Job
Inleiding
Inleiding

De schrijvers van het commentaar over het boek Job zijn diep onder de indruk van dit boek gekomen. Het intense lijden van Job dat daarin wordt beschreven, en zijn worsteling met God daarover, heeft ons diep geraakt. We hebben ons aanwezig gevoeld bij de gesprekken die Job en zijn vrienden hierover hebben gevoerd.

We zijn getuige geweest van de gesprekken in de hemel tussen God en de satan over Job, waarvan Job niets heeft geweten. We hebben aandachtig geluisterd naar de rechtzinnige uitspraken van de vrienden van Job over God en naar de reactie van Job daarop. In zijn reactie spreekt Job niet alleen over, maar ook tegen God. Sommige uitspraken van Job hebben we met ingehouden adem aangehoord. Hoe waagt hij het te zeggen? Het is tot ons doorgedrongen dat dit uitspraken zijn van een man die door een ongekend en uitzichtloos lijden tot het uiterste getergd is, en dat hij geen verklaring voor dit lijden kan bedenken. De Enige Die hem dat kan vertellen, is Degene Die het over hem heeft gebracht. Daarom stormt hij op God aan.

Indrukwekkend is het zwijgen van God tijdens alle vragen die Job naar de hemel slingert. God laat Zich niet uitdagen en tegelijk geeft Hij Job de ruimte om al zijn vragen te stellen en lucht te geven aan zijn diepe twijfels aangaande Gods rechtvaardigheid. Al die vragen en twijfels laten zien dat hij God niet loslaat, maar zich aan Hem vastklampt.

Als de gesprekken tussen Job en de vrienden zijn stilgevallen, meldt zich een vierde vriend. Ook hij richt het woord tot Job, maar doet dat op een andere toon dan de drie anderen. Elihu, hij is die vierde vriend, treedt op als een middelaar tussen Job en God. De bijdrage van Elihu is de voorbereiding voor het spreken van God tot Job. Job reageert niet op wat Elihu zegt.

Ook Gods verschijning aan Job heeft diepe indruk op ons gemaakt. God heeft voor het oog van Job enkele van Zijn scheppingswerken getoond, en heeft daarbij ook laten zien hoe Hij alles bestuurt en dat Job Hem daarin niet kan narekenen. Hij is immers God! God legt geen verantwoording van Zijn bestuur af. Job krijgt geen antwoord op de vraag naar de zin van het lijden. Wij ook niet. Als er dingen in ons leven gebeuren die wij niet begrijpen, wil Hij ons leren erop te vertrouwen dat Hij alles volledig in de hand heeft en de controle over ons leven niet kwijt is.

Job is zich diep bewust geworden van Gods grootheid en zijn eigen geringheid. Dat besef is ook tot ons doorgedrongen. We hopen dat dit geen voorbijgaand besef zal zijn. Het is ons gebed dat ook de lezer een dergelijke indruk zal opdoen.

Ger de Koning / Tony Jonathan
Middelburg / Arnhem, maart 2016
ger.de.koning@gmail.com / tonyjonathan@hetnet.nl

Inleiding op het boek Job

Het boek Job is een deel van “de heilige Geschriften” (2Tm 3:1515en omdat je van jongs af <de> heilige Geschriften kent, die je wijs kunnen maken tot behoudenis door [het] geloof dat in Christus Jezus is.). Daarom is het een Goddelijk boek. Het is “door God ingegeven en nuttig om te leren, te weerleggen, te verbeteren en te onderwijzen in [de] gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen is, tot alle goed werk ten volle toegerust” (2Tm 3:16-1716Alle Schrift is door God ingegeven en nuttig om te leren, te weerleggen, te verbeteren en te onderwijzen in [de] gerechtigheid,17opdat de mens Gods volkomen is, tot alle goed werk ten volle toegerust.).

Het boek Job behoort tot het Oude Testament. Dat is bijzonder, want terwijl het Oude Testament een duidelijk Joods karakter vertoont, heeft dit boek bij wijze van uitzondering dat karakter niet. We kunnen dit vergelijken met de brief van Jakobus in het Nieuwe Testament, een brief die bij wijze van uitzondering in het Nieuwe Testament een duidelijk Joods karakter vertoont.

