Exodus
1-3 Het volk mort voor de tweede keer 4-5 De HEERE belooft brood 6-12 De heerlijkheid van de HEERE 13-15 Kwartels en manna 16-21 Verzamelen van het manna 22-31 Het manna en de sabbat 32-34 Manna in een kruik bewaard 35 Veertig jaar manna 36 Een gomer
Het volk mort voor de tweede keer

1Zij braken op uit Elim en heel de gemeenschap van de Israëlieten kwam in de woestijn Sin, die tussen Elim en de Sinaï ligt. [Dat was] op de vijftiende dag van de tweede maand nadat zij uit het land Egypte waren vertrokken. 2En heel de gemeenschap van de Israëlieten morde tegen Mozes en tegen Aäron in de woestijn. 3De Israëlieten zeiden tegen hen: Och, waren wij maar door de hand van de HEERE gestorven in het land Egypte, toen wij bij de vleespotten zaten en brood aten tot verzadiging toe! Want u hebt ons uitgeleid naar deze woestijn om heel deze gemeente van honger te laten sterven.

Het volk kan niet bij Elim blijven wonen, hoe aangenaam het daar ook is. Het moet op reis, de woestijn in. Na de verlossing, het lied, de beproeving bij Mara en de rust van Elim begint nu het echte woestijnleven.

Het is anderhalve maand na hun vertrek uit Egypte. Mogelijk is dan de hele voorraad voedsel op die ze uit Egypte hebben meegenomen. Er is geen eten meer en het volk maakt zijn ongenoegen daarover kenbaar aan Mozes en Aäron.

De verwijten zijn niet mals. Ze geven Mozes en Aäron de schuld. Ze stellen het voor alsof zij bewust het volk in de woestijn hebben gebracht om hen daar te laten omkomen van de honger. Ze schijnen de slavernij, waaronder ze in Egypte hebben gezucht, vergeten te zijn. Ze denken alleen maar terug aan “de vleespotten” en naar hun idee hebben ze daar “volop brood” te eten gehad.

Zo dwaas is het volk van God – zo dwaas ben ik – als het de verlossing vergeet, als het niet meer denkt aan de ervaringen die het heeft opgedaan in Mara en Elim. Bij tegenslagen in het geloof vergeten we vaak wat God allemaal ten gunste van ons heeft gedaan en gaan we terugverlangen naar de pleziertjes en het genot van vroeger in de wereld.


De HEERE belooft brood

4Toen zei de HEERE tegen Mozes: Zie, Ik zal voor u brood uit de hemel laten regenen. Het volk moet eropuit gaan en de per dag benodigde [hoeveelheid] verzamelen, zodat Ik het op de proef kan stellen of het naar Mijn wet wandelt of niet. 5En op de zesde dag moet het [zó] zijn dat zij bereiden wat zij binnenbrengen, en dat zal het dubbele zijn van wat zij dagelijks verzamelen.

Evenals bij Mara straft God ook hier het volk niet voor hun gemopper. In Zijn genade komt Hij hun tegemoet. Hij belooft dat Hij brood zal laten regenen uit de hemel. Het volk moet er wel wat voor doen om het te nuttigen: ze moeten het elke dag verzamelen. Op de zesde dag moeten ze dubbel zoveel inzamelen met het oog op de sabbat. God geeft het manna en de aanwijzingen daarbij om te zien of ze Hem gehoorzaam zullen zijn. Hij wil zien wat er in hun hart is.

Brood uit de hemel is een prachtige uitdrukking om aan te geven Wie de Heer Jezus is (Jh 6:33,5133Want het brood van God is Hij Die uit de hemel neerdaalt en aan de wereld leven geeft.51Ik ben het levende brood dat uit de hemel is neergedaald; als iemand van dit brood eet, zal hij leven tot in eeuwigheid. En het brood dat Ik zal geven, is Mijn vlees <dat Ik zal geven> voor het leven van de wereld.). Hij is het ware brood uit de hemel. Om in gemeenschap met God te leven is het van belang elke dag het manna te verzamelen, dat wil zeggen ons elke dag geestelijk te voeden met de Heer Jezus. Het manna is ‘woestijnvoedsel’. Het manna stelt de Heer Jezus voor zoals Hij in de evangeliën wordt beschreven. Daar zien we Hem als Mens op aarde, in de omstandigheden van het dagelijks leven. Als we ons daarmee bezighouden, zal ons dat kracht geven voor onze reis door de woestijn, dat wil zeggen voor onze dagelijkse bezigheden.

