Job
Inleiding 1-5 Het daveren van Gods stem 6-13 God doet grote dingen 14-24 De slotwoorden van Elihu tot Job
Inleiding

Elihu heeft in de laatste verzen van het vorige hoofdstuk (Jb 36:26-3326Zie, God is groot, en wij begrijpen [Hem] niet;
het getal van Zijn jaren is niet te doorgronden.
27Want Hij trekt de waterdruppels omhoog,
die na Zijn damp regen uitgieten.
28Zij laten de wolken stromen,
zij druipen overvloedig op de mensen neer.
29Kan [iemand] ook begrijpen hoe de wolken zich uitbreiden,
[en] het dreunen uit Zijn hut?30Zie, Hij spreidt Zijn licht erover uit,
en Hij bedekt de diepten van de zee.
31Want daardoor spreekt Hij recht over de volken;
Hij geeft voedsel in overvloed.
32Met [Zijn] handen bedekt Hij het licht,
en beveelt het zijn doel te treffen.
33Zijn geroep kondigt Hem aan,
evenals het vee de komende [storm].
)
duidelijk gemaakt dat God in Zijn soevereiniteit controle heeft over de natuur. Dat dient als voorbeeld ervan dat Hij over alle dingen de controle heeft. In dit hoofdstuk gaat hij door met het beschrijven van Gods controle over de natuur. In de verzen 1-121Ja, hierover beeft mijn hart,
en het springt op van zijn plaats.
2Luister aandachtig naar het daveren van Zijn stem,
en naar het geluid [dat] uit Zijn mond komt!
3Hij laat het los onder heel de hemel,
en Zijn licht tot over de einden van de aarde.
4Daarna brult Hij met [Zijn] stem;
Hij dondert met de stem van Zijn majesteit.
Hij houdt die dingen niet terug,
als Zijn stem gehoord wordt.
5God dondert wonderbaar met Zijn stem;
Hij doet grote dingen en wij begrijpen ze niet.6Want Hij zegt tegen de sneeuw: Wees op de aarde.
Ook [tegen] de slagregen van de regen;
en [dan] is er de slagregen van Zijn sterke regens.
7Hij verzegelt de hand van ieder mens,
zodat alle mensen Zijn werk kennen.
8De [wilde] dieren gaan naar [hun] schuilplaatsen,
en blijven in hun holen.
9Uit [Zijn] kamer komt de wervelwind,
en van de verstrooiende [winden komt] de kou.
10Door de adem van God geeft Hij ijs,
zodat de brede wateren verstijven.
11Ook maakt Hij de wolken zwaar van vocht;
Hij spreidt de wolk van Zijn licht uit.
12Die gaat naar Zijn wijze raad alle kanten uit,
om te doen alles wat Hij hun gebiedt
op het oppervlak van de wereld, op de aarde.
haalt hij meer voorbeelden aan van “grote dingen” die God in de natuur doet en die wij niet begrijpen (vers 5b5God dondert wonderbaar met Zijn stem;
Hij doet grote dingen en wij begrijpen ze niet.
)
.

In vers 1313Hij beschikt het voor Zijn land, hetzij tot een roede,
hetzij tot goedertierenheid.
zegt Elihu wat de effecten van Gods bestuur over de natuur op de mensen zijn. Wat God doet, kan pijn veroorzaken, het kan ook verlichting geven. Als Elihu op dat punt is aangekomen, richt hij zich weer tot Job, om deze waarheden op zijn situatie toe te passen (verzen 14-2414Hoor dit aan, Job!
Blijf staan en let op de wonderen van God.
15Weet je hoe God ze rangschikt,
en [hoe] Hij het licht van Zijn wolk laat schijnen?
16Weet je hoe de wolken zweven?
[Ken je] de wonderen van Hem Die volmaakt in kennis is?
17[Weet je] hoe je kleren warm worden
als Hij de aarde stil maakt vanuit het zuiden?
18Heb je [samen] met Hem de hemel uitgespannen,
die vast is als een gegoten spiegel?
19Maak ons bekend wat wij tegen Hem moeten zeggen,
[want] wij kunnen niets [voor Hem] uiteenzetten vanwege de duisternis.
20Zal het aan Hem verteld worden, als ik [zo] spreek?
Als iemand [dat] zegt, zal hij zeker verslonden worden.
21Nu ziet men het licht niet,
het schijnt in de wolken,
[maar] als de wind langsgaat, zuivert hij die.
22Uit het noorden komt goud;
bij God is een ontzagwekkende majesteit!
23De Almachtige, wij kunnen Hem niet vinden;
Hij is groot van kracht en recht
en hoogst rechtvaardig; Hij onderdrukt niet.
24Daarom vrezen de mensen Hem;
[maar] alle [eigen]wijzen van hart ziet Hij niet aan.
)
.