Dat dit boek geen Joods karakter vertoont, is begrijpelijk als we bedenken dat dit waarschijnlijk het oudst geschreven boek van het Oude Testament is. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat het is geschreven in de tijd van de aartsvaders, jaren voordat Israël als volk tot stand is gebracht. Daarbij komt dat het onderwerp van dit boek het volk Israël overstijgt, want het gaat om een probleem dat heel de mensheid betreft, namelijk het probleem van het lijden.

Het Oude Testament is te verdelen in drie delen, te weten de Wet, de Profeten en de Geschriften (vgl. Lk 24:4444Hij nu zei tot hen: Dit zijn de woorden die Ik tot u sprak toen Ik nog bij u was, dat alles moest worden vervuld wat over Mij geschreven staat in de wet van Mozes en in de profeten en psalmen.). Dit is de gangbare Joodse indeling van de Tenach – dat is het Oude Testament – tot op vandaag. De Wet geeft ons het onderwijs over Gods gedachten. In de Profeten horen we het spreken van God tot Zijn volk. De Geschriften beschrijven de ervaring van de gelovige mens in deze wereld.

Job behoort tot de Geschriften. Terwijl Psalmen als kenmerkendste boek van de Geschriften spreekt over de ervaringen van Christus en de Zijnen in deze wereld, spreekt het boek Job als een niet Joods boek over de ervaringen van een gelovig mens ten aanzien van het lijden in deze wereld. Dat komt al tot uiting in de naam Job – zowel de titel als de naam van de hoofdpersoon van het boek. Die naam betekent ‘waar is (mijn) vader’. Deze betekenis past goed bij het thema van het boek. Job vraagt zich af waar God is in het lijden.

Het gaat in dit boek over de intense en diepe ervaringen van de individuele mens. Daarin ontdekken we de absolute nietigheid van de mens in het vuur van het lijden, te midden van het verlies van zijn bezittingen, het verlies van zijn meest dierbaren en de vurige pijlen van de reacties van zijn vrienden die dwars door zijn ziel heen gegaan zijn. Maar uiteindelijk en ten diepste zijn we getuige van de worsteling met zijn eigen gerechtigheid en onbegrip ten aanzien van Gods weg met hem.

Als Job in zijn worsteling op dat dieptepunt is aangekomen, komt er een ‘uitlegger’, die hem naar een hogere grond leidt, waar hij de stem van God kan vernemen. In de ontmoeting met God Zelf leert hij zichzelf kennen, maar bovenal God. Dat geeft hem ten slotte dwars door het lijden heen rust in zijn ziel. Daarna komt opnieuw de overvloedige zegen van God en kan hij ook als voorbidder een zegen voor zijn vrienden zijn.

Dit zijn de lessen uit het boek Job die ook wij, gelovigen die leven in de moderne eenentwintigste eeuw, nog steeds moeten leren, om, zoals hierboven geciteerd, “tot alle goed werk ten volle toegerust” (2Tm 3:1717opdat de mens Gods volkomen is, tot alle goed werk ten volle toegerust.) te zijn.

Op grond van de Schrift is aan de geschiedkundige juistheid van het boek Job niet te twijfelen. Zijn naam wordt twee keer in het Oude Testament (Ez 14:14,2014Al zouden te midden ervan deze drie mannen zijn, Noach, Daniël en Job, [dan] zouden zij [alleen] door hun gerechtigheid hun [eigen] leven redden, spreekt de Heere HEERE.20en al zouden Noach, Daniël en Job in het midden ervan zijn, [zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, geen zoon, geen dochter zouden zij kunnen redden, zíj zouden door hun gerechtigheid [alleen] hun [eigen] leven redden.) en één keer in het Nieuwe Testament (Jk 5:1111Zie, wij prijzen hen gelukkig die volhard hebben. U hebt van de volharding van Job gehoord en hebt [uit] het einde van [de] Heer gezien dat de Heer vol genegenheid en ontfermend is.) genoemd. In Ezechiël 14 wordt hij samen met Noach en Daniël door de HEERE voorgesteld als iemand die persoonlijk een rechtvaardige is. De aanleiding is de toestand van Israël, die zo slecht is geworden dat zelfs als deze drie mannen toen in Israël geleefd zouden hebben, zij alleen hun eigen leven zouden redden en niet Israël als natie.