De hemel voorziet in dingen die op aarde nodig zijn en die door geen werk van de mens te bewerken zijn. Die les zit verborgen in het voorschrift dat er op de sabbat niet mag worden verzameld.


De heerlijkheid van de HEERE

6Toen zeiden Mozes en Aäron tegen al de Israëlieten: Vanavond [nog] zult u weten dat de HEERE u uit het land Egypte geleid heeft, 7en morgenochtend zult u de heerlijkheid van de HEERE zien, want Hij heeft uw gemor tegen de HEERE gehoord. Want wie zijn wij, dat u tegen óns mort? 8Verder zei Mozes: Als de HEERE u in de avond vlees te eten geeft en in de ochtend brood tot verzadiging toe, dan is dat omdat de HEERE het gemor heeft gehoord waarmee u tegen Hem mort. Want wie zijn wij? Uw gemor is niet tegen ons [gericht], maar tegen de HEERE. 9Daarna zei Mozes tegen Aäron: Zeg tegen heel de gemeenschap van de Israëlieten: Kom naar voren, voor het aangezicht van de HEERE, want Hij heeft uw gemor gehoord. 10Terwijl Aäron tot heel de gemeenschap van de Israëlieten sprak en zij zich naar de woestijn keerden, gebeurde het dat, zie, de heerlijkheid van de HEERE in de wolk verscheen. 11En de HEERE sprak tot Mozes: 12Ik heb het gemor van de Israëlieten gehoord. Spreek tot hen en zeg: Tegen het vallen van de avond zult u vlees eten, en in de morgen zult u met brood verzadigd worden. Dan zult u erkennen dat Ik de HEERE, uw God, ben.

Het handelen van God is erop gericht Zijn volk eraan te herinneren dat Hij, de HEERE, hen uit Egypte heeft geleid. Dat waren ze vergeten. Daaraan moeten ook wij steeds terugdenken als er beproevingen op onze weg komen (Rm 8:3232Hoe zal Hij Die zelfs Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar Hem voor ons allen overgegeven heeft, ons met Hem ook niet alle dingen schenken?).

De HEERE wil het gemopper van de Israëlieten doen ophouden door hun Zijn heerlijkheid te tonen. Mozes en Aäron zijn Zijn dienaren. Mopperen tegen hen is in feite mopperen tegen de HEERE. Daarom verschijnt Hij Zelf in een wolk aan het volk. Dit is Zijn eerste verschijning aan hen. Hij verschijnt niet aan hen om hen te verteren, maar om hen onder de indruk te brengen van Wie Hij is.

De HEERE herhaalt Zijn belofte dat Hij voedsel gaat geven. Hij belooft niet alleen manna, maar ook vlees. Eenmalig, op de avond van die dag, zullen ze vlees eten. Vervolgens zullen ze elke morgen het manna krijgen.


Kwartels en manna

13En tegen de avond gebeurde het dat er kwartels kwamen aanvliegen, die het kamp overdekten, en in de ochtend was er een laag dauw rondom het kamp. 14Toen de laag dauw opgetrokken was, zie, over de woestijn lag [iets] fijns, [iets] vlokkigs, fijn als de rijp op de aarde. 15Toen de Israëlieten dat zagen, zeiden zij tegen elkaar: Wat is dat? Want zij wisten niet wat het was. Mozes zei tegen hen: Dit is het brood dat de HEERE u te eten gegeven heeft.

