Job
Inleiding 1-8 Zijn vreselijke spotters 9-15 Hun minachting 16-19 Zijn lijden 20-23 Geen hulp van God 24-27 De triomf van de ellende 28-31 Alles wee
Inleiding

Na het ophalen van zijn herinneringen aan zijn vroegere en nu vergane voorspoed wordt Job gedwongen terug te keren tot de realiteit van het heden en zich weer bezig te houden met zijn huidige ellende. Hij begint de beschrijving daarvan met “maar nu” (vers 11Maar nu lachen ze om mij,
mensen die jonger van dagen zijn dan ik;
hun vaders zou ik [nog] afgewezen hebben
om bij de honden van mijn kudde te plaatsen.
; vgl. vers 99Maar nu ben ik hun spotlied geworden,
en ik ben voor hen tot een [spot]woord.
)
, wat de tegenstelling met het vorige hoofdstuk onderstreept.

De verandering van voorspoed in rampspoed kan niet dramatischer beschreven worden dan in deze twee hoofdstukken gebeurt. Als we er enig besef van krijgen, kunnen we ons voorstellen hoezeer Jobs ziel door deze verandering overweldigd is. Vroeger werd hij door de aanzienlijkste en voornaamste mensen geëerd; nu wordt hij door het uitschot van de maatschappij veracht. Vroeger werd hij geprezen; nu is hij een spotlied geworden. Vroeger bewaakte God hem; nu is God een wreedaard voor hem geworden.


Zijn vreselijke spotters

1Maar nu lachen ze om mij,
mensen die jonger van dagen zijn dan ik;
hun vaders zou ik [nog] afgewezen hebben
om bij de honden van mijn kudde te plaatsen.
2Wat zou mij de kracht van hun handen ook gebaat hebben?
Die is [door] hoge ouderdom in hen vergaan.
3Onvruchtbaar door gebrek en door honger
vluchtten zij naar een dorre plaats,
[in het] donker van verwoesting en vernietiging.
4Zij plukken kruiden [en] bladeren van struiken [vanwege de honger];
en de wortel van bremstruiken om zich te verwarmen.
5Zij werden uit de gemeenschap verdreven,
men jouwde hen uit als een dief.
6Zij gingen op de hellingen van de dalen wonen,
in holen in het stof en in de rotsen.
7Tussen de struiken schreeuwden zij;
onder de distels sloten zij zich bij elkaar aan.
8Zij waren kinderen van een dwaas, en kinderen zonder naam,
zij waren weggeslagen uit het land.

Job begint in de verzen 1-81Maar nu lachen ze om mij,
mensen die jonger van dagen zijn dan ik;
hun vaders zou ik [nog] afgewezen hebben
om bij de honden van mijn kudde te plaatsen.
2Wat zou mij de kracht van hun handen ook gebaat hebben?
Die is [door] hoge ouderdom in hen vergaan.
3Onvruchtbaar door gebrek en door honger
vluchtten zij naar een dorre plaats,
[in het] donker van verwoesting en vernietiging.
4Zij plukken kruiden [en] bladeren van struiken [vanwege de honger];
en de wortel van bremstruiken om zich te verwarmen.
5Zij werden uit de gemeenschap verdreven,
men jouwde hen uit als een dief.
6Zij gingen op de hellingen van de dalen wonen,
in holen in het stof en in de rotsen.
7Tussen de struiken schreeuwden zij;
onder de distels sloten zij zich bij elkaar aan.
8Zij waren kinderen van een dwaas, en kinderen zonder naam,
zij waren weggeslagen uit het land.
de beschrijving van de grootte van zijn ongeluk met te wijzen op de soort personen die hem nu smaden. Het is het uitschot onder de mensen. In verachtelijke woorden spreekt Job zich uit over de mensen die hij vroeger weldeed, maar die zich nu boven hem stellen.

Zoals hierboven al is opgemerkt, geeft het woord “maar” een verandering aan met betrekking tot het voorgaande hoofdstuk (vers 11Maar nu lachen ze om mij,
mensen die jonger van dagen zijn dan ik;
hun vaders zou ik [nog] afgewezen hebben
om bij de honden van mijn kudde te plaatsen.
)
Het woord “nu” van dit hoofdstuk is de tegenstelling met “de maanden van weleer” uit het begin van het vorige hoofdstuk (Jb 29:22Och, was ik maar zoals in de maanden van weleer,
zoals in de dagen [toen] God mij bewaarde!
)
. Job wordt nu bespot. En door wie? Door mensen die jonger zijn dan hij (Jb 19:1818Zelfs de jonge kinderen verachten mij;
als ik opsta, spreken zij mij tegen.
)
. Vroeger hadden jongeren zich verstopt als hij zich naar de poort begaf (Jb 29:88zagen de jongens mij en hielden zich schuil,
en stokouden stonden op [en] bleven staan.
)
, maar nu lachen ze om hem, ze vermaken zich door grappen over hem te maken.

