Exodus
Inleiding 1-6 De HEERE verschijnt aan Mozes 7-10 Mozes moet naar de farao 11-12 Eerste bezwaar en Gods antwoord 13-22 Tweede bezwaar en Gods antwoord
Inleiding

Mozes wordt door de HEERE geroepen als hij tachtig jaar oud is. Dat is aan het einde van zijn natuurlijke leven. In Psalm 90 zegt hij dat zelf: De dagen van onze jaren: daarin zijn zeventig jaren, of, als wij zeer sterk zijn, tachtig jaren” (Ps 90:1a,101Een gebed van Mozes, de man Gods.
Heere, Ú bent ons een toevlucht geweest
van generatie op generatie.
10De dagen van onze jaren: daarin zijn zeventig jaren,
of, als wij zeer sterk zijn, tachtig jaren,
maar het beste daarvan is moeite en verdriet,
want het wordt snel afgesneden en wij vliegen heen.
)
. Voordat de Heer iemand kan gebruiken, moet een mens leren afzien van zijn natuurlijke capaciteiten. Dat heeft Mozes geleerd. Het is echter niet voldoende om niet te vertrouwen op eigen bekwaamheden. Nu moet hij leren vertrouwen op Gods kracht.


De HEERE verschijnt aan Mozes

1En Mozes hoedde het kleinvee van zijn schoonvader Jethro, de priester van Midian. Hij dreef het kleinvee tot voorbij de woestijn, en hij kwam bij de berg van God, de Horeb. 2En de Engel van de HEERE verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een doornstruik. Hij keek toe, en zie, de doornstruik brandde in het vuur, maar de doornstruik werd niet verteerd. 3Mozes zei: Laat ik nu naar dat indrukwekkende verschijnsel gaan kijken, waarom de doornstruik niet verbrandt. 4Toen de HEERE zag dat hij ging kijken, riep God tot hem uit het midden van de doornstruik en zei: Mozes, Mozes! Hij zei: Zie, [hier] ben ik! 5En Hij zei: Kom hier niet dichterbij. Doe de schoenen van uw voeten, want de plaats waarop u staat, is heilige grond. 6Hij zei verder: Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En Mozes bedekte zijn gezicht, want hij was bevreesd God aan te kijken.

Mozes heeft veertig jaar lang het herdersvak geleerd. Nu is hij met zijn kudde “tot voorbij de woestijn”. Hij heeft als het ware de woestijnervaringen achter zich. Veel Godsmannen zijn herder geweest. De herder geeft het best aan wat naar Gods hart de manier is waarop Hij Zijn volk wil besturen. David is een herder: “Hij verkoos Zijn dienaar David en haalde hem bij de schaapskooien vandaan. Van achter de zogende [schapen] deed Hij hem komen om te weiden Jakob, Zijn volk, en Israël, Zijn eigendom. Hij heeft hen geweid met een oprecht hart en hen geleid met zeer bekwame hand” (Ps 78:70-7270Hij verkoos Zijn dienaar David
en haalde hem bij de schaapskooien vandaan.
71Van achter de zogende [schapen] deed Hij hem komen
om te weiden Jakob, Zijn volk,
en Israël, Zijn eigendom.
72Hij heeft hen geweid met een oprecht hart
en hen geleid met zeer bekwame hand.
)
. Van de Heer Jezus staat geschreven dat Hij een Leidsman is Die Gods volk zal “hoeden”, dat wil zeggen als een Herder voor hen zal zijn (Mt 2:66‘En u, Bethlehem, land van Juda, bent zeker niet [de] geringste onder de vorsten van Juda; want uit u zal een Leidsman voortkomen, Die Mijn volk Israël zal hoeden’.).

