Job
Inleiding 1-6 Huiselijke voorspoed 7-10 Aanzien buitenshuis 11-17 Zijn weldaden zegenden hem 18-20 Uitzicht op voortdurende voorspoed 21-25 Een trooster van beproefden
Inleiding

Job 29-31 vormen een geheel. Het is het slotbetoog van Job, een samenvatting van wat hij tot hiertoe heeft gezegd. We kunnen deze drie hoofdstukken zien als een soort drieluik:
1. In Job 29 spreekt Job over zijn vroegere voorspoed en grootheid.
2. In Job 30 spreekt hij over zijn tegenwoordige schande, niet zozeer in het verlies van zijn bezittingen, maar meer in het verlies aan waardigheid en vriendschap met God.
3. In Job 31 betuigt hij uitvoerig zijn onschuld in een eedzwering waaronder hij in vers 35 als het ware zijn handtekening zet.


Huiselijke voorspoed

1En Job hief opnieuw zijn spreuk aan en zei:
2Och, was ik maar zoals in de maanden van weleer,
zoals in de dagen [toen] God mij bewaarde!
3Toen Hij Zijn lamp liet schijnen boven mijn hoofd,
[en] ik bij Zijn licht door de duisternis wandelde.
4Was ik [maar] zoals in de dagen van mijn jeugd,
toen de vertrouwelijke omgang met God over mijn tent was.
5Toen de Almachtige nog met mij was,
[en] mijn jongens rondom mij.
6Toen ik mijn voeten baadde in boter,
en de rots bij mij beken van olie uitgoot.

Misschien dat Job na zijn vorige rede gepauzeerd heeft om te horen of er ook een reactie kwam. Nu begint hij aan een nieuwe rede (vers 11En Job hief opnieuw zijn spreuk aan en zei:
)
. Met dit derde deel van zijn monoloog rondt hij zijn verdediging af. Het lijkt op een slotpleidooi voor een jury.

Hij spreekt zijn verlangen uit naar de tijd “van weleer”. Mocht hij daar toch maar weer in terug zijn, die tijd dat God hem in voorspoed liet leven. Het eerste wat hij met heimwee naar die tijd zegt, is dat het een tijd was waarin God hem bewaarde (vers 22Och, was ik maar zoals in de maanden van weleer,
zoals in de dagen [toen] God mij bewaarde!
; Ps 91:1111Want Hij zal voor u Zijn engelen bevel geven
dat zij u bewaren op al uw wegen.
; 121:77De HEERE zal u bewaren voor alle kwaad,
uw ziel zal Hij bewaren.
)
. Hij geeft daarmee aan dat het grootste verlies van alle verliezen die hij heeft geleden het bewustzijn van Gods nabijheid is en niet zozeer het materiële verlies. De bewaring die hij toen genoot, is hij nu kwijt. Hij voelt het zo, dat God vroeger vóór hem was en dat Hij nu tegen hem is.

Ook in vers 33Toen Hij Zijn lamp liet schijnen boven mijn hoofd,
[en] ik bij Zijn licht door de duisternis wandelde.
erkent hij dat zijn geluk en voorspoed aan God te danken waren. God liet Zijn lamp boven zijn hoofd schijnen. Daardoor kon hij in Zijn licht zijn weg gaan (vgl. Jb 18:66Het licht wordt in zijn tent verduisterd,
en zijn lamp boven hem wordt uitgedoofd.
)
. God leidde hem door allerlei situaties heen waarin hij geen uitweg zag. Maar nu was hij behalve de Goddelijke bewaring (vers 22Och, was ik maar zoals in de maanden van weleer,
zoals in de dagen [toen] God mij bewaarde!
)
, ook de Goddelijke leiding kwijt.