Dat jongeren minachtend over ouderen spreken of hen negatief bekritiseren, komt in onze tijd helaas steeds vaker voor. Een dergelijke houding gaat tegen Gods Woord in. Wie dit doet, krijgt met God Zelf te maken (Lv 19:3232U moet opstaan voor iemand met grijze haren en eer bewijzen aan een oudere. Uw God moet u vrezen. Ik ben de HEERE.). Jongeren worden opgeroepen aan de ouderen onderdanig te zijn (1Pt 5:5a5Evenzo u jongeren, weest aan [de] oudsten onderdanig. En weest allen tegenover elkaar met nederigheid omgord; want ‘God weerstaat [de] hoogmoedigen, maar [de] nederigen geeft Hij genade’.). Ouderen mogen zich wel afvragen of zij zich zo gedragen, dat dit voor de jongeren niet zo moeilijk is.

Job zegt van deze spottende jongeren dat ze het nageslacht zijn van minderwaardige vaders. Hoe kun je van zulke vaders verwachten dat zij hun kinderen gepaste fatsoensnormen bijbrengen? Hij zou die vaders niet eens een plaats tussen de (herders)honden – de enige keer dat er in de Bijbel van deze honden sprake is – willen geven. Een plaats bij de honden betekent een grote verachting, want in het oosten waren honden verachte dieren (2Sm 16:99Toen zei Abisaï, de zoon van Zeruja, tegen de koning: Waarom zou deze dode hond mijn heer de koning vervloeken? Laat mij toch oversteken en hem de kop afslaan.).

Job wilde deze mensen niet gebruiken, maar ze waren ook ongeschikt om gebruikt te worden (vers 22Wat zou mij de kracht van hun handen ook gebaat hebben?
Die is [door] hoge ouderdom in hen vergaan.
)
. Ze konden en wilden niets presteren. Ze hadden nooit geleerd iets aan te pakken omdat ze het niet wilden. Toen ze oud en krachteloos geworden waren, was er helemaal niets meer van hen te verwachten. En de nakomelingen van dit soort mensen hebben de euvele moed om Job te bespotten.

De vaders leden gebrek en honger en waren daardoor “onvruchtbaar”, wat wil zeggen dat uit hun handen niets voortkwam wat enige nuttige bijdrage voor anderen leverde (vers 33Onvruchtbaar door gebrek en door honger
vluchtten zij naar een dorre plaats,
[in het] donker van verwoesting en vernietiging.
)
. Ze werden ook nergens geduld. Daarom “vluchtten zij naar een dorre plaats”. Hun onvruchtbare leven paste uitstekend bij een dorre plaats, die ook spreekt van onvruchtbaarheid. Ze verbleven in duistere holen te midden van verwoesting en vernietiging. Hun hele leefklimaat spreekt van doodsheid, donkerheid en woestheid.

Ze leefden van kruiden die ze konden plukken en van bladeren van de struiken (vers 44Zij plukken kruiden [en] bladeren van struiken [vanwege de honger];
en de wortel van bremstruiken om zich te verwarmen.
)
. Zo leken ze een dierlijk bestaan te leiden. Van “de wortel van bremstruiken” werd het beste soort houtskool gemaakt dat dagen lang kon branden. Zich daarmee bezighouden was in de tijd van Job een taak voor de laagste klasse mensen.

De gemeenschap was hen liever kwijt dan rijk. Als ze ergens aanklopten, joeg men hen als schooiers weg, terwijl men hen achterna riep dat ze vuile dieven waren (vers 55Zij werden uit de gemeenschap verdreven,
men jouwde hen uit als een dief.
)
. Het waren geen zielige mensen, met wie je medelijden moest hebben, maar mensen die op geen enkele manier een fatsoenlijk bestaan wilden hebben. Ze kozen voor dit soort leven.

Als woonplaats kozen ze de hellingen van de dalen, waar toch niemand anders wilde wonen (vers 66Zij gingen op de hellingen van de dalen wonen,
in holen in het stof en in de rotsen.
)
. Als konijnen groeven ze holen in het stof of betrokken ze de holen die er in de rotsen waren.