Het daveren van Gods stem

1Ja, hierover beeft mijn hart,
en het springt op van zijn plaats.
2Luister aandachtig naar het daveren van Zijn stem,
en naar het geluid [dat] uit Zijn mond komt!
3Hij laat het los onder heel de hemel,
en Zijn licht tot over de einden van de aarde.
4Daarna brult Hij met [Zijn] stem;
Hij dondert met de stem van Zijn majesteit.
Hij houdt die dingen niet terug,
als Zijn stem gehoord wordt.
5God dondert wonderbaar met Zijn stem;
Hij doet grote dingen en wij begrijpen ze niet.

Elihu gaat verder met spreken over Gods stem in de donder (vers 11Ja, hierover beeft mijn hart,
en het springt op van zijn plaats.
)
, waarmee hij in het vorige hoofdstuk is begonnen (Jb 36:2929Kan [iemand] ook begrijpen hoe de wolken zich uitbreiden,
[en] het dreunen uit Zijn hut?
)
. Ja, daarover (“hierover”) beeft zijn hart en springt het op van zijn plaats. Er is geen angst, maar wel diep ontzag voor deze uiting van Gods majesteit. Wat hij in zijn beschrijving van die majesteit tegen Job zegt, raakt hem zelf. Hij staat als het ware te trillen op zijn benen. Hij geeft Job geen natuurkunde les, maar ondergaat de grootheid van wat hij beschrijft en geeft door wat hij in de schepping van Gods eeuwige kracht en Goddelijkheid hoort (Rm 1:2020– want van [de] schepping van [de] wereld af worden wat van Hem niet gezien kan worden, Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, uit Zijn werken met inzicht doorzien –, opdat zij niet te verontschuldigen zijn,). Daarin zien we weer hoezeer hij naast Job voor God staat. Dit is nodig om een ander te kunnen dienen.

Elihu roept Job op “aandachtig naar het daveren van Zijn stem” te luisteren (vers 22Luister aandachtig naar het daveren van Zijn stem,
en naar het geluid [dat] uit Zijn mond komt!
)
. “Het geluid [dat] uit Zijn mond komt”, is het geluid van het naderende onweer. Het gaat om een indrukwekkend geluid, niet om duidelijk uitgesproken woorden. Het verdient aanbeveling om hierbij Psalm 29 te lezen (Ps 29:1-111Een psalm van David.
Geef de HEERE, machtige heersers,
geef de HEERE eer en macht.
2Geef de HEERE de eer van Zijn Naam,
buig u voor de HEERE neer in Zijn heerlijke heiligdom.3De stem van de HEERE [klinkt] over de wateren,
de God der ere dondert;
de HEERE is op de grote wateren.
4De stem van de HEERE is [vol] kracht,
de stem van de HEERE is [vol] glorie.
5De stem van de HEERE breekt de ceders,
ja, de HEERE verbreekt de ceders van de Libanon.
6Hij doet de Libanon huppelen als een kalf
en de Sirjon als een jonge, wilde os.
7De stem van de HEERE hakt vurige vlammen uit [de wolken].
8De stem van de HEERE doet de woestijn beven,
de HEERE doet de woestijn Kades beven.
9De stem van de HEERE doet de hinden jongen werpen
en ontschorst de wouden;
maar in Zijn tempel zegt eenieder: [Hem zij] de eer!10De HEERE troont boven de watervloed,
ja, de HEERE troont als Koning voor eeuwig.
11De HEERE zal Zijn volk kracht geven,
de HEERE zal Zijn volk zegenen met vrede.
)
. In die psalm wordt op indrukwekkende wijze Gods majesteit in het onweer beschreven. Door er aandachtig naar te luisteren kunnen er lessen uit worden geleerd.

Als de donder van Gods stem rolt, wordt die stem “onder heel de hemel” gehoord (vers 33Hij laat het los onder heel de hemel,
en Zijn licht tot over de einden van de aarde.
)
. Landsgrenzen tellen niet, net zomin als allerlei andere verschillen op aarde. Iedereen wordt erdoor aangesproken. Hetzelfde geldt voor Zijn licht, de bliksem. Zover het oog over de aarde kan zien, gaat Zijn bliksem, tot over de horizon van ons gezichtsveld. We kunnen bij wat Elihu hier zegt, denken aan de komst van de Heer Jezus naar de aarde om te oordelen. De Heer zegt daar Zelf van: “Want zoals de bliksem uitgaat van [het] oosten en schijnt tot [het] westen, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn” (Mt 24:2727Want zoals de bliksem uitgaat van [het] oosten en schijnt tot [het] westen, zo zal de komst van de Zoon des mensen zijn.).