In de brief van Jakobus wordt Job als een voorbeeld van volharding gesteld. Daar zien we hoe het einde van zijn geschiedenis “het einde van [de] Heer” is, wat betekent dat de Heer Zijn doel met hem heeft bereikt. We zien daar ook dat we uit zijn geschiedenis kunnen leren “dat de Heer vol genegenheid en ontfermend is” (Jk 5:1111Zie, wij prijzen hen gelukkig die volhard hebben. U hebt van de volharding van Job gehoord en hebt [uit] het einde van [de] Heer gezien dat de Heer vol genegenheid en ontfermend is.). Door al het lijden heen heeft Job de HEERE op een bijzondere wijze persoonlijk leren kennen (Jb 42:55[Alleen] door het luisteren met het oor had ik U gehoord,
maar nu heeft mijn oog U gezien.
)
.

Mogelijk is Mozes de schrijver van dit boek (zo ook volgens de Talmoed; de Dode Zee rollen wijzen in dezelfde richting) en is het eerder geschreven dan Genesis. Als dat zo is, is het dus het oudste boek van de Bijbel en dat met het thema ‘lijden’. Oude uitleggers opperen de gedachte dat Mozes dit boek in Midian heeft geschreven, waar hij enige tijd schaapherder is geweest (Ex 2:15-3:115Toen nu de farao van deze zaak hoorde, wilde hij Mozes doden, maar Mozes vluchtte voor de farao en vestigde zich in het land Midian, en zat bij een put.). Hij zou het dan hebben geschreven met de bedoeling hiermee zijn lijdende volk in Egypte te vertroosten en te steunen in hun moeiten en hun oog te richten op de uiteindelijke zegen die God voor Zijn volk klaar heeft liggen, zoals Hij uiteindelijk ook Job zegent.

Job woont in Uz, een gebied van de Edomieten (Kl 4:2121Wees vrolijk en blij, dochter van Edom, sin
die in het land Uz woont!
De beker zal ook bij u langskomen:
u zult dronken worden en ontbloot worden.
)
. De Septuaginta, de Griekse vertaling van het Oude Testament, vereenzelvigt Job met Jobab, een koning van Edom (Gn 36:3333Bela stierf, en Jobab regeerde in zijn plaats, een zoon van Zerah, van Bozra.).

Job moet vóór Mozes hebben geleefd. In Psalm 90 spreekt Mozes over de leeftijd van de mensen. Hij zegt daar dat die in de regel, net zoals ook vandaag regel is, zeventig tot tachtig jaar bedraagt (Ps 90:1010De dagen van onze jaren: daarin zijn zeventig jaren,
of, als wij zeer sterk zijn, tachtig jaren,
maar het beste daarvan is moeite en verdriet,
want het wordt snel afgesneden en wij vliegen heen.
)
. Job echter bereikt een aartsvaderlijke leeftijd van over de tweehonderd jaar. Dat kunnen we opmaken uit het feit dat hij vóór zijn lijden tien volwassen kinderen heeft, terwijl hij na zijn lijden nog honderdveertig jaar heeft geleefd.

Een andere aanwijzing is dat de offers die in dit boek worden genoemd, steeds brandoffers zijn, ook in geval van zonden. Het onderscheid in offers wordt pas bij de wetgeving bij de Sinaï gegeven (Lv 1-6). Brandoffers vinden we ook steeds in het boek Genesis. Ook wordt de naam ‘HEERE’ naar verhouding weinig genoemd, terwijl de naam ‘God’ vaak voorkomt.

Job is iemand uit de heidenvolken, hij behoort niet tot Israël. Toch spreekt God met Hem, en dat op een wijze zoals Hij niet eens met een Abraham heeft gedaan. In dit boek komt de grote waarde tot uitdrukking die één enkele persoon voor God heeft, waarbij er voor God geen aanzien des persoons is. Het boek Job bewijst dat deze belangstelling voor één enkele persoon geen gedachte van God achteraf is, als Israël zijn weg heeft verdorven, maar dat van het begin af Gods belangstelling uitgaat naar iedere individuele mens, zonder onderscheid. De Jood, met het boek Job in zijn Bijbel, kan daarom onmogelijk zeggen dat iemand uit de heidenvolken bij God niet in tel is.