Hun onderlinge communicatie gebeurde door schreeuwen (vers 77Tussen de struiken schreeuwden zij;
onder de distels sloten zij zich bij elkaar aan.
)
. Hetzelfde woord wordt gebruikt voor het balken van een ezel (Jb 6:55Balkt de wilde ezel bij het malse gras?
Loeit het rund bij zijn voer?
)
. “Onder de distels” hokten ze bij elkaar voor wat warmte, maar ook voor het botvieren van hun seksuele driften. Ze waren totaal schaamteloos. Misschien moet het ongegeneerde schreeuwen tussen de struiken ook daarmee in verband worden gezien. Ze leefden in alle opzichten als de dieren.

Deze vaders waren zelf ook “kinderen van een dwaas”, dat wil zeggen van vaders die zonder God en gebod hebben geleefd (vers 88Zij waren kinderen van een dwaas, en kinderen zonder naam,
zij waren weggeslagen uit het land.
)
. Ze kwamen uit wat wij vandaag asociale milieus noemen en wel van de ergste soort. Een naam hadden ze niet, zo nietszeggend waren ze. Er is weinig wat een mens zo in zijn waardigheid aantast, dan te doen alsof hij niet bestaat, alsof hij lucht is. De mensen over wie Job spreekt, zijn zulke mensen die geen recht op een bestaan hadden, omdat ze geen enkele verantwoordelijkheid namen. Daarom waren ze “weggeslagen uit het land”.

En het zijn de nakomelingen van deze nietsnutten zonder enig fatsoen en zonder naam die nu naar Job toekomen om hun verachting voor hem te uiten. Het is de vraag of wij in staat zijn enigszins te begrijpen wat voor een smart dit voor hem moet zijn. Het vraagt in elk geval van ons een groot inlevingsvermogen. Als we in de geest naast Job plaatsnemen, zullen we iets aanvoelen van de bitterheid van het lijden dat hem hiermee wordt aangedaan.


Hun minachting

9Maar nu ben ik hun spotlied geworden,
en ik ben voor hen tot een [spot]woord.
10Zij hebben een afschuw van mij, zij blijven ver bij mij vandaan,
ja, zij sparen mijn gezicht het speeksel niet.
11Want [God] heeft mijn tentkoord losgemaakt, en mij vernederd;
daarom werpen zij voor mijn gezicht de toom af.
12Aan de rechterkant staat gespuis op;
zij stoten mijn voeten weg,
en banen tegen mij hun wegen naar de ondergang,
13zij breken mijn pad af.
Zij bevorderen mijn ellende;
geen helper is er onder hen.
14Zij komen aan als door een wijde bres;
onder verwoesting komen zij aangolven.
15Verschrikkingen hebben zich tegen mij gekeerd;
als een wind achtervolgt men mijn waardigheid,
en mijn heil is als een wolk voorbijgegaan.

In de voorgaande verzen heeft Job het verdorven milieu beschreven waaruit het gespuis kwam dat verachtelijk op hem neerkeek. In de verzen 9-159Maar nu ben ik hun spotlied geworden,
en ik ben voor hen tot een [spot]woord.
10Zij hebben een afschuw van mij, zij blijven ver bij mij vandaan,
ja, zij sparen mijn gezicht het speeksel niet.
11Want [God] heeft mijn tentkoord losgemaakt, en mij vernederd;
daarom werpen zij voor mijn gezicht de toom af.
12Aan de rechterkant staat gespuis op;
zij stoten mijn voeten weg,
en banen tegen mij hun wegen naar de ondergang,
13zij breken mijn pad af.
Zij bevorderen mijn ellende;
geen helper is er onder hen.
14Zij komen aan als door een wijde bres;
onder verwoesting komen zij aangolven.
15Verschrikkingen hebben zich tegen mij gekeerd;
als een wind achtervolgt men mijn waardigheid,
en mijn heil is als een wolk voorbijgegaan.
spreekt Job erover op welke wijze het gespuis, dat hij in de verzen hiervoor in hun afkomst heeft beschreven, hem smaadt (verzen 9-129Maar nu ben ik hun spotlied geworden,
en ik ben voor hen tot een [spot]woord.
10Zij hebben een afschuw van mij, zij blijven ver bij mij vandaan,
ja, zij sparen mijn gezicht het speeksel niet.
11Want [God] heeft mijn tentkoord losgemaakt, en mij vernederd;
daarom werpen zij voor mijn gezicht de toom af.
12Aan de rechterkant staat gespuis op;
zij stoten mijn voeten weg,
en banen tegen mij hun wegen naar de ondergang,
)
en belaagt (verzen 13-1513zij breken mijn pad af.
Zij bevorderen mijn ellende;
geen helper is er onder hen.
14Zij komen aan als door een wijde bres;
onder verwoesting komen zij aangolven.
15Verschrikkingen hebben zich tegen mij gekeerd;
als een wind achtervolgt men mijn waardigheid,
en mijn heil is als een wolk voorbijgegaan.
)
.

