Job
Inleiding 1-4 Het beroep op wijze mensen 5-9 Job heeft God beschuldigd 10-15 God verdraait het recht niet 16-22 God is groot, onpartijdig en alwetend 23-30 God oordeelt 31-37 Job heeft niet met kennis gesproken
Inleiding

De woorden van Elihu zijn “in genade”, maar wel “met zout besprengd” (Ko 4:66Laat uw woord altijd in genade zijn, met zout besprengd, opdat u weet hoe u iedereen moet antwoorden.). Hij spreekt Job niet als een onrechtvaardige aan, maar wijst hem wel op zijn verkeerde uitspraken die hij ondoordacht heeft gedaan. Daarnaast spreekt hij nu ook de drie vrienden aan.


Het beroep op wijze mensen

1Verder antwoordde Elihu en zei:
2Luister, wijzen, naar mijn woorden,
en verstandigen, hoor mij aan.
3Want het oor beproeft woorden,
zoals het gehemelte voedsel proeft.
4Laten wij voor onszelf kiezen wat recht is;
laten wij onder elkaar erkennen wat goed is.

Elihu heeft Job de gelegenheid gegeven om op zijn woorden te reageren, maar Job zwijgt. Daarom gaat Elihu verder met zijn antwoord (vers 11Verder antwoordde Elihu en zei:
)
. Hij richt zich tot de “wijzen” en “verstandigen” (vers 22Luister, wijzen, naar mijn woorden,
en verstandigen, hoor mij aan.
)
. Met deze wijze en verstandige mensen spreekt Job de vrienden aan. Hij zegt daarmee als het ware dat zij hun plaats als wijzen en verstandigen weer moeten innemen en moeten ophouden onwijze en onverstandige dingen tegen Job te zeggen.

De woorden van Elihu gelden voor alle wijzen in elke tijd. Elihu heeft het over principes die altijd geldig zijn en overal toepasbaar. Hij legt zijn woorden ter beoordeling aan hen voor. Dat is een aanwijzing voor ons dat we moeten beoordelen wat wordt gezegd. De Heer Jezus wijst erop dat de mens die capaciteit heeft en dus verantwoordelijk is die te gebruiken als Hij zegt: “Waarom oordeelt u ook uit uzelf niet wat recht is?” (Lk 12:5757En waarom oordeelt u ook uit uzelf niet wat recht is?). Ook Paulus spoort aan tot beoordeling van wat hij zegt: “Beoordeelt u wat ik zeg” (1Ko 10:1515Ik spreek als tot verstandigen; beoordeelt u wat ik zeg.).

Elihu betrekt de wijze en verstandige mannen in zijn beoordeling van wat Job heeft gezegd. Hij roept hen op naar zijn woorden te luisteren en hem aan te horen en dat zorgvuldig te doen. Ze moeten met hun oor zijn woorden beproeven “zoals het gehemelte voedsel proeft” (vers 33Want het oor beproeft woorden,
zoals het gehemelte voedsel proeft.
)
. In die zin heeft Job geklaagd dat de vrienden onder het mom van wijze woorden van grijsaards, hem woorden hebben doorgegeven die niet te eten zijn (Jb 12:11-1211Beproeft het oor de woorden niet,
zoals het gehemelte voedsel proeft?
12Is bij de oudsten de wijsheid,
en bij de lengte van dagen het inzicht?
)
. Woorden en onderwijzingen zijn voedsel voor de geest. Goede woorden zijn goed voedsel en slechte woorden zijn slecht voedsel. Elihu vraagt Job en de toehoorders zijn woorden te proeven.

Om te weten hoe iets smaakt, moeten we het eerst proeven. Van iets proeven is niet hetzelfde als eten en doorslikken, maar gaat daaraan vooraf. Zo moeten de toehoorders de woorden van Elihu proeven. Ze moeten naar zijn woorden over en tot Job luisteren, ze aanhoren en overwegen of ze recht zijn, of ze recht doen aan Job en aan God, hoe ze Gods handelingen met Job moeten zien.

Als ze zijn woorden hebben getoetst, kunnen ze hun keus maken (vers 44Laten wij voor onszelf kiezen wat recht is;
laten wij onder elkaar erkennen wat goed is.
)
. Het gaat om een keus voor “wat recht is”. Daartoe roept Elihu op, zowel voor zichzelf als voor de wijzen. Hij wil samen met hen “onder elkaar erkennen wat goed is”. Ook voor ons is het belangrijk eerst met het oor te proeven wat wordt gezegd en pas daarna onze beoordeling daarvan te geven.


Job heeft God beschuldigd

5Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig,
maar God heeft mijn recht weggenomen.
6Ondanks mijn recht ga ik voor leugenaar door;
mijn pijl[wond] is ongeneeslijk, zonder dat er een overtreding is.
7Wie is een man zoals Job?
Hij drinkt de spot in als water.
8Hij loopt rond in gezelschap van hen die onrecht bedrijven,
en gaat om met goddeloze mensen.
9Want hij heeft gezegd: Het baat een man niet
als hij behagen schept in God.

Elihu uit geen vermoedens, maar verwijst naar wat Job heeft gezegd (vers 55Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig,
maar God heeft mijn recht weggenomen.
)
. Job heeft gezegd dat God hem, die van zichzelf weet dat hij niets kwaads heeft gedaan, onrecht heeft aangedaan door zijn recht weg te nemen. Job heeft dit letterlijk gezegd (Jb 12:44Ik ben [iemand], belachelijk voor zijn vriend,
[maar] roepend tot God, Die hem verhoren zal;
de rechtvaardige [en] oprechte wordt belachelijk [gemaakt].
; 13:1818Zie toch, ik heb de rechtszaak uiteengezet;
ik weet dat ík rechtvaardig ben.
; 27:2,62[Zo waar] God leeft, Die mijn recht heeft weggenomen,
en de Almachtige, Die mijn ziel bitterheid heeft aangedaan:
6Ik zal aan mijn gerechtigheid vasthouden, en zal haar niet loslaten;
mijn hart zal [die] in mijn dagen niet minachten.
)
, maar het is ook de hele teneur van zijn verdediging.

Hierbij kan de vraag opkomen, wat voor recht Job dan wel had? Kan hij, en kunnen wij, voor God ergens recht op laten gelden, iets waarvan we tegen God kunnen zeggen dat Hij daarvan moet afblijven? We hebben immers tegenover God geen ander recht dan het oordeel van de hel? We hebben als schepsel geen recht tegenover de Schepper (Rm 9:2020Ja maar, mens, wie bent u, dat u tegen God het woord opneemt? Zal het maaksel tegen zijn maker zeggen: Waarom hebt u mij zo gemaakt?) en als zondaar dienen we helemaal te zwijgen (Rm 3:1919Nu weten wij, dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot hen die onder de wet zijn, opdat elke mond wordt gestopt en de hele wereld strafschuldig wordt voor God.).