Terwijl Mozes de schapen hoedt, komt hij bij de berg van God, de Horeb. De Horeb is een andere naam voor de Sinaï, de berg waar later de wet wordt gegeven (vgl. Ex 19:1111en over drie dagen gereed zijn. Op de derde dag zal de HEERE namelijk voor de ogen van heel het volk neerdalen op de berg Sinaï.; Dt 4:10a10Op de dag dat u voor het aangezicht van de HEERE, uw God, stond, bij de Horeb, zei de HEERE tegen mij: Roep het volk voor Mij bijeen, dan zal Ik hun Mijn woorden laten horen, die zij moeten leren, om Mij te vrezen, alle dagen dat zij op de aardbodem zullen leven, en die zij [ook] hun kinderen moeten leren.). Daarom wordt de berg “de berg van God” genoemd. Daar verschijnt de Engel van de HEERE aan hem. Uit vers 44Toen de HEERE zag dat hij ging kijken, riep God tot hem uit het midden van de doornstruik en zei: Mozes, Mozes! Hij zei: Zie, [hier] ben ik! blijkt dat de Engel God Zelf is.

De Engel van de HEERE is de verschijningsvorm van de Heer Jezus in het Oude Testament. Overal waar God aan de mens verschijnt, doet Hij dat door de Heer Jezus. Het is voor het eerst na vele jaren dat de HEERE weer aan iemand verschijnt. Verschijningen zijn nooit aan de orde van de dag geweest. God verschijnt alleen bij speciale gelegenheden.

God verschijnt ook op verschillende manieren. Aan Mozes verschijnt Hij in een brandende doornstruik. Aan Hagar is Hij verschenen bij een put (Gn 16:7,13-147De Engel van de HEERE vond haar bij een waterbron in de woestijn, bij de bron aan de weg naar Sur.13En zij gaf de HEERE, Die tot haar sprak, de naam: U bent de God Die naar mij omziet! Want zij zei: Heb ik hier dan Hem gezien Die naar mij omgezien heeft?14Daarom gaf men die put de naam: de put Lachai-Roï; zie, hij ligt tussen Kades en Bered.). Bij Jakob heeft Hij een ladder gekozen (Gn 28:1313En zie, de HEERE stond boven aan die [ladder] en zei: Ik ben de HEERE, de God van uw vader Abraham en de God van Izak; dit land waarop u ligt te slapen, zal Ik u en uw nageslacht geven.).

De HEERE verschijnt aan Mozes en roept hem als hij bezig is met zijn dagelijks werk. Dat zien we bijvoorbeeld ook bij de broers Petrus en Andréas en bij de broers Jakobus en Johannes. Als de Heer Jezus hen roept om Hem te volgen, zijn Petrus en Andréas bezig met het uitwerpen van de netten om vissen te vangen; Jakobus en Johannes zijn bezig met het herstellen van de netten (Mt 4:18-2218En toen Hij langs de zee van Galiléa wandelde, zag Hij twee broers, Simon, die Petrus wordt genoemd, en zijn broer Andréas, een werpnet in de zee werpen, want zij waren vissers;19en Hij zei tot hen: Komt achter Mij en Ik zal u vissers van mensen maken.20Zij nu lieten terstond hun netten achter en volgden Hem.21En toen Hij vandaar verder was gegaan, zag Hij twee andere broers, Jakobus, de [zoon] van Zebedeüs, en zijn broer Johannes, terwijl zij in het schip met hun vader Zebedeüs bezig waren hun netten te verstellen. En Hij riep hen;22en zij lieten terstond het schip en hun vader achter en volgden Hem.). Zo werkt de Heer ook nu nog. Hij roept mensen die trouw zijn in hun dagelijks werk.

Het valt Mozes op dat de doornstruik wel brandt, maar niet verteert. De doornstruik stelt de mens van nature voor, de zondige mens. Ook zien we er het hele volk Israël in dat in de vuuroven Egypte is. Tevens zien we dat God in het vuur is. Daarom verteert de doornstruik niet. God gebruikt het vuur van de beproeving om Zijn volk, en ons, te louteren. Wat niet met Hem in overeenstemming is, wordt door het vuur verteerd. Daardoor gaan we steeds meer beantwoorden aan Zijn doel met ons: dat we op de Heer Jezus gaan lijken. Hij is met ons in de beproeving (Js 63:99In al hun benauwdheid
was Hij benauwd;
de Engel van Zijn aangezicht heeft hen verlost.
Door Zijn liefde en door Zijn genade
heeft Híj hen bevrijd;
Hij hief hen op en droeg hen
al de dagen van weleer.
; Dn 3:2525Hij antwoordde en zei: Zie, ik zie vier mannen midden in het vuur vrij rondlopen! Zij hebben geen letsel en de aanblik van de vierde lijkt op [die van] een zoon van de goden.)
.