Zoals God heeft beloofd, zo gebeurt het. Hij laat het “vlees op hen regenen als stof en gevleugelde vogels als zand van de zee” (Ps 78:2727Hij liet vlees op hen regenen als stof
en gevleugelde vogels als zand van de zee.
)
. God geeft twee keer kwartels aan Zijn volk als vlees te eten: hier en in Numeri 11. Het zijn vogels die zich door de wind laten meevoeren (Nm 11:3131Toen stak er van [de kant van] de HEERE een wind op en voerde kwakkels aan vanaf de zee, en verspreidde ze boven het kamp, ongeveer een dagreis naar de ene kant en een dagreis naar de andere kant, rondom het kamp, ongeveer twee el [hoog] boven het aardoppervlak.) en gemakkelijk te vangen zijn. Ze worden genoemd in verbinding met het manna (Ps 105:4040Zij baden, en Hij deed kwartels komen,
Hij verzadigde hen met hemels brood.
)
.

Het volk krijgt eerst de kwartels in de avond en daarna de volgende morgen het manna. In de kwartels is het beeld te zien dat we ons voeden met de dood van een Ander. De Heer Jezus spreekt erover in Johannes 6 in samenhang met het manna, dat we niet alleen Zijn vlees moeten eten, maar ook Zijn bloed moeten drinken. Dat ziet erop dat we ons voeden met Zijn dood.

Het manna stelt Christus voor in Zijn vernedering op aarde, in Zijn leven op aarde. We kunnen ons alleen met Zijn leven bezighouden als we ons eerst met Zijn dood hebben gevoed, ons eerst hebben vereenzelvigd met Hem als Degene Die voor ons gestorven is.

Enkele kenmerken van het manna als een beeld van de Heer Jezus:
1. de herkomst is de hemel: “Want het brood van God is Hij Die uit de hemel neerdaalt en aan de wereld leven geeft” (Jh 6:3333Want het brood van God is Hij Die uit de hemel neerdaalt en aan de wereld leven geeft.);

2. de Gever is God: “Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft” (Jh 3:1616Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft.);

3. het ziet eruit:
a. wit = rein, zonder zonde: “Hij ’Die geen zonde heeft gedaan en geen bedrog werd in Zijn mond gevonden’“ (1Pt 2:2222Hij ‘Die geen zonde heeft gedaan en geen bedrog werd in Zijn mond gevonden’,; 2Ko 5:2121Hem Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons [tot] zonde gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem.; Hb 7:2626Want zo’n Hogepriester paste ons ook: heilig, onschuldig, onbesmet, gescheiden van de zondaars en hoger dan de hemelen geworden;);
b. klein = gering, ootmoedig: “Want Hij is als een loot opgeschoten voor Zijn aangezicht, als een wortel uit dorre aarde. Gestalte of glorie had Hij niet; als wij Hem aanzagen, was er geen gedaante dat wij Hem begeerd zouden hebben” (Js 53:22Want Hij is als een loot opgeschoten voor Zijn aangezicht,
als een wortel uit dorre aarde.
Gestalte of glorie had Hij niet;
als wij Hem aanzagen, was er geen gedaante dat wij Hem begeerd zouden hebben.
; Fp 2:5-85<Want> laat die gezindheid in u zijn die ook in Christus Jezus was,6Die in [de] gestalte van God zijnde het geen roof geacht heeft God gelijk te zijn,7maar Zichzelf ontledigd heeft, [de] gestalte van een slaaf aannemend, de mensen gelijk wordend.8En uiterlijk als een mens bevonden heeft Hij Zichzelf vernederd, gehoorzaam wordend tot [de] dood, ja, [tot de] kruisdood.)
;
c. rond = eeuwig bestaan en volkomen: “In [het] begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God” (Jh 1:11In [het] begin was het Woord; en het Woord was bij God, en het Woord was God.).