Job vindt dat hij volledig in zijn recht staat, maar dat hij door wat hem is overkomen, voor leugenaar doorgaat (vers 66Ondanks mijn recht ga ik voor leugenaar door;
mijn pijl[wond] is ongeneeslijk, zonder dat er een overtreding is.
)
. Dat hebben zijn vrienden ook steeds in bedekte termen tegen hem gezegd. Zij hebben steeds gezegd dat Job, omdat hij zo zwaar lijdt, wel zwaar gezondigd moet hebben. Job ontkent dat hij heeft gezondigd, maar zijn vrienden geloven hem niet en dus is hij voor hen een leugenaar.

In die positie is hij terechtgekomen door wat God over hem heeft gebracht. De pijlwond is hem bezorgd door de Almachtige, heeft Job gezegd (Jb 6:44Want de pijlen van de Almachtige zijn in mij,
mijn geest drinkt het vergif ervan;
de verschrikkingen van God staan tegen mij opgesteld.
; 16:1313Zijn schutters omringen mij;
Hij splijt mijn nieren en spaart [mij] niet,
Hij giet mijn gal op de aarde uit.
)
. Daarmee bedoelt hij de rampen die door God over hem zijn gebracht. Het zijn rampen die hem een ongeneeslijke wond hebben bezorgd. En dat heeft God gedaan, zo oordeelt Job, “zonder dat er een overtreding is”. Job spreekt hiermee uit dat God hem onrecht doet. Het gaat Elihu erom Job duidelijk te maken dat hij hier te ver is gegaan.

In vers 77Wie is een man zoals Job?
Hij drinkt de spot in als water.
roept Elihu in verbazing over Job uit dat er niemand is zoals hij, een man die de spot drijft met Gods handelen met hem en dat doet met het gemak waarmee iemand water drinkt. In vers 88Hij loopt rond in gezelschap van hen die onrecht bedrijven,
en gaat om met goddeloze mensen.
zegt Elihu dat Job in zijn uitingen over God te ver is gegaan. Hij zegt van Job dat die rondloopt in gezelschap van hen die onrecht bedrijven” en dat hij omgaat “met goddeloze mensen”. Hij zegt niet dat Job onrecht bedrijft of een goddeloze is, maar dat hij zich in hun gezelschap bevindt.

Het betekent niet dat hij zelf goddeloos is. Elihu zegt dat zo, omdat Job zich heeft uitgelaten over God zoals ook bedrijvers van onrecht en goddeloze mensen dat doen (Jb 21:14-1514Toch zeggen zij tegen God: Wijk van ons,
want wij vinden geen vreugde in de kennis van Uw wegen.
15Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen?
En wat baat het ons dat wij bij Hem aandringen?
)
. Daardoor verenigt hij zich in de geest met hen. Job heeft namelijk gezegd dat het helemaal niets oplevert als je “behagen schept in God” (vers 99Want hij heeft gezegd: Het baat een man niet
als hij behagen schept in God.
)
.

Dit zijn woorden die Job niet letterlijk zo heeft gezegd, maar die doorklinken in wat hij over God heeft gezegd (Jb 9:2222Het is een [en hetzelfde]; daarom zeg ik:
Hij brengt zowel de oprechte als de goddeloze om.
)
. Hij heeft altijd in zijn leven laten zien dat hij God vreesde. En kijk nu eens wat Gods antwoord daarop is? Hij heeft alles van hem afgenomen en daarvoor in de plaats diepgaande, uitzichtloze ellende gegeven. Nee, volgens de uitspraken van Job hebben vroomheid en Godvrezendheid geen voordeel (vgl. Ml 3:1414U zegt: God dienen is nutteloos!
Wat voor nut heeft het dat wij [onze] taak ten behoeve van Hem vervullen
en dat wij in het zwart gaan
voor het aangezicht van de HEERE van de legermachten?
)
. Het maakt niet uit of je God dient, Hem aanbidt en met Hem wandelt, want God houdt daar toch geen rekening mee. Kijk maar naar zijn ellende.


God verdraait het recht niet

10Daarom, verstandige mensen, luister naar mij:
Er is bij God geen sprake van goddeloosheid,
of [bij] de Almachtige van onrecht!
11Want het werk van een mens vergeldt Hij hem,
en overeenkomstig iemands weg doet Hij hem ondervinden.
12Ja, het is waar, God handelt niet goddeloos,
en de Almachtige verdraait het recht niet.
13Wie heeft Hem over de aarde aangesteld,
en wie heeft de hele wereld neergezet?
14Als Hij Zijn hart tegen [de mens] zou richten,
diens geest en diens adem tot Zich zou verzamelen,
15dan zou alle vlees tegelijk de geest geven,
en de mens zou tot stof terugkeren.

Elihu gaat voor het oor van de “verstandige mensen” (vers 1010Daarom, verstandige mensen, luister naar mij:
Er is bij God geen sprake van goddeloosheid,
of [bij] de Almachtige van onrecht!
; vgl. vers 22Luister, wijzen, naar mijn woorden,
en verstandigen, hoor mij aan.
)
de visie van Job op God weerleggen. Met een “daarom” – dat is omdat Job een verkeerde kijk op God heeft – roept Elihu hen op om naar hem te luisteren, want hij zal hun de waarheid over God vertellen. Het is ondenkbaar dat er bij God sprake zou zijn “van goddeloosheid”. Dat is eenvoudig uitgesloten.