In vers 99Maar nu ben ik hun spotlied geworden,
en ik ben voor hen tot een [spot]woord.
zegt Job voor de tweede keer “maar nu” (vgl. vers 11Maar nu lachen ze om mij,
mensen die jonger van dagen zijn dan ik;
hun vaders zou ik [nog] afgewezen hebben
om bij de honden van mijn kudde te plaatsen.
)
als inleiding voor een beschrijving van de situatie waarin hij zich nu bevindt en die in tegenstelling staat tot zijn vroegere situatie. Hij wordt nu bespot door het schuim van de maatschappij, door mensen voor wie niemand enige achting, maar slechts verachting heeft. Zij zingen spotliederen over hem en steken de draak met hem door spotwoorden. Ze vermaken zich met hem.

Zelfs dit soort mensen ziet met afschuw op hem neer (vers 1010Zij hebben een afschuw van mij, zij blijven ver bij mij vandaan,
ja, zij sparen mijn gezicht het speeksel niet.
)
. Ze blijven ver van hem vandaan. Soms lopen ze even snel naar hem toe om hem in zijn gezicht te spugen en lopen dan weer hard weg. Dat doen ze niet uit bangheid, maar omdat hij zo stinkt. Op de grond spugen als je iemand ziet, is een teken van minachting, maar in iemands gezicht spugen is vele malen erger. Hoe diep moet zijn ellende toch zijn!

Wat Job in de verzen 10-1110Zij hebben een afschuw van mij, zij blijven ver bij mij vandaan,
ja, zij sparen mijn gezicht het speeksel niet.
11Want [God] heeft mijn tentkoord losgemaakt, en mij vernederd;
daarom werpen zij voor mijn gezicht de toom af.
zegt, doet sterk denken aan wat mensen de Heer Jezus hebben aangedaan (Ps 22; 69; 102). Hij voelde ook de diepe pijn daarvan, maar Hij leed en dreigde niet. Hij gaf Zich in alles “over aan Hem Die rechtvaardig oordeelt” (1Pt 2:2323Die als Hij uitgescholden werd, niet terugschold, als Hij leed, niet dreigde, maar [Zich] overgaf aan Hem Die rechtvaardig oordeelt;). Als iemand kan spreken over het verschil tussen vroegere heerlijkheid en tegenwoordig lijden, is het wel de Heer Jezus tijdens Zijn leven op aarde. Hij verwisselde vrijwillig de glorie bij de Vader voor de grootste hoon en spot in de wereld.

Bij al de ellende die hem door mensen wordt aangedaan, weet Job dat hij uiteindelijk door God krachteloos is gemaakt en vernederd (vers 1111Want [God] heeft mijn tentkoord losgemaakt, en mij vernederd;
daarom werpen zij voor mijn gezicht de toom af.
)
. Zijn “tentkoord” is de draad waarmee hij aan het leven verbonden is. Petrus spreekt over zijn sterven als “het afleggen van mijn tent” (2Pt 1:1414daar ik weet dat het afleggen van mijn tent aanstaande is, zoals ook onze Heer Jezus Christus mij duidelijk heeft gemaakt.). Job meende dat hij de draad van zijn leven in de hand had en alles goed bestuurde. Maar God heeft hem uit zijn maatschappelijk sterke en eervolle positie gestoten.

Nu is alle respect voor hem verdwenen. Het gespuis buit zijn ellende en weerloosheid uit om hem nog verder te kleineren. Alles wat hen in bedwang had gehouden (“toom”) toen hij in voorspoed leefde, werpen ze van zich en nu richten ze hun bijtende spot op hem. Ze houden hun tong niet in toom, maar geven die de vrije teugel om hem belachelijk te maken en te smaden (vgl. Ps 39:22Ik zal mijn wegen bewaren, zei ik,
zodat ik niet zondig met mijn tong;
ik zal mijn mond met een muilkorf bewaren,
zolang de goddeloze tegenover mij staat.
; Ps 141:33HEERE, zet een wacht voor mijn mond,
behoed de deur van mijn lippen.
)
.

In vers 1212Aan de rechterkant staat gespuis op;
zij stoten mijn voeten weg,
en banen tegen mij hun wegen naar de ondergang,
lijkt Job te spreken over een andere groep tegenstanders. Ze zijn van hetzelfde lage allooi, want hij noemt hen “gespuis”. Ze laten het echter niet bij spotten, maar klagen hem ook aan en bestormen hem. De rechterkant is de plaats van de aanklager (Zc 3:11[Daarna] liet Hij mij de hogepriester Jozua zien, die voor het aangezicht van de Engel van de HEERE stond, terwijl de satan aan zijn rechterhand stond om hem aan te klagen.; Ps 109:66Stel een goddeloze over hem aan
en moge de satan aan zijn rechterhand staan.
)
. Mogelijk bedoelt hij met dit gespuis en deze aanklagers de rampen en kwalen die over hem zijn gekomen. Die worden immers als aanleiding genomen om hem van kwaad te beschuldigen.