Na de bliksem breekt een oorverdovend gedonder los. Dit is het brullen van God met Zijn stem (vers 44Daarna brult Hij met [Zijn] stem;
Hij dondert met de stem van Zijn majesteit.
Hij houdt die dingen niet terug,
als Zijn stem gehoord wordt.
)
. De donder is “de stem van Zijn majesteit” (vgl. Ps 29:44De stem van de HEERE is [vol] kracht,
de stem van de HEERE is [vol] glorie.
)
. Daarna, nadat “Zijn stem gehoord wordt”, volgen de dingen die Hij niet terughoudt. Dit ziet op de regen en de storm die op de bliksem en het onweer volgen (Jr 10:1313Als Hij Zijn stem laat klinken, [dan] is er gedruis van wateren aan de hemel.
Hij doet dampen opstijgen van het einde van de aarde.
Hij heeft bliksemflitsen bij de regen gemaakt.
De wind brengt Hij uit Zijn schatkamers tevoorschijn.
)
. Zijn stem kondigt iets aan en dat komt ook. Hij gaat niet bedrieglijk te werk.

Elihu, en wij met hem, kunnen niet anders zeggen dan dat God “wonderbaar met Zijn stem” dondert. De stem van Zijn donder is een wonderbare tentoonspreiding van Zijn majesteit en kracht. Niet alleen het stemgeluid is wonderbaar, maar ook wat de donderende stem van God veroorzaakt. Daardoor scheuren soms rotsen en bergen, de aarde trilt, en machtige bomen breken als luciferhoutjes (Ps 29:5-95De stem van de HEERE breekt de ceders,
ja, de HEERE verbreekt de ceders van de Libanon.
6Hij doet de Libanon huppelen als een kalf
en de Sirjon als een jonge, wilde os.
7De stem van de HEERE hakt vurige vlammen uit [de wolken].
8De stem van de HEERE doet de woestijn beven,
de HEERE doet de woestijn Kades beven.
9De stem van de HEERE doet de hinden jongen werpen
en ontschorst de wouden;
maar in Zijn tempel zegt eenieder: [Hem zij] de eer!
)
.

Met vers 5a5God dondert wonderbaar met Zijn stem;
Hij doet grote dingen en wij begrijpen ze niet.
eindigt de beschrijving van het onweer. Met de “grote dingen” van vers 5b5God dondert wonderbaar met Zijn stem;
Hij doet grote dingen en wij begrijpen ze niet.
wordt niet alleen het onweer bedoeld, maar ze gaan ook over de dingen die Elihu hierna noemt. Ze hebben allemaal gemeen dat wij ervan moeten zeggen: “En wij begrijpen ze niet.” Alle natuurverschijnselen zijn uitingen van Wie God is. Ze verwijzen naar Hem. Hoe Hij daarin werkt en ze bestuurt, blijft voor de mens een onbegrijpelijke zaak.

Er zijn theorieën ontstaan over hun ontstaan. Mensen kunnen door onderzoek inmiddels van een aantal natuurverschijnselen deels de oorsprong verklaren aan de hand van oorzaak en gevolg, waardoor voor hen het wonder is verklaard en verdwenen. Met deze ‘handicap’ waren Elihu en zijn tijdgenoten niet belast. Maar wat mensen met al hun intellect nooit kunnen doen, is een onweer laten ontstaan of laten ophouden. Ze kunnen natuurwetten ontdekken en toepassen, maar ze nooit veranderen. Er is geloof in God voor nodig om de wonderen in de natuur te blijven zien en die te blijven zien als uitingen van Zijn aanwezigheid daarin.

Om zover te komen is geloof in het grootste en meest onbegrijpelijke wonder nodig en dat is dat God Zijn Zoon gaf tot redding van die verwaande, trotse schepselen. Wie dat gelooft, kan niet anders dan God prijzen voor dat wonder van Zijn genade. Hoe meer we door het onderzoek van Gods Woord indringen in wat Christus voor verloren zondaars heeft gedaan en hoe meer we doordrongen raken van onze eigen zondigheid, des te meer zullen we het onbegrijpelijke ervan inzien. Het zal ons brengen tot grote dankbaarheid en een aan Hem toegewijd leven. Dan is het ook geen vraag meer hoe de werelden en de natuurwetten zijn ontstaan, want dat begrijpen we dan “door [het] geloof” (Hb 11:33Door [het] geloof begrijpen wij dat de werelden door Gods Woord bereid zijn, zodat wat men ziet, niet ontstaan is uit wat zichtbaar is.).


