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, want u lijkt op witgepleisterde graven, die van buiten wel fraai schijnen, maar van binnen vol doodsbeenderen en allerlei onreinheid zijn.29Wee u, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, want u bouwt de graven van de profeten en versiert de graftomben van de rechtvaardigen). Zonder inleiding geeft “de Heere HEERE” de reden van Zijn ‘wee’: deze herders denken alleen aan zichzelf in plaats van aan de schapen. Zij zouden er voor de schapen moeten zijn, maar zij zien de schapen als objecten waaraan zij zich te goed kunnen doen.

In de verzen 3-63U eet het beste op en u kleedt u met de wol; u slacht het vetgemeste, [maar] de schapen weidt u niet.4Het zwakke versterkt u niet, het zieke geneest u niet, het gebrokene verbindt u niet, het afgedwaalde brengt u niet terug en het verlorene zoekt u niet, maar u heerst met geweld en met harde hand over hen.5Ze zijn overal verspreid, zonder herder, en ze zijn alle dieren van het veld tot voedsel geworden: ze zijn verspreid.6Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel. Over heel het aardoppervlak zijn Mijn schapen verspreid. Er is niemand die naar [ze] vraagt, en niemand die [ze] zoekt. volgt een hele lijst met beschuldigingen waaruit blijkt dat de schapen hen in geen enkel opzicht aan het hart gaan, maar dat zij die schapen uitbuiten. De tijdsvorm waarin vers 33U eet het beste op en u kleedt u met de wol; u slacht het vetgemeste, [maar] de schapen weidt u niet. staat, toont aan dat ze dit niet slechts af en toe doen, maar dat ze zich voortdurend zo gedragen. De nadruk ligt erop dat de herders slechts op één ding uit zijn en dat is op winstbejag (vgl. Ez 33:3131En zij komen naar u toe als een toestroom van volk, en gaan vóór u zitten [als] Mijn volk. Zij horen uw woorden, maar zij handelen er niet naar, want zij nemen liefdevolle [woorden] in hun mond, [maar] hun hart volgt hun winstbejag.):
- “U eet het beste op (“het beste” is elders vertaald met “vet”, vgl. Lv 3:33Daarna moet hij van het dankoffer het vet dat de ingewanden bedekt en al het vet dat aan de ingewanden vastzit, als vuuroffer aan de HEERE aanbieden,; 3:1414Daarna moet hij hiervan zijn offergave aanbieden, een vuuroffer voor de HEERE: het vet dat de ingewanden bedekt en al het vet dat aan de ingewanden vastzit,; 4:88Verder moet hij al het vet van de jonge stier van het zondoffer omhoogheffen, het vet dat de ingewanden bedekt en al het vet dat aan de ingewanden vastzit,; 7:3030Eigenhandig moet hij de vuuroffers van de HEERE brengen. Het vet aan het borststuk moet hij met dat borststuk brengen om het als een beweegoffer voor het aangezicht van de HEERE te bewegen.; 7:3131De priester moet vervolgens het vet op het altaar in rook laten opgaan, maar het borststuk is voor Aäron en zijn zonen.; 8:2525Hij nam het vet, de staart en al het vet dat aan de ingewanden vastzit, de kwab aan de lever, de beide nieren met hun vet, en [bovendien] de rechterachterbout.; 1Sm 2:1515Ook vóór zij het vet in rook lieten opgaan, kwam de knecht van de priester en zei tegen de man die het offer bracht: Geef dat vlees om te braden aan de priester, want hij wil geen gekookt vlees van u aannemen, maar rauw.)
- en u kleedt u met de wol (vgl. Ez 44:1717En het zal gebeuren, wanneer zij de poorten van de binnenste voorhof binnenkomen, dat zij linnen kleding moeten aantrekken. Zij mogen echter geen wol dragen wanneer zij in de poorten van de binnenste voorhof dienstdoen, en in het huis [zelf].);
- u slacht het vetgemeste (vgl. Zc 11:1616Want zie, Ik zal een herder in het land doen opstaan: naar wat [dreigt] uitgeroeid te worden, zal hij niet omzien, de jonge [dieren] zal hij niet gaan zoeken, wat gebroken is, zal hij niet genezen, wat [nog] overeind staat, zal hij niet verzorgen, maar hij zal het vlees van de vette [dieren] eten en hun hoeven zal hij afrukken.
),

- [maar] de schapen weidt u niet.”