De HEERE ziet dat Mozes de doornstruik nadert om het wondere verschijnsel te bezien. Hij ziet wat onze aandacht heeft. Het verheugt Hem als we belangstelling tonen voor Zijn openbaring. Tegelijk handhaaft Hij Zijn heiligheid. Waar God is, is heiligheid. Mozes moet zijn schoenen uitdoen (vgl. Jz 5:1515Toen zei de Bevelhebber van het leger van de HEERE tegen Jozua: Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop u staat, is heilig. En Jozua deed dat.).

Als Mozes de gepaste eerbied in acht heeft genomen, maakt God Zich bekend als de God van de aartsvaders met wie Hij een verbond heeft gesloten: met Abraham (Gn 15:13-14,1813Toen zei [God] tegen Abram: Weet wel dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land dat niet van hen is; zij zullen hen dienen en men zal hen vierhonderd jaar onderdrukken.14Maar ook zal Ik over het volk dat zij zullen dienen, rechtspreken en daarna zullen zij met veel bezittingen wegtrekken.18Op die dag sloot de HEERE een verbond met Abram, en zei: Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat:), met Izak (Gn 26:33Verblijf als vreemdeling in dit land. Ik zal dan met u zijn en u zegenen, want aan u en uw nageslacht zal Ik al deze landen geven. Ik zal de eed gestand doen die Ik Abraham, uw vader, gezworen heb.) en met Jakob (Gn 46:3-43En Hij zei: Ik ben God, de God van uw vader; wees niet bevreesd om naar Egypte te trekken, want Ik zal u daar tot een groot volk maken.4Ik zal met u meetrekken naar Egypte en Ik zal u ook zeker doen terugkeren; en Jozef zal uw ogen sluiten.). Dat is de grond waarop Hij gaat handelen. Hij is en blijft hun God, ook al zijn ze gestorven, want voor Hem blijven zij leven, wat in de opstanding bewezen zal worden: Dat nu de doden worden opgewekt heeft ook Mozes aangeduid bij de braamstruik, als hij [de] Heer noemt ’de God van Abraham en de God van Izaäk en de God van Jakob’, Hij nu is niet een God van doden maar van levenden; want voor Hem leven zij allen” (Lk 20:37-3837Dat nu de doden worden opgewekt heeft ook Mozes aangeduid bij de braamstruik, als hij [de] Heer noemt ‘de God van Abraham en de God van Izaäk en de God van Jakob’;38Hij nu is niet een God van doden maar van levenden; want voor Hem leven zij allen.).


Mozes moet naar de farao

7De HEERE zei: Ik heb duidelijk de onderdrukking van Mijn volk, dat in Egypte is, gezien en heb hun geschreeuw [om hulp] vanwege hun slavendrijvers gehoord. Voorzeker, Ik ken hun leed. 8Daarom ben Ik neergekomen om het [volk] te redden uit de hand van de Egyptenaren, en het te leiden uit dit land naar een goed en ruim land, een land dat overvloeit van melk en honing, naar het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten. 9Nu dan, zie, het geschreeuw [om hulp] van de Israëlieten is tot Mij gekomen. En Ik heb ook de onderdrukking gezien waarmee de Egyptenaren hen onderdrukken. 10Nu dan, ga [op weg]. Ik zal u naar de farao zenden, en u zult Mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte leiden.

God zegt tegen Mozes dat Hij heeft gezien wat Zijn volk wordt aangedaan en dat Hij heeft gehoord hoe ze daarover jammeren. Hij is bekend met hun smarten. Dat brengt Hem tot handelen. Hij is neergekomen om hen te verlossen en naar een land te brengen dat Hij voor hen heeft uitgezocht. Mozes is de man die Hij wil gebruiken om Zijn voornemen uit te voeren, dat wil zeggen het eerste deel ervan, dat is het volk uit Egypte leiden. God weet dat Mozes het beloofde land niet zal binnengaan.