Het boek Job is een van de twee meest tragische bijbelboeken. Het andere boek is het boek Klaagliederen. Ook dat boek heeft het lijden als hoofdthema. Het verschil is dat Klaagliederen handelt over het lijden van een heel volk, terwijl het boek Job over het lijden van één persoon gaat.

Het boek Job geeft inzicht in het raadsel van het lijden dat God in Zijn regering over iemand brengt, zonder dat raadsel zelf op te lossen. Wat we wel zien, waar we wel inzicht in krijgen, is “het einde van [de] Heer” (Jk 5:1111Zie, wij prijzen hen gelukkig die volhard hebben. U hebt van de volharding van Job gehoord en hebt [uit] het einde van [de] Heer gezien dat de Heer vol genegenheid en ontfermend is.), ofwel de bedoeling die de Heer ermee heeft. Het gaat over vragen als:
1. Waarom lijden Godvrezende gelovigen?
2. Als God liefde is – en dat is zo! – waarom laat Hij dan toe dat de Zijnen door tegenslagen worden getroffen?
3. Hoe is het lijden van de rechtvaardigen te rijmen met de gerechtigheid van God?

Zoals we hierboven hebben gezien, laat het boek ons de worsteling van de nietige mens met het grote probleem van het lijden zien. Het vergunt ons ook een blik te werpen achter de schermen, in de troonzaal van de regering van de grote, soevereine God van de eeuwigheid. Hij is betrokken bij het lijden van Zijn schepselen in het algemeen en van iedere individuele mens in het bijzonder. Het boek spreekt allen aan die in lijden zijn. Petrus geeft in zijn eerste brief antwoord op de vraag naar het doel van het lijden en dat is “opdat de beproefdheid van uw geloof, veel kostbaarder dan die van goud, dat vergankelijk is en door vuur beproefd wordt, blijkt te zijn tot lof en heerlijkheid en eer bij [de] openbaring van Jezus Christus” (1Pt 1:77opdat de beproefdheid van uw geloof, veel kostbaarder dan die van goud, dat vergankelijk is en door vuur beproefd wordt, blijkt te zijn tot lof en heerlijkheid en eer bij [de] openbaring van Jezus Christus.).

Het is niet nodig om een lang verhaal te houden over de voorspoed van Job. Aan zijn voorspoed worden slechts enkele verzen besteed, die als achtergrond dienen van alles wat hem overkomt. De Heilige Geest heeft het, in tegenstelling tot de weinige woorden over zijn voorspoed, goed gedacht ons in bijzonderheden te vertellen over alles wat plaatsvindt tijdens zijn beproevingen. Hij heeft dit de moeite waard geacht tot nut van al Gods kinderen tot aan het einde van de tijden.

Job is het verheven voorbeeld van het geloof van een mens te midden van een overweldigend lijden. We zien een mens die de les leert van zijn eigen niets zijn, in het hevige vuur van diepe beproeving vanwege beroving, verlies en ziekte, die het ook nog eens moet opnemen tegen de starre filosofie en harde aanvallen van zijn vrienden. Bovendien leert hij zijn eigen trots, zijn eigen gerechtigheid en ongeloof kennen. Totdat er een ‘uitlegger’ (Elihu) wordt gehoord, die hem brengt tot het punt dat hij naar God luistert en de les van alle eeuwen leert dat God alleen God is en dat in de erkenning daarvan zijn zegen en die van ieder mens ligt.

Het grote probleem dat in dit boek aan de orde komt, is de regering van God, die niet direct is als bij Israël, maar indirect, in voorzienigheid. Een directe regering wil zeggen dat God het kwaad van een mens direct straft en de goede daden direct beloont. Een indirecte regering, een regering in voorzienigheid, wil zeggen dat het lijkt alsof men straffeloos kwaad kan doen en dat de goede daden onbeloond blijven.