Hij denkt ook met weemoed terug aan zijn “vertrouwelijke omgang met God” (vers 44Was ik [maar] zoals in de dagen van mijn jeugd,
toen de vertrouwelijke omgang met God over mijn tent was.
; Ps 25:1414Vertrouwelijk gaat de HEERE om met wie Hem vrezen, /samech/
Zijn verbond maakt Hij hun bekend.
)
. Die omgang was over zijn tent, wat wil zeggen dat zijn huis en familie daardoor werden gekenmerkt. Die omgang kende en beleefde hij “in de dagen van zijn jeugd”. Daarmee wordt niet zijn ‘jongenstijd’ bedoeld, maar de tijd van zijn levensrijpheid, toen zijn leven tot volle ontplooiing was gekomen en hij in de kracht van zijn leven was. Maar ook de gemeenschap met God was weg, net als de al genoemde bewaring en leiding van God (verzen 2-32Och, was ik maar zoals in de maanden van weleer,
zoals in de dagen [toen] God mij bewaarde!
3Toen Hij Zijn lamp liet schijnen boven mijn hoofd,
[en] ik bij Zijn licht door de duisternis wandelde.
)
.

Job kende God als “de Almachtige” (vers 55Toen de Almachtige nog met mij was,
[en] mijn jongens rondom mij.
)
. Hij wist dat die almachtige God met hem was. Het was geen algemene wetenschap voor hem, maar hij leefde in het bewustzijn van Gods tegenwoordigheid. Maar ook het genot van Gods aanwezigheid was verdwenen. Wat hij ook kwijt was, waren zijn “jongens”. Hoe had hij van hen genoten toen ze rondom hem waren. Hun aanwezigheid was een bewijs temeer van de zegen van God als gevolg van zijn vrezen van Hem (Ps 128:33Uw vrouw zal zijn als een vruchtbare wijnstok
binnen in uw huis,
uw kinderen zullen zijn als jonge olijfbomen
rondom uw tafel.
)
.

Het baden van zijn voeten in boter is de figuurlijke aanduiding van de overvloedige productie van melk van zijn vee, waarvan ook boter werd gemaakt (vers 66Toen ik mijn voeten baadde in boter,
en de rots bij mij beken van olie uitgoot.
)
. Boter is hier lebani, een hangop van uitgelekte yoghurt. Ook bezat hij een grote hoeveelheid olie die zijn olijfbomen hadden voortgebracht. Olijfbomen groeien op rotsachtige grond. Als hij zijn voorraad olijfolie zag, was het alsof die door de rots in een beek was gestort. Al deze overvloed geeft aan dat Job een zeer welvarend man was. Maar van al die welvaart is niets over.


Aanzien buitenshuis

7Toen ik door de stad naar de poort ging,
[toen] ik mijn zetel op het plein liet klaarzetten,
8zagen de jongens mij en hielden zich schuil,
en stokouden stonden op [en] bleven staan.
9Vorsten hielden [hun] woorden in,
en legden de hand op hun mond.
10De stem van de vorsten verstomde,
en hun tong kleefde aan hun gehemelte.

Nadat Job in de vorige verzen over zijn verhouding tot God heeft gesproken, gaat hij nu spreken over zijn verhouding tot zijn medemensen. Daarin wordt hij door twee dingen gekenmerkt en wel de achting van zijn medemensen voor hem en zijn zorg voor zijn medemensen.

Job maakte deel uit van het stadsbestuur dat in de poort vergaderde (vers 77Toen ik door de stad naar de poort ging,
[toen] ik mijn zetel op het plein liet klaarzetten,
; Ru 4:11Intussen ging Boaz naar de poort en ging daar zitten. En zie, de losser over wie Boaz gesproken had, kwam voorbij. Toen zei hij: Kom [eens] hier [en] ga hier zitten, u [daar], hoe u ook heet. En hij kwam daarheen en ging zitten.; Sp 31:2323Haar echtgenoot is bekend in de poorten, [nun]
als hij [daar] zit met de oudsten van het land.
)
. Hij was een raadsheer met aanzien. Iedereen had ontzag voor hem. Hij kon opdracht geven zijn zetel klaar te zetten en het gebeurde. De uitstraling van zijn gezag ging naar jong en oud en voornaam (verzen 8-108zagen de jongens mij en hielden zich schuil,
en stokouden stonden op [en] bleven staan.
9Vorsten hielden [hun] woorden in,
en legden de hand op hun mond.
10De stem van de vorsten verstomde,
en hun tong kleefde aan hun gehemelte.
)
. “Jongens” waagden het niet om de draak met hem te steken of hem te bespotten (vers 88zagen de jongens mij en hielden zich schuil,
en stokouden stonden op [en] bleven staan.
)
. De “stokouden” stopten met hun bezigheden als hij er aankwam en gingen als het ware voor hem in de houding staan.

