Job
Inleiding 1-5 Job verwijt zijn vrienden hun hardheid 6-14 Gods toorn en Zijn gebruik van de mens 15-22 Job doet een beroep op God
Inleiding

Hoewel Elifaz in zijn tweede betoog veel scherper en onbedachtzamer is geweest dan in zijn eerste betoog, heeft niets van wat hij heeft gezegd, Jobs geweten geraakt. In de reactie van Job valt op dat hij zo in beslag genomen wordt door zijn relatie met God, dat al het andere daarbij op de achtergrond komt. Dit bewijst de echtheid van zijn geloof: hij wil God begrijpen.


Job verwijt zijn vrienden hun hardheid

1Maar Job antwoordde en zei:
2Ik heb al vaak dergelijke dingen gehoord,
jullie zijn allemaal moeitevolle vertroosters.
3Is er een einde aan de woorden van wind?
Of wat maakt jullie [zo] stellig als jullie antwoord geven?
4Zou ík ook spreken zoals jullie,
als jullie ziel in de plaats van mijn ziel was?
Zou ik woorden aaneenrijgen tegen jullie,
en zou ik mijn hoofd over jullie schudden?
5Ik zou jullie met mijn mond bemoedigen;
medelijden zou mijn lippen inhouden.

Als Elifaz klaar is met zijn tweede toespraak tegen Job, geeft Job antwoord (vers 11Maar Job antwoordde en zei:
)
. Hij zegt dat Elifaz hem niets nieuws heeft verteld (vers 22Ik heb al vaak dergelijke dingen gehoord,
jullie zijn allemaal moeitevolle vertroosters.
)
. Wat hij heeft gehoord, heeft hij al zo vaak van zijn vrienden gehoord. Het is niet meer dan een herhaling van zetten. In de verbeelding van Elifaz zijn de woorden die hij en zijn vrienden tot Job hebben gesproken “vertroostingen van God” (Jb 15:1111Zijn de vertroostingen van God te klein voor je,
of woorden in zachtheid met je [gesproken]?
)
. Maar Job heeft er geen goed woord voor over en noemt hen “moeitevolle vertroosters” (vgl. Jb 13:44Maar werkelijk, jullie dekken [alles] toe met leugens;
jullie zijn allemaal heelmeesters van niets.
)
.

Hun woorden zijn voor hem “woorden van wind”, precies de uitdrukking die Elifaz heeft gebruikt om Jobs woorden mee aan te duiden (Jb 15:22Zal een wijze antwoorden met wetenschap [die als] wind [is]?
Zal hij zijn buik vullen met oostenwind?
)
. Is hun voorraad winderige, holle frasen nog niet uitgeput (vers 33Is er een einde aan de woorden van wind?
Of wat maakt jullie [zo] stellig als jullie antwoord geven?
)
? Ze blijven hun ongegronde beschuldigingen maar uiten. Ze kunnen beter ‘een einde’ breien aan hun woordenbrij en hun mond houden. Zo maken zij zijn lijden alleen maar zwaarder in plaats van lichter. Waar halen ze hun stellige antwoorden toch vandaan? Waar het werkelijke probleem bij hem zit, ontgaat hun volledig. Niet een van hun woorden treft daarom doel.

De rollen moesten maar eens omgedraaid zijn (vers 44Zou ík ook spreken zoals jullie,
als jullie ziel in de plaats van mijn ziel was?
Zou ik woorden aaneenrijgen tegen jullie,
en zou ik mijn hoofd over jullie schudden?
)
. Zij moesten zich maar eens in zijn positie bevinden en hij in die van hen. Zou hij dan ook zo spreken als zij? Zou hij ellenlange redevoeringen tegen hen houden om hen te overtuigen van hun zonden die hen in deze rampspoed hadden gebracht, zoals zij nu doen bij hem? Zou hij spottend medelijdend zijn hoofd over hen schudden tijdens hun verdediging, zoals zij nu doen over hem als hij zich verdedigt?

