Numeri
Inleiding 1-2 De nazireeërgelofte 3-4 Niets van de wijnstok eten 5 Lang haar 6-7 Geen dode aanraken 8-12 Vervallen dagen 13-15 Offers na afloop nazireeërschap 16-17 De priester brengt het offer 18 Het haar wordt geofferd 19-21 Het offer in de handen van de nazireeër 22-27 De Israëlieten gezegend
Inleiding

God heeft een speciale stam voor Zichzelf afgezonderd, die van Levi. Maar God handelt niet naar willekeur. In dit hoofdstuk geeft Hij aanwijzingen die het mogelijk maken dat iedere Israëliet die dat wil, zich aan Hem toewijdt.

Na de ontrouw van het volk, voorgesteld in de ontrouwe vrouw van het vorige hoofdstuk, komt hier de andere kant. Hier is iemand die zich persoonlijk volledig en vrijwillig aan de HEERE wil toewijden. Als de toestand van Gods volk geworden is als die van de ontrouwe vrouw, een beeld van de afwijking van het hele volk, gaat God spreken over de enkeling in Zijn volk. Dit zien we ook in Openbaring 2-3. Na de afwijking van elke gemeente wordt het woord tot de enkeling gericht: “Wie overwint.”

Wat in de nazireeër wordt voorgesteld, is een beeld van wat het hele volk voor God had moeten zijn, maar wat het helaas niet is geweest. Israël heeft zich niet afgezonderd voor God. Het is wel waargemaakt door een Godvrezend overblijfsel te midden van het volk. In Handelingen 2 zien we daar iets van. Te midden van het volk dat de Heer Jezus heeft verworpen, ontstaat een gezelschap, gevormd door de Heilige Geest, dat “over de grote daden van God” spreekt (Hd 2:1111Kretenzen en Arabieren, wij horen hen in onze talen over de grote daden van God spreken.).


De nazireeërgelofte

1De HEERE sprak tot Mozes: 2Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: Wanneer een man of een vrouw [een gelofte] aflegt door de gelofte van een nazireeër te doen, om zich aan de HEERE te wijden,

Een nazireeër is een afgezonderde. Afzondering is maar niet negatief, is geen doel op zichzelf, maar is een afzondering tot de HEERE. De Heer Jezus is de ware Nazireeër op aarde geweest, niet in letterlijke zin, maar in de ware betekenis ervan. Hij heeft wel wijn gedronken, we lezen niet dat Hij lang haar heeft gehad en Hij heeft doden aangeraakt. Dit toont aan dat toewijding een innerlijke zaak is. De uiterlijke kenmerken behoren daarvan de zichtbare tekenen te zijn. Waar dat niet zo is, is er huichelarij, farizeïsme.