In vers 44Het zwakke versterkt u niet, het zieke geneest u niet, het gebrokene verbindt u niet, het afgedwaalde brengt u niet terug en het verlorene zoekt u niet, maar u heerst met geweld en met harde hand over hen. worden zes misdaden beschreven. Vijf ervan zijn misdaden van nalatigheid, dingen die ze niet doen, terwijl dat wel van hen verwacht mag worden. Het is een bewuste, schuldige nalatigheid. De zesde misdaad is wat ze wel doen, terwijl ze dat niet mogen doen. In plaats van zorg aan de kwetsbare schapen te besteden buiten ze die schapen uit:
- “Het zwakke versterkt u niet,
- het zieke geneest u niet,
- het gebrokene verbindt u niet,
- het afgedwaalde brengt u niet terug en
- het verlorene zoekt u niet,
- maar u heerst met geweld en met harde hand over hen.”

De HEERE houdt in de verzen 5-65Ze zijn overal verspreid, zonder herder, en ze zijn alle dieren van het veld tot voedsel geworden: ze zijn verspreid.6Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel. Over heel het aardoppervlak zijn Mijn schapen verspreid. Er is niemand die naar [ze] vraagt, en niemand die [ze] zoekt. de gevolgen van de onbarmhartige behandeling van de schapen aan de wrede, zelfzuchtige herders voor:
- “Ze zijn overal verspreid, zonder herder, en
- ze zijn alle dieren van het veld tot voedsel geworden: ze zijn verspreid” (vers 55Ze zijn overal verspreid, zonder herder, en ze zijn alle dieren van het veld tot voedsel geworden: ze zijn verspreid.).
- “Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel.
- Over heel het aardoppervlak zijn Mijn schapen verspreid.
- Er is niemand die naar [ze] vraagt, en
- niemand die [ze] zoekt” (vers 66Mijn schapen dwalen rond op alle bergen en op elke hoge heuvel. Over heel het aardoppervlak zijn Mijn schapen verspreid. Er is niemand die naar [ze] vraagt, en niemand die [ze] zoekt.).

In plaats van de schapen te verzorgen, te beschermen en bij elkaar te houden terroriseren de herders van Israël de schapen. Daarna laten ze hen aan hun lot over, waardoor ze een prooi worden voor de roofdieren, dat zijn heidenvolken als Edom, Syrië, Ammon, Moab, door wie ze verspreid zijn. Alle samenhang is verdwenen. Ze zijn verstrooide schapen en daardoor nog kwetsbaarder geworden. Er is niemand van de wrede leiders die ook maar enige aandacht aan hen schenkt, laat staan dat er iemand naar hen op zoek gaat om hen te helpen.

Deze herders, de leidslieden van het volk, zijn geen herders, maar wolven en zijn in alles het tegenbeeld van de Heer Jezus, Die de goede Herder is. Als Hij de menigte ziet, is Hij met ontferming over hen bewogen, “want zij lagen afgemat terneer als schapen die geen herder hebben” (Mt 9:3636Toen Hij nu de menigten zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, want zij lagen afgemat terneer als schapen die geen herder hebben.). Hij heeft Zijn leven voor de schapen gegeven, Hij gaat hen na, Hij redt hen, Hij beschermt hen (Jh 10:1111Ik ben de goede Herder; de goede Herder legt Zijn leven af voor de schapen;) en Hij maakt hen tot één kudde. De goede onderherders volgen Hem daarin na (1Pt 5:1-41[De] oudsten onder u vermaan ik dus, de medeoudste en getuige van het lijden van Christus en ook de deelgenoot van de heerlijkheid die geopenbaard zal worden;2hoedt de kudde van God die bij u is <en houdt toezicht>, niet gedwongen maar vrijwillig, in overeenstemming met God, ook niet om schandelijke winst, maar bereidwillig;3ook niet als heersers over de erfgoederen, maar als zij die voorbeelden voor de kudde worden.4En wanneer de overste Herder is verschenen, zult u de onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid ontvangen.).

