Exodus
Inleiding 1-6 De Hebreeuwse slaaf 7-11 De Hebreeuwse slavin 12-14 Voorschriften bij doodslag 15 Wie zijn vader of zijn moeder slaat 16 Wie een mens rooft 17 Wie zijn vader of zijn moeder vervloekt 18-27 Toebrengen van lichamelijk letsel 28-32 Lichamelijk letsel door een dier 33-36 Toegebracht letsel aan een dier
Inleiding

God, Die alle dingen van tevoren weet, geeft na de wet in het vorige hoofdstuk, in de volgende hoofdstukken (Exodus 21-23) in een aantal voorkomende gevallen als het ware de jurisprudentie, de toepassing van de wet. Hieruit blijkt dat ook rekening wordt gehouden met bepaalde omstandigheden, dingen die in het leven van alle dag kunnen gebeuren. De besproken gevallen staan model voor alle zaken die onder Gods volk kunnen gebeuren.

Wij hebben Gods aanwijzingen voor het dagelijks leven in Zijn Woord. Daarbij is ons de Heilige Geest gegeven, door Wie wij in staat zijn Gods Woord te begrijpen en te leven tot Gods eer in gehoorzaamheid aan Zijn Woord.


De Hebreeuwse slaaf

1Dit zijn de bepalingen die u hun moet voorhouden. 2Wanneer u een Hebreeuwse slaaf koopt, moet hij zes jaar dienen, maar in het zevende mag hij zonder te betalen als vrij [man] vertrekken. 3Als hij alleen gekomen is, moet hij alleen vertrekken, [en] als hij getrouwd is, mag zijn vrouw met hem vertrekken. 4Als zijn meester hem een vrouw gegeven heeft en zij zonen of dochters bij hem gebaard heeft, dan zal de vrouw met haar kinderen aan haar meester blijven toebehoren en moet hijzelf alleen vertrekken. 5Maar als de slaaf nadrukkelijk zegt: Ik heb mijn meester, mijn vrouw en mijn kinderen lief, ik wil niet als vrij [man] vertrekken, 6dan moet zijn meester hem bij de rechters brengen. Hij moet hem bij de deur of de deurpost brengen. Zijn meester moet dan met een priem zijn oor doorboren. Zo zal hij hem voor eeuwig dienen.

Het is niet normaal om een slaaf te zijn terwijl je lid bent van een verlost volk. Dat moet het gevolg zijn van bijzondere omstandigheden. Het kan het gevolg zijn van armoede, waardoor iemand zich in de schulden heeft moeten steken. Als iemand in armoede verkeert, is dat in zeker opzicht al een oordeel, want bij gehoorzaamheid aan God zal er onder hen geen arme zijn. Maar door de nood gedrongen kan een Hebreeër zichzelf als slaaf aan een volksgenoot aanbieden om op die manier zijn schuld weg te werken.

God stelt de duur van de verbintenis vast op zes jaar. In het zevende jaar is de slaaf weer vrij man. Als hij een vrouw heeft meegenomen bij het begin van zijn diensttijd, mag zij met hem vertrekken. Anders ligt het in het geval hij tijdens zijn dienst als slaaf een vrouw van zijn meester heeft gekregen. Dan blijft zijn vrouw, samen met eventuele kinderen, het eigendom van zijn meester: de slaaf is alleen gekomen, hij moet ook alleen weggaan.

Maar dan horen we de taal van de liefde. De liefde van de slaaf betreft niet alleen zijn vrouw en kinderen, maar ook zijn meester en wel in de eerste plaats. De slaaf heeft zijn meester tijdens zijn dienst aan hem lief gekregen. In zijn liefde wenst hij zijn vrijheid in te ruilen voor een leven van dienstbaarheid. Van enige dwang, overreding of manipulatie is geen sprake. Dat is volkomen vreemd aan de liefde. Als teken dat de slaaf voor altijd aan het huis van zijn meester verbonden blijft, wordt het oor – het symbool van luisteren, doen wat gezegd wordt, gehoorzaamheid – bij de deurpost met een priem doorboord.

Het is niet moeilijk om in het beeld van de Hebreeuwse slaaf de Heer Jezus te herkennen. Hij heeft Zichzelf als slaaf aangeboden om de vloek die door de zonde op de schepping ligt weg te nemen en verlossing van zonden te bewerken voor ieder die gelooft (Fp 2:6-76Die in [de] gestalte van God zijnde het geen roof geacht heeft God gelijk te zijn,7maar Zichzelf ontledigd heeft, [de] gestalte van een slaaf aannemend, de mensen gelijk wordend.; Zc 13:55Maar hij zal zeggen: Ik ben geen profeet. Ik ben een man die het land bewerkt, omdat iemand mij [daarvoor] heeft geworven vanaf mijn jeugd.). Hij heeft een volmaakte dienst als slaaf verricht. Hij is de gehoorzame Mens Die als Enige de wet volmaakt heeft vervuld. Hij zou na Zijn volmaakte leven hebben kunnen terugkeren naar de hemel, zonder te sterven.