Wie de nazireeërgelofte aflegt (vgl. 2Kr 17:1616naast hem Amasia, de zoon van Zichri, die zich vrijwillig aan de HEERE overgegeven had, en met hem tweehonderdduizend strijdbare helden;), doet dat voor een bepaalde tijd. Er zijn ook personen die het voor hun hele leven zijn, zoals Simson, Samuel en Johannes de doper. Als zodanig worden ze al voor hun geboorte bestempeld (Ri 13:5,145Want zie, u zult zwanger worden en een zoon baren. En er mag geen scheermes op zijn hoofd komen. Want het jongetje zal van de [moeder]schoot af als nazireeër aan God [gewijd] zijn, en hij zal beginnen Israël te verlossen uit de hand van de Filistijnen.14Zij mag niets eten wat van de wijnstok afkomstig is. Wijn en sterkedrank mag zij niet drinken en evenmin mag zij ook maar iets onreins eten. Alles wat Ik haar geboden heb, moet zij in acht nemen.; 1Sm 1:1111Zij legde een gelofte af; zij zei: HEERE van de legermachten, wanneer U werkelijk de ellende van Uw dienares aanziet, aan mij denkt en Uw dienares niet vergeet, maar aan Uw dienares een mannelijke nakomeling geeft, dan zal ik die voor al de dagen van zijn leven aan de HEERE geven, en er zal geen scheermes op zijn hoofd komen.; Lk 1:1515Want hij zal groot zijn voor het aangezicht van <de> Heer, en wijn en sterke drank zal hij geenszins drinken, en hij zal met [de] Heilige Geest worden vervuld, al van [de] moederschoot af.). Zij zijn het in letterlijke zin. In zekere zin zijn de Rechabieten ook nazireeërs (Jr 35:1-191Het woord dat van de HEERE gekomen is tot Jeremia in de dagen van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda:2Ga naar het huis van de Rechabieten, spreek met hen en breng hen in het huis van de HEERE, in een van de kamers, en geef hun wijn te drinken.3Toen haalde ik Jaäzanja, de zoon van Jeremia, de zoon van Habazzinja met zijn broers en al zijn zonen, ja heel het huis van de Rechabieten,4en bracht hen in het huis van de HEERE, in de kamer van de zonen van Hanan, de zoon van Jigdalia, de man Gods, die naast de kamer van de vorsten is, die zich boven de kamer van Maäseja, de zoon van Sallum, de deurwachter, bevindt.5Ik zette de leden van het huis van de Rechabieten kannen vol wijn en bekers voor en ik zei tegen hen: Drink wijn!6Zij zeiden echter: Wij drinken geen wijn, want onze voorvader Jonadab, de zoon van Rechab, heeft ons geboden: U mag geen wijn drinken, u niet en uw kinderen niet, tot in eeuwigheid.7U mag geen huis bouwen, en geen zaad zaaien, geen wijngaard planten of [in bezit] hebben, maar u moet in tenten wonen, al uw dagen, opdat u vele dagen leeft in het land waar u als vreemdeling verblijft.8Wij nu hebben geluisterd naar de stem van onze voorvader Jonadab, de zoon van Rechab, in alles wat hij ons geboden heeft, door al onze dagen geen wijn te drinken, wij niet [en] onze vrouwen niet, evenmin als onze zonen en onze dochters,9en door geen huizen te bouwen tot onze woning. We hebben geen wijngaard of akker, en geen zaaigoed.10Wij hebben in tenten gewoond, en hebben geluisterd en gedaan overeenkomstig alles wat onze voorvader Jonadab ons geboden heeft.11Maar het gebeurde, toen Nebukadrezar, de koning van Babel, naar dit land optrok, dat wij zeiden: Kom, laten wij Jeruzalem binnengaan, vanwege het leger van de Chaldeeën en vanwege het leger van de Syriërs. Daarom wonen wij [nu] in Jeruzalem.12Toen kwam het woord van de HEERE tot Jeremia:13Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Ga zeggen tegen de mannen van Juda en tegen de inwoners van Jeruzalem: Zult u niet de vermaning aanvaarden door te luisteren naar Mijn woorden? spreekt de HEERE.14De woorden van Jonadab, de zoon van Rechab, die hij zijn kinderen geboden heeft, dat zij geen wijn mochten drinken, hebben zij gestand gedaan. Zij hebben tot op deze dag geen [wijn] gedronken, want zij hebben geluisterd naar het gebod van hun voorvader. Ik echter heb vroeg en laat tot u gesproken, maar naar Mij hebt u niet geluisterd.15Ik zond tot u vroeg en laat al Mijn dienaren, de profeten, om te zeggen: Bekeer u toch, ieder van zijn slechte weg, en beter uw daden, ga geen andere goden achterna om die te dienen. Dan zult u in het land blijven dat Ik u en uw vaderen gegeven heb. Maar u hebt uw oor niet geneigd en naar Mij niet geluisterd.16Ja, de kinderen van Jonadab, de zoon van Rechab, hebben het gebod van hun voorvader dat hij hun geboden had, gestand gedaan, maar naar Mij luistert dit volk niet.17Daarom, zo zegt de HEERE, de God van de legermachten, de God van Israël: Zie, Ik ga over Juda en over al de inwoners van Jeruzalem al het onheil brengen dat Ik over hen heb uitgesproken, omdat Ik tot hen gesproken heb, maar zij niet geluisterd hebben, Ik tot hen geroepen heb, maar zij niet geantwoord hebben.18Tegen het huis van de Rechabieten zei Jeremia: Zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Omdat u geluisterd hebt naar het gebod van uw voorvader Jonadab, al zijn geboden in acht genomen hebt, en gedaan hebt overeenkomstig alles wat hij u geboden heeft,19daarom, zo zegt de HEERE van de legermachten, de God van Israël: Het zal Jonadab, de zoon van Rechab, niet aan een man ontbreken die in Mijn dienst staat, alle dagen.).