De zware aanklachten jagen hem op de vlucht. Hij vergelijkt zichzelf met een belegerde stad. Tegen de muur van die stad worden belegeringswallen aangelegd om de stad in te nemen. Job voelt de rampen als wegen die naar hem gebaand worden om hem naar de ondergang te voeren.

Daardoor wordt zijn pad, ofwel zijn vluchtweg, afgesneden (vers 1313zij breken mijn pad af.
Zij bevorderen mijn ellende;
geen helper is er onder hen.
)
. Er is geen ontkomen meer aan. Met zijn allen streven zij naar zijn ondergang. Iedereen en alles is tegen hem. Onder hen die hem omringen is er niemand die hem helpt, er is “geen helper” (vgl. Jb 29:1212Want ik bevrijdde de ellendige die om hulp riep,
en de wees die geen helper had.
; Ps 22:1212Blijf [dan] niet ver van mij, want de nood is nabij;
er is immers geen helper.
; 72:1212Want Hij zal de arme redden die om hulp roept,
en de ellendige, en wie geen helper heeft.
)
. Allen belagen hem. Hij is van God en mensen verlaten.

Na de spot komt het sein tot de aanval (vers 1414Zij komen aan als door een wijde bres;
onder verwoesting komen zij aangolven.
)
. De aanvallers hebben een bres in de muur van zijn verdediging geslagen. En het is “een wijde bres”. In de rampen en beschuldigingen komt de verwoesting aangolven. Job dreigt in de zee van lijden ten onder te gaan.

Bij het zien van de aanstormende lijdensvloed voelt Job dat de verschrikkingen zich tegen hem hebben gekeerd (vers 1515Verschrikkingen hebben zich tegen mij gekeerd;
als een wind achtervolgt men mijn waardigheid,
en mijn heil is als een wolk voorbijgegaan.
)
. Als door een windvlaag is zijn waardigheid van hem weggenomen. Zijn hele geluk is vervlogen, weggevaagd, als een wolk die is voorbijgegaan en is opgelost (vgl. Hs 6:44Wat zal Ik u doen, Efraïm?
Wat zal Ik u doen, Juda?
Uw goedertierenheid is als een morgenwolk,
als dauw die vroeg optrekt en weggaat.
; 13:33Daarom zullen zij worden als een morgenwolk,
ja, als een vroeg opkomende dauw die verdwijnt,
als kaf dat van een dorsvloer wegstuift,
en als rook uit een venster.
)
.


Zijn lijden

16Daarom stort mijn ziel zich nu in mij uit;
de dagen van [mijn] ellende grijpen mij aan.
17's Nachts doorboort [God] mijn beenderen in mij,
en mijn aderen zijn niet rustig.
18Door [Zijn] grote kracht is mijn kleed [onherkenbaar] veranderd;
Hij snoert mij in als de kraag van mijn gewaad.
19Hij heeft mij in het slijk geworpen,
en ik ben gelijk geworden aan stof en as.

Jobs ziel stort zich in hem uit, wat wil zeggen dat hij zich overgeeft aan zijn ellende (vers 1616Daarom stort mijn ziel zich nu in mij uit;
de dagen van [mijn] ellende grijpen mij aan.
)
. Hij zakt als het ware in elkaar. Hij voelt hoe het laatste restje leven bezig is uit hem weg te vloeien. De dagen van zijn ellende grijpen hem aan, alsof ze handen hebben en hem krachtig beetpakken, ze overweldigen hem. Zijn hele bestaan en gevoel worden erdoor beheerst. Elke dag is vol ellende en de dagen rijgen zich aaneen zonder dat er enige verlichting optreedt of zich ook maar aandient.

De nacht is niet beter dan de dag (vers 1717's Nachts doorboort [God] mijn beenderen in mij,
en mijn aderen zijn niet rustig.
)
. Het lijkt wel of de pijn ‘s nachts nog toeneemt. De pijnscheuten schieten door zijn beenderen. Pijn in de beenderen is de diepste pijn. We zeggen wel eens dat we tot op het bot koud zijn en bedoelen daarmee dat we door en door koud zijn. Zo leed Job door en door pijn in de nacht, zodat hij ook ’s nachts geen rust had (vgl. Jb 33:1919Hij wordt gestraft met pijn op zijn slaapplaats,
en de strijd in zijn beenderen is er voortdurend.
)
. Ook het bloed in zijn aderen kwam ’s nachts niet tot rust. Hij had voortdurend hartkloppingen, waardoor hij ook wakker bleef.