Maar in Zijn volmaakte liefde is Hij uit vrije wil voor eeuwig slaaf geworden (Lk 12:3737Gelukkig die slaven die de heer, als hij komt, wakend zal vinden. Voorwaar, Ik zeg u, dat hij zich zal omgorden, hen zal doen aanliggen en zal naderkomen om hen te dienen.). Liefde is de ware bron van dienst. Zijn liefde betreft in de eerste plaats “mijn meester”: Zijn Vader; daarna “mijn vrouw”: de gemeente, de bruid; en ten slotte “mijn kinderen”: de individuele gelovigen (wij zijn geen kinderen van de Heer Jezus, nooit noemt de Schrift ons zo, maar kinderen van God). Hij heeft Zich het oor laten doorboren. Hij heeft met Zijn bloed betaald en heeft Zijn vrouw, de gemeente, en Gods kinderen, tot Zijn eigendom verworven

In Psalm 40 en Jesaja 50 lezen we ook over geopende oren. Psalm 40 slaat op Zijn komen in de wereld: “U hebt geen vreugde gevonden in slachtoffer en graanoffer, U hebt Mijn oren doorboord; brandoffer en zondoffer hebt U niet geëist” (Ps 40:77U hebt geen vreugde gevonden in slachtoffer en graanoffer,
U hebt Mijn oren doorboord;
brandoffer en zondoffer
hebt U niet geëist.
; vgl. Hb 10:55Daarom zegt Hij bij Zijn komen in de wereld: ‘Slachtoffer en offerande hebt U niet gewild, maar U hebt Mij een lichaam toebereid;)
. Jesaja 50 slaat op Zijn gaan door de wereld: “Hij wekt Mij elke morgen, Hij wekt Mij het oor, zodat Ik hoor als zij die onderwijs ontvangen. De Heere HEERE heeft Mij het oor geopend, en Zelf ben Ik niet ongehoorzaam, Ik wijk niet terug” (Js 50:4b-54De Heere HEERE gaf Mij een tong van een die onderwijs ontving,
zodat Ik weet met de vermoeide een woord op de juiste tijd te spreken.
Hij wekt Mij elke morgen, Hij wekt Mij het oor,
zodat Ik hoor als zij die onderwijs ontvangen.
5De Heere HEERE heeft Mij het oor geopend,
en Zelf ben Ik niet ongehoorzaam,
Ik wijk niet terug.
)
. Daar sluit vers 66dan moet zijn meester hem bij de rechters brengen. Hij moet hem bij de deur of de deurpost brengen. Zijn meester moet dan met een priem zijn oor doorboren. Zo zal hij hem voor eeuwig dienen. uit Exodus 21 prachtig op aan, want dat slaat op Zijn vertrek uit de wereld: Hij heeft Zich aan het einde van Zijn leven overgegeven voor de Zijnen om voor hen tot eeuwige Dienaar te zijn.

Het is mooi om nog op te merken dat in de Septuaginta (de Griekse vertaling van het Oude Testament) de uitdrukking “voor Mij oren uitgegraven” (zoals letterlijk in Psalm 40:7 in het Hebreeuws staat) daar vertaald is met “een lichaam toebereid”. Omdat dit laatste de ware betekenis weergeeft, wordt deze vertaling door de Heilige Geest in Hebreeën 10 aangehaald: Daarom zegt Hij bij zijn komen in de wereld: ’Slachtoffer en offerande hebt U niet gewild, maar U hebt Mij een lichaam toebereid’” (Hb 10:55Daarom zegt Hij bij Zijn komen in de wereld: ‘Slachtoffer en offerande hebt U niet gewild, maar U hebt Mij een lichaam toebereid;). Het open oor is het middel waardoor wordt geluisterd, het lichaam is het middel waardoor de wil wordt uitgevoerd.


De Hebreeuwse slavin

7Wanneer iemand zijn dochter als slavin verkoopt, dan mag zij niet vertrekken zoals de slaven vertrekken. 8Als zij slecht bevalt in de ogen van haar meester, die haar voor zichzelf bestemd had, moet hij haar laten vrijkopen. Hij heeft niet het recht haar aan een vreemd volk te verkopen, omdat hij haar ontrouw geworden is. 9Maar als hij haar voor zijn zoon bestemt, moet hij haar behandelen volgens de bepaling voor de dochters. 10Als hij voor zichzelf [nog] een andere [vrouw] neemt, mag hij haar niet tekortdoen wat betreft voedsel, kleding en huwelijksgemeenschap. 11Als hij deze drie [dingen] niet voor haar doet, mag zij vertrekken, voor niets, zonder [los]geld.

De Hebreeuwse slaaf mag na zes jaar dienst in het zevende jaar worden vrijgelaten. Die regeling is er niet voor een Hebreeuwse slavin. Zij is gekocht om haar meester te behagen. Als zij hem tegenvalt, moet hij haar laten loskopen. Voorwaarde is dat hij haar niet aan een vreemd volk zal verkopen. Deze regeling dient om haar tegen willekeur te beschermen.

Hij kan de slavin ook voor zijn zoon bestemd hebben. Dan moet hij haar als zijn dochter behandelen. Als hij een andere vrouw neemt, terwijl hij haar niet verkoopt, maar houdt, dan mag hij zich niet aan zijn echtelijke verplichtingen onttrekken. Doet hij dat wel, dan is zij vrij om weg te gaan, zonder dat daar een koopsom mee gemoeid is.

We kunnen in deze slavin een beeld van Israël zien. Israël mag niet vrij uitgaan (zoals de Heer Jezus dat wel heeft gemogen). Het volk is door God gekocht, opdat het Hem zal behagen. Maar het volk heeft God niet behaagd.

Anders dan de meester in dit gedeelte, heeft God Zijn volk wel in handen van vreemde volken verkocht (Ps 44:1313U verkoopt Uw volk voor weinig geld,
U verhoogt hun prijs niet.
; Js 50:11Zo zegt de HEERE:
Waar is de echtscheidingsbrief van uw moeder
waarmee Ik haar weggezonden heb?
Of wie van Mijn schuldeisers is het
aan wie Ik u verkocht heb?
Zie, om uw ongerechtigheden bent u verkocht,
om uw overtredingen is uw moeder weggezonden.
)
. Dat is geen trouweloos handelen van Hem. Integendeel, het is vanwege de ontrouw van het volk. Zijn doel ermee is het volk het verschil te leren tussen de dienst aan Hem en de dienst aan de volken (2Kr 12:88Zij zullen hem echter tot dienaren zijn, zodat zij [het verschil tussen] Mijn dienst en de dienst van de koninkrijken van de landen leren kennen.). Ook anders dan in dit gedeelte is met ‘de verkoop’ geen geld gemoeid.