Of er veel geweest zijn die zich als nazireeër aan de HEERE hebben gewijd, is niet duidelijk. Mogelijk wordt in Numeri 30 op de nazireeërgelofte gedoeld (Nm 30:33Maar wanneer een vrouw de HEERE een gelofte doet, [en] in haar jeugd, terwijl ze [nog] in het huis van haar vader [woont], een verplichting [op zich] neemt,). Ze zijn er wel geweest (Am 2:11-1211Uit uw zonen deed Ik profeten opstaan,
uit uw jongemannen nazireeërs.
Is dit niet zo, Israëlieten?
spreekt de HEERE.12Maar u laat de nazireeërs wijn drinken,
en u hebt de profeten geboden: Profeteer niet!
)
, mogelijk ook al voordat de wet op het nazireeërschap hier gegeven wordt. [Zie ook Klaagliederen 4 waar voor ‘aanzienlijksten’ ook ‘nazireeërs’ kan worden vertaald (Kl 4:7-87Haar aanzienlijksten waren reiner dan sneeuw, /zain/
blanker dan melk,
roder van lichaam dan robijnen;
hun gestalte was gladder dan een saffier.
8[Maar] zwarter dan roet is [nu] hun gestalte, /cheth/
onherkenbaar zijn zij op de straten.
Hun huid is ineengeschrompeld op hun beenderen,
ze is verdord, ze is geworden als hout.
)
.] De zaak als zodanig lijkt in elk geval bekend te zijn geweest. Zo wordt Jozef in Genesis 49 “de nazireeër (uitverkorene) onder zijn broeders” genoemd (Gn 49:2626De zegeningen van je vader
gaan de zegeningen van mijn vaderen te boven,
tot aan de begerenswaardigheid van de eeuwige heuvels.
Zij zullen zijn op het hoofd van Jozef,
ja, op de schedel van de gewijde onder zijn broers.
)
.

Het lijkt erop dat in het gesprek dat Jakobus en Paulus in Jeruzalem voeren ook op de nazireeërgelofte wordt gedoeld (Hd 21:23-2623Doe dan wat wij u zeggen: wij hebben vier mannen die <uit zichzelf> onder een gelofte staan.24Neem hen mee en reinig u met hen en draag de kosten voor hen, opdat zij zich het hoofd kunnen laten scheren; en allen zullen weten dat er van wat over u is verteld, niets [waar] is, maar dat u ook wandelt in het onderhouden van de wet.25Wat echter de gelovige volken betreft, wij hebben [hun] aangeschreven, na besloten te hebben <dat zij niets dergelijks moesten onderhouden dan> dat zij zich moesten wachten voor wat aan de afgoden is geofferd, voor [het] bloed, voor [het] verstikte en voor [de] hoererij.26Toen nam Paulus de mannen mee en na zich de volgende dag met hen te hebben gereinigd ging hij in de tempel en kondigde aan dat de dagen van hun reiniging zouden zijn vervuld wanneer voor ieder van hen de offerande was gebracht.; vgl. Hd 18:1818Nadat nu Paulus nog vele dagen was gebleven, nam hij afscheid van de broeders en voer weg naar Syrië, en met hem Priscilla en Aquila, nadat hij in Kenchrea zijn hoofd had laten scheren, want hij had een gelofte [gedaan].). Dat Paulus zich daarmee inlaat, is niet in overeenstemming met zijn roeping en dienst. De christen is “niet onder [de] wet, maar onder [de] genade” (Rm 6:1414Want [de] zonde zal over u niet heersen; want u bent niet onder [de] wet, maar onder [de] genade.), en moet zich daarom ook niet onder de wet (laten) plaatsen. Het doen van geloftes hoort niet bij zijn positie.