Ook is er bij “de Almachtige” geen sprake “van onrecht”. Bij machtige mensen is dat vaak wel het geval. Macht is recht, wordt er wel gezegd. Dan zet de machtige het recht naar zijn hand, waardoor het vaak tot onrecht wordt. Het is onmogelijk dat God, de Almachtige, zo handelt. “God is waarheid en geen onrecht” (Dt 32:44Hij is de rots, Wiens werk volmaakt is,
want al Zijn wegen zijn [een en al] recht.
God is waarheid en geen onrecht;
rechtvaardig en waarachtig is Hij.
; 2Kr 19:77Nu dan, laat grote vrees voor de HEERE over u komen; neem [uw plichten] waar, en doe [ze], want bij de HEERE, onze God, is geen onrecht, geen partijdigheid of aanneming van geschenken.; Ps 92:1616om te verkondigen dat de HEERE waarachtig is;
Hij is mijn rots en in Hem is geen onrecht.
; Zf 3:55De rechtvaardige HEERE is in haar midden,
Hij doet geen onrecht.
Elke morgen brengt Hij Zijn recht aan het licht,
er ontbreekt niets aan.
Maar wie onrecht doet, kent geen schaamte.
)
. Als de Almachtige kan Hij alles, maar niet iets wat in strijd is met Zijn Wezen. Dat is geen beperking van Zijn almacht, maar een volmaaktheid die Hem eigen is. Hij kan niet liegen (Tt 1:22in [de] hoop van [het] eeuwige leven dat God, Die niet kan liegen, beloofd heeft vóór [de] tijden van de eeuwen; maar op Zijn eigen tijd heeft Hij Zijn Woord geopenbaard door [de] prediking; Nm 23:1919God is geen man, dat Hij liegen zou,
of een mensenkind, dat Hij [ergens] berouw over hebben zou.
Zou Híj [iets] zeggen en [het] dan niet doen?
Zou Híj spreken en het niet gestand doen?
)
en ook geen onrecht doen (vgl. Rm 9:1414Wat zullen wij dan zeggen? Is er onrechtvaardigheid bij God? Volstrekt niet!).

Hij is volmaakt rechtvaardig in Zijn wegen met de mens (vers 1111Want het werk van een mens vergeldt Hij hem,
en overeenkomstig iemands weg doet Hij hem ondervinden.
)
. Alles wat een mens doet en de weg die hij gaat, wordt door Hem gewogen en rechtvaardig vergolden (Sp 5:2121Want de wegen van een man zijn vóór de ogen van de HEERE,
Hij weegt al zijn sporen.
)
. Dat lijkt op wat de vrienden ook hebben gezegd. Toch is dit totaal anders. Elihu wijst op een eigenschap van God als antwoord op uitspraken van Job vanwege zijn lijden en niet als antwoord op de oorzaak van het lijden van Job. Dit laatste deden de vrienden.

In vers 1212Ja, het is waar, God handelt niet goddeloos,
en de Almachtige verdraait het recht niet.
zegt Elihu nog een keer wat hij ook in vers 1010Daarom, verstandige mensen, luister naar mij:
Er is bij God geen sprake van goddeloosheid,
of [bij] de Almachtige van onrecht!
heeft gezegd. Deze herhaling is al een onderstreping, maar hij zet er een extra streep onder door de herhaling te beginnen met “ja, het is waar”. Zo benadrukt hij dat het volkomen tegen de natuur van God is om goddeloos te handelen en dat het daarom ook volkomen tegen het gebruik van Zijn almacht ingaat om het recht te verdraaien. Daarmee toont Elihu de ernst aan van Jobs woorden om God aan te klagen.

Dan wijst Elihu op de soevereiniteit van God (vers 1313Wie heeft Hem over de aarde aangesteld,
en wie heeft de hele wereld neergezet?
)
. God is zo totaal anders dan en zo ver verheven boven de mens. Is er iemand die God over de aarde heeft aangesteld om die te besturen? Natuurlijk niet. Er is immers geen hoger gezag dat aan God gezag over de aarde zou hebben verleend. Hij heeft die positie Zelf op Zich genomen. Hij bestuurt alle dingen op aarde, inclusief het leven van ieder mens, ook dat van Job. Het is de aanmatiging van de mens dat hij zich boven God plaatst en tegen Hem zegt hoe Hij moet besturen.

Is er iemand anders dan God die “de hele wereld neergezet” heeft? Anders gezegd: Is er iemand anders dan God die de hele wereld met alles erop en eraan en de hele rangschikking en orde erin zou hebben geschapen? Ook hier is het antwoord: Natuurlijk niet. Hij is werkelijk absoluut soeverein. God de Zoon is de Schepper en Onderhouder van alle dingen (Ko 1:15-1715Hij is [het] Beeld van de onzichtbare God, [de] Eerstgeborene van [de] hele schepping,16want in Hem zijn alle dingen geschapen in de hemelen en op de aarde, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten: alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.17En Hij is vóór alle dingen en alle dingen bestaan samen in Hem.; Hb 1:1-31Nadat God vroeger vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij in [het] laatst van deze dagen tot ons gesproken in [de] Zoon,2Die Hij gesteld heeft tot Erfgenaam van alle dingen, door Wie Hij ook de werelden gemaakt heeft.3Deze, Die [de] uitstraling is van Zijn heerlijkheid en [de] afdruk van Zijn wezen en Die alle dingen draagt door het woord van Zijn kracht, is, nadat Hij <door Zichzelf> [de] reiniging van de zonden tot stand heeft gebracht, gaan zitten aan [de] rechterhand van de Majesteit in [de] hoge,).

Als die almachtige Schepper en Bestuurder Zijn hart tegen de mens zou richten, is dat het einde van alles wat geest en adem heeft (verzen 14-1514Als Hij Zijn hart tegen [de mens] zou richten,
diens geest en diens adem tot Zich zou verzamelen,
15dan zou alle vlees tegelijk de geest geven,
en de mens zou tot stof terugkeren.
)
. Daar heeft Hij de macht en het recht toe. “Alle vlees zou tegelijk de geest geven”, betekent dat er geen levend mens meer op aarde aanwezig zou zijn. Hoe kan een mens dan klagen over verlies aan gezondheid, bezittingen, vrienden, en tegen God zeggen dat Hij onrecht begaat?

Elihu heeft niet alleen Job op het oog, alsof God Zijn hart alleen tegen hem zou richten, maar alle mensen. Het gaat om Gods almacht tegenover de nietigheid en ook zondigheid van de mens als zodanig. De mens heeft geen recht op het leven, maar op de dood. Door zijn zonde is de dood in de wereld gekomen. De mens die sterft, krijgt daarmee zijn loon, “want het loon van de zonde is [de] dood” (Rm 6:2323Want het loon van de zonde is [de] dood; maar de genadegave van God is [het] eeuwige leven in Christus Jezus onze Heer.). Als hij sterft, keert hij terug tot het stof waaruit hij is genomen (Gn 3:1919In het zweet van uw gezicht zult u brood eten,
totdat u tot de aardbodem terugkeert, omdat u daaruit genomen bent;
want stof bent u
en u zult tot stof terugkeren.
)
.