Job heeft vragen gesteld over hoe hij zou reageren als de rollen omgedraaid zouden zijn. Die vragen zijn terecht. Hij mag dat vragen. Het laat zien dat we iemand die in nood is alleen kunnen helpen als we iets van die nood uit eigen ervaring kennen of ons eerst enigermate in iemands situatie inleven en meevoelen (vgl. Hb 13:33Denkt aan de gevangenen alsof u medegevangenen was; aan hen die mishandeld worden alsof u ook zelf in [het] lichaam [mishandeld] was.; Mt 8:1717opdat vervuld werd wat gesproken is door de profeet Jesaja, die zei: ‘Hijzelf heeft onze zwakheden [op Zich] genomen en onze ziekten gedragen’.; 2Ko 1:3-73Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, de Vader der ontfermingen en [de] God van alle vertroosting,4Die ons vertroost in al onze verdrukking, opdat wij hen kunnen vertroosten die in allerlei verdrukking zijn, door de vertroosting waarmee wijzelf door God vertroost worden.5Want zoals het lijden van Christus overvloedig over ons komt, zo is door Christus ook onze vertroosting overvloedig.6Hetzij wij dan verdrukt worden, het is tot uw vertroosting en behoudenis; hetzij wij vertroost worden, het is tot uw vertroosting, gewerkt in [het] volharden onder hetzelfde lijden dat ook wij lijden7(en onze hoop aangaande u is vast), daar wij weten dat u, zoals u deelgenoten bent van het lijden, het zo ook van de vertroosting bent.).

De vrienden hebben zich de verwijten van Job op de hals gehaald door alles achterwege te laten wat met echte vriendschap te maken heeft. Ze behandelen Job als een vreemde, terwijl ze toch zijn vroegere leven hebben gekend. Maar nu plaatsen ze daar vraagtekens bij en uiten zelfs beschuldigingen naar aanleiding van zijn huidige toestand.

Job gaat zover in zijn verdediging, dat hij beweert dat hij zich met zekerheid anders zou opstellen dan zijn vrienden nu tegenover hem doen als zij in zijn schoenen zouden staan (vers 55Ik zou jullie met mijn mond bemoedigen;
medelijden zou mijn lippen inhouden.
)
. Hij zou als een echte trooster met hen omgaan. Dit zegt hij om aan te geven wat hij zo erg bij zijn vrienden mist. Hij zou hen bemoedigen met de juiste woorden. Op de juiste tijd zou hij weten te zwijgen om hen daardoor zijn medelijden met hen te laten voelen.

Mogelijk reageert Job hier wat getergd. Ook de Heer Jezus is in die zin door de mensen gehouden “voor een geplaagde, door God geslagen en verdrukt” (Js 53:44Voorwaar, onze ziekten heeft Híj op Zich genomen,
onze smarten heeft Hij gedragen.
Wíj hielden Hem echter voor een geplaagde,
door God geslagen en verdrukt.
)
. Maar zoals Job heeft Hij niet gereageerd op de plagen die over Hem kwamen. Hij heeft alles overgegeven “aan Hem Die rechtvaardig oordeelt” (1Pt 2:23b23Die als Hij uitgescholden werd, niet terugschold, als Hij leed, niet dreigde, maar [Zich] overgaf aan Hem Die rechtvaardig oordeelt;).


Gods toorn en Zijn gebruik van de mens

6Als ik [echter] spreek, wordt mijn leed niet verzacht;
en [als] ik ophoud, wat gaat er [dan] van mij weg?
7Zeker, nu heeft Hij mij laten bezwijken.
U hebt heel mijn gemeenschap verwoest.
8U hebt mij gegrepen, [en] dat is als een getuige [tegen mij];
en mijn vermagering beschuldigt mij, zij getuigt openlijk tegen mij.
9Zijn toorn verscheurt en haat mij;
Hij knarsetandt tegen mij;
mijn Tegenstander scherpt Zijn ogen tegen mij.
10Zij sperren hun mond tegen mij open;
smadelijk slaan zij mij op de kaak;
zij komen allen samen tegen mij.
11God heeft mij aan een verkeerde overgegeven,
en heeft mij uitgeleverd in de handen van goddelozen.
12Ik had rust, maar Hij heeft mij gebroken,
en mij bij de nek gegrepen en mij verpletterd;
Hij heeft mij neergezet als een doelwit voor Hem.
13Zijn schutters omringen mij;
Hij splijt mijn nieren en spaart [mij] niet,
Hij giet mijn gal op de aarde uit.
14Hij breekt mij met breuk op breuk,
Hij stormt tegen mij aan als een held.