God doet grote dingen

6Want Hij zegt tegen de sneeuw: Wees op de aarde.
Ook [tegen] de slagregen van de regen;
en [dan] is er de slagregen van Zijn sterke regens.
7Hij verzegelt de hand van ieder mens,
zodat alle mensen Zijn werk kennen.
8De [wilde] dieren gaan naar [hun] schuilplaatsen,
en blijven in hun holen.
9Uit [Zijn] kamer komt de wervelwind,
en van de verstrooiende [winden komt] de kou.
10Door de adem van God geeft Hij ijs,
zodat de brede wateren verstijven.
11Ook maakt Hij de wolken zwaar van vocht;
Hij spreidt de wolk van Zijn licht uit.
12Die gaat naar Zijn wijze raad alle kanten uit,
om te doen alles wat Hij hun gebiedt
op het oppervlak van de wereld, op de aarde.
13Hij beschikt het voor Zijn land, hetzij tot een roede,
hetzij tot goedertierenheid.

Niemand dan alleen God kent de oorsprong van de sneeuw en Hij alleen weet waar die op aarde valt (vers 66Want Hij zegt tegen de sneeuw: Wees op de aarde.
Ook [tegen] de slagregen van de regen;
en [dan] is er de slagregen van Zijn sterke regens.
)
. Er zijn wel ver na de tijd van Job natuurkundige verklaringen voor het proces van sneeuwvorming ontdekt, maar hoe het proces als zodanig is ontstaan, is onbekend. Hier horen we dat sneeuw ontstaat op het bevel van God en dat Hij de sneeuw gebiedt om op aarde te zijn. Natuurverschijnselen zijn er omdat God gebiedt dat ze er zijn (Ps 148:88vuur en hagel, sneeuw en damp,
stormwind, die Zijn woord doet,
)
. Met dezelfde gebiedende stem heeft Hij de hele wereld geschapen (Ps 33:6,96Door het Woord van de HEERE is de hemel gemaakt,
door de Geest van Zijn mond heel hun legermacht.
9Want Híj spreekt en het is er,
Híj gebiedt en het staat er.
)
.

Juist nu we weten hoe sneeuw gevormd wordt, zal dat onze bewondering voor God als de oorsprong ervan alleen maar groter moeten maken. Alles wat we zien en ontdekken van Gods werk in de natuur, brengt ons tot een grotere bewondering van Hem. Wat we eerst en terecht bewonderden zonder van natuurwetten te weten, aanbidden we nu des te meer, nu we ook weten hoe God te werk is gegaan.

Wat Elihu van de sneeuw heeft gezegd, geldt ook voor de slagregens. Hij noemt ze “Zijn sterke regens”. Op Zijn bevel gaan ze naar de aarde in de mate die Hij bepaalt. Het kunnen verkwikkende buien, maar ook verwoestende slagregens zijn. Hij en Hij alleen geeft regen en Hij alleen bepaalt de hoeveelheid ervan en waar die valt.

Als sneeuw en slagregens op de aarde vallen, wordt de mens uitgeschakeld in zijn buitenactiviteiten (vers 77Hij verzegelt de hand van ieder mens,
zodat alle mensen Zijn werk kennen.
)
. God “verzegelt de hand van ieder mens”, wat wil zeggen dat hij niets kan doen. Tegenover natuurgeweld is hij machteloos. God spreekt daardoor tot “alle mensen”. Hij maakt hun Zijn werk bekend, dat Hij aan het roer van het leven staat en dat ieder mens van Hem afhankelijk is. Mensen kunnen niet altijd maar doen wat ze willen.

De verzegeling van de hand van ieder mens is bedoeld om de mens tot stilstand te brengen en tijd te geven om aan zijn Schepper te denken. In praktische zin gebeurt dat bij alle boerenbedrijven in de winter, wanneer het een aantal maanden door bevriezing van de grond en sneeuwval niet mogelijk is om op het land te werken. De vele gelovigen die hun werk op het land hebben, zijn daardoor in de gelegenheid om zich zoveel mogelijk met Gods Woord bezig te houden en zich daarin te laten onderwijzen.

God heeft de wilde dieren het instinct gegeven om in de winter tijdens de sneeuw- en regenbuien in hun schuilplaatsen te gaan en in hun holen te blijven zolang de sneeuw en de regen duren (vers 88De [wilde] dieren gaan naar [hun] schuilplaatsen,
en blijven in hun holen.
)
. Voor de mensen is Gods spreken door sneeuw en regen een oproep om aan Hem te denken. Wellicht zijn de dieren de mens tot voorbeeld en zit hierin voor de mens een les. Die les is dat de mens in een tijd van geestelijke koude zijn schuilplaats bij God zoekt door zijn toevlucht tot Christus te nemen.

In vers 99Uit [Zijn] kamer komt de wervelwind,
en van de verstrooiende [winden komt] de kou.
brengt Elihu “de wervelwind” en “de kou” ter sprake. Hij laat zien waar ze vandaan komen. De wervelwind komt uit Gods “kamer”. De kou wordt veroorzaakt door winden uit het noorden die sneeuw en regen verstrooien over de aarde. Waar het Elihu om gaat, is dat al deze dingen onder de controle van God staan of het nu gaat om de hete woestijnwind of om de koude noordenwind.