Jobs vrienden – maar ook Job zelf – begrijpen niets van Gods regering. Zij gaan uit van een directe regering van God. Ze stellen dat Job wel zonde gedaan moet hebben, anders zou hij niet zo te lijden hebben. Een oppervlakkige kijk op het leven kan mensen tot het oordeel brengen dat men lijdt naar de mate van de zonden die men gedaan heeft. Jobs reactie is ook niet juist. Ook hij begrijpt de regering van God niet. Hij stelt dat hij onschuldig is en dat God hem onrechtvaardig laat lijden.

Hoewel Job met zijn lippen niet zondigt, brengen de gesprekken met zijn vrienden aan het licht wat er in zijn hart is. Hoewel de vrienden Gods regering niet begrijpen, zeggen ze wel veel ware dingen over die regering voor andere gevallen. De vraag die voor Job en zijn vrienden op de achtergrond meespeelt en die hen tot hun uitspraken brengt, is deze: Hoe kan God zowel goed als soeverein zijn als je kijkt naar het lijden van de onschuldige en de voorspoed van de kwaaddoener?

Het is altijd al moeilijk te verklaren geweest waarom het goddelozen voor de wind kan gaan, terwijl verdrukking zo vaak de Godvrezende kan treffen. Die moeilijkheid verdwijnt als we er oog voor krijgen dat we leven onder een indirecte regering van God. Zoals al is gezegd, straft God bij een directe regering het kwaad onmiddellijk en beloont Hij het goede onmiddellijk. Bij een indirecte regering wordt het kwaad niet direct gestraft, hoewel de straf zeker komt, en wordt het goede niet direct beloond, hoewel de beloning zeker komt. In Psalm 73 tobt Asaf met dezelfde vragen, totdat hij “Gods heiligdom binnenging” (Ps 73:1717totdat ik Gods heiligdom binnenging
[en] op hun einde lette.
)
. Zo ook worden de vragen van Job tot een einde gebracht als hij zegt: “[Alleen] door het luisteren met het oor had ik U gehoord, maar nu heeft mijn oog U gezien” (Jb 42:5b5[Alleen] door het luisteren met het oor had ik U gehoord,
maar nu heeft mijn oog U gezien.
)
.

De gespreksronden en de ‘hoofdrolspelers’

Er zijn drie dialogen of gespreksronden tussen Job en zijn vrienden (Jb 4-27) en drie monologen, van Job, Elihu en God (Jb 29-41). De dialogen en monologen worden gescheiden door een toespraak van Job over de wijsheid (Jb 28).

De ‘hoofdrolspelers’ in het boek zijn na Job zijn drie vrienden en Elihu. Nadat deze vijf mensen hebben gesproken, spreekt God. Hij spreekt niet als Iemand Die na de pogingen van de vrienden en Elihu een laatste poging gaat doen Job te overtuigen. Hij is niet met een van de vorige sprekers te vergelijken. Hij is God en spreekt als God. Als Job oog in oog met Hem komt te staan, veracht hij zichzelf en heeft berouw.

Van hen die vanaf Job 3 aan het woord komen, kunnen we als inleiding enkele kenmerken noemen.