Niets van de wijnstok eten

3[dan] moet hij zich van wijn en sterkedrank onthouden; azijn uit wijn of azijn uit sterkedrank mag hij niet drinken; verder mag hij helemaal geen druivensap drinken en geen verse of gedroogde druiven eten. 4Alle dagen van zijn nazireeërschap mag hij niets eten wat van de wijnstok afkomstig is, van de pitten tot en met de velletjes.

Als iemand volkomen toegewijd wil zijn, geeft God daarvoor Zijn voorschriften, Zijn normen. Wie de nazireeërgelofte doet, zondert zich af van de wijnstok – die spreekt van vreugde –, van zijn rechten als man – wat tot uiting komt in zijn lange haar – en van wat met de dood te maken heeft. Het is hier geen afzondering alleen van wat verontreinigt, maar ook van wat het beste in de natuur is, van wat God daarin gegeven heeft.

Wijn is het beeld van de vreugde van de aarde. Wijn verheugt het hart van God en mensen (Ri 9:1313Maar de wijnstok zei tegen hen: Zou ik mijn nieuwe wijn opgeven, die God en mensen vrolijk maakt, en zou ik weggaan om boven de [andere] bomen te zweven?; Ps 104:1515wijn, die het hart van de sterveling verblijdt,
olie, die [zijn] gezicht doet glanzen,
en brood, dat het hart van de sterveling versterkt.
)
. Zo lezen we ook van een drankoffer van wijn, wat spreekt van de vreugde die God in het offer van Zijn Zoon heeft gevonden. Wijn spreekt van wat God gegeven heeft in de natuur. Daarvan doet de nazireeër vrijwillig afstand. De natuur wordt niet veroordeeld, dat zou verkeerd zijn voor de christen. Alles wat God geschapen heeft, “is goed en niets ervan is verwerpelijk als het met dankzegging wordt genomen, want het wordt geheiligd door Gods woord en door gebed” (1Tm 4:44Want al [het] door God geschapene is goed en niets is verwerpelijk als het met dankzegging wordt genomen,). Maar er is een weg die hoger is, en God geeft, aan wie die weg wil gaan, zowel de voorwaarden als de kracht daarvoor.

De christen is niet dood voor de natuur. Juist in brieven waarin de christelijke positie het meest wordt benadrukt (de brief aan de Efeziërs en de brief aan de Kolossenzen), wordt ook het meest uitvoerig ingegaan op de verplichtingen van de aardse verhoudingen.

De Heer Jezus is nu in de hemel, gescheiden van alles op aarde, ook van de natuurlijke omgang die Hij op aarde met Zijn discipelen heeft gehad. Met het oog daarop heeft Hij gezegd dat Hij niet meer zal drinken van de vrucht van de wijnstok. Hij zal er weer van drinken als Hij terugkomt om het koninkrijk op te richten, waarin Zijn discipelen dan ook met Hem zullen regeren (Mt 26:2929Ik zeg u echter, dat Ik van nu aan geenszins zal drinken van deze vrucht van de wijnstok tot op die dag wanneer Ik die met u nieuw zal drinken in het koninkrijk van Mijn Vader.). Hij zal niet altijd Nazireeër zijn. Hij zal zeggen: “Eet vrienden, drink en word dronken, geliefden” (Hl 5:1b1Ik ben in Mijn tuin gekomen, Mijn zuster, [Mijn] bruid,
Ik heb Mijn mirre geplukt met Mijn specerijen,
Ik heb Mijn honingraat met Mijn honing gegeten,
Ik heb Mijn wijn met Mijn melk gedronken.
Eet, vrienden,
drink en word dronken, geliefden.
)
.