Ook het ontstaan van ijs is Gods werk (vers 1010Door de adem van God geeft Hij ijs,
zodat de brede wateren verstijven.
)
. Het gebeurt natuurkundig door de vrieswind, maar in werkelijkheid gebeurt het “door de adem van God”. Die adem is zo krachtig, dat niet alleen kleine sloten, maar zelfs “brede wateren verstijven”. Wat eerst vloeibaar was, verandert door Gods adem in een massieve massa waar niet meer doorheen te breken is.

De enorme ijsmassa’s in de poolgebieden zijn door Zijn adem ontstaan en blijven daardoor ook bestaan. Het maakt eens te meer duidelijk dat God de Schepper en Bewerker van de natuurverschijnselen is. We kunnen hierbij denken aan de Heer Jezus, Die het Woord van God is en van Wie geschreven staat: “Alle dingen zijn door Hem geworden, en zonder Hem is niet één ding geworden dat geworden is” (Jh 1:33Alle dingen zijn door Hem geworden, en zonder Hem is niet één ding geworden dat geworden is.).

Zoals God op aarde het water bestuurt en er sneeuw en ijs van kan maken, zo bestuurt Hij ook het water in de lucht door het in wolken te verzamelen (vers 1111Ook maakt Hij de wolken zwaar van vocht;
Hij spreidt de wolk van Zijn licht uit.
)
. Daardoor worden ze grote waterreservoirs, “zwaar van vocht”. Hoe zwaar van vocht de wolken ook zijn, God houdt ze onder Zijn controle. Zijn machtige hand leidt ze waarheen Hij wil. Evenzo spreidt Hij tijdens de donkerte van de regenwolken Zijn licht over de aarde uit door een lichtende wolk, dat wil zeggen de bliksem die uit die wolk komt.

Ook de lichtende wolk wordt door Hem bestuurd (vers 1212Die gaat naar Zijn wijze raad alle kanten uit,
om te doen alles wat Hij hun gebiedt
op het oppervlak van de wereld, op de aarde.
)
. Achter de loop van een wolk gaat “Zijn wijze raad” schuil. Niet alleen bepaalt Hij de loop ervan, maar ook het werk ervan. Elke wolk, waar die ook boven de aarde zweeft, is daar niet toevallig, maar is daar door God geplaatst en dat met een bedoeling. De wolk zal zonder weerstand overal “op het oppervlak van de wereld, op de aarde” alles doen wat God gebiedt.

Wat een wolk moet doen, wordt in vers 1313Hij beschikt het voor Zijn land, hetzij tot een roede,
hetzij tot goedertierenheid.
beschreven. God beschikt over de wolken en de bliksem en zet ze in om Zijn raad uit te voeren. Het gebied dat Hij op het oog heeft, is “Zijn land”. Daarmee wordt de aarde bedoeld én de mensen die er wonen (Ps 24:11Een psalm van David.
De aarde is van de HEERE en al wat zij bevat,
de wereld en wie er wonen.
)
. Met het oog op hen gebruikt God de elementen van de natuur. Bij Zijn spreken door wat Hij in de natuur doet, staat Hem een tweeledig doel voor ogen.

Hij kan de elementen inzetten als “een roede”. Dat houdt in dat Hij onweer, regen, bliksem, sneeuw en dergelijke als tuchtmiddelen kan gebruiken om mensen van een verkeerde weg terug te brengen. Natuurrampen en misoogsten zijn altijd een spreken van God tot mensen om hen tot bezinning te brengen. Hij kan de weersomstandigheden ook “tot goedertierenheid” zenden, waardoor mensen Hem zullen danken voor wat Hij heeft gedaan. Overvloedige oogsten dankzij gunstige weersomstandigheden zijn een bewijs van Zijn goedertierenheid.

We zien hier dat Elihu méér in gedachten had dan alleen Job onder de indruk brengen van Gods kracht in de natuur. Hij legt in dit vers een directe relatie tussen Gods regering over de natuur en Zijn heerschappij over het leven van de mensen. Anders gezegd, hij toont hier hoe het ondoorgrondelijke geheim van Gods wegen in de natuur samenvalt met het ondoorgrondelijke geheim van Zijn wegen met de mens. Het is de directe voorbereiding op de toespraken van God in de volgende hoofdstukken. Elihu’s toespraak bereikt hiermee een climax.