1. Elifaz is de eerste die op Jobs uitingen van ellende reageert. Er zijn goede redenen om aan te nemen dat Elifaz een Edomiet is. Er is sprake van een Elifaz die de eerstgeboren zoon van Ezau is. Deze heeft een zoon die Teman heet (Gn 36:4,154Ada baarde Elifaz aan Ezau, en Basmath baarde Rehuel.15Dit zijn de stamhoofden van de zonen van Ezau. De zonen van Elifaz, de eerstgeborene van Ezau, waren: het stamhoofd Teman, het stamhoofd Omar, het stamhoofd Zefo, het stamhoofd Kenaz,). Verschillende profeten noemen Teman als een plaats of streek in Edom (Jr 49:7,207Over Edom.
Zo zegt de HEERE van de legermachten:
Is er geen wijsheid meer in Teman?
Is de raad van verstandige [mensen] vergaan?
Is hun wijsheid overbodig geworden?
20Daarom, hoor het raadsbesluit van de HEERE
dat Hij over Edom genomen heeft,
en Zijn plannen die Hij bedacht heeft
tegen de inwoners van Teman:
Voorwaar, de geringsten van de kudde zullen hen wegslepen!
Voorwaar, men zal hun woonplaats boven hen verwoesten!
; Ez 25:1313daarom, zo zegt de Heere HEERE, zal Ik Mijn hand tegen Edom uitstrekken. Ik zal mens en dier daaruit uitroeien en het [tot] een puinhoop maken, van Teman af. [Tot aan] Dedan [toe] zullen zij door het zwaard vallen.; Am 1:1212Daarom zal Ik vuur werpen in Teman;
dat zal de paleizen van Bozra verteren.
; Ob 1:8-98Zal het niet op die dag zijn, spreekt de HEERE,
dat Ik zal ombrengen de wijzen uit Edom
en het inzicht uit het bergland van Ezau?9Uw helden, Teman, zullen ontsteld zijn,
zodat ieder uit het bergland van Ezau
wordt uitgeroeid door een slachting.
)
.

a. Blijkbaar is Elifaz de oudste van de drie vrienden, omdat hij als eerste spreekt. Hij wordt ook aan het einde van het boek door God als woordvoerder van de drie aangesproken (Jb 42:77Nadat de HEERE deze woorden tot Job gesproken had, gebeurde het dat de HEERE tegen Elifaz, de Temaniet, zei: Mijn toorn is ontbrand tegen u en tegen uw twee vrienden, want u hebt niet juist over Mij gesproken, zoals Mijn dienaar Job.). Hij toont in zijn toespraken een ruimere geest dan de anderen, terwijl hij Job accepteert als een Godvrezend man, maar die aan het dwalen is geraakt. Hoewel hij gebrek aan medelijden toont, is hij de enige van de drie die toch ook enig medegevoel en respect toont.

b. In zijn reacties op de woorden van Job blijkt dat hij alles beziet vanuit zijn persoonlijke ervaring. Dat beluisteren we in de woorden “zoals ik gezien heb” (Jb 4:88[Maar] zoals ik gezien heb: zij die onrecht ploegen
en moeite zaaien, oogsten dat [ook].
)
. Hij, als de oudste, vertegenwoordigt ‘de oude garde’.

2. Bildad is de tweede. Hij wordt verder niet in enig boek van het Oude Testament genoemd. Hij beschouwt Jobs worsteling over de rechtvaardigheid van God als lastering. Zijn geleerdheid, zijn kennis en de traditie van oude wijsheden gebruikt hij om te bewijzen dat de familieleden van Job hebben gekregen wat ze verdienen en hij waarschuwt Job voor eenzelfde lot.

a. Bildad beoordeelt de situatie van Job vanuit de traditie en het gezag van de oudheid. Dat beluisteren we in zijn oproep tot Job: “Doe toch navraag bij de vorige generatie, bereid je voor op een onderzoek naar hun vaderen” (Jb 8:88Want doe toch navraag bij de vorige generatie,
bereid je voor op een onderzoek naar hun vaderen.
)
. Hij vertegenwoordigt de middelbare leeftijd.

3. Zofar, de derde, is het meest sarcastisch van de vrienden. Zijn boodschap is dat Job zich moet bekeren of anders een afschuwelijke dood zal sterven die de boosdoeners verdienen.

a. Zofar kijkt naar Job vanuit de sfeer van wet en godsdienstigheid. Hij zegt tegen Job: “Als er onrecht in je hand is … laat er geen onrecht in je tenten wonen … dan zult je vast [staan] en niet bevreesd zijn” (Jb 11:14-1514Als er onrecht in je hand is, doe dat ver weg;
en laat er geen onrecht in je tenten wonen.15Ja, dan kun je je gezicht opheffen uit [alle] ellende,
dan zul je vast [staan] en niet bevreesd zijn.
)
. Hij is overtuigd van zijn eigen, scherpe oordeel, ‘zo is het en niet anders’ (Jb 11; 20).