Het harteloze optreden van de valse herders roept Gods oordeel over hen af (vers 77Daarom, herders, hoor het woord van de HEERE!). De HEERE roept hen op naar Zijn oordeel te luisteren (vers 88[Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, voorwaar, omdat Mijn schapen tot een prooi geworden zijn en Mijn schapen voor alle dieren van het veld tot voedsel geworden zijn, omdat er geen herder is, en Mijn herders niet naar Mijn schapen gevraagd hebben, maar de herders zichzelf geweid hebben, en Mijn schapen niet geweid hebben.). Met de uitspraak “[zo waar] Ik leef”, bezweert Hij dat Hij bezoeking zal doen over dit kwaad. Zo ernstig vat Hij hun wangedrag op. De zwaarte van hun zonden betreft niet alleen de schapen, maar vooral het feit dat het om Zijn schapen gaat. Nooit geeft Hij het recht op Zijn schapen op, ook al draagt Hij de zorg voor die schapen aan onderherders over. Hij werpt de herders voor de voeten dat zij Zijn schapen tot prooi voor zichzelf hebben gemaakt en tevens tot voedsel voor alle dieren van het veld.

Wat er met de schapen gebeurt, komt omdat er geen herder is die voor hen zorgt. En die herders zijn nog wel “Mijn herders”, zoals de HEERE zegt. Hij heeft hen aangesteld. Maar de herders zijn hun eigen gang gegaan en hebben alleen aan zichzelf gedacht. Ze hebben alleen zichzelf geweid en niet de schapen van de HEERE.

Nog een keer klinkt de dringende oproep tot de herders om naar het woord van de HEERE te luisteren (vers 99Daarom, herders, hoor het woord van de HEERE!). Het toont de diepe verontwaardiging van de HEERE. Hij zegt dat Hij die herders zál, dat wil zeggen dat Hij hen ter verantwoording zal roepen en zal oordelen (vers 1010Zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zál die herders! Ik eis Mijn schapen op uit hun hand, en doe hen ophouden met het weiden van de schapen. Die herders zullen zichzelf niet meer weiden en Ik zal Mijn schapen uit hun mond redden, zodat ze hun niet [meer] tot voedsel zijn.). Hij zal de schapen uit hun hand terugeisen – want het zijn Zíjn schapen – en Hij zal de herders uit hun functie zetten. Dan is het voor de herders over en uit met het weiden van zichzelf. Hij zal Zijn schapen uit hun mond redden, zodat de schapen hun niet meer tot voedsel zijn.


De HEERE weidt Zelf Zijn schapen

11Want zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal Zelf naar Mijn schapen vragen en naar ze op zoek gaan. 12Zoals een herder op zoek gaat naar zijn kudde op de dag dat hij te midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik op zoek gaan naar Mijn schapen. Ik zal ze redden uit alle plaatsen waarheen ze verspreid zijn op de dag van donkere wolken. 13Ik zal ze uitleiden uit de volken, ze bijeenbrengen uit de landen en ze brengen naar hun land. Ik zal ze weiden op de bergen van Israël, bij de [water]stromen en in alle bewoonbare plaatsen van het land. 14In goede weide zal Ik ze weiden en op de hoge bergen van Israël zal hun weideplaats zijn. Ze zullen daar neerliggen in een goede weideplaats en ze zullen grazen [in] de voortreffelijkste weide op de bergen van Israël. 15Ik zal Zelf Mijn schapen weiden en Ik zal ze Zelf doen neerliggen, spreekt de Heere HEERE. 16Het verlorene zal Ik zoeken, het afgedwaalde zal Ik terugbrengen, het gebrokene zal Ik verbinden, en het zieke zal Ik versterken, maar het welgedane en het sterke zal Ik wegvagen. Ik zal ze weiden zoals het hoort.