God is groot, onpartijdig en alwetend

16Als er inzicht [bij jou] is, luister hier [dan] naar,
neem de stem van mijn woorden ter ore:
17Kan ook iemand die het recht haat, regeren,
en wil je Hem Die zeer rechtvaardig is, schuldig verklaren?
18Zou men tegen een koning [durven] zeggen: Verderfelijk mens!
[of] tegen edelen: Goddelozen!
19Hij trekt geen partij voor de vorsten,
en trekt de rijke niet voor boven de arme,
want zij zijn allemaal het werk van Zijn handen.
20In een ogenblik sterven zij, zelfs midden in de nacht;
een volk wordt heen en weer geschud en komt om;
de machtige wordt weggenomen, [maar] niet door een [mensen]hand.
21Want Zijn ogen zijn op ieders wegen,
en Hij ziet al hun voetstappen.
22Er is geen duisternis en er is geen schaduw van de dood
waar degenen die onrecht bedrijven zich kunnen verbergen.

In de verzen 16-3016Als er inzicht [bij jou] is, luister hier [dan] naar,
neem de stem van mijn woorden ter ore:
17Kan ook iemand die het recht haat, regeren,
en wil je Hem Die zeer rechtvaardig is, schuldig verklaren?
18Zou men tegen een koning [durven] zeggen: Verderfelijk mens!
[of] tegen edelen: Goddelozen!
19Hij trekt geen partij voor de vorsten,
en trekt de rijke niet voor boven de arme,
want zij zijn allemaal het werk van Zijn handen.
20In een ogenblik sterven zij, zelfs midden in de nacht;
een volk wordt heen en weer geschud en komt om;
de machtige wordt weggenomen, [maar] niet door een [mensen]hand.
21Want Zijn ogen zijn op ieders wegen,
en Hij ziet al hun voetstappen.
22Er is geen duisternis en er is geen schaduw van de dood
waar degenen die onrecht bedrijven zich kunnen verbergen.23Zeker, Hij legt de mens niet teveel op,
zodat hij tegen God in het gericht zou kunnen komen.
24Hij verplettert de machtigen, zonder dat men het doorgronden kan,
en stelt anderen in hun plaats.
25Omdat Hij hun werken kent,
keert Hij [hen] 's nachts om, en zij worden verbrijzeld.
26Hij slaat hen als goddelozen neer,
in een plaats [waar mensen] het zien,
27omdat zij van achter Hem zijn afgeweken,
en geen van Zijn wegen opgemerkt hebben.
28Hij brengt straf over hem [vanwege] het hulpgeroep van de arme,
en Hij hoort het hulpgeroep van de ellendigen.
29Als Hij stil blijft, wie kan dan schuldig verklaren?
Als Hij [Zijn] aangezicht verbergt, wie kan Hem dan waarnemen?
[Hij regeert] zowel over een volk als over een mens alleen,
30opdat er geen huichelaar regeert,
[en] er geen valstrikken voor het volk zijn.
stelt Elihu op grootse wijze Gods gerechtigheid voor en verklaart van Hem dat Hij
1. groot, onpartijdig en alwetend is (verzen 16-2216Als er inzicht [bij jou] is, luister hier [dan] naar,
neem de stem van mijn woorden ter ore:
17Kan ook iemand die het recht haat, regeren,
en wil je Hem Die zeer rechtvaardig is, schuldig verklaren?
18Zou men tegen een koning [durven] zeggen: Verderfelijk mens!
[of] tegen edelen: Goddelozen!
19Hij trekt geen partij voor de vorsten,
en trekt de rijke niet voor boven de arme,
want zij zijn allemaal het werk van Zijn handen.
20In een ogenblik sterven zij, zelfs midden in de nacht;
een volk wordt heen en weer geschud en komt om;
de machtige wordt weggenomen, [maar] niet door een [mensen]hand.
21Want Zijn ogen zijn op ieders wegen,
en Hij ziet al hun voetstappen.
22Er is geen duisternis en er is geen schaduw van de dood
waar degenen die onrecht bedrijven zich kunnen verbergen.
)
en
2. oordeelt (verzen 23-3023Zeker, Hij legt de mens niet teveel op,
zodat hij tegen God in het gericht zou kunnen komen.
24Hij verplettert de machtigen, zonder dat men het doorgronden kan,
en stelt anderen in hun plaats.
25Omdat Hij hun werken kent,
keert Hij [hen] 's nachts om, en zij worden verbrijzeld.
26Hij slaat hen als goddelozen neer,
in een plaats [waar mensen] het zien,
27omdat zij van achter Hem zijn afgeweken,
en geen van Zijn wegen opgemerkt hebben.
28Hij brengt straf over hem [vanwege] het hulpgeroep van de arme,
en Hij hoort het hulpgeroep van de ellendigen.
29Als Hij stil blijft, wie kan dan schuldig verklaren?
Als Hij [Zijn] aangezicht verbergt, wie kan Hem dan waarnemen?
[Hij regeert] zowel over een volk als over een mens alleen,
30opdat er geen huichelaar regeert,
[en] er geen valstrikken voor het volk zijn.
)
.

Vanaf vers 1616Als er inzicht [bij jou] is, luister hier [dan] naar,
neem de stem van mijn woorden ter ore:
richt Elihu zich weer tot Job met een nieuwe aansporing om te luisteren. Hij doet daarbij een beroep op het inzicht dat hij bij Job aanwezig veronderstelt. Job kan dat tonen door de woorden die Elihu spreekt ter ore te nemen en in zich op te nemen. Elihu vraagt Job of iemand die het recht haat, kan regeren (vers 1717Kan ook iemand die het recht haat, regeren,
en wil je Hem Die zeer rechtvaardig is, schuldig verklaren?
)
. Het is duidelijk dat wie afkerig is van het recht, niet goed kan regeren. Hoewel dat vaak bij menselijke regeerders het geval is, is daarvan bij God geen sprake. Goed regeren kan alleen iemand die het recht liefheeft. God is “zeer rechtvaardig”. Welnu, als er inzicht is bij Job, zal hij moeten toegeven dat hij God niet schuldig kan verklaren aan het begaan van onrecht.

God regeert. Dat doet Hij door Zijn Zoon. Hij heeft Hem nu al alle macht in hemel en op <de> aarde” gegeven (Mt 28:1818En Jezus kwam naar hen toe en sprak tot hen de woorden: Mij is gegeven alle macht in hemel en op <de> aarde.). David heeft over Christus, de Zoon van God, gesproken als de Heerser in de toekomst, in het vrederijk, toen hij sprak over een Heerser over de mensen, een Rechtvaardige, een Heerser [in] de vreze Gods” (2Sm 23:33De God van Israël heeft gezegd,
de Rots van Israël heeft tot mij gesproken:
[Er komt] een Heerser over de mensen, een Rechtvaardige,
een Heerser [in] de vreze Gods.
)
. Hetzelfde horen we van de schrijver van de brief aan de Hebreeën die over het koningschap van Christus zegt dat “de scepter van de rechtmatigheid … de scepter van Uw koningschap” is en dat Hij “gerechtigheid liefgehad en wetteloosheid gehaat” heeft (Hb 1:8-98maar van de Zoon: ‘Uw troon, O God, is tot in alle eeuwigheid en de scepter van de rechtmatigheid is [de] scepter van Uw koningschap.9U hebt gerechtigheid liefgehad en wetteloosheid gehaat; daarom heeft God, Uw God, U gezalfd met vreugdeolie boven Uw metgezellen’.). Alles bij God en Christus is volmaakt rechtvaardig. Elk onrecht ontbreekt.