Dat het een land is dat overvloeit van melk betekent dat het uitermate geschikt is voor veeteelt. Het sappige weideland zal ervoor zorgen dat de geiten, schapen en koeien veel melk geven. Het overvloeien van honing is nog een bewijs van de rijkdommen van de bodemgesteldheid van het land. De uitdrukking “overvloeit van melk en honing” komt hier voor de eerste keer voor en komt hierna nog vele keren voor (Ex 3:8,178Daarom ben Ik neergekomen om het [volk] te redden uit de hand van de Egyptenaren, en het te leiden uit dit land naar een goed en ruim land, een land dat overvloeit van melk en honing, naar het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten.17Daarom heb Ik gezegd: Ik zal u uit de onderdrukking van Egypte leiden naar het land van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, naar het land dat overvloeit van melk en honing.; Lv 20:2424Tegen u heb Ik gezegd: Ú zult hun land in bezit nemen en Ík zal [het] u geven om het in bezit te nemen, een land dat overvloeit van melk en honing. Ik ben de HEERE, uw God, Die u vanuit de volken afgezonderd heeft.; Nm 13:2727Zij vertelden [het Mozes] en zeiden: Wij zijn in dat land gekomen waarheen u ons gestuurd hebt, en werkelijk, het vloeit over van melk en honing, en dit is zijn vrucht.; 14:88Als de HEERE ons genegen is, zal Hij ons in dat land brengen en zal Hij het ons geven, een land dat overvloeit van melk en honing.; 16:13-1413Is het niet genoeg dat u ons geleid hebt uit een land dat overvloeit van melk en honing, om ons te laten sterven in de woestijn, dat u zich ook zonodig tot heerser over ons moet verheffen?14Bovendien hebt u ons niet gebracht naar een land dat overvloeit van melk en honing, evenmin hebt u ons akkers en wijngaarden gegeven als erfelijk bezit. Wilt u de ogen van deze mannen uitsteken? Wij komen niet!; Dt 6:33Luister dan, Israël, en neem [ze] nauwlettend in acht! Dan zal het u goed gaan en zult u zeer talrijk worden – zoals de HEERE, de God van uw vaderen, tot u gesproken heeft – in het land dat overvloeit van melk en honing.; 11:99Dan zult u [uw] dagen verlengen in het land waarvan de HEERE uw vaderen gezworen heeft het hun en hun nageslacht te geven, een land dat overvloeit van melk en honing.; 26:9,159En Hij bracht ons naar deze plaats en gaf ons dit land, een land dat overvloeit van melk en honing.15Zie neer uit Uw heilige woning, uit de hemel, en zegen Uw volk Israël en het land dat U ons gegeven hebt, zoals U onze vaderen gezworen hebt, een land dat overvloeit van melk en honing.; 27:33U moet alle woorden van deze wet daarop schrijven als u overgestoken bent, opdat u komt in het land dat de HEERE, uw God, u geeft, een land dat overvloeit van melk en honing, zoals de HEERE, de God van uw vaderen, tot u gesproken heeft.; 31:2020Want Ik zal dit [volk] brengen in het land dat Ik zijn vaderen onder ede beloofd heb, [een land] dat overvloeit van melk en honing, en het zal eten en verzadigd en vet worden. Dan zal het zich tot andere goden wenden en hen dienen, en zij zullen Mij verwerpen en Mijn verbond verbreken.; Jz 5:66Want de Israëlieten waren veertig jaar onderweg in de woestijn, totdat heel het volk van strijdbare mannen die uit Egypte getrokken waren, omgekomen was. Zij hadden niet naar de stem van de HEERE geluisterd, [en daarom] had de HEERE hun gezworen dat Hij aan hen het land dat de HEERE aan hun vaderen gezworen had ons te geven, niet zou laten zien, een land dat overvloeit van melk en honing.; Jr 11:55opdat Ik de eed gestand doe die Ik uw vaderen gezworen heb om hun een land te geven dat overvloeit van melk en honing, zoals het heden ten dage is. Toen antwoordde ik en zei: Amen, HEERE.; 32:2222U gaf hun dit land, dat U hun vaderen gezworen had hun te zullen geven, een land dat overvloeit van melk en honing.; Ez 20:6,156Op die dag heb Ik Mijn hand voor hen opgeheven om hen uit het land Egypte te leiden naar een land dat Ik voor hen uitgezocht had, [een land] dat overvloeit van melk en honing. Het is een sieraad onder al de landen.15Ik heb echter ook in de woestijn Mijn hand voor hen opgeheven, dat Ik hen niet in het land brengen zou dat Ik [hun] gegeven had, [een land] dat overvloeit van melk en honing – het is een sieraad onder alle landen –).