4. het gebruik ervan:
a. zoet = aangename smaak: Proef en zie dat de HEERE goed is” (Ps 34:99Proef en zie dat de HEERE goed is; /teth/
welzalig de man [die] tot Hem de toevlucht neemt.
; Ps 119:103103Hoe zoet zijn Uw woorden voor mijn gehemelte,
[zoeter] dan honing voor mijn mond.
; 1Pt 2:2-32Verlangt als pasgeboren kinderen naar de redelijke, onvervalste melk, opdat u daardoor opgroeit tot behoudenis;3als u geproefd hebt dat de Heer goedertieren is,)
;
b. gratis te krijgen = een gave: “Want het loon van de zonde is [de] dood; maar de genadegave van God is [het] eeuwige leven in Christus Jezus onze Heer” (Rm 6:2323Want het loon van de zonde is [de] dood; maar de genadegave van God is [het] eeuwige leven in Christus Jezus onze Heer.; Jh 3:1616Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft.; 2Ko 9:1515God zij dank voor Zijn onuitsprekelijke Gave.);
c. bereikbaar voor iedereen, het gemakkelijkst voor kinderen, want het ligt op de grond: “En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! En laat hij die dorst heeft, komen; laat hij die wil, [het] levenswater nemen om niet” (Op 22:1717En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! En laat hij die dorst heeft, komen; laat hij die wil, [het] levenswater nemen om niet.; Rm 10:6-106Maar de gerechtigheid die op grond van geloof is, spreekt zo: Zeg niet in uw hart: ‘Wie zal in de hemel opklimmen?’ – dat is Christus doen afdalen;7of: ‘Wie zal in de afgrond neerdalen?’ – dat is Christus uit [de] doden doen opkomen.8Maar wat zegt zij? ‘Het woord is dichtbij u, in uw mond en in uw hart’. Dit is het woord van het geloof dat wij prediken:9dat, als u met uw mond Jezus als Heer zult belijden en met uw hart geloven dat God Hem uit [de] doden heeft opgewekt, u behouden zult worden.10Want met [het] hart gelooft men tot gerechtigheid en met [de] mond belijdt men tot behoudenis.; Jh 3:1616Want zo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat ieder die in Hem gelooft, niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft.).


Verzamelen van het manna

16Dit is het woord dat de HEERE geboden heeft: Ieder moet ervan verzamelen naar wat hij eten [kan], een gomer per hoofd, naar het aantal van uw personen. Ieder moet [het] nemen voor hen die in zijn tent zijn. 17En zo deden de Israëlieten, zij verzamelden, de een veel en de ander weinig. 18Zij maten het met de gomer. Wie veel had verzameld, had niets over, en hem die weinig had verzameld, ontbrak niets. Ieder had zóveel verzameld als hij eten [kon]. 19En Mozes zei tegen hen: Niemand mag ervan overlaten tot de [volgende] morgen. 20Maar zij luisterden niet naar Mozes en sommige mannen lieten ervan over tot de [volgende] morgen. Toen zat het vol wormen en stonk het. Daarom was Mozes erg kwaad op hen. 21Zo verzamelden zij het elke morgen, ieder naar wat hij eten [kon], want zodra de zon heet werd, smolt het weg.

Het manna wordt door de HEERE gegeven, maar ieder moet het wel gaan verzamelen. Het wordt niemand in de mond gelegd. Ieder mag zoveel verzamelen van het manna als hij zelf wil. Het hangt af van de eetlust. Elke verzamelde portie dient voor één dag. Er kan niets van bewaard worden tot de volgende dag. Dat betekent dat erop moet worden vertrouwd dat de HEERE het de volgende dag weer zal geven. Het ligt veiliger in Gods voorraadkamer dan in de tent van de Israëliet. Ook moet het worden verzameld voordat de zon heet wordt. Dat betekent dat het in de morgen moet worden verzameld.

De geestelijke toepassing is deze: Iedere gelovige voedt zich met de Heer Jezus door het lezen van het Woord naar de mate dat hij honger heeft. Het is nodig elke dag met Gods Woord bezig te zijn. Doe het bij voorkeur ’s morgens vroeg, voordat alle drukte van de dag komt en er geen gelegenheid meer is. Het grote voorbeeld is de Heer Jezus Zelf (Js 50:44De Heere HEERE gaf Mij een tong van een die onderwijs ontving,
zodat Ik weet met de vermoeide een woord op de juiste tijd te spreken.
Hij wekt Mij elke morgen, Hij wekt Mij het oor,
zodat Ik hoor als zij die onderwijs ontvangen.
)
.

Je kunt niet teren op wat je gisteren hebt gelezen. Doe je dat wel, dan wordt het teren op oude kost. Dan is het gevaar groot dat oude ervaringen telkens weer breed worden uitgemeten, wat ook nog eens tot verveling van de luisteraar is. Het is niet meer fris. Het wordt kennis die opblaast. De trots wordt gevoed, het is van de mens en dat stinkt.