De vorsten die druk aan het overleggen waren, braken hun discussies onmiddellijk af wanneer hij verscheen (vers 99Vorsten hielden [hun] woorden in,
en legden de hand op hun mond.
)
. Er viel direct stilte. Ze hielden hun woorden in en verstomden alsof ze hun stem kwijt waren (vers 1010De stem van de vorsten verstomde,
en hun tong kleefde aan hun gehemelte.
)
. Dat deden zij uit respect om Job het woord te geven.


Zijn weldaden zegenden hem

11Als een oor [mij] hoorde, prees het mij gelukkig;
als een oog [mij] zag, getuigde het [ten gunste] van mij.
12Want ik bevrijdde de ellendige die om hulp riep,
en de wees die geen helper had.
13De zegen van hem die verloren ging, kwam over mij;
en het hart van de weduwe deed ik vrolijk zingen.
14Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en die bekleedde mij;
mijn recht was als een mantel en een tulband.
15Voor de blinde was ik [als] ogen,
en voor de kreupele was ik [als] voeten.
16Ik was een vader voor de armen,
en de aanklacht [die] ik niet kende, onderzocht ik.
17Ik brak de hoektanden van wie onrecht deed,
en rukte de prooi uit zijn tanden.

De beschrijving die Job geeft van zijn gedrag in zijn dagen van welvaart en voorspoed, zou een beschrijving van het gedrag van iedere gelovige in deze tijd moeten zijn. Het pleit voor Job dat hij zijn invloed niet heeft misbruikt. Hij zette zich in voor de sociaal zwakkeren, de lagere klassen van de maatschappij. In wat hij deed voor de minderbedeelden, lijkt hij op de Heer Jezus Die ook hen diende (Mt 8:1717opdat vervuld werd wat gesproken is door de profeet Jesaja, die zei: ‘Hijzelf heeft onze zwakheden [op Zich] genomen en onze ziekten gedragen’.).

Wat iemand van hem hoorde of zag, leverde een heel goed getuigenis over hem op (vers 1111Als een oor [mij] hoorde, prees het mij gelukkig;
als een oog [mij] zag, getuigde het [ten gunste] van mij.
)
. Hieruit blijkt ook hoe lasterlijk de beschuldiging van Elifaz is dat Job zijn omgeving heeft uitgebuit (Jb 22:6-96Want je hebt zonder reden van je broeders een onderpand genomen,
en je hebt de kleding van naakten uitgetrokken.
7Aan de vermoeide gaf je geen water te drinken,
en je hebt de hongerige brood onthouden.
8Maar was er een man met macht, voor hem was het land,
en een aanzienlijk persoon woonde er.
9Weduwen heb je met lege [handen] weggestuurd,
en de armen van de wezen werden verbrijzeld.
)
. Ook wij worden beoordeeld op wat mensen van ons zien of horen (vgl. 2Ko 12:66Want als ik zal willen roemen, zal ik niet onwijs zijn, want ik zal [de] waarheid zeggen; maar ik onthoud mij ervan, opdat niemand hoger van mij denkt dan wat hij van mij ziet of van mij hoort.). Hebben wij een idee van de reactie van mensen op wat zij van ons zien en horen?