In het neerkomen van God en het zenden van Mozes zien we een beeld van wat God heeft gedaan door Zijn Zoon. De Heer Jezus is naar de aarde neergedaald om mensen die onder het juk van de zonde zuchten te verlossen. Net als bij Israël heeft Hij niet vanuit de hemel gesproken, maar is Hij uit de hemel op aarde gekomen. Hij heeft dat gedaan om allen die in Hem geloven in het hemelse land te brengen, dat wil zeggen hen te zegenen “met alle geestelijke zegening in de hemelse gewesten in Christus” (Ef 1:33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,).


Eerste bezwaar en Gods antwoord

11Mozes zei echter tegen God: Wie ben ik, dat ik naar de farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden? 12En Hij zei: Voorzeker, Ik zal met u zijn, en dit zal voor u het teken zijn dat Ík u gezonden heb: Als u het volk uit Egypte geleid hebt, zult u God dienen op deze berg.

Mozes komt met zijn bezwaren. Hij ziet zijn eigen
1. onbekwaamheid,
2. onwetendheid,
3. ongeloofwaardigheid,
4. onwelsprekendheid,
5. waarna hij ten slotte zijn onwil toont.

Mozes zit vol met bezwaren. Uit zijn eerste bezwaar blijkt dat hij zichzelf totaal niet op zijn taak berekend vindt. Toen hij nog in Egypte was, zou hij het wel even doen. Daar vormt zijn zelfverzekerde ‘ik’ de verhindering voor Gods werk. Nu vormt zijn nederige ‘ik’ de verhindering. Als God roept, komt het er niet op aan wie wij zijn, maar gaat het er om Wie Hij is. Hij zegt: “Ik zal met u zijn.”

Dit antwoord geeft de HEERE ook aan Gideon als hij eenzelfde bezwaar als Mozes inbrengt tegen de opdracht die hij van Hem krijgt: Maar hij zei tegen Hem: Och, mijn heer! Waarmee zal ik Israël verlossen? Zie, mijn geslacht is het armste in Manasse en ik ben de jongste in mijn familie. Maar de HEERE zei tegen hem: Omdat Ik met u zal zijn, zult u Midian verslaan alsof [het maar] één man [was]” (Ri 6:15-1615Maar hij zei tegen Hem: Och, mijn heer! Waarmee zal ik Israël verlossen? Zie, mijn geslacht is het armste in Manasse en ik ben de jongste in mijn familie.16Maar de HEERE zei tegen hem: Omdat Ik met u zal zijn, zult u Midian verslaan alsof [het maar] één man [was].).

Mozes krijgt er ook een teken bij en dat is dat hij en het volk God op Zijn berg zullen dienen. Daarmee geeft God ook het eigenlijke doel van de verlossing van Zijn volk: dat zij Hem zullen dienen. Dienen wil hier zeggen als slaaf dienen. Tot nu toe heeft het volk de Egyptenaren als slaven gediend; na hun verlossing zullen ze God dienen en Hem als Zijn volk vereren (vgl. 1Th 1:99want zelf vertellen zij van ons welke ingang wij bij u hadden, en hoe u zich van de afgoden tot God hebt bekeerd om [de] levende en waarachtige God te dienen).