Mensen durven en mogen tegen een koning geen scheldwoorden gebruiken (vers 1818Zou men tegen een koning [durven] zeggen: Verderfelijk mens!
[of] tegen edelen: Goddelozen!
)
. Vandaag de dag durven mensen dat wel, maar dat verandert niets aan wat ons past. Wij worden opgeroepen de koning en andere hoogwaardigheidsbekleders te eren (1Pt 2:1717Eert allen, hebt de broederschap lief, vreest God, eert de koning.; Hd 23:55En Paulus zei: Ik wist niet, broeders, dat het de hogepriester was; want er staat geschreven: ‘Van een overste van uw volk zult u geen kwaad spreken’.). Tegenover hen past ons een houding van respect vanwege hun positie, ook als zij op een duidelijke wijze moeten worden geconfronteerd met hun zonden. We zien dat bij Daniël tegenover Nebukadnezar en bij Johannes de doper tegenover Herodes.

Maar wat de mens verboden is, doet God wel. Hij zegt tegen een koning dat hij een “verderfelijk mens” is en Hij zegt wél tegen edelen dat ze “goddelozen” zijn. Hij heeft daar het recht toe, omdat Hij hun Schepper is en hen doorziet. In Zijn beoordeling en oordeel is Hij niet partijdig (vers 1919Hij trekt geen partij voor de vorsten,
en trekt de rijke niet voor boven de arme,
want zij zijn allemaal het werk van Zijn handen.
; Rm 2:1111want er is geen aanzien des persoons bij God.; Dt 10:1717Want de HEERE, uw God, is de God der goden en de Heere der heren; die grote, machtige en ontzagwekkende God, Die niet partijdig is en geen geschenk in ontvangst neemt,; 2Kr 19:77Nu dan, laat grote vrees voor de HEERE over u komen; neem [uw plichten] waar, en doe [ze], want bij de HEERE, onze God, is geen onrecht, geen partijdigheid of aanneming van geschenken.; Hd 10:3434Petrus nu opende zijn mond en zei: In waarheid merk ik dat er bij God geen aanzien des persoons is,; Ef 6:99En u, heren, doet hetzelfde jegens hen en laat het dreigen na. U weet immers, dat zowel hun als uw Heer in [de] hemelen is, en dat bij Hem geen aanzien des persoons is.; Ko 3:2525Want wie onrecht doet, zal het onrecht dat hij gedaan heeft, terugontvangen; en er is geen aanzien des persoons.; 1Pt 1:1717En als u als Vader Hem aanroept Die zonder aanzien des persoons oordeelt naar het werk van ieder, wandelt dan in vrees de tijd van uw bijwoning,)
. Het maakt voor Hem niet uit of Hij met een vorst, of een rijke, of een arme te doen heeft. Hij hoeft niemand te ontzien, “want zij zijn allemaal het werk van Zijn handen”, Hij heeft hen allemaal gemaakt (vgl. 1Sm 2:77De HEERE maakt arm en maakt rijk,
Hij vernedert, ook verhoogt Hij.
)
. En Hij heeft hen gemaakt met het doel dat ze Hem zouden dienen.

Als ze niet aan het doel beantwoorden waartoe Hij hen heeft gemaakt, neemt Hij hun leven weg (vers 2020In een ogenblik sterven zij, zelfs midden in de nacht;
een volk wordt heen en weer geschud en komt om;
de machtige wordt weggenomen, [maar] niet door een [mensen]hand.
)
. Dat is voor Hem slechts een kwestie van “een ogenblik”. De duisternis van de nacht plaatst Hem niet voor een probleem, want “midden in de nacht” is het voor Hem net zo licht als midden op de dag.

Het is evenmin van belang of het een machtig volk of een machtige enkeling betreft. Een volk heeft macht door de veelheid aan mensen; een enkeling heeft soms macht door zijn positie. Voor God maakt het geen verschil. Hij schudt een volk heen en weer alsof het een enkeling is en het volk komt om. Even een aanraking met Zijn almachtige, onzichtbare hand, dus niet de zwakke hand van een sterfelijk mens, en ze zijn er geweest.

God is behalve almachtig ook alwetend. Hij ziet en doorziet ieder mens in de weg die hij gaat (vers 2121Want Zijn ogen zijn op ieders wegen,
en Hij ziet al hun voetstappen.
)
. Hij ziet alle voetstappen die een mens op zijn weg zet, dat wil zeggen dat Hij zijn hele gedrag in al zijn handelingen en al zijn woorden opmerkt. Er is niemand nodig om Hem op iets te wijzen wat Hij over het hoofd zou hebben gezien. Voor Hem bestaan geen geheimen. Hij hoeft ook geen grondig onderzoek te doen om achter de waarheid te komen. Er zijn geen maandenlange processen nodig met meerdere rechtszittingen. Hij doorziet alles ogenblikkelijk (Hb 4:1313En geen schepsel is voor Hem onzichtbaar, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de ogen van Hem met Wie wij te doen hebben.).

Hij ziet iedere bedrijver van onrecht, ook op de meest duistere en verborgen plaatsen, al is het in de schaduw van de dood (vers 2222Er is geen duisternis en er is geen schaduw van de dood
waar degenen die onrecht bedrijven zich kunnen verbergen.
)
. Alle zondaars die in het graf zijn, waar dat graf zich ook maar mag bevinden, zullen hun oordeel niet ontlopen. Mensen kunnen menen door zelf een einde aan hun leven te maken aan een bepaalde straf te ontkomen. Maar dat is een schromelijke vergissing. God zal hen doen opstaan en oordelen (Op 20:11-1511En ik zag een grote, witte troon en Hem Die daarop zat, voor Wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvluchtten, en geen plaats werd voor hen gevonden.12En ik zag de doden, de groten en de kleinen, voor de troon staan; en er werden boeken geopend. En een ander boek werd geopend, namelijk dat van het leven. En de doden werden geoordeeld volgens wat in de boeken geschreven was, naar hun werken.13En de zee gaf de doden die in haar waren, en de dood en de hades gaven de doden die in hen waren, en zij werden geoordeeld, ieder naar zijn werken.14En de dood en de hades werden geworpen in de poel van vuur. Dit is de tweede dood: de poel van vuur.15En als iemand niet geschreven gevonden werd in het boek van het leven, werd hij geworpen in de poel van vuur.). Dat Hij oordeelt, toont Elihu in de volgende verzen aan.