De slavin, Israël, zal uiteindelijk vrij worden. Ze zal de vrouw van de Zoon worden (Hs 2:1818Ik zal u voor eeuwig tot Mijn bruid nemen:
ja, Ik zal u tot Mijn bruid nemen in gerechtigheid en in recht,
in goedertierenheid en in barmhartigheid.
)
. Dan zal God met haar handelen naar die positie. In afwachting van die tijd, heeft de Zoon “zich een andere” genomen, de gemeente. De betrekking met Israël is er niet in de tijd dat de gemeente wordt gevormd (Hs 3:3-53En ik zei tegen haar: U moet veel dagen bij mij blijven, u mag geen hoererij bedrijven; u mag geen [andere] man toebehoren, en ook ik [zal niet] bij u [komen].4Want de Israëlieten moeten veel dagen zonder koning en zonder vorst blijven, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod en afgodsbeelden.5Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren, en de HEERE, hun God, zoeken en David, hun koning. Zij zullen zich in diep ontzag tot de HEERE en Zijn goedheid wenden, in later tijd.). Israël is nu “Lo-Ruchama”, dat betekent ‘niet ontfermen’, en “Lo-Ammi”, dat betekent ‘niet Mijn volk’ (Hs 1:6,96Zij werd opnieuw zwanger, en zij baarde een dochter. Daarop zei Hij tegen hem: Geef haar de naam Lo-Ruchama, want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis van Israël, want Ik zal hen zeker wegvoeren.9En Hij zei:
Geef hem de naam Lo-Ammi,
want u bent niet Mijn volk
en Ík zal er voor u niet zijn.
)
. God erkent Israël in deze tijd niet als Zijn volk. Het is weggegaan, bij Hem vandaan.


Voorschriften bij doodslag

12Wie iemand [zó] slaat dat hij sterft, moet zeker gedood worden. 13Maar [voor het geval] dat hij het er niet op toelegde, maar God het zijn hand liet overkomen, zal Ik voor een plaats voor u zorgen waar hij naartoe kan vluchten. 14Maar wanneer iemand moedwillig tegen zijn naaste optreedt [en] hem met list doodt, moet u hem bij Mijn altaar vandaan halen, zodat hij zal sterven.

In de verzen 12-3612Wie iemand [zó] slaat dat hij sterft, moet zeker gedood worden.13Maar [voor het geval] dat hij het er niet op toelegde, maar God het zijn hand liet overkomen, zal Ik voor een plaats voor u zorgen waar hij naartoe kan vluchten.14Maar wanneer iemand moedwillig tegen zijn naaste optreedt [en] hem met list doodt, moet u hem bij Mijn altaar vandaan halen, zodat hij zal sterven.15Wie zijn vader of zijn moeder slaat, moet zeker gedood worden.16Wie een mens ontvoert, of hij hem [nu] verkocht heeft, of dat hij hem [nog] in zijn bezit heeft, moet zeker gedood worden.17En wie zijn vader of zijn moeder vervloekt, moet zeker gedood worden.18Wanneer mannen onenigheid krijgen en de een slaat de ander met een steen of met [zijn] vuist, zodat hij [weliswaar] niet sterft, maar [wel] het bed moet houden –19als hij weer opstaat en buiten wandelt met zijn staf, gaat hij die hem sloeg, vrijuit. Alleen moet hij diens [gedwongen] rusttijd vergoeden en hem geheel laten genezen.20Wanneer iemand zijn slaaf of slavin met de stok [zó] slaat dat deze onder zijn hand sterft, moet hij zeker gewroken worden.21Als [de slaaf] echter[ [nog] een of twee dagen op de been blijft, wordt hij niet gewroken, want het is zijn [eigen] geld.22Wanneer mannen vechten en [daarbij] een zwangere vrouw [zó] treffen dat haar kind geboren wordt, maar er geen dodelijk letsel is, dan moet de schuldige zeker een boete betalen, zo [groot] als de echtgenoot van de vrouw hem oplegt. Hij moet die betalen via de rechters.23Maar als er [wel] dodelijk letsel is, moet u geven leven voor leven,24oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet,25brandwond voor brandwond, wond voor wond, striem voor striem.26Wanneer iemand een oog van zijn slaaf of een oog van zijn slavin [zó] raakt dat het verloren gaat, moet hij hem vrij laten gaan [als vergoeding] voor zijn oog.27En als hij een tand van zijn slaaf of een tand van zijn slavin uitslaat, moet hij hem vrij laten gaan [als vergoeding] voor zijn tand.28En wanneer een rund een man of een vrouw [zó] stoot dat deze sterft, moet het rund zeker gestenigd worden en mag zijn vlees niet worden gegeten. De eigenaar van het rund gaat echter vrijuit.29Maar als het rund al eerder stotig was en zijn eigenaar daarvoor gewaarschuwd was, maar hij het [toch] niet bewaakte, en [als] het [dan] een man of een vrouw doodt, moet dat rund gestenigd worden, maar ook zijn eigenaar moet ter dood gebracht worden.30Als hem een afkoopsom wordt opgelegd, moet hij als losprijs voor zijn leven alles geven wat hem wordt opgelegd.31Stoot het [dier] een zoon of stoot het een dochter, dan moet tegen [het dier] volgens deze bepaling gehandeld worden.32Als het rund een slaaf of slavin stoot, moet [de eigenaar] aan zijn meester dertig sikkel zilver geven, en het rund moet gestenigd worden.33Wanneer iemand een put openlaat of wanneer iemand een put graaft en die niet afdekt, en een rund of ezel valt daarin,34dan moet de eigenaar van de put [daarvoor] vergoeding geven. Hij moet aan de eigenaar van [het dier] geld teruggeven, maar het dode [dier] zal voor hem zijn.35Wanneer iemands rund het rund van zijn naaste [zó hard] treft dat het sterft, moet men het levende rund verkopen en de opbrengst daarvan samen delen, en het dode [dier] moet men ook samen delen.36Maar als het bekend was dat het rund al eerder stotig was, en zijn eigenaar het niet bewaakte, moet hij [het dier] volledig vergoeden, een rund voor een rund. Het dode [dier] zal echter voor hem zijn. worden nadere bepalingen gegeven bij overtreding van een bepaald gebod. We zien hoe de HEERE rekening houdt met verschillende omstandigheden. Hij houdt er ook rekening mee of en in hoeverre er opzet in het spel is.