De HEERE zal Zelf de plaats innemen van de ontrouwe herders die zichzelf weiden en de zorg voor Zijn schapen op Zich nemen (vers 1111Want zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal Zelf naar Mijn schapen vragen en naar ze op zoek gaan.). We zien in de handelingen die in de verzen 11-1311Want zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik zal Zelf naar Mijn schapen vragen en naar ze op zoek gaan.12Zoals een herder op zoek gaat naar zijn kudde op de dag dat hij te midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik op zoek gaan naar Mijn schapen. Ik zal ze redden uit alle plaatsen waarheen ze verspreid zijn op de dag van donkere wolken.13Ik zal ze uitleiden uit de volken, ze bijeenbrengen uit de landen en ze brengen naar hun land. Ik zal ze weiden op de bergen van Israël, bij de [water]stromen en in alle bewoonbare plaatsen van het land. van Hem worden beschreven, hoe Hij bezig is en naar Zijn doel toewerkt: Hij vraagt, zoekt, redt, leidt uit, leidt in en weidt. Hij vraagt waar Zijn schapen zijn. Dan gaat Hij op zoek. Als Hij ze vindt, redt Hij hen uit de klauwen van de vijand en Hij leidt hen uit de vijandige omgeving. Vervolgens brengt Hij hen naar hun land, waar Hij hen weidt bij verkwikkende waterstromen en hen veilig doet wonen. Wat een Herder is Hij!

Hij toont Zijn belangstelling voor Zijn schapen door Zelf naar hen te vragen en naar hen op zoek te gaan. Zijn belangstelling blijkt niet alleen uit Zijn woorden, maar ook uit Zijn daden. Hij gaat op zoek naar Zijn schapen, zoals een echte herder dat doet (vers 1212Zoals een herder op zoek gaat naar zijn kudde op de dag dat hij te midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik op zoek gaan naar Mijn schapen. Ik zal ze redden uit alle plaatsen waarheen ze verspreid zijn op de dag van donkere wolken.; Lk 15:4-74Welk mens onder u, die honderd schapen heeft en één daarvan verliest, laat niet de negenennegentig in de woestijn achter en gaat het verlorene na, totdat hij het vindt?5En als hij het vindt, legt hij het blij op zijn schouders.6En wanneer hij thuiskomt, roept hij zijn vrienden en buren bijeen en zegt tot hen: Weest blij met mij, want ik heb mijn schaap gevonden dat verloren was.7Ik zeg u, dat er zo blijdschap in de hemel zal zijn over één zondaar die zich bekeert, meer dan over negenennegentig rechtvaardigen die geen bekering nodig hebben.). Hij zet Zich ervoor in om Zijn verspreide schapen weer tot één kudde te maken. Daartoe redt Hij hen uit alle plaatsen “waarheen ze verspreid zijn op de dag van donkere wolken”. Daarbij kunnen we denken aan de dag van de verwoesting van Jeruzalem (vgl. Jl 2:22[Het is] een dag van duisternis en donkerheid,
een dag van wolken en donkerheid.
Zoals de dageraad zich over de bergen verspreidt,
[verspreidt zich] een groot en machtig volk,
zoals er niet geweest is
van oude tijden af,
en er hierna niet meer zal zijn,
jarenlang, van generatie op generatie.
; Zf 1:1515Een dag van verbolgenheid is die dag,
een dag van benauwdheid en angst,
een dag van verwoesting en vernietiging,
een dag van wolken en donkerheid,
een dag van donkere wolken,
)
.

Verder is het van toepassing op de tijd dat de HEERE Zijn schapen uit de ballingschap en de verstrooiing zal terugbrengen in hun eigen land (vers 1313Ik zal ze uitleiden uit de volken, ze bijeenbrengen uit de landen en ze brengen naar hun land. Ik zal ze weiden op de bergen van Israël, bij de [water]stromen en in alle bewoonbare plaatsen van het land.). Daar zullen ze vruchtbare grond en water vinden en plaatsen om te wonen. Wanneer Hij als hun ware Herder hen heeft teruggebracht, zal Hij hen ook niet aan hun lot overlaten, maar hen in Zijn land verzorgen en voorzien van alles wat ze nodig hebben (verzen 14-1514In goede weide zal Ik ze weiden en op de hoge bergen van Israël zal hun weideplaats zijn. Ze zullen daar neerliggen in een goede weideplaats en ze zullen grazen [in] de voortreffelijkste weide op de bergen van Israël.15Ik zal Zelf Mijn schapen weiden en Ik zal ze Zelf doen neerliggen, spreekt de Heere HEERE.). Ze zullen ook veilig kunnen neerliggen, zonder angst voor vijanden. Deze situatie is niet ontstaan bij de terugkeer uit de Babylonische ballingschap, maar ziet op de tijd van het vrederijk.