Lang haar

5Alle dagen van de gelofte van zijn nazireeërschap mag geen scheermes over zijn hoofd gaan. Totdat de dagen waarvoor hij zich aan de HEERE gewijd had, voorbij zijn, moet hij heilig zijn [en] de haarlokken van zijn hoofd lang laten groeien.

“Als een man lang haar draagt”, is dat “een oneer voor hem”, terwijl “als een vrouw lang haar draagt”, dat “een eer voor haar is” (1Ko 11:14-1514Leert ook de natuur zelf u niet, dat als een man lang haar draagt het een oneer voor hem is?15Maar als een vrouw lang haar draagt, is het een eer voor haar, omdat <haar> het lange haar tot een sluier gegeven is.). Zo geldt dat in deze tijd, de tijd van de gemeente. De man vertegenwoordigt het gezag van God op aarde. Daarbij past niet het teken van afhankelijkheid en onderworpenheid. Als God de nazireeër opdraagt zijn haar te laten groeien, geeft dat ons het beeld dat de plaats van gezag wordt opgegeven om een plaats van volkomen onderworpenheid in te nemen. In de ogen van de mensen is dat geen plaats van eer, maar wel in de ogen van God.

De kracht van Simson ligt in het haar van zijn nazireeërschap. De plaats van afhankelijkheid en onderworpenheid is altijd de plaats van kracht. Als hij zich niet meer in afhankelijk van God gedraagt, maar zich afhankelijk maakt van een vrouw, verliest hij met zijn haar zijn kracht.


Geen dode aanraken

6Alle dagen van zijn wijding aan de HEERE mag hij niet bij het lichaam van een dode komen. 7Vanwege zijn vader of vanwege zijn moeder, vanwege zijn broer of vanwege zijn zuster, vanwege hen mag hij zich niet verontreinigen als zij gestorven zijn, want het nazireeërschap van zijn God is op zijn hoofd.

Door aanraking met de dood wordt de nazireeër verontreinigd. De dood is het gevolg en het bewijs van de zonde (Gn 2:1717maar van de boom van de kennis van goed en kwaad, daarvan mag u niet eten, want op de dag dat u daarvan eet, zult u zeker sterven.). “Het loon van de zonde is [de] dood” (Rm 6:2323Want het loon van de zonde is [de] dood; maar de genadegave van God is [het] eeuwige leven in Christus Jezus onze Heer.). De dood is alles wat niet in verbinding met de levende God staat.

De Heer Jezus heeft zich niet als de farizeeën van de doden afgescheiden (farizeeër betekent ‘afgescheidene’). Hij heeft de ongelovigen niet geminacht, Hij heeft met tollenaars en hoeren gegeten. Maar nooit is Hij door hen verontreinigd. Hij is innerlijk volmaakt van hen gescheiden gebleven.


Vervallen dagen

8Alle dagen van zijn nazireeërschap is hij heilig voor de HEERE. 9En wanneer de gestorvene onverwachts, plotseling, in zijn nabijheid sterft, zodat hij het hoofd van zijn nazireeërschap verontreinigt, dan moet hij op de dag van zijn reiniging zijn hoofd scheren; op de zevende dag moet hij het scheren. 10En op de achtste dag moet hij twee tortelduiven of twee jonge duiven naar de priester brengen, bij de ingang van de tent van ontmoeting. 11De priester moet er één als zondoffer en één als brandoffer bereiden, en moet verzoening voor hem doen, omdat hij gezondigd heeft vanwege die dode. Hij moet zijn hoofd op diezelfde dag [weer] heiligen. 12Daarna moet hij [opnieuw] de dagen van zijn nazireeërschap aan de HEERE wijden; hij moet als schuldoffer een lam van een jaar oud brengen. En de vorige dagen vervallen, omdat zijn nazireeërschap verontreinigd was.