Job heeft zijn vrienden op niet mis te verstane wijze gezegd hoe fout ze hem behandelen, hoe hij mededogen bij hen mist, en hoe hij zou zijn als de rollen omgedraaid zouden zijn. Hij heeft zijn hart over hen gelucht, maar zijn leed is er niet door verzacht (vers 66Als ik [echter] spreek, wordt mijn leed niet verzacht;
en [als] ik ophoud, wat gaat er [dan] van mij weg?
)
. Ook als hij ophoudt met spreken, wijkt de ellende niet van hem. Niets, spreken noch zwijgen, kan zijn leed veranderen. Zijn lijden is ondraaglijk en uitzichtloos. Vandaag de dag zijn dat de twee voorwaarden om een einde aan je leven te (laten) maken. Bij Job merken we van een dergelijke instelling niets.

Zeker, hij houdt God verantwoordelijk voor zijn leed. God heeft hem laten bezwijken (vers 77Zeker, nu heeft Hij mij laten bezwijken.
U hebt heel mijn gemeenschap verwoest.
)
. In een direct aanspreken van God werpt hij Hem voor de voeten dat Hij heel zijn gemeenschap heeft verwoest. Allen aan wie hij waarde hechtte, zijn hem door God met geweld ontnomen. God heeft zijn hele leefomgeving verwoest, waaronder ook zijn vrienden, want die keren zich ook tegen hem.

Hij voelt zich door God vastgegrepen, niet om hem te ondersteunen, maar om hem alle steun te ontnemen (vers 88U hebt mij gegrepen, [en] dat is als een getuige [tegen mij];
en mijn vermagering beschuldigt mij, zij getuigt openlijk tegen mij.
)
. God is als een getuige die met belastende verklaringen komt. Zijn vermagering komt door de honger en de honger is het gevolg van zijn zonden, zo beweren de vrienden. Hij kan zijn magere lichaam en armoede niet loochenen. Iedereen ziet die en is als een openlijke getuige tegen hem. Hij kan praten wat hij wil over zijn onschuld, maar zijn situatie logenstraft alles wat hij tot zijn verdediging aanvoert.

Hij strijdt een hopeloze strijd. Maar wat wil je ook als Gods toorn je verscheurt, als Hij je haat (vers 99Zijn toorn verscheurt en haat mij;
Hij knarsetandt tegen mij;
mijn Tegenstander scherpt Zijn ogen tegen mij.
)
? Job hoort God als het ware tegen hem knarsetanden. Ja, hij ervaart God als zijn Tegenstander. Hij voelt Gods ogen op zich gericht, niet liefdevol, maar kritisch, met een blik die dwars door hem heen kijkt.

Ook van de zijde van de mensen – niet alleen van de drie vrienden, maar van zijn hele omgeving – ervaart Job slechts tegenstand en smaad (vers 1010Zij sperren hun mond tegen mij open;
smadelijk slaan zij mij op de kaak;
zij komen allen samen tegen mij.
)
. Hij voelt zich door allen samen belaagd. Het is één machtig vijandig bolwerk dat zich tegen hem opstelt. En wie zit daarachter? God (vers 1111God heeft mij aan een verkeerde overgegeven,
en heeft mij uitgeleverd in de handen van goddelozen.
)
! Maar dan moet God Zich vergissen. Hij heeft Job aan de verkeerde overgegeven en hem uitgeleverd in de handen van goddelozen. Dit kan Hij toch niet bedoeld hebben? God weet toch wel dat hij onschuldig is? Maar waarom handelt Hij dan zo met hem?

Job herinnert zich de tijd dat hij rust had. Hij was gelukkig en veilig, omgeven door alles wat een mens zich maar kan wensen (vers 1212Ik had rust, maar Hij heeft mij gebroken,
en mij bij de nek gegrepen en mij verpletterd;
Hij heeft mij neergezet als een doelwit voor Hem.
)
. Maar God heeft alles, en vooral hem, “gebroken”. Hij is een gebroken man. God heeft hem bij de nek gegrepen zoals een roofdier met zijn prooi doet. Wie iemand bij de nek heeft, heeft hem helemaal onder controle en in zijn macht. Nadat God Job zo heeft overweldigd en machteloos gemaakt, heeft Hij hem “neergezet als een doelwit voor Hem”, als een schietschijf voor al Zijn pijlen.