In Mattheüs 5:17-48 gaat de Heer Jezus ook in op de overtreding van de geboden. Hij toont daar aan dat het niet alleen gaat om de daden, maar vooral om het hart, de gezindheid, die achter daden en woorden schuilgaat. Hij heeft ook Zijn eigen hart geopenbaard en laten zien hoezeer dat uitgaat boven wat de wet eist. Hij heeft niet alleen de wet vervuld, maar ook wat daar bovenuit gaat. Nergens vraagt de wet het leven te geven voor de ander. Dat heeft Hij wel gedaan. Daartoe brengt de liefde.

In de verzen 12-1412Wie iemand [zó] slaat dat hij sterft, moet zeker gedood worden.13Maar [voor het geval] dat hij het er niet op toelegde, maar God het zijn hand liet overkomen, zal Ik voor een plaats voor u zorgen waar hij naartoe kan vluchten.14Maar wanneer iemand moedwillig tegen zijn naaste optreedt [en] hem met list doodt, moet u hem bij Mijn altaar vandaan halen, zodat hij zal sterven. worden nadere bepalingen gegeven bij overtreding van het zesde gebod. De meest radicale vorm van wetsovertreding tegen de naaste is hem doden, hem het leven benemen. De algemene regel is dat in geval van doodslag gehandeld moet worden naar wat tegen Noach is gezegd (Gn 9:66Vergiet iemand het bloed van de mens,
door de mens zal diens bloed vergoten worden;
want naar het beeld van God
heeft Hij de mens gemaakt.
)
. Wie een ander doodt, treedt in de rechten van God. Alleen God heeft zeggenschap over leven en dood. Deze zeggenschap heeft God aan de overheid overgedragen (Rm 13:1-71Elke ziel zij aan [de] over haar gestelde overheden onderdanig; want er is geen overheid dan door God, en die er zijn, zijn door God ingesteld.2Wie zich dus tegen de overheid verzet, weerstaat de instelling van God; en zij die weerstaan, zullen oordeel voor zichzelf ontvangen.3Want de overheidspersonen zijn niet voor het goede, maar voor het kwade werk te vrezen. Wilt u nu de overheid niet vrezen, doe het goede, en u zult lof van haar hebben,4want zij is Gods dienares, u ten goede. Maar als u het kwade doet, vrees dan; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods dienares, een wreekster tot straf voor hem die het kwade bedrijft.5Daarom is het nodig onderdanig te zijn, niet alleen om de straf, maar ook om het geweten.6Want daarom betaalt u ook belasting; immers, zij zijn dienaars van God, juist daarin voortdurend werkzaam.7Geeft aan allen wat hun toekomt: belasting, aan wie belasting; tol, aan wie tol; vrees, aan wie vrees; eer, aan wie eer [toekomt].).