Job kreeg dat getuigenis omdat hij goed deed aan anderen:
1. Hij hielp de ellendige door hem uit zijn ellende te bevrijden (vers 1212Want ik bevrijdde de ellendige die om hulp riep,
en de wees die geen helper had.
)
.
2. De wees, die niemand had die voor hem zorgde, hielp hij ook in diens nood.
3. Hij kreeg de zegen van iemand die verloren ging, bijvoorbeeld door gebrek aan voedsel of door onderdrukking of door valse rechtspraak, omdat hij hem uit zijn uitzichtloze positie redde (vers 1313De zegen van hem die verloren ging, kwam over mij;
en het hart van de weduwe deed ik vrolijk zingen.
; Sp 24:1111Red hen die opgepakt zijn om te sterven,
[wee] als u zich afzijdig houdt van wie wankelend ter slachting gaat.
)
.
4. De weduwe, die van haar steun was beroofd en in zorg was over hoe het verder moest gaan, bezorgde hij door zijn hulp een vrolijk zingend hart (vgl. Jb 22:99Weduwen heb je met lege [handen] weggestuurd,
en de armen van de wezen werden verbrijzeld.
)
.

Midden in de beschrijving van zijn weldadige optreden wijst Job erop dat hij zich bekleedde “met gerechtigheid” (Ps 132:99Laat Uw priesters bekleed worden met gerechtigheid,
laat Uw gunstelingen juichen.
; Js 11:55Want gerechtigheid zal de gordel om Zijn heupen zijn,
en de waarheid de gordel om Zijn middel.
; 61:1010Ik ben zeer vrolijk in de HEERE,
mijn ziel verheugt zich in mijn God,
want Hij heeft mij bekleed met de klederen van het heil,
de mantel van gerechtigheid heeft Hij mij omgedaan,
zoals een bruidegom zich bekleedt met priesterlijk [hoofd]sieraad,
en een bruid zich tooit met haar sieraden.
; 59:1717Want Hij trok de gerechtigheid aan als een harnas
en [zette] de helm van het heil op Zijn hoofd.
Het gewaad van de wraak trok Hij aan [als] kleding
en Hij hulde zich in de na-ijver als mantel.
)
en dat die hem bekleedde (vers 1414Ik bekleedde mij met gerechtigheid, en die bekleedde mij;
mijn recht was als een mantel en een tulband.
)
. Jobs leven werd zozeer door gerechtigheid gekenmerkt, dat het leek dat hij daarmee bekleed was. Zijn rechtvaardige daden waren als een mantel om hem heen en zijn rechtvaardige oordeel was als een tulband op zijn hoofd. Tegelijkertijd spreken mantel en tulband van het feit dat Job een leiderspositie innam. De gerechtigheid werd door Job op voortreffelijke uitgeoefend en kreeg gestalte in hem.

Hij vergelijkt zijn “recht” met “een mantel en een tulband”. De mantel is een kledingstuk dat door voorname mensen werd gedragen, hij toont waardigheid. De tulband is een priesterlijke en koninklijke hoofdbedekking (Zc 3:55Vervolgens zei Ik: Laat hen een reine tulband op zijn hoofd zetten. Daarop zetten zij de reine tulband op zijn hoofd en trokken hem feestkleren aan, terwijl de Engel van de HEERE [erbij] stond.; Js 62:33U zult een sierlijke kroon zijn in de hand van de HEERE
en een koninklijke tulband in de hand van uw God.
)
.

Rechtvaardigheid en recht waren voor hem geen aangeleerd gedrag, maar ze woonden in hem. Het kenmerkte hem, zo was hij. Gerechtigheid is aan iemand recht doen, hem geven wat hem toekomt, hem goed behandelen. Recht is ruimer en ziet op alles wat iemand doet en zegt.

Job handelde niet uit eigen belang, om er zelf rijker van te worden of er meer aanzien door te krijgen. Mozes en de profeten hebben steeds tot een dergelijk leven opgeroepen, om zich in te zetten voor de behoeftigen, de minder bedeelden, de verschoppelingen.