God oordeelt

23Zeker, Hij legt de mens niet teveel op,
zodat hij tegen God in het gericht zou kunnen komen.
24Hij verplettert de machtigen, zonder dat men het doorgronden kan,
en stelt anderen in hun plaats.
25Omdat Hij hun werken kent,
keert Hij [hen] 's nachts om, en zij worden verbrijzeld.
26Hij slaat hen als goddelozen neer,
in een plaats [waar mensen] het zien,
27omdat zij van achter Hem zijn afgeweken,
en geen van Zijn wegen opgemerkt hebben.
28Hij brengt straf over hem [vanwege] het hulpgeroep van de arme,
en Hij hoort het hulpgeroep van de ellendigen.
29Als Hij stil blijft, wie kan dan schuldig verklaren?
Als Hij [Zijn] aangezicht verbergt, wie kan Hem dan waarnemen?
[Hij regeert] zowel over een volk als over een mens alleen,
30opdat er geen huichelaar regeert,
[en] er geen valstrikken voor het volk zijn.

God vraagt niets onredelijks van de mens (vers 2323Zeker, Hij legt de mens niet teveel op,
zodat hij tegen God in het gericht zou kunnen komen.
)
. Hij heeft hem gemaakt en hem tevens de capaciteiten gegeven Hem te dienen. Hij legt de mens ook niet teveel moeiten op. Voor de gelovige geldt dat Hij hem niet boven vermogen verzoekt (1Ko 10:1313U heeft geen verzoeking getroffen dan menselijke; en God is getrouw, Die niet zal toelaten dat u verzocht wordt boven wat u kunt [verdragen]; maar met de verzoeking zal Hij ook de uitkomst geven, zodat u ze kunt verdragen.). Job heeft daar wel moeite mee, wat we goed kunnen begrijpen. Maar hij wil daarover tegen God in het gericht komen en daarin gaat hij te ver. Niemand kan God ter verantwoording roepen over wat Hij in Zijn wijsheid een mens oplegt.

Weer wijst Elihu op de verhevenheid en soevereiniteit van God (vers 2424Hij verplettert de machtigen, zonder dat men het doorgronden kan,
en stelt anderen in hun plaats.
)
. Hoe zou een mens (als Job) het met die machtige, oordelende God oneens kunnen zijn over wat Hij met hem doet? God heeft het recht en de macht om machtigen te verpletteren en anderen voor hen in de plaats stellen (vgl. Dn 2:2121Hij verandert de tijden en gelegenheden,
Hij zet koningen af en stelt koningen aan,
Hij geeft de wijsheid aan wijzen,
de kennis aan wie verstand hebben.
; Sp 8:15-1615Door Mij regeren koningen,
verordenen vorsten gerechtigheid.
16Door Mij heersen vorsten,
en edelen, alle rechters op aarde.
)
. Hij doet dat niet willekeurig, zonder reden. Dat de mens die reden niet kan doorgronden, geeft hem niet het recht van Hem te eisen dat Hij vertelt waarom Hij dat doet.

Toch geeft Elihu een verklaring, wat we zien aan het woord “omdat” (vers 2525Omdat Hij hun werken kent,
keert Hij [hen] 's nachts om, en zij worden verbrijzeld.
)
. God doet zo, omdat Hij de werken van deze machtigen kent. Hoe Hij met de farao en diens volk, de Egyptenaren, heeft gehandeld, is daarvan een voorbeeld. God heeft de farao verbrijzeld toen Hij ’s nachts alle eerstgeborenen in het land Egypte sloeg en daarmee zijn kracht verbrijzelde (Ex 12:29-3029En het gebeurde te middernacht dat de HEERE alle eerstgeborenen in het land Egypte trof, vanaf de eerstgeborene van de farao, die op zijn troon zou zitten, tot aan de eerstgeborene van de gevangene, die zich in de gevangenis bevond, en alle eerstgeborenen van het vee.30Toen stond de farao 's nachts op, hij en al zijn dienaren en alle Egyptenaren. En er was een luid geschreeuw in Egypte, want er was geen huis waarin geen dode was.; Ps 105:3636Hij trof alle eerstgeborenen in hun land,
de eerste [vruchten] van al hun mannelijke kracht.
)
. Andere voorbeelden zijn de Assyrische soldaten die in de nacht werden gedood, en Belsazar, die ook in de nacht werd gedood (2Kn 19:3535Het gebeurde in diezelfde nacht dat de engel van de HEERE [ten strijde] trok en in het leger van Assyrië honderdvijfentachtigduizend [man] neersloeg. Toen men de [volgende] morgen vroeg opstond, zie, het waren allemaal dode lichamen.; Dn 5:3030In diezelfde nacht werd Belsazar, de koning van de Chaldeeën, gedood.).

God is volmaakt rechtvaardig als Hij goddelozen neerslaat omdat ze goddeloos zijn (vers 2626Hij slaat hen als goddelozen neer,
in een plaats [waar mensen] het zien,
).
Hij heeft dat onder andere gedaan met de goddeloze inwoners van Kanaän. Dat doet Hij op een plaats waar andere mensen het zien. Zijn oordeelshandelingen verricht Hij voor iedereen zichtbaar. Hij verbergt Zijn macht en gerechtigheid niet. Voor de rechtvaardigen is dat een bemoediging en vreugde, terwijl de goddelozen erdoor gewaarschuwd worden om niet door te gaan met goddeloos te leven, maar zich te bekeren.

Gods oordeel treft vooral de afvalligen, zij die Hem eerst volgden, maar “van achter Hem zijn afgeweken” (vers 2727omdat zij van achter Hem zijn afgeweken,
en geen van Zijn wegen opgemerkt hebben.
)
. Het gaat hier om machthebbers die goddeloos leven (vers 2626Hij slaat hen als goddelozen neer,
in een plaats [waar mensen] het zien,
)
door de armen te onderdrukken (vers 2828Hij brengt straf over hem [vanwege] het hulpgeroep van de arme,
en Hij hoort het hulpgeroep van de ellendigen.
)
van wie het hulpgeroep door de Heer wordt gehoord (vers 28b28Hij brengt straf over hem [vanwege] het hulpgeroep van de arme,
en Hij hoort het hulpgeroep van de ellendigen.
)
. De daad van deze goddelozen wordt gezien als een verbluffende verlating van Gods geboden en van achter Hem afwijken. Ze hebben Zijn wegen die Hij in Zijn regering met mensen en volken gaat, niet opgemerkt. Ze willen niet zien dat Hij ingrijpt in levens van mensen en van volken, maar schrijven alles toe aan natuurlijke oorzaken of pech. Dat een hogere hand alles bestuurt, willen ze niet inzien.