Indien iemand een ander per ongeluk doodt, kan hij naar een vrijstad vluchten, waarvoor later regelingen worden getroffen (Nm 35:6-156Wat nu de steden betreft die u aan de Levieten moet geven, zes [daarvan] moeten de vrijsteden zijn, die u moet geven zodat degene die een doodslag begaan heeft, daarheen zou kunnen vluchten; bovendien moet u [hun nog] tweeënveertig steden geven.7Al de steden die u de Levieten moet geven, moeten [bij elkaar] achtenveertig steden zijn, te weten de [steden] met hun weidegronden.8En wat de steden betreft die u van het bezit van de Israëlieten moet geven, moet u van degene die er veel heeft, veel nemen, en van degene die er weinig heeft, weinig. Ieder moet afhankelijk van zijn erfelijk bezit, dat hij ontvangen zal hebben, [een aantal] van zijn steden aan de Levieten geven.9De HEERE sprak tot Mozes:10Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: Wanneer u de Jordaan oversteekt, het land Kanaän in,11dan moet u voor uzelf steden kiezen [die] u tot vrijsteden zullen dienen, zodat iemand die een doodslag begaan heeft, die zonder opzet iemand om het leven gebracht heeft, daarheen zou kunnen vluchten.12Deze steden moeten u dienen tot een wijkplaats voor de [bloed]wreker, opdat degene die een doodslag begaan heeft, niet zal sterven, voordat hij voor de gemeenschap heeft terechtgestaan.13De steden nu die u moet geven, moeten u dienen tot zes vrijsteden.14Drie steden moet u aan deze kant van de Jordaan geven en drie steden moet u in het land Kanaän geven; vrijsteden zullen het zijn.15Die zes steden moeten voor de Israëlieten, voor de vreemdeling en voor de bijwoner in hun midden tot een wijkplaats dienen, zodat ieder daarheen kan vluchten die zonder opzet iemand om het leven gebracht heeft.; Dt 19:1-131Wanneer de HEERE, uw God, de volken uitroeit waarvan de HEERE, uw God, u het land geeft, en u hun [land] in bezit neemt en in hun steden en in hun huizen woont,2dan moet u voor uzelf drie steden afzonderen, in het midden van uw land, dat de HEERE, uw God, u geeft om dat in bezit te nemen.3U moet de weg voor u gereedmaken, en het gebied van uw land, dat de HEERE, uw God, u in erfbezit zal laten nemen, in drieën verdelen. Dit moet gebeuren zodat iedereen die een doodslag begaan heeft, daarheen kan vluchten.4Dit is de zaak [die] iemand [betreft] die een doodslag begaan heeft [en] daarheen vlucht om in leven te blijven: iemand die zijn naaste niet met voorbedachten rade doodgeslagen heeft en die hij tevoren niet haatte5– bijvoorbeeld [iemand] die met zijn naaste het bos ingaat om hout te hakken, en hij maakt met zijn hand een zwaai met de bijl om een boom om te hakken, en het ijzer schiet van de steel en treft zijn naaste, zodat die sterft – die zal naar een van die steden vluchten en in leven blijven.6Anders zou de bloedwreker degene die een doodslag begaan heeft, achtervolgen terwijl zijn hart verhit is, en, als de weg te lang zou zijn, zou hij hem inhalen en hem om het leven brengen, terwijl hij niet de doodstraf [verdiend] heeft, want hij haatte hem tevoren niet.7Daarom gebied ik u: U moet voor uzelf drie steden afzonderen.8En wanneer de HEERE, uw God, uw gebied ruim gemaakt heeft, zoals Hij uw vaderen gezworen heeft, en Hij u heel het land gegeven heeft dat Hij gesproken heeft uw vaderen te zullen geven9– als u heel dit gebod, dat ik u heden gebied, nauwlettend houdt, door de HEERE, uw God, lief te hebben en door alle dagen in Zijn wegen te gaan – dan moet u aan deze drie nog drie steden voor uzelf toevoegen,10zodat er geen bloed van onschuldigen vergoten wordt in het midden van uw land, dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft. Anders zou er bloedschuld op u rusten.11Maar als er iemand is die zijn naaste haat, een hinderlaag voor hem legt, hem aanvalt en om het leven brengt, zodat hij sterft, en [dan] naar een van die steden vlucht,12dan moeten de oudsten van zijn stad [boden] sturen en hem vandaar meenemen, en zij moeten hem in de hand van de bloedwreker geven, zodat hij sterft.13Laat uw oog hem niet ontzien, maar doe het bloed van de onschuldige uit Israël weg, opdat het u goed gaat.; Jz 20:1-91Verder sprak de HEERE tot Jozua:2Spreek tot de Israëlieten en zeg: Wijs voor uzelf de vrijsteden aan waarover Ik door de dienst van Mozes met u gesproken heb,3zodat iemand die een doodslag heeft begaan, die iemand zonder opzet, niet met voorbedachten rade, doodgeslagen heeft, daarheen kan vluchten, opdat ze voor u tot een toevlucht zijn tegen de bloedwreker.4Als hij naar een van die steden vlucht, moet hij bij de ingang van de stadspoort gaan staan en zijn woorden spreken ten aanhoren van de oudsten van die stad. Vervolgens moeten zij hem bij zich in de stad opnemen en hem een plaats geven, zodat hij bij hen kan wonen.5En als de bloedwreker hem achtervolgt, mogen zij hem die de doodslag begaan heeft, niet in zijn hand overleveren, omdat hij zijn naaste niet met voorbedachten rade doodgeslagen heeft, en hem tevoren niet haatte.6Dan moet hij in die stad [blijven] wonen, totdat hij terecht zal staan voor de gemeenschap, totdat de hogepriester die [er] in die dagen zijn zal, sterft. Daarna mag hij die de doodslag begaan heeft, terugkeren en [weer] naar zijn stad gaan, en naar zijn huis, naar de stad waaruit hij gevlucht was.7Toen zonderden zij af: Kedes in Galilea, in het bergland van Naftali, Sichem, in het bergland van Efraïm, en Kirjath-Arba, dat is Hebron, in het bergland van Juda.8En aan de overzijde van de Jordaan, ten oosten van Jericho, bestemden zij [tot vrijsteden]: Bezer, in de woestijn, op de hoogvlakte, van de stam Ruben, Ramoth in Gilead, van de stam Gad, en Golan in Basan, van de stam Manasse.9Dit zijn de steden die aangewezen zijn voor al de Israëlieten en voor de vreemdeling die te midden van hen verblijft, zodat iedereen die zonder opzet iemand doodslaat, daarheen kan vluchten, zodat hij niet door de hand van de bloedwreker hoeft te sterven, totdat hij voor de gemeenschap [terecht]gestaan heeft.). Ook kan hij tot het altaar zijn toevlucht nemen. God heeft het zijn hand laten overkomen. Dat betekent niet dat God het heeft bewerkt, maar het heeft toegelaten. Dat er niets gebeurt buiten Zijn wil, wil niet zeggen dat Hij ervoor verantwoordelijk is. Maar Hij heeft wel een bedoeling met wat er gebeurt. In dit geval kunnen we het zo zien, dat God deze tragische gebeurtenis wil gebruiken om de doodslager bij Zijn altaar, een beeld van het kruis, te brengen. Wie hierin echter niet oprecht is, zal toch sterven (1Kn 2:2929En aan koning Salomo werd bekendgemaakt dat Joab naar de tent van de HEERE was gevlucht, en zie, hij bevond zich bij het altaar. Toen stuurde Salomo Benaja, de zoon van Jojada, [erheen] en zei: Ga, steek hem dood.).


Wie zijn vader of zijn moeder slaat

15Wie zijn vader of zijn moeder slaat, moet zeker gedood worden.

Wie zijn vader of zijn moeder slaat, overtreedt het vijfde gebod. Het vijfde gebod is het eerste gebod van de geboden die betrekking hebben op de verhouding tot de naaste. Evenals bij het zesde gebod is hier sprake van opstand tegen door God ingesteld gezag. Deze rebellie moet met de doodstraf worden gestraft.

Gods gezag wordt op aarde in de eerste plaats door ouders vertegenwoordigd. Kinderen die geen respect hebben voor hun ouders, hebben in het algemeen geen respect voor welke vorm van gezag ook.


Wie een mens rooft

16Wie een mens ontvoert, of hij hem [nu] verkocht heeft, of dat hij hem [nog] in zijn bezit heeft, moet zeker gedood worden.