De HEERE wijst erop dat Hij zal doen wat de slechte herders hebben nagelaten (vers 1616Het verlorene zal Ik zoeken, het afgedwaalde zal Ik terugbrengen, het gebrokene zal Ik verbinden, en het zieke zal Ik versterken, maar het welgedane en het sterke zal Ik wegvagen. Ik zal ze weiden zoals het hoort.). Hij heeft zorg voor het verlorene, afgedwaalde, gebrokene en zieke. Hij zoekt het verlorene, Hij brengt het afgedwaalde terug, Hij verbindt het gebrokene en Hij versterkt het zieke. Zijn hele hart gaat naar hen uit en al Zijn handelingen zijn weldadig.

Daartegenover staat dat Hij schapen die niet in Zijn kudde thuishoren, zal wegvagen. “Het welgedane en het sterke” zijn de goddelozen onder het volk die zich ten koste van hun arme en zwakke volksgenoten hebben verrijkt. Als Hij hen heeft weggevaagd, neemt Hij hun plaats in. Hij zal Zelf Zijn schapen weiden zoals het hoort. Hij buigt het recht niet, zoals de valse herders hebben gedaan, maar handelt met Zijn schapen op een rechtvaardige wijze, zoals het van een goede herder verwacht mag worden (Jh 10:10-1510De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verderven; Ik ben gekomen opdat zij leven hebben, en het overvloedig hebben.11Ik ben de goede Herder; de goede Herder legt Zijn leven af voor de schapen;12wie huurling is en geen herder, wiens eigendom de schapen niet zijn, ziet de wolf komen en laat de schapen achter en vlucht; en de wolf rooft ze en verstrooit <de schapen.13En de huurling vlucht>, omdat hij een huurling is en zich niet om de schapen bekommert.14Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijne en de Mijne kennen Mij,15zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken; en Ik leg Mijn leven af voor de schapen.). Hij zal dat doen als Zijn Knecht David (vers 2323Ik zal over hen één Herder doen opstaan en Die zal ze weiden: Mijn Knecht David. Híj zal ze weiden en Híj zal een Herder voor ze zijn.), de Messias, de Heer Jezus, Die Zelf de HEERE is. Hij is de ware Herder-Koning van Zijn volk. Hij is eerst Herder en in die hoedanigheid ook Koning.


De HEERE oordeelt

17En u, Mijn schapen, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga oordelen tussen kleinvee en kleinvee, tussen de rammen en de bokken. 18Is het te weinig voor u dat u de beste weide afgraast? Moet u het overige van uw weide dan met uw voeten vertrappen? En moet u het heldere water drinken en wat overblijft, met uw voeten troebel maken? 19Moeten Mijn schapen dan afgrazen wat uw voeten vertrapt hebben, en drinken wat uw voeten troebel gemaakt hebben? 20Daarom, zo zegt de Heere HEERE tegen hen: Zie, Ik zal Zelf oordelen tussen het vette kleinvee en het magere kleinvee, 21omdat u al het zwakke met flank en schouder wegduwt en met uw horens stoot, totdat u ze naar buiten toe verspreid hebt. 22Ik zal Mijn schapen verlossen, zodat ze niet meer tot een prooi zullen zijn. Ik zal oordelen tussen kleinvee en kleinvee.