4. Job, in zijn pogingen om zichzelf te verdedigen vanwege de verdachtmakingen en negatieve beoordelingen van zijn vrienden, beschuldigt God indirect van onrecht (Jb 10:7-87Het is U bekend dat ik niet schuldig ben;
maar er is niemand die redt uit Uw hand.
8Uw handen hebben mij gevormd en gemaakt.
Zij zijn beide om [mij] heen, en U verslindt mij.
)
.

5. Elihu is jonger dan de drie vrienden en heeft zich daarom buiten de discussie gehouden en gewacht tot ze allemaal uitgepraat zijn (Jb 32:4-64Maar Elihu had met spreken gewacht op Job, omdat zij ouder van dagen waren dan hij.5Toen Elihu echter zag dat er geen antwoord was in de mond van die drie mannen, ontstak zijn woede.6Daarom antwoordde Elihu, de zoon van Baracheël, de Buziet, en zei:
Ik ben jonger van dagen,
maar jullie zijn stokoud;
daarom was ik beschroomd en bevreesd
om jullie mijn gevoelen te vertellen.
)
. Hij is een type van Christus als de Middelaar. Hij spreekt namens God (Jb 33:4-54De Geest van God heeft mij gemaakt,
en de adem van de Almachtige heeft mij levend gemaakt.
5Als je kunt, antwoord mij [dan];
stel je [dan] op vóór mij, ga staan.
)
.

6. Als alle sprekers zwijgen, neemt God het woord. Hij toont Job Zijn Goddelijke wijsheid en Zijn macht in de natuur. Hiertegenover ziet Job hoe volkomen onbetekenend hij is.

Indeling van het boek Job

I. Inleiding (Job 1-2)
  A. Jobs voorspoed (Job 1:1-5)
  B. Job beproefd (Job 1:6-2:13)
    1. Satans beschuldiging van Job (Job 1:6-12)
    2. Job blijft staande bij het verlies van familie en bezittingen (Job 1:13-22)
    3. Satans verdere beschuldigingen (Job 2:1-6)
    4. Job blijft staande in zijn persoonlijke lijden (Job 2:7-10)
    5. De komst van Jobs vrienden (Job 2:11-13)
II. De dialogen (tweegesprekken), twistgesprekken (Job 3-27)
  A. Jobs openingsklacht (Job 3)
  B. De eerste gespreksronde (Job 4-14)
    1. Elifaz (Job 4-5)
    2. Jobs antwoord (Job 6-7)
    3. Bildad (Job 8)
    4. Jobs antwoord (Job 9-10)
    5. Zofar (Job 11)
    6. Jobs antwoord (Job 12-14)
  C. De tweede gespreksronde (Job 15-21)
    1. Elifaz (Job 15)
    2. Jobs antwoord (Job 16-17)
    3. Bildad (Job 18)
    4. Jobs antwoord (Job 19)
    5. Zofar (Job 20)
    6. Jobs antwoord (Job 21)
  D. De derde gespreksronde (Job 22-26)
    1. Elifaz (Job 22)
    2. Jobs antwoord (Job 23-24)
    3. Bildad (Job 25)
    4. Jobs antwoord (Job 26)
  E. Jobs slotrede tot zijn vrienden (Job 27)
III. Tussenhoofdstuk over de wijsheid (Job 28)
IV. De monologen (Job 29-41)
  A. Jobs slottoespraken (Job 29-31)
    1. Jobs vroegere eer en zegen (Job 29)
    2. Jobs huidige oneer en lijden (Job 30)
    3. Jobs laatste betuiging van onschuld (Job 31)
  B. Elihu’s toespraken (Job 32-37)
    1. Inleiding (Job 32:1-5)
    2. Eerste toespraak: deel 1 (Job 32:6-22)
    3. Eerste toespraak: deel 2 (Job 33)
    4. Tweede toespraak (Job 34)
    5. Derde toespraak (Job 35)
    6. Vierde toespraak (Job 36-37)
  C. God spreekt tot Job (Job 38:1-42:6)
    1. Gods eerste toespraak (Job 38:1-39:35)
    2. Job vernedert zich (Job 39:36-38)
    3. Gods tweede toespraak (Job 40-41)
V. Jobs berouw (Job 42:1-6)
VI. Het slot (Job 42:7-17)
  A. God spreekt recht (Job 42:7-9)
  B. Het herstel van Jobs voorspoed (Job 42:10-17)

Samengevat is het boek zo samengesteld:

1. Job 1-2
De historische inleiding met daarin Jobs Godsvrucht en voorspoed, zijn lijden door toedoen van de satan in zijn bezittingen, zijn familie en zijn persoon.