Het roven van een mens betekent een overtreding van het achtste gebod. Van alle vormen van diefstal is dit de ergste vorm. Paulus noemt de “mensenrovers” in een lijst waarin hij meerdere voorbeelden geeft van mensen voor wie de wet bestemd is (1Tm 1:8-118Maar wij weten dat de wet goed is als iemand haar wettig gebruikt,9doordat hij dit weet dat [de] wet niet bestemd is voor een rechtvaardige, maar voor wettelozen en weerspannigen, voor goddelozen en zondaars, voor onheiligen en ongoddelijken, voor vadermoorders en moedermoorders, voor doodslagers,10hoereerders, hen die bij mannen liggen, mensenrovers, leugenaars, meinedigen en al wat verder ingaat tegen de gezonde leer,11volgens het evangelie van de heerlijkheid van de gelukkige God dat mij is toevertrouwd.). Een mensenrover is iemand die een ander zijn vrijheid ontneemt en maakt tot een voorwerp waaraan te verdienen is. Ook deze misdaad moet met de doodstraf worden gestraft.

In geestelijk opzicht gebeurt dit als iemand een ander volledig afhankelijk maakt van zichzelf en daardoor kan manipuleren, waardoor de ander niet meer kan zijn zoals God hem bedoeld heeft. De mens is gemaakt naar Gods gelijkenis (Jk 3:99Met haar zegenen wij de Heer en Vader, en met haar vervloeken wij de mensen die naar Gods gelijkenis gemaakt zijn.). Daarom moet ieder mens met respect worden behandeld (1Pt 2:1717Eert allen, hebt de broederschap lief, vreest God, eert de koning.).


Wie zijn vader of zijn moeder vervloekt

17En wie zijn vader of zijn moeder vervloekt, moet zeker gedood worden.

Iemand die zijn vader of zijn moeder vervloekt, overtreedt ook het vijfde gebod. In vers 1515Wie zijn vader of zijn moeder slaat, moet zeker gedood worden. is dat ook het geval. Het betreft hier niet een overtreding door een wandaad als in vers 1515Wie zijn vader of zijn moeder slaat, moet zeker gedood worden., maar door schandelijk over de ouders te spreken. Ook over deze misdaad moet de doodstraf worden voltrokken.

Kinderen die door daad of woord hun ouders mishandelen, zijn wel diep gezonken in hun natuurlijke gevoelens. Zij minachten de meest elementaire betrekkingen die God in de schepping aan de mens heeft gegeven.


Toebrengen van lichamelijk letsel

18Wanneer mannen onenigheid krijgen en de een slaat de ander met een steen of met [zijn] vuist, zodat hij [weliswaar] niet sterft, maar [wel] het bed moet houden – 19als hij weer opstaat en buiten wandelt met zijn staf, gaat hij die hem sloeg, vrijuit. Alleen moet hij diens [gedwongen] rusttijd vergoeden en hem geheel laten genezen. 20Wanneer iemand zijn slaaf of slavin met de stok [zó] slaat dat deze onder zijn hand sterft, moet hij zeker gewroken worden. 21Als [de slaaf] echter[ [nog] een of twee dagen op de been blijft, wordt hij niet gewroken, want het is zijn [eigen] geld. 22Wanneer mannen vechten en [daarbij] een zwangere vrouw [zó] treffen dat haar kind geboren wordt, maar er geen dodelijk letsel is, dan moet de schuldige zeker een boete betalen, zo [groot] als de echtgenoot van de vrouw hem oplegt. Hij moet die betalen via de rechters. 23Maar als er [wel] dodelijk letsel is, moet u geven leven voor leven, 24oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet, 25brandwond voor brandwond, wond voor wond, striem voor striem. 26Wanneer iemand een oog van zijn slaaf of een oog van zijn slavin [zó] raakt dat het verloren gaat, moet hij hem vrij laten gaan [als vergoeding] voor zijn oog. 27En als hij een tand van zijn slaaf of een tand van zijn slavin uitslaat, moet hij hem vrij laten gaan [als vergoeding] voor zijn tand.

Het toebrengen van lichamelijk letsel staat in verbinding met het zesde gebod (verzen 18-1918Wanneer mannen onenigheid krijgen en de een slaat de ander met een steen of met [zijn] vuist, zodat hij [weliswaar] niet sterft, maar [wel] het bed moet houden –19als hij weer opstaat en buiten wandelt met zijn staf, gaat hij die hem sloeg, vrijuit. Alleen moet hij diens [gedwongen] rusttijd vergoeden en hem geheel laten genezen.). Een ruzie loopt uit de hand. Er vallen geen doden, maar wel gewonden. De gewonde kan een poos niet werken. De gedwongen rusttijd moet worden vergoed. Verdere straf wordt niet opgelegd als de gewonde zover herstelt, dat hij weer in staat is te lopen, al is het nog met behulp van een stok.

Als een slaaf of slavin door de eigenaar zo hard wordt geslagen dat deze sterft, zal de eigenaar daarvoor moeten boeten (verzen 20-2120Wanneer iemand zijn slaaf of slavin met de stok [zó] slaat dat deze onder zijn hand sterft, moet hij zeker gewroken worden.21Als [de slaaf] echter[ [nog] een of twee dagen op de been blijft, wordt hij niet gewroken, want het is zijn [eigen] geld.). Hij heeft iemand het leven benomen en dat komt hem niet toe. Als de slaaf niet onmiddellijk sterft, zal hij niet boeten. Zijn straf is het verlies van zijn slaaf en daarmee diens dienst. Van de christelijke meester wordt verwacht dat hij zijn slaaf niet slaat. Hem wordt voorgehouden dat hij zelfs het dreigen moet nalaten (Ef 6:99En u, heren, doet hetzelfde jegens hen en laat het dreigen na. U weet immers, dat zowel hun als uw Heer in [de] hemelen is, en dat bij Hem geen aanzien des persoons is.; Jb 31:13-1513Als ik het recht van mijn slaaf of van mijn slavin versmaad heb,
wanneer zij een geschil met mij hadden,
14wat zal ik dan doen als God opstaat?
En als Hij onderzoekt, wat zal ik Hem [dan] antwoorden?
15Heeft Hij Die mij in de buik maakte, [ook] hem niet gemaakt,
en heeft Eén ons niet in de baarmoeder gevormd?
)
.