De HEERE zal ook het onrecht vergelden dat te midden van de schapen van Zijn kudde heeft plaatsgevonden (vers 1717En u, Mijn schapen, zo zegt de Heere HEERE: Zie, Ik ga oordelen tussen kleinvee en kleinvee, tussen de rammen en de bokken.). Er is enerzijds het zwakke “kleinvee” en anderzijds zijn daar de sterke “rammen” en “bokken”. De rammen en de bokken zijn zij die de leiders hebben geholpen met het verdrukken van het kleinvee, hun zwakke medeschapen, de kwetsbaren. De HEERE zal de rammen en de bokken oordelen. Dat oordeel verdienen ze dubbel en dwars omdat ze zich in dubbel opzicht schuldig maken ten opzichte van de schapen. In de eerste plaats grazen ze zelf de beste weiden af (vers 1818Is het te weinig voor u dat u de beste weide afgraast? Moet u het overige van uw weide dan met uw voeten vertrappen? En moet u het heldere water drinken en wat overblijft, met uw voeten troebel maken?). De zwakke schapen moeten genoegen nemen met de tweede keus.

Het blijft echter niet bij het afgrazen van de beste weiden. Wat er als tweede keus overblijft, wordt door de rammen en de bokken met hun poten vertrapt, zodat het verdorven en ongenietbaar wordt. Dit geldt zowel voor het voedsel als voor het water (vers 1919Moeten Mijn schapen dan afgrazen wat uw voeten vertrapt hebben, en drinken wat uw voeten troebel gemaakt hebben?). Zo zijn de leiders en hun volgelingen steeds bezig zichzelf ten koste van de zwakken en armen te bevoordelen, terwijl ze voor hen niets overlaten.

De HEERE zal voor de zwakken en armen opkomen (vers 2020Daarom, zo zegt de Heere HEERE tegen hen: Zie, Ik zal Zelf oordelen tussen het vette kleinvee en het magere kleinvee,). De zwakken worden door de sterken weggeduwd uit hun veilige omgeving (vers 2121omdat u al het zwakke met flank en schouder wegduwt en met uw horens stoot, totdat u ze naar buiten toe verspreid hebt.). In de kudde geldt het recht van de sterkste. Behalve dat de sterken verderven wat eetbaar is, stoten ze de zwakken ook nog eens uit de kudde. Elke geborgenheid en veiligheid wordt hun ontnomen. Ze zijn een prooi voor de wilde dieren, dat zijn de vijandige heidenvolken (vers 2222Ik zal Mijn schapen verlossen, zodat ze niet meer tot een prooi zullen zijn. Ik zal oordelen tussen kleinvee en kleinvee.; vers 2828Ze zullen niet meer tot een prooi zijn voor de heidenvolken, en de wilde dieren van de aarde zullen ze niet [meer] verslinden, maar ze zullen onbezorgd wonen en niemand zal [ze] schrik aanjagen.).

Maar de HEERE zal dat gedrag een halt toeroepen. Hij neemt het voor Zijn schapen op en verlost ze en beschermt ze. Hij oordeelt “tussen kleinvee en kleinvee”, wat wil zeggen dat Hij volkomen rechtvaardig en zonder aanzien des persoons oordeelt. En alleen Zijn oordeel telt.


Belofte van de ene Herder

23Ik zal over hen één Herder doen opstaan en Die zal ze weiden: Mijn Knecht David. Híj zal ze weiden en Híj zal een Herder voor ze zijn. 24En Ik, de HEERE, zal een God voor ze zijn, en Mijn Knecht David zal Vorst zijn in hun midden. Ík, de HEERE, heb gesproken. 25Ik zal een verbond van vrede met ze sluiten en de wilde dieren uit het land wegdoen. Ze zullen onbezorgd wonen in de woestijn en slapen in de wouden. 26Ik zal hun en [het gebied] rond Mijn heuvel een zegen geven, en Ik zal de regen op zijn tijd doen neerdalen. Regens van zegen zullen er zijn. 27De bomen op het veld zullen hun vrucht geven, het land zal zijn opbrengst geven, en ze zullen onbezorgd in hun land [wonen]. Dan zullen ze weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik de stangen van hun juk breek en ze red uit de hand van hen die zich door hen lieten dienen. 28Ze zullen niet meer tot een prooi zijn voor de heidenvolken, en de wilde dieren van de aarde zullen ze niet [meer] verslinden, maar ze zullen onbezorgd wonen en niemand zal [ze] schrik aanjagen. 29Ik zal een Plant van naam voor ze doen opkomen. Dan zullen ze niet langer weggenomen worden door honger in het land, en de smaad van de heidenvolken zullen ze niet langer dragen. 30Dan zullen ze weten dat Ik, de HEERE, hun God, met ze ben, en dat ze Mijn volk zijn, het huis van Israël, spreekt de Heere HEERE. 31En u, Mijn schapen, schapen van Mijn weide, u bent mens, [maar] Ik ben uw God, spreekt de Heere HEERE.