1. Job hielp de blinde door voor hem als ogen te zijn, door hem bij de hand te nemen en te helpen zijn doel te bereiken en niet te verongelukken (vers 1515Voor de blinde was ik [als] ogen,
en voor de kreupele was ik [als] voeten.
)
.
2. De kreupele, die niet kon lopen, bracht hij zelf waar deze moest zijn.
3. Voor de armen, om wie niemand gaf, naar wie niemand omzag, was hij als een vader die zich hun lot aantrok (vers 1616Ik was een vader voor de armen,
en de aanklacht [die] ik niet kende, onderzocht ik.
)
.
4. Van de vreemdelingen, dat zij zijn die hij niet kende en die in juridisch opzicht in de patriarchale maatschappij kwetsbaar waren, onderzocht hij de klachten. Daarmee liet hij zien dat hij het recht zonder aanzien des persoons hanteerde.
5. Hij trad krachtig op tegen wie onrecht deed (vers 1717Ik brak de hoektanden van wie onrecht deed,
en rukte de prooi uit zijn tanden.
)
. Als hij zag dat iemand een ander door onrechtvaardige rechtspraak tot zijn prooi had gemaakt, rukte hij de prooi uit de vraatzuchtige muil van zo iemand door diens “hoektanden” of kaken te verbrijzelen (vgl. Sp 30:1414een generatie waarvan de tanden zwaarden,
de hoektanden messen zijn,
om de ellendigen van de aarde
en de armen onder de mensen te verslinden.
)
.

Zo toonde Job medelijden waar dat nodig was in een tijd zonder sociale voorzieningen. Hij trad ook krachtdadig op tegen het kwaad waar dat nodig was in een tijd dat men overgeleverd was aan de willekeur van machthebbers.


Uitzicht op voortdurende voorspoed

18Ik zei: Ik zal in mijn [eigen] nest de geest geven,
en ik zal de dagen talrijk maken als het zand.
19Mijn wortel was uitgestrekt naar het water,
en dauw overnachtte op mijn twijgen.
20Mijn eer was [steeds] nieuw bij mij,
en mijn boog vernieuwde zich in mijn hand.

Al de eer die hij kreeg en de weldaden die hij deed, maakten het leven voor Job bijzonder aangenaam. Hij rekende ook op een lang leven als een beloning voor zijn inzet voor anderen. Deze gedachte als zodanig vinden we ook in de Schrift (Dt 5:3333Heel de weg die de HEERE, uw God, u geboden heeft, moet u gaan, opdat u leeft, en het u goed gaat, en u [uw] dagen verlengt in het land dat u in bezit zult nemen.). En Job zal dat nog krijgen ook (Jb 42:1717En Job stierf, oud en van dagen verzadigd.)! Dat zal echter pas gebeuren nadat hij oog in oog met God heeft gestaan en zichzelf heeft veracht en berouw heeft gehad en boete heeft gedaan in stof en as (Jb 42:66Daarom veracht ik [mijzelf] en ik heb berouw,
in stof en as.
)
.

Hij is dan bevrijd van alle verwachtingen die gebaseerd waren op dingen die tot de aarde behoren, hoe goed die dingen in zichzelf ook kunnen zijn. Alles wat God in de schepping heeft gegeven, is goed. Maar het is niet goed daar ons vertrouwen op te stellen. God wil ons leren alleen op Hem te vertrouwen. Hij wil dat we alles alleen van Hem verwachten en niet van enige eigen prestatie.

Job had gedacht in zijn “[eigen] nest” te sterven, dat wil zeggen in zijn eigen huis, omringd door zijn vrouw en kinderen en in het bezit van al zijn goederen (vers 1818Ik zei: Ik zal in mijn [eigen] nest de geest geven,
en ik zal de dagen talrijk maken als het zand.
)
. Hij meende een natuurlijke dood te zullen sterven, zonder rampen en leed, na een aantal dagen dat ontelbaar was “als het zand”, dus op hoge leeftijd.