Nadat Job heeft gesproken over de onzichtbare beenderen en aderen in zijn lichaam, spreekt hij over “mijn kleed”, dat is zijn uiterlijk. Hij is onherkenbaar geworden door de verwoestende kracht van zijn ziekte en zweren (vers 1818Door [Zijn] grote kracht is mijn kleed [onherkenbaar] veranderd;
Hij snoert mij in als de kraag van mijn gewaad.
)
. Hij voelt zich door God met “grote kracht” bij de keel gegrepen, op een manier waarop een kraag van een overhemd zo strak om de hals kan zitten, dat je het gevoel krijgt dat je stikt.

Job voelt zich vervolgens door God in het slijk van rampspoed en ellende geworpen (vers 1919Hij heeft mij in het slijk geworpen,
en ik ben gelijk geworden aan stof en as.
)
. Daardoor is hij in een afgrijselijke situatie terechtgekomen en wordt hij door iedereen gemeden. Wat hem zelf betreft, zijn alle kracht en leven uit hem verdwenen, wat hij tot uitdrukking brengt door te zeggen dat hij is “gelijk geworden aan stof en as” (vgl. Gn 18:2727Abraham antwoordde en zei: Zie toch, ik heb het aangedurfd om tot de Heere te spreken, hoewel ik stof en as ben!). Hij zit vanaf het begin “midden in de as” (Jb 2:88En [Job] nam een potscherf om zich daarmee te krabben, terwijl hij midden in de as zat.) en nu voelt hij zich alsof hij door Gods toedoen net zo laag en waardeloos als stof en as is geworden.


Geen hulp van God

20Ik roep tot U, maar U antwoordt mij niet;
ik sta [daar], maar U let niet op mij.
21U bent veranderd in een wreedaard tegen mij;
met de macht van Uw hand hebt U Zich tegen mij gekeerd.
22U heft mij op in de wind; U laat mij [erop] rijden,
en U laat mijn bestaan wegsmelten.
23Want ik weet dat U mij naar de dood brengt,
en naar de verzamelplaats voor alle levenden.

Meerdere keren heeft Job over God gesproken en Hem verweten onrechtvaardig te hebben gehandeld. Nu is het zover, dat hij God Zelf rechtstreeks gaat aanspreken (vers 2020Ik roep tot U, maar U antwoordt mij niet;
ik sta [daar], maar U let niet op mij.
)
. Maar er komt geen antwoord. In de ware zin van het woord kon alleen de Heer Jezus dit zeggen (Ps 22:2-42Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten,
[bent U] ver van mijn verlossing, [van] de woorden van mijn jammerklacht?
3Mijn God, ik roep overdag, maar U antwoordt niet,
en 's nachts, maar ik vind geen stilte.
4Maar U bent heilig,
U troont [op] de lofzangen van Israël.
)
. En wat een verschil is er tussen Hem en Job. Nooit gaf de Heer Zijn vertrouwen in God en Diens gerechtigheid op, terwijl Job twijfelt aan de rechtvaardigheid van God. Job krijgt (nog) geen antwoord omdat hij er nog niet aan toe is. De Heer Jezus werd door God verlaten en kreeg geen antwoord omdat God de zonden van allen die in Hem geloven op Hem legde en Hem daarvoor oordeelde. Hij schreef God daarbij niets ongerijmds toe.

Job schrijft God wel ongerijmde dingen toe. Zijn lijden blijft onverminderd groot en neemt zelfs met de dag toe. Hij gaat recht voor God staan, maar hij constateert dat God niet op hem let. Dat is wel de grootste kwelling. Hij weet dat God er is en hem ziet. Toch doet God net alsof Hij geen belangstelling voor hem heeft. Het lijkt er voor Job op, dat het God onverschillig laat hoe hij eraan toe is.

Dat brengt Job ertoe God “een wreedaard” te noemen (vers 2121U bent veranderd in een wreedaard tegen mij;
met de macht van Uw hand hebt U Zich tegen mij gekeerd.
)
. Dat is wel een heel sterke beschuldiging. Het houdt tegelijk in dat God wel op Job let, maar dan zonder dat Hij enig medelijden met diens situatie toont. Integendeel. God is veranderd van Iemand Die hem met zegen heeft overladen in Iemand Die hem nu wreed behandelt. De veranderde houding van mensen die hij in de voorgaande verzen heeft beschreven, is ook bij God aanwezig, zo stelt Job. God heeft Zich met Zijn machtige hand, Zijn machtige daden, tegen hem gekeerd.