Zo snel als Mozes de eerste keer heeft gehandeld en de Egyptenaar heeft doodgeslagen, zo traag is hij nu om aan Gods roeping gehoor te geven. De man die de vooruitstrevendheid van de menselijke natuur heeft getoond, toont nu een terughoudendheid die ook uit de menselijke natuur voortkomt. Allebei kunnen ze geen plaats hebben in het werk van God.


Tweede bezwaar en Gods antwoord

13En Mozes zei tegen God: Zie, wanneer ik bij de Israëlieten kom en tegen hen zeg: De God van uw vaderen heeft mij naar u toe gezonden, en zij mij zeggen: Wat is Zijn naam? Wat moet ik [dan] tegen hen zeggen? 14En God zei tegen Mozes: IK BEN DIE IK BEN. Ook zei Hij: Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen: IK BEN heeft mij naar u toe gezonden. 15Toen zei God verder tegen Mozes: Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen: De HEERE, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob, heeft mij naar u toe gezonden. Dit is voor eeuwig Mijn Naam, dit is Mijn [Naam ter] gedachtenis, van generatie op generatie. 16Ga, verzamel de oudsten van Israël en zeg tegen hen: De HEERE, de God van uw vaderen, is aan mij verschenen, de God van Abraham, Izak en Jakob. [Hij] zei: Ik heb zeker naar u omgezien en [naar] wat u in Egypte wordt aangedaan. 17Daarom heb Ik gezegd: Ik zal u uit de onderdrukking van Egypte leiden naar het land van de Kanaänieten, de Hethieten, de Amorieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, naar het land dat overvloeit van melk en honing. 18Dan zullen zij naar uw stem luisteren, en u zult gaan, u en de oudsten van Israël, naar de koning van Egypte, en u moet tegen hem zeggen: De HEERE, de God van de Hebreeën, is naar ons toe gekomen. Nu dan, laat ons toch drie dagreizen ver de woestijn in trekken, opdat wij de HEERE, onze God, offers brengen. 19Maar Ík weet dat de koning van Egypte u niet zal laten gaan, ook niet door een sterke hand. 20Daarom zal Ik Mijn hand uitstrekken en Egypte treffen met al Mijn wonderen die Ik te midden daarvan doen zal. Daarna zal hij u laten gaan. 21En Ik zal dit volk genade geven in de ogen van de Egyptenaren. En het zal gebeuren dat u, als u weggaat, niet met lege [handen] gaat. 22[Elke] vrouw moet aan haar buurvrouw en aan haar huisgenote zilveren en gouden voorwerpen vragen, en kleren, die u uw zonen en dochters te dragen moet geven. Zo zult u Egypte beroven.