In een volgende vergelijking zegt hij dat hij zichzelf zag als een boom geplant aan het water als een beeld van voortdurende levenskracht (vers 1919Mijn wortel was uitgestrekt naar het water,
en dauw overnachtte op mijn twijgen.
)
. Daaraan voegt hij het beeld van de dauw toe die op de twijgen van de boom overnachtte. Ook in de nacht was er voor hem die weldadige verkwikking. Een dergelijke boom verdort niet en houdt niet op vrucht te dragen (Jr 17:88Hij zal zijn als een boom, die bij water geplant is,
en [die] zijn wortels laat uitlopen bij een waterloop.
Hij merkt het niet als er hitte komt,
zijn blad blijft groen.
Een jaar van droogte deert hem niet,
en hij houdt niet op vrucht te dragen.
; Ps 1:33Want hij zal zijn als een boom, geplant aan waterbeken,
die zijn vrucht geeft op zijn tijd,
waarvan het blad niet afvalt;
al wat hij doet, zal goed gelukken.
;)
. Hoe schril steekt zijn huidige situatie daartegen af.

Job ontving eer voor wat hij deed. Elk nieuw optreden in welwillendheid leverde hem steeds aanvullende, nieuwe eer op (vers 2020Mijn eer was [steeds] nieuw bij mij,
en mijn boog vernieuwde zich in mijn hand.
)
. In plaats van een afname van kracht was er telkens vernieuwing van kracht – de boog is een beeld van kracht (Gn 49:2424maar zijn boog bleef gespannen;
zijn armen en handen bleven soepel
door de handen van de Machtige van Jakob,
– vandaar dat Hij de Herder is, de rots van Israël –
; 1Sm 2:44De boog van de sterken is gebroken,
maar zij die struikelden, zijn met kracht omgord.
)
. Dat kan slaan op lichamelijke en op geestelijke kracht (vgl. Js 40:3131maar wie de HEERE verwachten, zullen [hun] kracht vernieuwen,
zij zullen [hun] vleugels uitslaan als arenden,
zij zullen snel lopen en niet afgemat worden,
zij zullen lopen en niet moe worden.
)
.


Een trooster van beproefden

21Zij luisterden naar mij, en wachtten,
en zwegen om mijn raad [te horen].
22Na mijn woorden spraken zij niet opnieuw,
en míjn woorden druppelden op hen neer.
23Want zij wachtten op mij, zoals [op] de regen,
en sperden hun mond open, [zoals] naar de late regen.
24Lachte ik hun toe, zij geloofden het niet;
en het licht van mijn aangezicht konden zij niet verdonkeren.
25Ik koos hun weg en zat aan het hoofd,
en ik woonde als een koning onder de troepen,
als iemand die treurenden troost.

Hier keert Job niet terug tot de samenspraak met de leiders in de poort van de verzen 7-107Toen ik door de stad naar de poort ging,
[toen] ik mijn zetel op het plein liet klaarzetten,
8zagen de jongens mij en hielden zich schuil,
en stokouden stonden op [en] bleven staan.
9Vorsten hielden [hun] woorden in,
en legden de hand op hun mond.
10De stem van de vorsten verstomde,
en hun tong kleefde aan hun gehemelte.
, maar hij beschrijft zijn houding ten opzichte van hen die hij weldeed. Allen die hij weldeed, luisterden naar hem (vers 2121Zij luisterden naar mij, en wachtten,
en zwegen om mijn raad [te horen].
)
. Ze verwachtten van hem de oplossing voor hun nood. Daarop wachtten zij. Zijn raad zou hen helpen. Als hij gesproken had, waren ze voldaan en hoefden niet verder te vragen (vers 2222Na mijn woorden spraken zij niet opnieuw,
en míjn woorden druppelden op hen neer.
)
. Zijn woorden waren voor hen als een zachte regen op dorstige grond (vgl. Dt 32:22Laat mijn leer neerdruppelen als de regen,
laten mijn woorden stromen als de dauw,
als een zachte regen op het groen,
en als regendruppels op het gewas.
)
. Ze wachtten op hem met opengesperde mond, wat aangeeft dat ze een smachtend verlangen hadden naar wat hij zou zeggen (vers 2323Want zij wachtten op mij, zoals [op] de regen,
en sperden hun mond open, [zoals] naar de late regen.
; vgl. Ps 119:131131Ik sper mijn mond open en hijg,
want ik verlang naar Uw geboden.
)
.