De slotwoorden van Elihu tot Job

14Hoor dit aan, Job!
Blijf staan en let op de wonderen van God.
15Weet je hoe God ze rangschikt,
en [hoe] Hij het licht van Zijn wolk laat schijnen?
16Weet je hoe de wolken zweven?
[Ken je] de wonderen van Hem Die volmaakt in kennis is?
17[Weet je] hoe je kleren warm worden
als Hij de aarde stil maakt vanuit het zuiden?
18Heb je [samen] met Hem de hemel uitgespannen,
die vast is als een gegoten spiegel?
19Maak ons bekend wat wij tegen Hem moeten zeggen,
[want] wij kunnen niets [voor Hem] uiteenzetten vanwege de duisternis.
20Zal het aan Hem verteld worden, als ik [zo] spreek?
Als iemand [dat] zegt, zal hij zeker verslonden worden.
21Nu ziet men het licht niet,
het schijnt in de wolken,
[maar] als de wind langsgaat, zuivert hij die.
22Uit het noorden komt goud;
bij God is een ontzagwekkende majesteit!
23De Almachtige, wij kunnen Hem niet vinden;
Hij is groot van kracht en recht
en hoogst rechtvaardig; Hij onderdrukt niet.
24Daarom vrezen de mensen Hem;
[maar] alle [eigen]wijzen van hart ziet Hij niet aan.

Elihu is na de climax van vers 1313Hij beschikt het voor Zijn land, hetzij tot een roede,
hetzij tot goedertierenheid.
toe aan zijn slotwoorden. Daarin richt hij zich tot Job (vers 1414Hoor dit aan, Job!
Blijf staan en let op de wonderen van God.
)
. Hij vraagt hem “dit”, dat zijn de lessen uit Gods regering over de natuur, aan te horen. Daarvoor moet Job blijven staan in een houding van ontzag en aandacht en letten “op de wonderen van God” die Hij in de natuur laat zien. Als hij bereid is te horen, zal hij Gods wonderen in zich opnemen en zal zijn geest gevuld worden met de eerbied die tegenover Hem gepast is.

Vanaf vers 1515Weet je hoe God ze rangschikt,
en [hoe] Hij het licht van Zijn wolk laat schijnen?
stelt Elihu Job enkele vragen die zijn bedoeld om hem te laten inzien hoe onwetend hij werkelijk is en hoe onbekwaam hij is om God te beoordelen in Diens handelingen met hem. In dat licht moet hem duidelijk worden dat het hem absoluut niet toekomt God ter verantwoording te roepen. Hij weet helemaal niets en God weet alles. Deze methode van onderwijs in de vorm van het stellen van vragen is de methode die God ook gebruikt in Zijn toespraak tot Job in de volgende hoofdstukken. God zal niet anders doen dan Job dezelfde soort vragen stellen, alleen veel uitvoeriger en met als resultaat dat Job op zijn knieën gaat voor Hem.

De eerste vraag van Elihu gaat over de rangschikking die God in Zijn werken heeft aangebracht en waardoor Hij ze bestuurt (vers 1515Weet je hoe God ze rangschikt,
en [hoe] Hij het licht van Zijn wolk laat schijnen?
)
. Heeft Job er enig idee van hoe God al Zijn werken aan elkaar verbindt en in welke verhouding ze tot elkaar staan? Natuurlijk niet. Ook op de vraag hoe God “het licht van Zijn wolk”, de bliksem, “laat schijnen”, moet hij het antwoord schuldig blijven.

De volgende vraag aan Job is of hij weet hoe de wolken zweven (vers 1616Weet je hoe de wolken zweven?
[Ken je] de wonderen van Hem Die volmaakt in kennis is?
)
. Job weet het antwoord niet. Hij had geen kennis van de natuurwetten die de mens in de loop van de tijd heeft ontdekt. Hij kan er alleen maar met stomme verbazing naar kijken en zich afvragen hoe wolken zwaar van water toch blijven drijven. Dat kan niet anders zijn dan door de machtige hand van God. Maar hoe Hij dat doet, is niet uit te leggen. Maar weten wij met al onze natuurkundige kennis het antwoord wel? Wij weten het net zomin. We zien de wetmatigheden, maar hoe die wetmatigheden zijn ontstaan, weten we niet zonder de openbaring door God die Hij in Zijn Woord geeft.

God, Die al deze wonderen doet, is volmaakt in kennis. Iemand Die in staat is om zo’n rangschikking in de natuur aan te brengen en de wolken te laten zweven, moet alles weten (1Sm 2:3b3Spreek toch niet steeds zo bijzonder hoogmoedig,
en laat niets hooghartigs uit uw mond gaan;
want de HEERE is een [al]wetend God,
en Zijn daden zijn recht.
)
. Hij heeft volmaakte kennis in Zichzelf en van al Zijn werken, van alles wat buiten Hem is, de hele schepping en ieder mens, want alles is uit Hem voortgekomen. Daartegenover is de mens een volkomen onwetend schepsel.