Mozes komt met een tweede bezwaar. Hij is niet overtuigd. Wie zendt hem eigenlijk? Hij meent niet genoeg van God te weten om over Hem te kunnen vertellen als er naar Hem wordt gevraagd. In Zijn goedheid en genade gaat God ook op dit bezwaar van Mozes in. En nog uitvoerig ook. Zo is Hij. Hij komt aan al onze bezwaren tegemoet zolang ze voortkomen uit onze zwakheid en niet uit onze onwil. Zo spreekt Hij met een bezwaarmakende Ananias die Hij naar Paulus stuurt (Hd 9:10-1710Nu was er een discipel in Damascus, genaamd Ananias; en de Heer zei tot hem in een gezicht: Ananias! En hij zei: Zie, [hier] ben ik, Heer.11En de Heer zei tot hem: Sta op en ga naar de straat, de Rechte geheten, en zoek in [het] huis van Judas naar iemand van Tarsus, genaamd Saulus; want zie, hij bidt.12En hij heeft <in een gezicht> gezien dat een man, genaamd Ananias, binnenkwam en hem <de> handen oplegde, opdat hij weer kon zien.13Ananias echter antwoordde: Heer, ik heb van velen over deze man gehoord, hoeveel kwaad hij Uw heiligen in Jeruzalem heeft aangedaan;14en hier heeft hij volmacht van de overpriesters om allen die Uw Naam aanroepen te boeien.15De Heer zei echter tot hem: Ga, want deze is Mij een uitverkoren vat om Mijn Naam te dragen zowel voor volken als koningen en zonen van Israël;16want Ik zal hem tonen hoeveel hij moet lijden voor Mijn Naam.17Ananias nu ging en kwam het huis binnen; en hij legde hem de handen op en zei: Saul, broeder, de Heer heeft mij gezonden, Jezus, Die u verschenen is op de weg waarlangs u kwam, opdat u weer kunt zien en met [de] Heilige Geest vervuld wordt.) en met een bezwaarmakende Petrus die Hij naar Cornelius stuurt (Hd 10:9-169De volgende dag nu, terwijl dezen onderweg waren en de stad naderden, klom Petrus omstreeks [het] zesde uur op het dak om te bidden.10En hij werd hongerig en wenste te eten. En terwijl zij het gereedmaakten, raakte hij in geestvervoering.11En hij zag de hemel geopend en een voorwerp neerdalen als een groot laken, dat aan [de] vier hoeken op de aarde werd neergelaten;12daarin waren alle viervoetige en kruipende dieren van de aarde en vogels van de hemel.13En er klonk een stem tot hem: Sta op, Petrus, slacht en eet!14Petrus echter zei: In geen geval, Heer, want nooit heb ik iets onheiligs of onreins gegeten.15En weer [klonk] een stem tot hem, voor [de] tweede keer: Wat God gereinigd heeft, moet jij niet als onheilig blijven beschouwen.16En dit gebeurde tot driemaal, en terstond werd het voorwerp opgenomen in de hemel.).

Eerst wijst God op de onveranderlijkheid van Zijn Persoon: “IK BEN DIE IK BEN.” Hij is de eeuwig Zichzelf Zijnde, de volkomen Onafhankelijke. Hij vindt alles in Zichzelf en alles en iedereen is van Hem afhankelijk. De Heer Jezus noemt Zichzelf ook zo. Hij zegt: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: vóór Abraham werd, ben Ik” (Jh 8:5858Jezus zei tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: vóór Abraham werd, ben Ik.). Dit betekent dat Hij vóór Abrahams bestaan er altijd is geweest als de IK BEN. Hij is de Eeuwige, altijd trouw aan Zichzelf.

Dan gaat God “verder” (vers 1515Toen zei God verder tegen Mozes: Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen: De HEERE, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob, heeft mij naar u toe gezonden. Dit is voor eeuwig Mijn Naam, dit is Mijn [Naam ter] gedachtenis, van generatie op generatie.) met Zijn antwoord door erop te wijzen dat Hij Zich in verbinding met de mens heeft gesteld: Hij is “de HEERE, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob”. Dit houdt tevens in dat Hij Zijn beloften die Hij aan hen heeft gedaan, zal vervullen. De aartsvaders zijn gestorven, maar daarmee zijn de beloften van God niet vervallen. Om Mozes gerust te stellen vertelt God hem vervolgens hoe alles zal verlopen. Hij is Degene “Die vanaf het begin verkondigt wat het einde zal zijn, van oudsher [de dingen] die nog niet plaatsgevonden hebben” (Js 46:10a10Die vanaf het begin verkondigt wat het einde zal zijn,
van oudsher [de dingen] die nog niet plaatsgevonden hebben;
Die zegt: Mijn raadsbesluit houdt stand
en Ik zal al Mijn welbehagen doen;
)
.