2. Job 3-31
Het geschil tussen Job en zijn drie vrienden. Daarin komen de nutteloosheid van menselijke redeneringen aan het licht met betrekking tot
a. het verklaren van de wegen van God in de rampen die over een mens komen;
b de diepgewortelde eigengerechtigheid van het menselijk hart.

3. Job 32-37
Het getuigenis van Elihu aangaande Gods kenmerken van heiligheid en barmhartigheid.

4. Job 38-42:6
Het getuigenis van God Zelf vanuit de schepping waardoor Job wordt getoetst en wat hem in het stof brengt.

5. Job 42:7-17
‘Het einde van de Heer’ (Jk 5:1111Zie, wij prijzen hen gelukkig die volhard hebben. U hebt van de volharding van Job gehoord en hebt [uit] het einde van [de] Heer gezien dat de Heer vol genegenheid en ontfermend is.), dat wil zeggen het resultaat van Gods wegen met Job, Die hem herstelt en een grotere zegen geeft dan hij is kwijtgeraakt.

Inleiding op Job 1

Zowel de inleiding van het boek (Jb 1-2) als het slot ervan (Jb 42:7-177Nadat de HEERE deze woorden tot Job gesproken had, gebeurde het dat de HEERE tegen Elifaz, de Temaniet, zei: Mijn toorn is ontbrand tegen u en tegen uw twee vrienden, want u hebt niet juist over Mij gesproken, zoals Mijn dienaar Job.8Neem daarom zeven jonge stieren en zeven rammen voor u, en ga naar Mijn dienaar Job. Breng brandoffers voor u en laat Mijn dienaar Job voor u bidden. Want alleen zijn gebed zal Ik aannemen, zodat Ik met u niet doe naar uw dwaasheid; want u hebt niet juist over Mij gesproken, zoals Mijn dienaar Job.9Toen gingen Elifaz, de Temaniet, en Bildad, de Suhiet [en] Zofar, de Naämathiet, heen, en deden zoals de HEERE tot hen gesproken had; en de HEERE nam het gebed van Job aan.10En de HEERE bracht een omkeer in het levenslot van Job, toen hij gebeden had voor zijn vrienden. De HEERE vermeerderde alles wat Job [bezeten] had tot het dubbele toe.11Al zijn broers en al zijn zusters en allen die hem vroeger gekend hadden, kwamen bij hem en gebruikten de maaltijd met hem in zijn huis. Zij betuigden hem hun medeleven en vertroostten hem over al het onheil dat de HEERE over hem gebracht had. Zij gaven hem ieder een geldstuk en een gouden ring.12En de HEERE zegende het latere [leven] van Job meer dan zijn eerdere. Hij had veertienduizend schapen, zesduizend kamelen, duizend juk runderen en duizend ezelinnen.13Hij kreeg zeven zonen en drie dochters.14En hij gaf de eerste de naam Jemima, de tweede de naam Kezia, en de derde de naam Keren-Happuch.15Zulke mooie vrouwen als de dochters van Job waren er in heel het land niet te vinden, en hun vader gaf hun een erfelijk bezit onder hun broers.16Job leefde daarna [nog] honderdveertig jaar, en hij zag zijn kinderen en de kinderen van zijn kinderen, vier generaties.17En Job stierf, oud en van dagen verzadigd.) hebben het karakter van een vertelling, terwijl de gesprekken daartussen dichterlijk zijn weergegeven. Het raadsel van het lijden wordt wel eens vergeleken met een borduurwerk. De vertelling laat ons de bovenzijde van het borduurwerk zien, zoals het lijden vanuit de hemel, door God, wordt gezien. De gesprekken in dichtvorm laten ons de onderzijde ervan zien, de aardse zijde van het lijden, de pogingen van de mensen om de regering van God ten aanzien van het lijden te begrijpen.


Lees verder