De temperatuur is volledig in Gods hand. Weet Job hoe de temperatuur zo hoog kan oplopen, dat hij het er warm van krijgt en zijn kleren aan zijn lijf gaan plakken (vers 1717[Weet je] hoe je kleren warm worden
als Hij de aarde stil maakt vanuit het zuiden?
)
? Hij weet dat een zuidenwind hitte brengt (Lk 12:5555En wanneer [u] een zuidenwind [ziet] waaien, zegt u: Er zal hitte zijn; en het gebeurt.). Maar weet hij hoe God de aarde stil maakt en dan die wind vanuit het zuiden laat waaien?

En wat kan hij eraan doen? Hij heeft God toch niet geholpen om de hemel uit te spannen die tijdens de hitte “vast is als een gegoten spiegel” (vers 1818Heb je [samen] met Hem de hemel uitgespannen,
die vast is als een gegoten spiegel?
)
? God heeft dat helemaal alleen gedaan (Js 44:24b24Zo zegt de HEERE, uw Verlosser,
Uw Formeerder van de [moeder]schoot af:
Ik ben de HEERE, Die alles doet:
Die de hemel uitspant, Ik alleen,
Die de aarde uitspreidt door Mijzelf;
)
. Job kan geen wolken gebieden om de hitte te temperen. Dat kan alleen God. Wat kan Job anders doen dan de hitte lijdzaam verdragen? Als de zaken er zo voor staan, wat kan een zo zwak, hulpeloos en onwetend mensenkind dan nog inbrengen tegen God als Hij met hem handelt?

Elihu is zich zijn onwetendheid bewust van de dingen die hij over God aan Job heeft voorgehouden. Maar misschien weet Job meer en wil die hem en iedereen vertellen wat zij tegen God moeten zeggen (vers 1919Maak ons bekend wat wij tegen Hem moeten zeggen,
[want] wij kunnen niets [voor Hem] uiteenzetten vanwege de duisternis.
)
. Job heeft immers tegen God gezegd dat hij zijn zaak voor Hem wil uiteenzetten (Jb 13:3,18-223Maar ík zal tot de Almachtige spreken,
en vind er behagen in [mij] voor God te verdedigen.
18Zie toch, ik heb de rechtszaak uiteengezet;
ik weet dat ík rechtvaardig ben.
19Wie is hij die een rechtszaak met mij voert?
Als ik nu zweeg, zou ik de geest geven.20Alleen, doe twee dingen niet met mij,
dan zal ik mij niet voor Uw aangezicht verbergen.
21Doe Uw hand die op mij [drukt], ver weg,
en laat Uw bedreiging mij geen angst [meer] aanjagen.
22Roep dan, en ík zal antwoorden;
of ik zal spreken, en antwoord mij.
)
. Hij zou God wel laten weten dat God niet goed met hem handelde. Elihu voelt zichzelf in de duisternis als het erom gaat God te beoordelen en dat zal ieder voelen die naar God in Zijn regering over de natuur kijkt. Wie durft te zeggen dat hij Gods doen kan doorgronden? In wat Elihu hier zegt, ligt een zachte vermaning aan het adres van Job opgesloten.

Elihu weet dat niemand aan God hoeft te vertellen wat hij (Elihu) heeft gezegd (vers 2020Zal het aan Hem verteld worden, als ik [zo] spreek?
Als iemand [dat] zegt, zal hij zeker verslonden worden.
)
. God weet alles namelijk allang (Ps 139:44Al is er [nog] geen woord op mijn tong,
zie, HEERE, U weet het alles.
)
. Als iemand meent dat wel te moeten doen met de gedachte dat Hem toch iets is ontgaan en Hem wil corrigeren, dan zal hij “verslonden worden”. Zo iemand zal als hij tot God gaat om Hem te informeren, overweldigd worden door het besef van Diens alwetendheid. Als het gaat om de beoordeling van God in Zijn regering, doet iedereen er goed aan te zwijgen: Wees stil voor het aangezicht van de HEERE, alle vlees” (Zc 2:13a13Wees stil voor het aangezicht van de HEERE, alle vlees,
want Hij is ontwaakt uit Zijn heilige woning.
)
.

Behalve dat we niets kunnen zeggen over wat God doet, zien we er ook niets van, we zijn er blind voor (vers 2121Nu ziet men het licht niet,
het schijnt in de wolken,
[maar] als de wind langsgaat, zuivert hij die.
)
. Over wat God doet, ontbreekt ons het licht, het is voor ons verborgen in de wolken. Wij zien de wolken. Wat God ermee gaat doen, ontgaat ons. Maar het licht schijnt daarin, dat mogen we weten. En op Zijn tijd zal Hij de wolken door de wind verdrijven. Dan wordt de hemel helder.

We kunnen dit toepassen op ons leven. De wolken zijn een beeld van moeiten en beproevingen die er in ons leven kunnen zijn. Dan zien we het licht niet, maar we weten wel dat het er is. We weten dat Hij boven onze moeilijkheden staat, hoewel het moeilijk is Hem te zien. Als het moment komt dat Hij de wolken verdrijft, wordt het licht zichtbaar. We zien Hem. Misschien dat niet de moeilijkheden weg zijn, maar Hij laat ons zien waartoe ze dienen.