Mogelijk is de situatie in vers 2222Wanneer mannen vechten en [daarbij] een zwangere vrouw [zó] treffen dat haar kind geboren wordt, maar er geen dodelijk letsel is, dan moet de schuldige zeker een boete betalen, zo [groot] als de echtgenoot van de vrouw hem oplegt. Hij moet die betalen via de rechters. zo, dat de (zwangere) vrouw van een van de vechtende mannen tussenbeide wil komen. Ze krijgt een klap en met als gevolg daarvan een ontijdig geboren kind. De man die dit heeft veroorzaakt, moet een boete worden opgelegd, die wordt bepaald door de man van de vrouw en wordt bekrachtigd door de rechters.

Als er echter dodelijk letsel wordt toegebracht (vers 2323Maar als er [wel] dodelijk letsel is, moet u geven leven voor leven,), hetzij aan de vrouw, hetzij aan het kind, dan moet de doodstraf worden toegepast. We zien hier dat het doden van ongeboren leven – in onze dagen: abortus – door God als het toebrengen van dodelijk letsel wordt beoordeeld, waarop de doodstraf moet worden toegepast.

In geestelijk opzicht kan een ruzie tot gevolg hebben dat geestelijk leven dat zich aandient in de kiem wordt gesmoord. Hoeveel geestelijke schade is er al bij jonge gelovigen veroorzaakt door ruzies tussen volwassen gelovigen!

In de verzen 24-2524oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet,25brandwond voor brandwond, wond voor wond, striem voor striem. wordt de regel “leven voor leven” (vers 2323Maar als er [wel] dodelijk letsel is, moet u geven leven voor leven,) verder uitgewerkt. We vinden hier de hoofdzaak van de wet: vergelding in het betalen met gelijke munt. Dat is een volmaakt rechtvaardig beginsel. Als God naar het beginsel “leven voor leven” zou hebben gehandeld met het oog op de dood van Zijn Zoon, zou Hij de wereld hebben weggevaagd. Maar juist bij het ondergaan van de grootste misdaad bidt de Heer Jezus: “Vader, vergeef hun” (Lk 23:3434<Jezus nu zei: Vader, vergeef hun, want zij weten niet wat zij doen.> En om Zijn kleren te verdelen wierpen zij het lot daarover.).

De Heer Jezus verwijst ook naar de wet van de vergelding, maar geeft daar een verdieping aan: U hebt gehoord dat gezegd is: Oog om oog en tand om tand. Maar Ik zeg u de boze niet te weerstaan; maar wie u op uw rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe” (Mt 5:38-3938U hebt gehoord dat gezegd is: Oog om oog en tand om tand.39Maar Ik zeg u de boze niet te weerstaan; maar wie u op uw rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe;). Wat de wet eist, is altijd rechtvaardig. Daarom is er niets mis met “oog voor oog” en “tand voor tand”. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat dit door het bevoegde gerecht moet worden toegepast en niet in de sfeer van een persoonlijke vergelding.

De discipelen als trouwe Joden hebben van de wet van vergelding gehoord. Maar de genade gaat veel verder. Daarop wijst de Heer met de woorden “maar Ik zeg u”. In wat Hij zegt, laat Hij de geest zien waarin Zijn discipelen behoren te handelen, zoals Hij dat volmaakt heeft gedaan. Het betekent dat we ons tegen een boze naaste niet verweren, en dat we ons niet een beetje, maar diep laten vernederen.

Het voorgaande ziet op situaties waarin ons onrecht wordt aangedaan. Dan wordt van ons, in navolging van de Heer Jezus, die gezindheid verwacht. Als we echter zelf onrecht hebben gedaan, zullen we er rekening mee moeten houden dat we op een of andere wijze het onrecht dat we hebben gedaan, terug zullen ontvangen (Ko 3:2525Want wie onrecht doet, zal het onrecht dat hij gedaan heeft, terugontvangen; en er is geen aanzien des persoons.; Gl 6:88Want wie voor zijn eigen vlees zaait, zal uit het vlees verderf oogsten; maar wie voor de Geest zaait, zal uit de Geest eeuwig leven oogsten.).

God zorgt ook voor de rechten van slaven (verzen 26-2726Wanneer iemand een oog van zijn slaaf of een oog van zijn slavin [zó] raakt dat het verloren gaat, moet hij hem vrij laten gaan [als vergoeding] voor zijn oog.27En als hij een tand van zijn slaaf of een tand van zijn slavin uitslaat, moet hij hem vrij laten gaan [als vergoeding] voor zijn tand.). Als de eigenaar het oog of de tand van een slaaf zo raakt, dat ze niet meer kunnen worden gebruikt, moet de eigenaar de slaaf vrijlaten. De eigenaar mist daardoor de inzet van de slaaf en moet die vervangen, wat geld kost. De slaaf is wel wat beter af. Hij heeft zijn vrijheid terug. Maar hij is gehandicapt. Zijn gezichtsvermogen is beperkt en ook voedsel nuttigen gaat niet meer zo gemakkelijk als vroeger.