God gebruikt, zo zegt Job, “Zijn schutters” (vers 1313Zijn schutters omringen mij;
Hij splijt mijn nieren en spaart [mij] niet,
Hij giet mijn gal op de aarde uit.
)
voor het afschieten van Zijn pijlen. Hiermee bedoelt hij zijn vrienden, die hem onophoudelijk met hun veroordelende woorden bestoken. Maar hij ziet ze als Gods werktuigen. Ze handelen onder Zijn controle.

God splijt zijn nieren, niet zij. De nieren zijn gevoelige, vitale organen, die het diepste innerlijk van de mens voorstellen. Job zegt dat God hem niet spaart, dat Hij hem niet ontziet. Zijn gal wordt door God op de aarde uitgegoten. Gal wordt ook wel verbonden met bitterheid. Het hele leven van Job is als bitterheid op de aarde uitgegoten.

En zo gaat het maar door. Het is “breuk op breuk” (vers 1414Hij breekt mij met breuk op breuk,
Hij stormt tegen mij aan als een held.
)
. Job voelt zich als de muren van een belegerde stad die door God Zelf wordt belegerd. Overal slaat Hij bressen in de muren en breekt Hij door. Keer op keer wordt Job lichamelijk en geestelijk aangetast door rampen en ziekten die hij ondergaat.

Job is helemaal door emotie overmand. Hij spreekt harde woorden over God. Toch blijft het ook hier voor ons oppassen geen streng oordeel over Job te vormen. God laat Job uitrazen zonder ook maar één woord van waarschuwing tot Job te richten dat hij nu zijn boekje wel te buiten gaat.

We kunnen de houding en de uitspraken van Job vergelijken met die van de Heer Jezus als het gaat om Zijn reactie op het lijden dat mensen Hem aandoen. Dan constateren we een groot verschil. Uit Zijn mond horen we nooit een beschuldiging in de richting van God. Toch heeft nooit iemand God sterker als Tegenstander ervaren dan Hij. Daarbij moeten we denken aan wat er is gebeurd tijdens de drie uren van duisternis op het kruis. Als God Hem oordeelt, komt er uit Zijn mond ook geen enkel opstandig woord tot God. Integendeel, Hij zegt: “Maar U bent heilig” (Ps 22:44Maar U bent heilig,
U troont [op] de lofzangen van Israël.
)
. Altijd heeft Hij God gerechtvaardigd.

Nog een verschil is dat de Heer Jezus onderscheid maakt tussen wat God Hem aandoet en wat de mensen Hem aandoen (Ps 22:12-1912Blijf [dan] niet ver van mij, want de nood is nabij;
er is immers geen helper.
13Vele stieren hebben mij omringd,
sterke stieren van Basan hebben mij omsingeld.
14Zij hebben hun muil tegen mij opengesperd
[als] een verscheurende en brullende leeuw.
15Als water ben ik uitgestort,
ontwricht zijn al mijn beenderen;
mijn hart is als was,
het is gesmolten diep in mijn binnenste.
16Mijn kracht is verdroogd als een potscherf,
mijn tong kleeft aan mijn gehemelte;
U legt mij in het stof van de dood.
17Want honden hebben mij omsingeld,
een horde kwaaddoeners heeft mij omgeven;
zij hebben mijn handen en mijn voeten doorboord.
18Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen;
en zij, zij zien het aan, zij kijken naar mij.
19Zij verdelen mijn kleding onder elkaar
en werpen het lot om mijn gewaad.
)
. Voor Job handelen God en mensen samen in hun aanvallen op hem. Hij ziet hen samenspannen tegen hem.


Job doet een beroep op God

15Ik heb een rouwgewaad over mijn huid genaaid,
ik heb mijn hoorn in het stof gestoken.
16Mijn gezicht is rood van het huilen,
en over mijn oogleden ligt de schaduw van de dood,
17[en dat] terwijl er geen geweld in mijn handen is,
en mijn gebed zuiver is!
18Aarde, bedek mijn bloed niet,
en laat er geen [rust]plaats zijn voor mijn geroep.
19Ook nu, zie, in de hemel is mijn Getuige,
en mijn Pleitbezorger is in de hoogten.
20Mijn vrienden bespotten mij,
[maar] mijn oog weent tranen tot God.
21Laat hij een man verdedigen bij God,
zoals een mensenkind voor zijn vriend [doet].
22Want er komt [nog maar een klein] aantal jaren,
voor ik het pad ga [waarlangs] ik niet terugkeer.