In dit laatste gedeelte wordt het duizendjarig vrederijk beschreven onder de Messias, Die hier “Mijn Knecht David” wordt genoemd (vers 2323Ik zal over hen één Herder doen opstaan en Die zal ze weiden: Mijn Knecht David. Híj zal ze weiden en Híj zal een Herder voor ze zijn.). De HEERE zal Zijn Herder doen opstaan en Hem Zijn schapen toevertrouwen. Hij is “de overste Herder” Die terugkomt (1Pt 5:44En wanneer de overste Herder is verschenen, zult u de onverwelkelijke kroon van de heerlijkheid ontvangen.). Hij zal voor de schapen zorgen en hen leiden. De HEERE en Zijn Herder hebben een gelijke zorg voor de schapen. Ze zijn ook in wezen dezelfde Persoon. De HEERE is hun God en de Knecht is hun Vorst (vers 2424En Ik, de HEERE, zal een God voor ze zijn, en Mijn Knecht David zal Vorst zijn in hun midden. Ík, de HEERE, heb gesproken.; vgl. 2Sm 5:2b2Al eerder, toen Saul koning over ons was, was ú het die Israël liet uitgaan en ingaan. Ook heeft de HEERE tegen u gezegd: Ú zult Mijn volk Israël weiden en ú zult tot vorst zijn over Israël.). Zo is het, want de HEERE heeft het gesproken.

De HEERE bevestigt Zijn mondelinge toezegging met een verbond (vers 2525Ik zal een verbond van vrede met ze sluiten en de wilde dieren uit het land wegdoen. Ze zullen onbezorgd wonen in de woestijn en slapen in de wouden.). Dat geeft Zijn schapen nog meer zekerheid. Hij sluit met hen “een verbond van vrede”, een verbond dat voortvloeit uit het alles omvattende nieuwe verbond dat kenmerkend is voor het duizendjarig vrederijk (Jr 31:31-3431Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten,32niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb op de dag dat Ik hun hand vastgreep om hen uit het land Egypte te leiden – Mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ík hen getrouwd had, spreekt de HEERE.33Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn.34Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken de HEERE, want zij zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt de HEERE. Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonde niet meer denken.). Dat verbond waarborgt ook de veiligheid. De wilde dieren, symbolen van slechte leiders en vijandige naties (vers 2828Ze zullen niet meer tot een prooi zijn voor de heidenvolken, en de wilde dieren van de aarde zullen ze niet [meer] verslinden, maar ze zullen onbezorgd wonen en niemand zal [ze] schrik aanjagen.), worden door Hem uit het land verwijderd. Onbezorgd zullen ze in de woestijn wonen en ongestoord zullen ze kunnen slapen in de wouden. Alles spreekt van rust en vrede, veiligheid en geborgenheid.