Als hij mensen toelachte, bracht hen dat in vervoering (vers 2424Lachte ik hun toe, zij geloofden het niet;
en het licht van mijn aangezicht konden zij niet verdonkeren.
)
. Ze konden het niet geloven dat hij aandacht voor hen had en dat in goedwillendheid. Hoe ellendig zij er ook aan toe waren, Job ging niet bedenkelijk kijken, zijn gezicht betrok niet. Hij bleef hen toelachen en daarmee bemoedigen dat hij zich hun nood aantrok en daarin ook zou voorzien. Hij had de middelen ervoor.

Hij koos ervoor om zich bij hen te voegen op hun weg van ellende en hen daarin te ondersteunen (vers 2525Ik koos hun weg en zat aan het hoofd,
en ik woonde als een koning onder de troepen,
als iemand die treurenden troost.
)
. Hij was als het ware hun hoofdman, hun aanvoerder. Het lijkt hier om een positie te gaan die hij had gekregen van hen die hij had geholpen als waardering voor een hoog gerespecteerd leven. Hij heeft zich koninklijk gedragen in alles wat hij heeft gedaan. Daarin is hij een voorbeeld voor ons. Wij zijn een koninklijk priesterdom om de deugden van God te verkondigen (1Pt 2:99U echter bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilige natie, een volk tot een eigendom, opdat u de deugden verkondigt van Hem Die u uit [de] duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht,). Job heeft dat laten zien.

Job heeft ons betrokken in zijn heimwee naar de tijd dat hij in alle omstandigheden voorspoed had, toen het beter met hem ging. De vraag is of dit in overeenstemming is met de wijsheid waarvan hij in het vorige hoofdstuk zo’n prachtige beschrijving heeft gegeven. De wijze Salomo zegt, nadat hij door schade en schande wijs is geworden: Zeg niet: Hoe komt het dat de dagen van vroeger beter waren dan deze? Want niet uit wijsheid zou u dat vragen” (Pr 7:1010Zeg niet: Hoe komt het
dat de dagen van vroeger beter waren dan deze?
Want niet uit wijsheid
zou u dat vragen.
)
.

Tegelijk is hier een waarschuwing op zijn plaats. In de beoordeling van wat Job hier allemaal over zichzelf zegt, moeten we steeds de grootste voorzichtigheid in acht nemen. Job is in een ongekend lijden en denkt in die situatie terug aan de dagen van weleer. Wie van ons denkt in een periode van zware beproeving nooit terug aan een tijd van onbezorgde vreugde?

Het getuigt niet van wijsheid als we wat we Job in dit hoofdstuk hebben horen zeggen, als hoogmoedig opvatten. Met het ophalen van deze herinneringen wil hij zich weer in dat mooie, aangename verleden inleven. Job huichelt niet als hij over zijn uitnemende gedrag spreekt. Hij schept er niet over op, maar spreekt uit wanhoop.