Lichamelijk letsel door een dier

28En wanneer een rund een man of een vrouw [zó] stoot dat deze sterft, moet het rund zeker gestenigd worden en mag zijn vlees niet worden gegeten. De eigenaar van het rund gaat echter vrijuit. 29Maar als het rund al eerder stotig was en zijn eigenaar daarvoor gewaarschuwd was, maar hij het [toch] niet bewaakte, en [als] het [dan] een man of een vrouw doodt, moet dat rund gestenigd worden, maar ook zijn eigenaar moet ter dood gebracht worden. 30Als hem een afkoopsom wordt opgelegd, moet hij als losprijs voor zijn leven alles geven wat hem wordt opgelegd. 31Stoot het [dier] een zoon of stoot het een dochter, dan moet tegen [het dier] volgens deze bepaling gehandeld worden. 32Als het rund een slaaf of slavin stoot, moet [de eigenaar] aan zijn meester dertig sikkel zilver geven, en het rund moet gestenigd worden.

Als een rund iemand doodt, moet het gedood worden. Het om die reden gedode dier mag niet als voedsel dienen, omdat het door zijn afschuwelijke daad onrein moet worden geacht. De eigenaar is niet aansprakelijk. Hij heeft niet kunnen vermoeden dat het dier dit zou doen.

De eigenaar is wel aansprakelijk in geval het bekend is dat het dier gevaarlijk is. Als hij het dier niet bewaakt en het doodt iemand, moet het dier worden gedood, maar de eigenaar ook. Er wordt een mogelijkheid gegeven tot het betalen van een afkoopsom, een zoengeld, als een losprijs voor het leven.

Dingen die in ons bezit zijn, kunnen schade aan anderen toebrengen. Dat kan gebeuren door dingen waarvan we dat niet verwachten. Het kan ook gebeuren door dingen waarvan we weten dat ze wel schade bij anderen kunnen veroorzaken. In het laatste geval moeten we er attent op zijn hoe we die dingen gebruiken. We kunnen hier voor onszelf praktische en geestelijke toepassingen maken, bijvoorbeeld: Laten wij dan niet meer elkaar oordelen; maar komt liever tot dit oordeel, dat u voor uw broeder geen struikelblok plaatst, of een aanleiding tot vallen” (Rm 14:1313Laten wij dan niet meer elkaar oordelen; maar komt liever tot dit oordeel, dat u voor uw broeder geen struikelblok plaatst, of een aanleiding tot vallen.). En: Voedsel maakt ons echter niet aangenaam bij God; eten wij niet, wij zijn er niet minder om; en eten wij wel, wij zijn er niet beter om. Maar kijkt u uit, dat dit recht van u niet misschien een struikelblok wordt voor de zwakken” (1Ko 8:8-98Voedsel maakt ons echter niet aangenaam bij God; eten wij niet, wij zijn er niet minder om; en eten wij wel, wij zijn er niet beter om.9Maar kijkt u uit, dat dit recht van u niet misschien een struikelblok wordt voor de zwakken.).

Het bedrag dat in vers 3232Als het rund een slaaf of slavin stoot, moet [de eigenaar] aan zijn meester dertig sikkel zilver geven, en het rund moet gestenigd worden. wordt genoemd, is ook de prijs waarop de Zoon van God in de gestalte van een Slaaf is geschat (Mt 26:1515Wat wilt u mij geven? Dan zal ik Hem aan u overleveren. Zij nu betaalden hem dertig zilverlingen uit.).


Toegebracht letsel aan een dier

33Wanneer iemand een put openlaat of wanneer iemand een put graaft en die niet afdekt, en een rund of ezel valt daarin, 34dan moet de eigenaar van de put [daarvoor] vergoeding geven. Hij moet aan de eigenaar van [het dier] geld teruggeven, maar het dode [dier] zal voor hem zijn. 35Wanneer iemands rund het rund van zijn naaste [zó hard] treft dat het sterft, moet men het levende rund verkopen en de opbrengst daarvan samen delen, en het dode [dier] moet men ook samen delen. 36Maar als het bekend was dat het rund al eerder stotig was, en zijn eigenaar het niet bewaakte, moet hij [het dier] volledig vergoeden, een rund voor een rund. Het dode [dier] zal echter voor hem zijn.

Schade, toegebracht aan eigendommen van een ander, moet worden vergoed. In geval de schade niet is te voorzien, wordt een regeling getroffen.

Alle genoemde voorvallen vinden plaats te midden van Gods volk. En wat hun overkomen is, is hun overkomen “tot voorbeelden voor ons” (1Ko 10:6,116En deze dingen gebeurden tot voorbeelden voor ons, opdat wij geen begeerte in [het] kwade zouden hebben, zoals zij er begeerte in hadden.11<Al> deze dingen nu zijn hun overkomen als voorbeelden en zijn beschreven tot waarschuwing voor ons, op wie de einden van de eeuwen zijn gekomen.). Het is dan ook geoorloofd te veronderstellen dat in alle gevallen een geestelijke toepassing gemaakt kan worden. In het ene geval is deze voor de hand liggend, in het andere geval is deze minder duidelijk. Belangrijk is dat een toepassing niet berust op fantasie, maar op een waarheid die in het Nieuwe Testament naar voren wordt gebracht.

Als het gaat om ons bezit, kunnen we denken aan alles wat ons in stoffelijk en geestelijk opzicht is toevertrouwd. Hoe gaan we om met ons geld, onze bezittingen, onze capaciteiten? Gebruiken we die tot zegen of tot schade van anderen? Als we anderen materieel of geestelijk schade hebben toegebracht, hoe vergoeden we dat dan? Ook materiële schade is niet altijd alleen met een geldbedrag te vereffenen.

In het algemeen is het onderwijs van dit hoofdstuk dat wij waakzaam moeten zijn dat het kwaad geen kans krijgt zich in ons te openbaren. Als we toch in de een of andere vorm kwaad hebben gedaan, dan moeten we bereid zijn tot het geven van een vergoeding. Het gaat om de gezindheid dat wij niet willen dat iemand anders door ons toedoen verlies zal lijden, hetzij in materieel, hetzij in geestelijk opzicht.


Lees verder