Ook is er een overvloed aan zegen die komt over Zijn volk en over het gebied waar zij wonen (vers 2626Ik zal hun en [het gebied] rond Mijn heuvel een zegen geven, en Ik zal de regen op zijn tijd doen neerdalen. Regens van zegen zullen er zijn.). “Mijn heuvel” is de berg Sion, en het land eromheen is Israël. Door de regen die Hij geeft, zullen de bomen hun vrucht geven en zal het land zijn opbrengst geven (vers 2727De bomen op het veld zullen hun vrucht geven, het land zal zijn opbrengst geven, en ze zullen onbezorgd in hun land [wonen]. Dan zullen ze weten dat Ik de HEERE ben, wanneer Ik de stangen van hun juk breek en ze red uit de hand van hen die zich door hen lieten dienen.; vgl. Hs 2:20-2120Op die dag zal het geschieden,
spreekt de HEERE, dat Ik zal verhoren.
Ik zal de hemel verhoren
en die zal de aarde verhoren.
21Dan zal de aarde het koren, de nieuwe wijn en de olie verhoren,
en die zullen Jizreël verhoren.
; Jl 2:23-2723En [u,] kinderen van Sion,
verheug u en wees blij
in de HEERE, uw God,
want Hij zal u geven
de Leraar tot gerechtigheid.
Die zal regen op u doen neerdalen,
vroege regen en late regen in de eerste [maand].24De dorsvloeren zullen vol koren zijn,
de perskuipen stromen over van nieuwe wijn en olie.25Ik zal u de jaren vergoeden
die de veldsprinkhaan, de jonge sprinkhaan, de zwermsprinkhaan en de treksprinkhaan hebben opgegeten,
Mijn grote leger,
dat Ik op u had afgestuurd.26Dan zult u overvloedig en tot verzadiging eten,
en de Naam van de HEERE, uw God, prijzen,
Die wonderlijk met u heeft gehandeld.
Mijn volk zal voor eeuwig niet beschaamd worden.27Dan zult u weten dat Ik te midden van Israël ben,
[dat] Ik, de HEERE, uw God ben, en niemand anders:
Mijn volk zal voor eeuwig niet beschaamd worden!
)
. Nog eens spreekt de HEERE erover dat ze onbezorgd in hun land zullen wonen. ‘Wonen’ wil zeggen rust hebben en tevens vrijheid, want de HEERE heeft hun onderdrukkers van hen weggedaan. Zo zullen ze weten dat Hij de HEERE is.

In die situatie komt ook geen verandering ten kwade meer (vers 2828Ze zullen niet meer tot een prooi zijn voor de heidenvolken, en de wilde dieren van de aarde zullen ze niet [meer] verslinden, maar ze zullen onbezorgd wonen en niemand zal [ze] schrik aanjagen.). De vijanden zullen in hen geen prooi meer vinden, ze zullen niet meer verslonden worden. Er is geen angst meer. Veilig, onbezorgd en onbevreesd zullen ze genieten van alle zegeningen die de HEERE hun in rijke mate geeft. De garantie dat het een onverstoorbare vrede is, ligt in die ene “Plant van naam”, de Heer Jezus, hun Messias, Die de HEERE voor hen zal doen opkomen (vers 2929Ik zal een Plant van naam voor ze doen opkomen. Dan zullen ze niet langer weggenomen worden door honger in het land, en de smaad van de heidenvolken zullen ze niet langer dragen.). Het woord ‘opkomen’ in dit vers is in het Hebreeuws hetzelfde woord als ‘opstaan’ in vers 2323Ik zal over hen één Herder doen opstaan en Die zal ze weiden: Mijn Knecht David. Híj zal ze weiden en Híj zal een Herder voor ze zijn., waar het ook over de Messias gaat. Hij zal de honger en de smaad verdrijven.

Wanneer die situatie is aangebroken, zullen ze weten dat de HEERE met hen is (vers 3030Dan zullen ze weten dat Ik, de HEERE, hun God, met ze ben, en dat ze Mijn volk zijn, het huis van Israël, spreekt de Heere HEERE.). Steeds is de uitspraak, dat mensen zullen weten dat Hij de HEERE is, een dreigende uitspraak geweest omdat die steeds in verband heeft gestaan met het oordeel dat Hij uitvoert. Nu staat deze uitspraak in verband met zegen. De wetenschap dat Hij de HEERE is, is voor Zijn volk de basis van zegen. Ze zullen ook weten dat zij Zijn volk zijn. Die verbinding is een sterke zekerheid dat geen onheil hen meer kan treffen. Wel zullen zij, Zijn schapen, de schapen van Zijn weide (vers 3131En u, Mijn schapen, schapen van Mijn weide, u bent mens, [maar] Ik ben uw God, spreekt de Heere HEERE.; Ps 100:33Weet dat de HEERE God is;
Híj heeft ons gemaakt – en niet wij –
Zijn volk en de schapen van Zijn weide.
)
, altijd het bewustzijn moeten hebben dat zij slechts mensen zijn, zwak en sterfelijk, en dat hun behoudenis en zegen alleen in Hem, hun God is. Met deze krachtige herinnering besluit de beschrijving van de toekomstige zegen.


Lees verder