Paulus past vers 1818Zij maten het met de gomer. Wie veel had verzameld, had niets over, en hem die weinig had verzameld, ontbrak niets. Ieder had zóveel verzameld als hij eten [kon]. op het alledaagse leven van de gemeente toe: “Maar naar gelijkheid; in de tegenwoordige tijd [diene] uw overvloed voor hun gebrek, opdat ook hun overvloed dient voor uw gebrek, zodat er gelijkheid is, zoals geschreven staat: ’Hij die veel [verzameld had], had geen overmaat, en die weinig [verzameld had], had geen gebrek’” (2Ko 8:14-1514maar naar gelijkheid; in de tegenwoordige tijd [diene] uw overvloed voor hun gebrek, opdat ook hun overvloed dient voor uw gebrek, zodat er gelijkheid is,15zoals geschreven staat: ‘Hij die veel [verzameld had], had geen overmaat, en die weinig [verzameld had], had geen gebrek’.). Hij trekt hier een les uit het verzamelen van het manna en zegt enkele dingen over hoe we als christenen in materieel opzicht voor elkaar kunnen zorgen.


Het manna en de sabbat

22Op de zesde dag gebeurde het dat zij een dubbele [hoeveelheid] brood verzamelden, twee gomers voor één [persoon]. Al de leiders van de gemeenschap kwamen dat aan Mozes vertellen. 23Hij zei toen tegen hen: Dat is het wat de HEERE gesproken heeft. Morgen is het de rust[dag], de heilige sabbat voor de HEERE! Wat u bakken wilt, bak het, en kook wat u koken wilt, en laat alles wat er overblijft voor uzelf liggen om het tot de [volgende] morgen te bewaren. 24Zij lieten het staan tot de [volgende] morgen, zoals Mozes geboden had, en [nu] stonk het niet en waren er geen maden in. 25Toen zei Mozes: Eet dit vandaag, want vandaag is het de sabbat voor de HEERE. U zult het vandaag buiten niet vinden. 26Zes dagen moet u het verzamelen, maar op de zevende dag is het sabbat. Dan zal het er niet zijn. 27Het gebeurde echter op de zevende dag dat [sommigen] van het volk eropuit gingen om [brood] te verzamelen, maar zij vonden niets. 28Toen zei de HEERE tegen Mozes: Hoelang weigert u [nog] Mijn geboden en Mijn wetten in acht te nemen? 29Zie, omdat de HEERE u de sabbat gegeven heeft, daarom geeft Hij u op de zesde dag brood voor twee dagen. Ieder moet op zijn plaats blijven! Niemand mag er op de zevende dag vanuit zijn [verblijf]plaats opuit gaan! 30Zo rustte het volk op de zevende dag. 31Het huis van Israël gaf het de naam manna. Het was wit als korianderzaad, en de smaak ervan was als van een honingkoek.

Op de zesde dag moet het volk voor twee dagen manna inzamelen. De volgende dag is het de sabbat. Het volk mag dan delen in de rust van God (Gn 2:2-32Toen God op de zevende dag Zijn werk, dat Hij gemaakt had, voltooid had, rustte Hij op de zevende dag van al Zijn werk, dat Hij gemaakt had.3En God zegende de zevende dag en heiligde die, want daarop rustte Hij van al Zijn werk, dat God schiep door het te maken.). De rust is niet maar een verplichting, maar een voorrecht. Pas bij Sinaï, als de wet wordt gegeven, wordt het een verplichting.

In de evangeliën wordt de rust verbonden met het aanvaarden van de Heer Jezus (Mt 11:2828Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast bent, en Ik zal u rust geven.). Hij is de Heer van de sabbat. Wie Hem heeft, heeft werkelijk rust en kan werkelijk van Hem genieten.

Op andere dagen moet het volk erop uit om het voedsel te verzamelen. Op de sabbat mag het niet. Dit stelt twee aspecten voor in ons bezig zijn met de Heer Jezus. Aan de ene kant komt de kennis over Hem ons niet aanwaaien. We zullen ons met Gods Woord moeten bezighouden, ons ervoor moeten inspannen. Aan de andere kant zal dit alleen goed kunnen gebeuren als we ons realiseren dat alles van de Heer moet komen. Alleen als we onze rust in Hem hebben gevonden, als Hij alles voor ons is, als we niet bezig zijn in eigen kracht, zullen we kunnen genieten van Wie Hij is.