Als de hemel door God is gezuiverd, blijkt dat met de wind uit het noorden goud is meegekomen, het goud van het stralende weer (vers 2222Uit het noorden komt goud;
bij God is een ontzagwekkende majesteit!
)
. Met deze laatste woorden van Elihu wordt Job als het ware voorbereid op het goud van het spreken van God Zelf. In de toepassing op ons leven kunnen we zeggen dat het niet alleen helder is geworden, maar ook heeft verrijkt. De zuivering van het geloof is kostbaarder dan de zuivering van goud (1Pt 1:77opdat de beproefdheid van uw geloof, veel kostbaarder dan die van goud, dat vergankelijk is en door vuur beproefd wordt, blijkt te zijn tot lof en heerlijkheid en eer bij [de] openbaring van Jezus Christus.). We hebben een diepere indruk van Gods “ontzagwekkende majesteit” gekregen dan we daarvoor hadden. Hij had en heeft alles in de hand en bestuurt de wolken in ons leven.

Elihu rondt zijn slotwoorden af met een soort conclusie. Hij wijst erop dat hij en anderen “de Almachtige” niet kunnen vinden (vers 2323De Almachtige, wij kunnen Hem niet vinden;
Hij is groot van kracht en recht
en hoogst rechtvaardig; Hij onderdrukt niet.
)
. Wat hij daarmee bedoelt, is wat hij vervolgens over God zegt. God is voor de mens onvergelijkbaar en onmeetbaar in Zijn “kracht”. Zijn “recht” is onkreukbaar. Nooit doet Hij iets wat strijdig is met het recht, met de juistheid van een zaak waarmee Hij bezig is. Dat geldt ook voor Job.

Verder is Hij “hoogst rechtvaardig” in het gebruik van Zijn middelen. Hoogst rechtvaardig is letterlijk ‘een veelheid aan gerechtigheid’. In alle middelen die Hem ter beschikking staan, straalt Zijn rechtvaardigheid, Hij vloeit daarvan over, het is Zijn kenmerk. Dat houdt ook in dat “Hij niet onderdrukt”. Al Zijn volmaakte eigenschappen gebruikt Hij zodanig, dat in Zijn handelingen met mensen alle ongevoelige of barbaarse hardheid ontbreekt.

Vanwege die eigenschappen, die Hij inzet ten gunste van de mensen, vrezen zij Hem, dat wil zeggen hebben zij eerbied en ontzag voor Hem (vers 2424Daarom vrezen de mensen Hem;
[maar] alle [eigen]wijzen van hart ziet Hij niet aan.
; vgl. Ps 130:44Maar bij U is vergeving,
opdat U gevreesd wordt.
)
. Het is een algemene vrees voor God als zij de openbaring van Zijn macht zien (Op 15:44Wie toch zou <U> niet vrezen, Heer, en Uw Naam niet verheerlijken? Want U alleen bent heilig, want alle naties zullen komen en zich voor U neerbuigen, omdat Uw gerechtigheden openbaar zijn geworden.). De mensen die een eigenwijs hart hebben, zijn mensen die hun eigen mening over God hebben en Hem willen vertellen hoe Hij moet regeren. Er ontbreekt bij hen het ontzag voor Hem. Daarom ziet Hij hen niet aan, Hij keurt hen geen blik waardig.

Hiermee heeft Elihu gezegd wat hij op zijn hart had. De drie vrienden van Job geloofden dat lijden het gevolg is van een ‘lik op stuk beleid’ van God. Zij hielden zich in de beoordeling van het lijden aan wat we een ‘compensatietheologie’ zouden kunnen noemen. Die theologie gaat ervan uit dat er een verhouding is tussen rechtvaardig gedrag en welvaart, en tussen zondig gedrag en ellende. Elihu heeft aangetoond hoe onjuist deze theologie is.

Job zet vraagtekens bij de regering van God in zijn leven. Maar van de regering van God in de natuur begrijpt hij al weinig. Elihu vermaant Job dan ook om in beide zaken Gods wijsheid te erkennen en Hem te vertrouwen. Nu Elihu gesproken heeft over het doorkomen van de zon na het onweer, de komst van God in Zijn majesteit (vers 2222Uit het noorden komt goud;
bij God is een ontzagwekkende majesteit!
)
, is de tijd rijp dat God Zelf op een wonderbaarlijke wijze Job gaat onderwijzen over Zijn wegen (vgl. Hb 1:11Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in [het] laatst van deze dagen tot ons gesproken in [de] Zoon,). Daarover gaan de volgende hoofdstukken.


Lees verder