Job beschrijft weer zijn diepe verdriet. Dat is zo groot, dat hij spreekt over een geitenharen rouwgewaad dat hij over zijn huid heeft genaaid (vers 1515Ik heb een rouwgewaad over mijn huid genaaid,
ik heb mijn hoorn in het stof gestoken.
)
. Daarmee geeft hij aan dat hij zich maar niet tijdelijk in een rouwgewaad hult, maar dat het onlosmakelijk aan hem vastgehecht zit en dat hij er nooit vrij van komt. Zijn “hoorn”, een beeld van kracht, is niet verhoogd, maar heeft hij “in het stof gestoken”, vernederd, waarmee hij aangeeft dat er van zijn kracht niets over is.

Job heeft zo langdurig gehuild, dat zijn gezicht er rood en opgezwollen van is (vers 1616Mijn gezicht is rood van het huilen,
en over mijn oogleden ligt de schaduw van de dood,
)
. Zijn ogen lijken door verdriet en de vele slapeloze nachten op de holle ogen van een stervende. Hij vraagt zich af waaraan hij al deze ellende en afbraak, al dit geweld dat over hem is gekomen, heeft verdiend. Hij weet van zichzelf dat hij niets van zijn bezittingen met geweld heeft verkregen (vers 1717[en dat] terwijl er geen geweld in mijn handen is,
en mijn gebed zuiver is!
)
. Zijn naasten kunnen hem nergens van beschuldigen. Tegenover hen is hij vrij in zijn geweten. Ook naar God toe is er niets wat zijn geweten belast. Zijn gebed is zuiver, zonder bijbedoelingen en vrij van de huichelarij waarvan zijn vrienden hem beschuldigen (Jb 8:66als je zuiver en oprecht bent,
dan zal Hij nu voorzeker ter wille van jou ontwaken,
en de woning van je gerechtigheid herstellen.
)
. Hij kan zich vrij tegen God uiten.

Job wil dat het onrecht dat hem wordt aangedaan, na zijn dood niet zal worden vergeten. Daarom roept hij het uit tot de aarde dat die zijn bloed niet moet bedekken (vers 1818Aarde, bedek mijn bloed niet,
en laat er geen [rust]plaats zijn voor mijn geroep.
)
. Hij wil dat het net als het bloed van Abel blijft roepen tot God (Gn 4:1010En Hij zei: Wat hebt u gedaan! Er is een stem van het bloed van uw broer, dat van de aardbodem tot Mij roept.; Ez 24:7-87Want haar bloed is in haar midden gebleven, op een kale rots heeft zij het laten vloeien. Zij heeft het niet op de aarde uitgegoten om het met stof te bedekken.8Om grimmigheid op te wekken, om wraak te oefenen heb Ik haar bloed op een kale rots gelegd, zodat het niet bedekt wordt.), Die in de hemel is. Wanneer hij nu gedurende zijn lijden geen uitspraak kan verkrijgen die hem rechtvaardigt en hij dus voor het oog van anderen als een schuldige sterft, dan moge er toch na zijn dood recht geschieden door de bloedwraak. Hij wil dat zijn geroep zonder rust blijft klinken tot hij gerechtvaardigd wordt.

Dan is er weer ineens die opflikkering van geloof en hoop. Hoezeer Job ook een enorm diepgaand conflict met God heeft, toch blijft hij op Hem hopen. Hoe hij ook, vanuit een diepe nood en meegesleept door zijn emoties, tegen God tekeergaat, hij laat God niet los. Hij keert telkens naar Hem terug. De satan heeft beweerd dat hij God zou loslaten (Jb 1:1111Maar steek toch Uw hand uit en tref alles wat hij heeft. Voorwaar, hij zal U in Uw aangezicht vaarwel zeggen.; 2:55Steek Uw hand maar eens uit en tref zijn beenderen en zijn vlees. Voorwaar, hij zal U in Uw aangezicht vaarwel zeggen.), maar hij klampt zich telkens aan God vast.