Het houdt ons de spiegel voor. Gebeurt het onder ons niet dat als iemand over zijn goede daden spreekt, dat wél dicht bij opscheppen komt, dat het aan hoogmoed grenst? De Schrift waarschuwt ons ervoor over onszelf te roemen (Sp 27:22Laat een vreemde u prijzen en niet uw [eigen] mond,
een onbekende en niet uw [eigen] lippen.
)
. Paulus is wel eens gedwongen iets over zichzelf te zeggen, over wat hij voor de Heer heeft moeten lijden (2Ko 11:16-3316Nogmaals zeg ik: Laat niemand menen dat ik onwijs ben; of anders, neemt mij aan zelfs als een onwijze, opdat ook ik een beetje mag roemen.17Wat ik spreek, spreek ik niet naar [de] Heer, maar als in onwijsheid, in dit vertrouwen te mogen roemen.18Omdat velen naar [het] vlees roemen, zal ook ik roemen.19U verdraagt immers graag de onwijzen, daar u wijs bent.20Want u verdraagt het, als iemand u in slavernij brengt, als iemand [u] opeet, als iemand [van u] neemt, als iemand zich verheft, als iemand u in [het] gezicht slaat.21Ik zeg dit naar oneer, alsof wij zwak zijn geweest. Maar wat iemand ook aandurft (ik spreek in onwijsheid), durf ik ook aan.22Zijn zij Hebreeën? Ik ook. Zijn zij Israëlieten? Ik ook. Zijn zij Abrahams nageslacht? Ik ook.23Zijn zij dienaars van Christus? – ik spreek als een onzinnige – ik bovenmate. In arbeid zeer overvloedig, in gevangenissen zeer overvloedig, in slagen bovenmatig veel, dikwijls in doodsgevaren.24Van [de] Joden heb ik vijfmaal veertig [slagen] min één ontvangen,25driemaal ben ik met roeden geslagen, eenmaal ben ik gestenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een nacht en dag heb ik in volle zee doorgebracht.26Dikwijls op reis, in gevaren van rivieren, in gevaren van rovers, in gevaren door volksgenoten, in gevaren door [de] volken, in gevaren in [de] stad, in gevaren in [de] woestijn, in gevaren op zee, in gevaren onder valse broeders;27in arbeid en moeite, in waken dikwijls, in honger en dorst, in vasten dikwijls, in koude en naaktheid;28behalve wat van buiten [komt], overvalt mij dagelijks de bezorgdheid over al de gemeenten.29Wie is zwak, en ik ben niet zwak? Wie vindt aanleiding tot vallen, en ik brand niet?30Moet er geroemd worden, dan zal ik roemen in wat mijn zwakheid betreft.31De God en Vader van de Heer Jezus, Hij Die gezegend is tot in eeuwigheid, weet dat ik niet lieg.32In Damascus bewaakte de stadhouder van koning Arétas de stad van de Damascénen om mij te vangen;33en door een venster werd ik in een mand door de muur neergelaten en ontkwam aan zijn handen.). Dat moest hij doen omdat zijn apostelschap en daarmee zijn Zender Jezus Christus werd aangevallen. Hij deed het niet graag, maar hij moest het doen. En hoe doet hij het? In plaats van zichzelf daarbij op de borst te slaan zegt hij dat hij “als een onzinnige” spreekt (2Ko 11:2323Zijn zij dienaars van Christus? – ik spreek als een onzinnige – ik bovenmate. In arbeid zeer overvloedig, in gevangenissen zeer overvloedig, in slagen bovenmatig veel, dikwijls in doodsgevaren.).

Er is nog een les die we kunnen leren. De hang naar het verleden vanwege de zoete herinneringen daaraan helpt ons niet om de huidige moeilijkheden te overwinnen. Het is ook wel zo gezegd: ‘Het manna van gisteren is geen voedsel voor vandaag.’ We kunnen niet teren op vergane glorie. Paulus had geroemd in het verleden, maar dat alles opgegeven voor Christus (Fp 3:7-8,147<Maar> wat winst voor mij was, heb ik om Christus’ wil schade geacht.8Jazeker, ik acht ook alles schade te zijn om de uitnemendheid van de kennis van Christus Jezus, mijn Heer, om Wie ik de schade van alles heb geleden en het als vuilnis acht, opdat ik Christus mag winnen14maar één ding [doe ik]: terwijl ik vergeet wat achter is en mij uitstrek naar wat vóór is, jaag ik in de richting van [het] doel naar de prijs van de hemelse roeping van God in Christus Jezus.).

Wat ons alleen helpt, is dat we weer oog krijgen voor het feit dat we door het geloof in de Heer Jezus staan in de genade en dat we wat de toekomst betreft, mogen roemen in de hoop op de heerlijkheid van God (Rm 5:1-21Wij dan, gerechtvaardigd op grond van geloof, hebben vrede met God door onze Heer Jezus Christus,2door Wie wij ook de toegang verkregen hebben <door het geloof> tot deze genade waarin wij staan, en wij roemen in [de] hoop op de heerlijkheid van God.). God wil ons zelfs leren roemen in de tegenwoordige verdrukkingen (Rm 5:33En [dat] niet alleen, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, daar wij weten dat de verdrukking volharding werkt,).


Lees verder