De goddeloze wordt door God gestraft omdat hij de arme onderdrukt (vers 2828Hij brengt straf over hem [vanwege] het hulpgeroep van de arme,
en Hij hoort het hulpgeroep van de ellendigen.
)
. God reageert daarmee op het hulpgeroep van de ellendige. Hij hoort het als er tot Hem in de nood wordt geroepen. Maar God reageert niet altijd direct met oordeel over onrecht of met hulp in geval van nood. Hij kan ook stil blijven (vers 2929Als Hij stil blijft, wie kan dan schuldig verklaren?
Als Hij [Zijn] aangezicht verbergt, wie kan Hem dan waarnemen?
[Hij regeert] zowel over een volk als over een mens alleen,
)
. Job heeft God verweten dat Hij Zich stilhield en alles maar liet begaan. Maar als Hij niet oordeelt of helpt, wie zal Hem daarvoor “schuldig verklaren”? Dat deed Job.

Het was voor Job alsof God Zijn aangezicht verborg. Ook wij kunnen wel eens het gevoel hebben dat God Zich voor ons verbergt, dat we Hem niet kunnen waarnemen omdat we alleen ellende zien, zoals Job. God kan Zich verborgen houden zowel voor een volk als voor een mens alleen. Hij beschouwt volken “als een druppel aan een emmer, als een stofje op de weegschaal” (Js 40:1515Zie, de volken worden beschouwd als een druppel aan een emmer,
als een stofje op de weegschaal.
Zie, Hij heft de eilanden op als fijn stof.
)
.

Als God Zijn aangezicht verbergt, heeft dat een doel, wat wordt aangegeven door het woord “opdat” (vers 3030opdat er geen huichelaar regeert,
[en] er geen valstrikken voor het volk zijn.
)
. Hij wil daarmee bewerken dat mensen het gemis aan Hem gaan voelen en naar Hem gaan vragen. Als ze dat doen, zorgt Hij ervoor dat er geen huichelaar aan de macht komt of blijft. Een huichelaar is iemand die wel mooie praatjes voor het volk heeft, maar die alleen gebruikt om hen te manipuleren en uit te buiten (2Sm 15:2-62Ook stond Absalom 's morgens vroeg op en ging aan de kant van de weg naar de poort staan. Het gebeurde dan dat Absalom elke man die een geschil had om mee naar de koning te gaan voor recht, bij zich riep en zei: Uit welke stad komt u? Als die dan zei: Uw dienaar komt uit een van de stammen van Israël,3zei Absalom tegen hem: Zie, uw zaken zijn goed en rechtmatig, maar bij de koning vindt u niemand die u gehoor geeft.4Verder zei Absalom: Als men mij maar tot rechter in het land aanstelde! Dan zou ieder die een geschil of rechtszaak heeft, bij míj kunnen komen en zou ik hem recht kunnen verschaffen.5Ook gebeurde het, dat als iemand naderde om voor hem te buigen, hij zijn hand uitstak, hem vastgreep en hem kuste.6Op die manier deed Absalom met heel Israël dat naar de koning ging voor recht. Zo stal Absalom het hart van de mannen van Israël.). Hij legt valstrikken voor het volk en veroorzaakt de ondergang ervan. Die valstrikken zijn de goddeloze wetten die hij uitvaardigt en het zedeloze leven dat hij leidt.


Job heeft niet met kennis gesproken

31Zeker, [Job] heeft tegen God gezegd:
Ik heb [Uw straf] gedragen, ik zal niet [meer] verderfelijk handelen.
32Leert U mij wat ik niet zie;
als ik onrecht begaan heb, zal ik het niet meer doen.
33Moet het van jou komen hoe Hij iets vergelden zal, terwijl je [Hem] veracht?
Zul jíj dan kiezen, en niet ik?
Wat weet je? Spreek.
34Verstandige mensen zullen tegen mij zeggen,
en een wijs man zal naar mij luisteren:
35Job heeft niet met kennis gesproken,
en zijn woorden waren niet met verstand.
36Ach, laat Job tot het einde toe beproefd worden,
om [zijn] antwoorden onder mensen van onrecht.
37Want hij voegt aan zijn zonde nog overtreding toe;
hij klapt onder ons in de handen,
en hij maakt zijn woorden tegen God talrijk.

In dit gedeelte blijken enkele verzen niet eenvoudig te vertalen te zijn, waaronder de verzen 31-3231Zeker, [Job] heeft tegen God gezegd:
Ik heb [Uw straf] gedragen, ik zal niet [meer] verderfelijk handelen.
32Leert U mij wat ik niet zie;
als ik onrecht begaan heb, zal ik het niet meer doen.
. De vertaling die ons het meest voldoet, is om deze verzen op te vatten als een advies van Elihu aan Job. Elihu zegt: ‘Zeker, zeg maar tegen God …’ Het gaat in dit geval dus niet om iets wat Job gezegd heeft, maar om wat Elihu zegt. Elihu vertelt Job hoe hij zich onder zijn beproeving tegenover God zou moeten opstellen. Daarvoor geeft hij hem de woorden van de verzen 31-3231Zeker, [Job] heeft tegen God gezegd:
Ik heb [Uw straf] gedragen, ik zal niet [meer] verderfelijk handelen.
32Leert U mij wat ik niet zie;
als ik onrecht begaan heb, zal ik het niet meer doen.
in de mond. Hij gebiedt Job niet om die uit te spreken, maar stelt het voor. Het past Job om tegen God te zeggen dat hij zich buigt onder Zijn kastijding en dat hij Hem niet meer zal beschuldigen.

Zulke woorden zijn nog niet uit zijn mond gekomen, want hij volhardt nog steeds in zijn onschuld en geeft God de schuld van zijn lijden. Het zijn de woorden van iemand die de dingen wil leren die hij niet begrijpt. Job had geen zondige daden gedaan waarvoor God hem door de rampen die Hij over Job heeft gebracht tot een belijdenis wil dwingen. Zo hebben de vrienden het lijden van Job steeds verklaard. God heeft echter gezegd dat Job niet gezondigd heeft (Jb 1:2222In dit alles zondigde Job niet en schreef hij God niets ongerijmds toe.; 2:1010Maar hij zei tegen haar: Je spreekt zoals één van de dwaze vrouwen spreekt. Zouden wij het goede wel van God ontvangen en zouden we het kwade niet ontvangen? In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet.). Maar dat betekent niet dat hij geen zondaar is. Hij is geen huichelaar, maar doordat hij God beschuldigt, zondigt hij. Dat hij een zondaar is, blijkt uit zijn woorden als reactie op het lijden.