Job ziet God als zijn Aanklager, maar tegelijk ook als zijn Getuige in de hemel (vers 1919Ook nu, zie, in de hemel is mijn Getuige,
en mijn Pleitbezorger is in de hoogten.
; vgl. Ps 89:3838Hij zal [voor] eeuwig standhouden, zoals de maan;
de getuige [hoog] aan de hemel is trouw. /Sela/
)
. Hij is er zeker van dat God Getuige van zijn onschuld is en dat Hij daarom ook zijn Pleitbezorger, zijn Advocaat, is. Dit lijkt een tegenstelling, maar dat is het niet. Het is een geheimenis in God dat door de bekeerde zondaar wordt erkend en waarvoor hij God aanbidt. God, Die de zondaar moet oordelen, heeft Zijn Zoon gegeven. Hij heeft Zijn Zoon niet gespaard, opdat Hij de berouwvolle zondaar kan sparen. Daardoor kan de gelovige zeggen: ‘Als God, Die eerst tegen mij was, nu voor mij is, wie zou tegen mij kunnen zijn?’ (Rm 8:3131Wat zullen wij dan hierop zeggen? Als God voor ons is, wie zou tegen ons zijn?).

Wat voor Job meer een vage hoop is, daarvan mogen wij zeker zijn. Wij weten dat wij een Pleitbezorger hebben, Iemand Die wij kennen, onze Hogepriester en Voorspraak, onze Heer Jezus Christus. Hij leeft als Hogepriester om altijd voor ons tussenbeide te treden en om ons te helpen in onze zwakheden (Hb 7:2525Daarom kan Hij ook volledig behouden wie door Hem tot God naderen, daar Hij altijd leeft om voor hen tussenbeide te treden.; 4:1515Want wij hebben niet een hogepriester die niet met onze zwakheden kan meelijden, maar [Eén] Die in alle dingen verzocht is als wij, met uitzondering van [de] zonde.). Hij leeft als Voorspraak om ons te herstellen in de gemeenschap met de Vader als we gezondigd hebben (1Jh 2:11Mijn kinderen, ik schrijf u deze dingen opdat u niet zondigt. En als iemand zondigt, wij hebben een Voorspraak bij de Vader, Jezus Christus, [de] Rechtvaardige;).

Job hoeft van zijn vrienden geen hulp te verwachten. Zij drijven alleen maar de spot met hem (vers 2020Mijn vrienden bespotten mij,
[maar] mijn oog weent tranen tot God.
)
. Zijn tranen wekken bij hen geen medelijden op. Die zijn ook niet voor hen bedoeld, maar voor God (Ps 56:99Ú hebt mijn omzwervingen geteld;
doe mijn tranen in Uw kruik.
Staan zij niet in Uw register?
)
. God zal ze zien en zal, naar hij voor zeker aanneemt, een keer zijn zaak onderzoeken en dan zijn onschuld vaststellen.

Het lijkt erop dat Job met “hij” in vers 2121Laat hij een man verdedigen bij God,
zoals een mensenkind voor zijn vriend [doet].
God bedoelt voor Wie zijn oog tranen heeft geweend. Job vraagt God of Hij een man wil verdedigen bij God. Hier zien we weer die wonderlijke vereenzelviging van God de Advocaat met God de Aanklager. Job voegt er nog een vergelijking aan toe. Hij zegt dat verdedigen iets is wat “een mensenkind voor zijn vriend [doet]”. ‘Mensenkind’ is hetzelfde als ‘mensenzoon’ of ‘zoon des mensen’. De Heer Jezus noemt Zichzelf in de evangeliën vaak ‘Zoon des mensen’. Wij, die de Heer Jezus kennen, ontdekken hier in wat Job zegt de ware Middelaar tussen God en mensen, de Mens Christus Jezus (1Tm 2:55Want er is één God en één Middelaar tussen God en mensen, [de] Mens Christus Jezus,). Hij is de Scheidsrechter over Wie Job eerder heeft gesproken (Jb 9:3333Er is geen scheidsrechter tussen ons,
[die] zijn hand op ons beiden kan leggen.
)
, Die Zijn hand op beiden legt, op God en op de mens.

Voor zichzelf ziet Job nog slechts een klein aantal jaren leven weggelegd (vers 2222Want er komt [nog maar een klein] aantal jaren,
voor ik het pad ga [waarlangs] ik niet terugkeer.
)
. Dan zal hij het pad gaan waarop geen terugkeer mogelijk is. Het is het pad naar het graf. Dat pad gaat hij, maar het zal hem gemakkelijker vallen dat pad te gaan als hij erop mag vertrouwen dat zijn recht binnen korte tijd aan het licht zal worden gebracht.


Lees verder