Mozes en de oudsten moeten tegen de koning van Egypte zeggen dat “de HEERE, de God van de Hebreeën” naar hen toe gekomen is (vers 1818Dan zullen zij naar uw stem luisteren, en u zult gaan, u en de oudsten van Israël, naar de koning van Egypte, en u moet tegen hem zeggen: De HEERE, de God van de Hebreeën, is naar ons toe gekomen. Nu dan, laat ons toch drie dagreizen ver de woestijn in trekken, opdat wij de HEERE, onze God, offers brengen.). In de naam “God van de Hebreeën”, die Mozes later ook voor de farao noemt (Ex 5:33Toen zeiden zij: De God van de Hebreeën is naar ons toe gekomen. Laat ons toch drie dagreizen ver de woestijn in gaan, zodat wij de HEERE, onze God, offers kunnen brengen; anders zal Hij ons treffen met de pest of met het zwaard.; 7:1616U moet dan tegen hem zeggen: De HEERE, de God van de Hebreeën, heeft mij tot u gezonden om te zeggen: Laat Mijn volk gaan, zodat zij Mij kunnen dienen in de woestijn. Zie, u hebt echter tot nu toe niet [willen] luisteren.; 9:1,131Daarna zei de HEERE tegen Mozes: Ga naar de farao toe en spreek tot hem: Zo zegt de HEERE, de God van de Hebreeën: Laat Mijn volk gaan, zodat zij Mij kunnen dienen.13Toen zei de HEERE tegen Mozes: Sta morgen vroeg op, ga voor de farao staan en zeg tegen hem: Zo zegt de HEERE, de God van de Hebreeën: Laat Mijn volk gaan, zodat zij Mij kunnen dienen.; 10:33Toen kwamen Mozes en Aäron bij de farao en zeiden tegen hem: Zo zegt de HEERE, de God van de Hebreeën: Hoelang weigert u zich voor Mijn aangezicht te vernederen? Laat Mijn volk gaan, zodat zij Mij dienen kunnen.), laat de HEERE zien dat Zijn volk een volk van pelgrims is. Van Hem hebben ze de opdracht gekregen dat ze “drie dagreizen ver de woestijn intrekken” moeten, “opdat wij de HEERE, onze God, offers brengen”. In vers 1212En Hij zei: Voorzeker, Ik zal met u zijn, en dit zal voor u het teken zijn dat Ík u gezonden heb: Als u het volk uit Egypte geleid hebt, zult u God dienen op deze berg. hebben we het doel van de verlossing gelezen: God dienen. Nu zien we een bijzonder aspect van het dienen van God: offers brengen aan Hem.

Ze kunnen God niet offeren in Egypte. Om offers te brengen aan God is de weg van “drie dagreizen ver de woestijn in” nodig. Aan het getal drie is de gedachte aan de dood en opstanding van de Heer Jezus verbonden: van de kruisdood tot de opstanding zijn drie dagen (Mt 16:2121Van toen af begon Jezus Zijn discipelen te tonen dat Hij naar Jeruzalem moest gaan en veel lijden vanwege de oudsten, overpriesters en schriftgeleerden en gedood worden en op de derde dag worden opgewekt.; 17:22-2322Terwijl zij nu in Galiléa [om Hem] samendrongen, zei Jezus tot hen: De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in handen van mensen23en zij zullen Hem doden, en op de derde dag zal Hij worden opgewekt. En zij werden zeer bedroefd.; 20:18-1918Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden aan de overpriesters en schriftgeleerden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen19en Hem overleveren aan de volken om Hem te bespotten en te geselen en te kruisigen; en op de derde dag zal Hij worden opgewekt.). De weg van drie dagreizen spreekt daarvan. Door het geloof in de dood en opstanding van de Heer Jezus wordt een mens immers bevrijd uit de macht van de wereld, de zonde en de dood en kan hij God gaan dienen en offeren.

De farao geeft door zijn weigering aan God de gelegenheid Zijn macht te tonen. Het is uiteindelijk een strijd tussen God en de farao met Gods volk als inzet.

Bij het uittrekken uit Egypte moeten de Israëlieten het achterstallige loon van vele jaren slavenarbeid opeisen. Op deze wijze vereffent God de schuld die Egypte bij Zijn volk heeft. De betaling zal plaatsvinden in natura, in de vorm van voorwerpen van waardevolle metalen en kleding. Het zijn dingen die in Egypte door de Egyptenaren tot oneer van God worden gebruikt. Door Gods volk kunnen die voorwerpen echter tot Gods eer worden gebruikt. Zo worden de metalen voorwerpen later gebruikt voor de bouw van de tabernakel.


Lees verder