Manna in een kruik bewaard

32Verder zei Mozes: Dit is het woord dat de HEERE geboden heeft. Vul een gomer ervan om [het] te bewaren, [al] hun generaties door, zodat zij het brood zien dat Ik u in deze woestijn te eten heb gegeven, toen Ik u uit het land Egypte leidde. 33Ook zei Mozes tegen Aäron: Neem een kruik en doe daar een volle gomer manna in, en zet die voor het aangezicht van de HEERE om het te bewaren, [al] hun generaties door. 34Zoals de HEERE Mozes geboden had, zette Aäron het vóór de getuigenis om te bewaren.

Van het manna moet een volle gomer als monster in een kruik worden bewaard. Die kruik moet voor het aangezicht van de HEERE worden gezet. Geestelijk toegepast betekent het dat God tot in eeuwigheid terugziet naar wat de Heer Jezus voor Hem op aarde is geweest. Dat is ook met ons het geval. Het genieten van Hem is niet alleen voor hier-en-nu. Wat in de woestijn geen dag bewaard kan blijven, blijft bewaard tot in eeuwigheid.

De kruik moet “vóór de getuigenis” (wat later de ark is), waar God troont, worden geplaatst. Zolang God met Zijn volk op aarde rondtrekt, denkt Hij aan het volmaakte leven van Zijn Zoon op aarde. Weer later komt de kruik in de ark: “De ark van het verbond … waarin een gouden kruik was die het manna bevatte” (Hb 9:44die een gouden wierookvat bevatte en de ark van het verbond, rondom geheel met goud overdekt, waarin een gouden kruik was die het manna bevatte, en de staf van Aaron die gebloeid had, en de tafelen van het verbond;). De ark vinden we terug in de hemel: “En de tempel van God in de hemel werd geopend en de ark van Zijn verbond werd gezien in Zijn tempel” (Op 11:1919En de tempel van God in de hemel werd geopend en de ark van Zijn verbond werd gezien in Zijn tempel, en er kwamen bliksemstralen, stemmen, donderslagen, aardbeving en grote hagel.).

In de hemel zal het manna als beloning het speciale voedsel zijn voor overwinnaars. De Heer Jezus zal hun Zelf “geven van het verborgen manna” (Op 2:1717Wie een oor heeft, laat hij horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt. Wie overwint, die zal Ik geven van het verborgen manna, en Ik zal hem een witte steen geven en op de steen een nieuwe naam geschreven, die niemand kent dan hij die hem ontvangt.). Die overwinnaars zullen in de hemel op bijzondere wijze de gemeenschap met de verheerlijkte Heer genieten als Degene Die eens in vernedering op aarde is geweest. De gedachten gaan terug naar de pelgrimstijd op aarde en naar de kracht die Hij toen heeft gegeven om tegen alle druk in stand te houden en te overwinnen.


Veertig jaar manna

35De Israëlieten aten veertig jaar [lang] het manna, totdat zij in bewoond gebied kwamen. Zij aten manna, totdat zij aan de grens van het land Kanaän kwamen.

Veertig is het getal van beproeving. Zoveel jaar heeft de reis van het volk door de woestijn geduurd. Maar die hele tijd van beproeving is daar het manna: een voortdurend bewijs van Gods zorg. Zien wij het elke dag? Of raken we eraan gewend en zien we het wonder er niet meer van, zoals het ook met Israël is gegaan?


Een gomer

36Een gomer is een tiende van een efa.

Voor ieder is er een afgepaste maat naar de persoonlijke behoeften en in overeenstemming met de verantwoordelijkheden, waarvan het getal tien spreekt. Tevens is de gedachte dat ieder persoonlijk deel uitmaakt van een groter geheel: het is “een tiende deel” van een grotere eenheid, “een efa”. We mogen eraan denken dat we er niet alleen voor staan.


Lees verder