Job voelt zich een speelbal van God, zoals een blad een speelbal van de wind is (vers 2222U heft mij op in de wind; U laat mij [erop] rijden,
en U laat mijn bestaan wegsmelten.
)
. Door de rampen die als een wind zijn leven omver hebben geblazen, is hij alle houvast kwijt. Hij is een weerloze prooi van de gang van zaken waarop hij geen vat heeft, zoals de wind niet te vatten is. De ellende is als een wagen waarop hij zit en die hem meevoert, zonder dat hij de mogelijkheid heeft om van de wagen af te stappen. Hoe zou hij ook kunnen als God de ‘wagenmenner’ is? Zo smelt zijn bestaan weg en verliest het elke vastigheid.

Hij “weet” dat God hem op Zijn ‘windwagen’ onstuitbaar in de richting van de dood voert (vers 2323Want ik weet dat U mij naar de dood brengt,
en naar de verzamelplaats voor alle levenden.
)
. Dan komt hij terecht op de plaats waar uiteindelijk alle levenden terechtkomen, het graf, niemand uitgezonderd – behalve Henoch en Elia. Dat hij dit “weet”, is niet in strijd met wat hij eerder zei: “Ik weet echter: mijn Verlosser leeft” (Jb 19:2525Ik weet echter: mijn Verlosser leeft,
en Hij zal ten laatste over het stof opstaan.
)
. Het hoort bij het heen en weer en op en neer gaan van zijn gevoelens. Hier is hij weer helemaal overweldigd door zijn rampen en plagen en ziet hij geen uitzicht.


De triomf van de ellende

24Maar zal Hij de hand niet uitsteken naar iemand in een puinhoop,
als die daarom in zijn verdrukking om hulp roept?
25Heb ik niet geweend over degene die moeilijke dagen had?
Was mijn ziel niet bedroefd over de arme?
26[Maar] toen ik het goede verwachtte, kwam het kwade;
toen ik hoopte op licht, kwam er duisternis.
27Mijn ingewanden koken en zwijgen niet;
de dagen van mijn ellende hebben mij bedreigd.

Job vraagt zich af of God werkelijk Zijn hand niet uitsteekt naar iemand die zich in een puinhoop bevindt als die tot Hem roept omdat hij zichzelf niet uit die ellende kan bevrijden (vers 2424Maar zal Hij de hand niet uitsteken naar iemand in een puinhoop,
als die daarom in zijn verdrukking om hulp roept?
)
. Wie in zijn verdrukking tot God om hulp roept, zal Hij daar toch wel uit verlossen? God zal Zich toch niet stil houden als er een beroep op Hem wordt gedaan?

Job verwijst weer naar zijn vroegere handelwijze (vers 2525Heb ik niet geweend over degene die moeilijke dagen had?
Was mijn ziel niet bedroefd over de arme?
; Jb 29)
. Toen was hij met hart en ziel betrokken geweest bij het leed van anderen en had hij medeleven getoond en getroost. Hij had “geweend over degene die moeilijke dagen had” (vgl. Ps 35:1313Maar ik? Waren zij ziek, [dan] was een rouwgewaad mijn kleding;
ik kwelde mijzelf door te vasten,
mijn gebed kwam telkens terug in mijn binnenste.
; Rm 12:1515Verblijdt u met [de] blijden en weent met [de] wenenden.)
. Dat had hij gedaan uit oprecht medelijden, met droefheid in zijn ziel (vgl. Js 58:7,107Is het niet [dit], dat u uw brood deelt met wie hongerlijdt,
en de ellendige ontheemden een thuis biedt,
dat, als u een naakte ziet, u hem kleedt,
en dat u zich voor eigen vlees [en bloed] niet verbergt?10als u uw hart opent voor de hongerigen,
en de verdrukte ziel verzadigt,
dan zal uw licht in de duisternis opgaan,
en uw donkerheid als de middag zijn.
)
.

Maar voor hem is er geen trooster en innerlijke rust. Dit is een grote ontgoocheling en teleurstelling. Hij begrijpt niet waarom hij dit alles moet ondergaan en dat maakt zijn lijden zo diep. Het doet weer aan de Heer Jezus denken Die ook heeft geklaagd: Smaad heeft Mijn hart gebroken en Ik ben zeer zwak; Ik heb gewacht op medeleven, maar het is er niet, op troosters, maar Ik heb ze niet gevonden” (Ps 69:2121Smaad heeft mijn hart gebroken en ik ben zeer zwak;
ik heb gewacht op medeleven, maar het is er niet,
op troosters, maar ik heb ze niet gevonden.
)
.