Ook al weet hij niet van een concrete zonde in zijn leven, toch moet hij er oog voor krijgen dat hij niet volmaakt is in kennis over zichzelf. Hij kan iets gedaan hebben wat zonde is in Gods oog, zonder dat hij zich daarvan bewust is geweest, want alles wat niet op grond van geloof is, is zonde” (Rm 14:2323Maar wie twijfelt als hij eet, is veroordeeld, omdat het niet op grond van geloof is; en alles wat niet op grond van geloof is, is zonde.).

Dat hij zich zijn gebrek aan zelfkennis bewust is, kan hij laten zien door aan God te vragen: “Leert U mij wat ik niet zie.” Als hij dat oprecht tegen God zegt, maakt hij daarmee duidelijk dat hij niet aan God, maar aan zichzelf twijfelt. Het zal hem brengen tot het gebed dat ook David bad: Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart, beproef mij en ken mijn gedachten. Zie of er bij mij een schadelijke weg is en leid mij op de eeuwige weg” (Ps 139:23-2423Doorgrond mij, o God, en ken mijn hart,
beproef mij en ken mijn gedachten.
24Zie of er bij mij een schadelijke weg is
en leid mij op de eeuwige weg.
)
.

Dit is de houding die ook ons past. Misschien zijn we ons niet van iets kwaads bewust, maar dat mag ons niet tot de gedachte voeren dat het met ons ‘dus wel goed zit’. God is zoveel groter dan wij zijn. Paulus was zich dat goed bewust. Dat horen we als hij zegt: “Want ik ben van mij niets bewust, maar daardoor ben ik niet gerechtvaardigd; maar Hij Die mij beoordeelt, is [de] Heer” (1Ko 4:44Want ik ben van mij niets bewust, maar daardoor ben ik niet gerechtvaardigd; maar Hij Die mij beoordeelt, is [de] Heer.). Dit moeten wij ons ook bewust blijven. Als we blijven beseffen dat wij onvolmaakte mensen zijn en dat alleen de Heer uiteindelijk het juiste oordeel over al onze daden en woorden zal vellen, zal ons dat bewaren voor het gevoel van eigengerechtigheid.

Dan gaat Elihu verder met Job voor te houden hoe zijn houding tot nu toe nog is (vers 3333Moet het van jou komen hoe Hij iets vergelden zal, terwijl je [Hem] veracht?
Zul jíj dan kiezen, en niet ik?
Wat weet je? Spreek.
)
. Hij is nog steeds iemand die God wil vertellen hoe Hij iemand iets moet vergelden. In feite zegt Job tegen God hoe hij vindt dat God moet regeren. Job heeft Gods regering veracht door Zijn handelswijze af te wijzen. Wat moet God nu doen met de schuld van Job? Moet God nu maar handelen naar Jobs maatstaven en hem zijn schuld kwijtschelden? Maar het komt hem niet toe God te beoordelen, want hij weigert Gods regering over zijn eigen leven te aanvaarden. God vraagt niemand om raad of toestemming voor Zijn handelen, maar doet wat Hij voor goed acht.

Job, en niet Elihu, moet maar kiezen wat hij ervan vindt. Laat hij maar zeggen wat hij weet van Gods handelen, of hij zich eraan onderwerpt of niet. God handelt met Job, niet met Elihu.

Elihu wijst Job op wat verstandige mensen tegen hem zullen zeggen over Job (vers 3434Verstandige mensen zullen tegen mij zeggen,
en een wijs man zal naar mij luisteren:
)
. Hij wijst ook op de wijze man die naar hem zal luisteren. Elihu staat niet alleen in zijn beoordeling van Job. Hij weet dat verstandige en wijze mensen het met hem eens zijn. Allemaal geven ze hem gelijk als hij zegt dat Job niet met kennis heeft gesproken en dat zijn woorden niet met verstand waren (vers 3535Job heeft niet met kennis gesproken,
en zijn woorden waren niet met verstand.
)
.

Job heeft over God gesproken op een manier die duidelijk maakt dat hij geen kennis van God heeft met betrekking tot Zijn kastijding. Hij heeft woorden geuit over de situatie waarin hij is terechtgekomen die uit zijn gevoel en niet uit zijn verstand zijn gekomen. Ze verraden zijn gebrek aan kennis van God en zijn gebrek aan verstand om zijn huidige situatie te begrijpen.

Het ontlokt aan Elihu de verzuchting dat het werk van de beproeving toch eindelijk een keer tot het door God beoogde doel zal voeren, zodat het kan eindigen (vers 3636Ach, laat Job tot het einde toe beproefd worden,
om [zijn] antwoorden onder mensen van onrecht.
)
. Dat doel is dat Job God vertrouwt dat Hij zijn omstandigheden in de hand heeft en daarmee uiteindelijk zegen voor hem op het oog heeft. Nu is het nog zo, dat hij met zijn antwoorden God aanklaagt en Hem ongerijmde dingen toeschrijft, met als gevolg dat hij een verkeerd beeld van God geeft “onder de mensen van onrecht”. Daardoor sluit hij zich ook aan bij deze mensen.

Als Job in het toeschrijven van onrecht aan God blijft hangen, zal hij aan zijn zondige woorden “overtreding” toevoegen (vers 3737Want hij voegt aan zijn zonde nog overtreding toe;
hij klapt onder ons in de handen,
en hij maakt zijn woorden tegen God talrijk.
)
. Een overtreding is hier het handelen tegen een gebod of een regel. Het klappen in de handen wil zeggen dat deze handeling voortkomt uit een opstandig hart. Job is nog geen overtreder. In zijn talrijke woorden die hij in zijn grote nood tegen God heeft gezegd, heeft hij verkeerde dingen gezegd. Daarbij heeft hij als uiting van zijn woede over het onbegrip van Gods kant in de handen geklapt (vgl. Nm 24:1010Toen ontstak Balak in woede tegen Bileam, en hij sloeg zich in de handen. En Balak zei tegen Bileam: Ik heb u geroepen om mijn vijanden te vervloeken, maar zie, u hebt hen deze drie keer juist gezegend!). Maar nu is hij door Elihu gewezen op het verkeerde in zijn woorden over God. Als hij ondanks dat toch doorgaat, voegt hij overtreding aan zijn zonde toe.


Lees verder