Job had verwacht dat het goede zou komen omdat hij goed had gedaan (vers 2626[Maar] toen ik het goede verwachtte, kwam het kwade;
toen ik hoopte op licht, kwam er duisternis.
)
. Hij spreekt zijn diepe teleurstelling erover uit dat in plaats van het verwachte goede het kwade was gekomen. Hij zit in de duisternis van de ellende die zijn leven is binnengekomen en over zijn leven uitgespreid ligt, en dat terwijl hij op licht hoopte.

Hij kan niet begrijpen dat het zo met hem is gegaan en is daarover innerlijk in de grootste nood (vers 2727Mijn ingewanden koken en zwijgen niet;
de dagen van mijn ellende hebben mij bedreigd.
)
. De “ingewanden” stellen ook wel de innerlijke gevoelens voor (Js 16:1111Daarom klagen mijn ingewanden om Moab als een harp,
en mijn binnenste om Kir-Heres.
)
. Het borrelt en kookt in hem, er is onrust in zijn ziel en koortsige hitte in zijn lichaam. Hij kan zich niet verzoenen met zijn ellende en smart. Het is onmogelijk voor hem daarover in berusting te zwijgen. Onverwachts zijn de dagen van ellende over hem gekomen. Ze hebben gedreigd zijn plannen en hoop voor de toekomst de grond in te boren en het is hun gelukt. Dat maakt hem totaal hopeloos, zoals hij in het laatste gedeelte van dit hoofdstuk laat horen.


Alles wee

28Ik ga, zwart geworden, [maar] niet door zonnegloed;
ik sta op in de verzamelde [gemeenschap], ik roep om hulp.
29Ik ben een broeder van de jakhalzen geworden,
en een metgezel van de struisvogels.
30Mijn huid is zwart geworden op mij,
en mijn beenderen branden van hitte.
31Daarom is mijn harp tot een rouwklacht geworden,
en mijn fluit tot een stem van wenenden.

Job kan geen lichtstraaltje meer ontdekken. Zijn huid is “zwart geworden” (vers 2828Ik ga, zwart geworden, [maar] niet door zonnegloed;
ik sta op in de verzamelde [gemeenschap], ik roep om hulp.
)
. Dat komt “niet door zonnegloed”, maar door de ziekten die hem zo hevig en omvangrijk hebben getroffen. Zo gaat hij, zo leeft hij, van seconde tot seconde, zo verstrijkt zijn leven. Job voelt zich een eenzame zwerver in de duisternis, hoewel er een kring van mensen om hem heen staat, al is het op afstand. Als hij opstaat en om hulp roept, is zijn hulpgeroep niet tot hen gericht. Het is een algemene schreeuw om hulp, gedaan vanuit de grootste nood, door iemand die vroeger zelf altijd klaarstond om mensen in nood tot hulp te zijn.

Hij is "een broeder van de jakhalzen geworden en een metgezel van de struisvogels", van dieren die het gezelschap van mensen schuwen en die door mensen worden verafschuwd (vers 2929Ik ben een broeder van de jakhalzen geworden,
en een metgezel van de struisvogels.
)
. In de geluiden die zij maken, het gehuil van de jakhalzen en het gekerm van de struisvogels, geven ze uiting aan het verdriet en het klagen van Job (Mi 1:88Hierover zal ik rouw bedrijven en weeklagen,
zal ik berooid en naakt [mijn] weg gaan,
zal ik huilen als de jakhalzen,
en klaaglijk roepen als de struisvogels.
)
. Job voelt zich uitgestoten uit de gemeenschap van de mensen en tot deze dieren verbannen.

Zijn huid is inmiddels zwart geworden en staat op het punt van hem af te vallen (vers 3030Mijn huid is zwart geworden op mij,
en mijn beenderen branden van hitte.
; vgl. Kl 4:88[Maar] zwarter dan roet is [nu] hun gestalte, /cheth/
onherkenbaar zijn zij op de straten.
Hun huid is ineengeschrompeld op hun beenderen,
ze is verdord, ze is geworden als hout.
).
Zijn lichaam is door etterende zweren en zijn beenderen zijn door brandende koorts gesloopt. Alle vreugde is verdwenen (vers 3131Daarom is mijn harp tot een rouwklacht geworden,
en mijn fluit tot een stem van wenenden.
)
. “Harp” en “fluit” worden gebruikt voor vreugde-uitingen, maar Job kan daarmee slechts rouw- en treurliederen laten horen (Kl 5:1515De vreugde van ons hart is opgehouden,
onze reidans is in rouw veranderd.
)
. Zijn stemgeluid verstikt in het snikken van een huilende.


Lees verder