Al komt een nazireeër per ongeluk met de dood in aanraking, dan is hij toch verontreinigd. Wij zouden zeggen dat hij er niets aan kan doen, maar voor God zijn ook onvoorziene omstandigheden geen excuus. Toewijding aan de Heer laat geen enkele inmenging van zelfs de nauwste familiebanden toe (Jh 2:44<En> Jezus zei tot haar: Wat heb Ik met u te doen, vrouw? Mijn uur is nog niet gekomen.; Mt 10:3737Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waard; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waard;), wat overigens niet wil zeggen dat we geen verantwoordelijkheden naar onze ouders hebben (Ef 6:1-31Kinderen, weest jullie ouders gehoorzaam <in [de] Heer>, want dat is terecht.2‘Eer uw vader en uw moeder’, – dit is het eerste gebod met een belofte:3‘opdat het u goed gaat en u lang leeft op de aarde’.; Jh 19:26-2726Toen nu Jezus Zijn moeder zag, en de discipel die Hij liefhad daarbij zag staan, zei Hij tot Zijn moeder: Vrouw, zie, uw zoon.27Daarna zei Hij tot de discipel: Zie, uw moeder. En van dat uur af nam de discipel haar in zijn [huis].). Zij die geheiligd zijn aan God, moeten altijd waken en oplettend zijn. De norm voor de nazireeër is dezelfde als voor de hogepriester (Lv 21:1111Hij mag bij geen enkel lichaam van een dode komen. [Zelfs] met zijn vader en met zijn moeder mag hij zich niet verontreinigen.).

Verontreiniging kan ons zomaar gebeuren door onze omgang met de ongelovigen in de wereld. Voor de nazireeër – en voor ieder die zich aan de Heer heeft toegewijd – zijn de gevolgen van een onvoorziene verontreiniging ernstig. De vorige dagen van zijn nazireeërschap vervallen in zo’n geval. Zijn haar moet worden afgeschoren en er moet een offer worden gebracht.

Het afscheren van het haar is het teken dat de plaats van onderworpenheid is verlaten (vgl. Jr 7:2929Scheer uw gewijde [hoofdhaar] af en werp [het] weg.
Hef op de kale hoogten een klaaglied aan,
want de HEERE heeft verworpen en verlaten
de generatie van Zijn verbolgenheid.
)
. Dit afscheren gebeurt op de zevende dag. Zeven is het getal van volheid. Er is een volle periode voorbijgegaan, waarin hij zich heeft gerealiseerd wat hij heeft gedaan. Hij is waarachtig verootmoedigd. Het afscheren van het haar is daarvan het uiterlijk bewijs. Tegelijk is dit moment ook de start van het herstel. Er is sprake van een achtste dag. Nadat het haar is afgeschoren, begint het ook weer te groeien (Ri 16:2222Maar het haar van zijn hoofd begon [weer] te groeien, zoals toen hij geschoren werd.).

In het offer van de twee vogels wordt de Heer Jezus afgebeeld als de Mens Die uit de hemel is neergedaald op aarde. De eerste vogel wordt als zondoffer bereid, de tweede als brandoffer. De verontreinigde nazireeër wordt er als het ware eerst aan herinnerd dat de Heer Jezus voor zijn verontreiniging heeft moeten sterven. Vervolgens ziet hij Hem in het brandoffer ook als de volmaakt aan God toegewijde Mens, Die in alles God heeft verheerlijkt. Door zo met de Heer Jezus bezig te zijn vindt verzoening plaats.

Het offer moet worden gebracht “aan de ingang van de tent der samenkomst”. Het leven van de nazireeër is wel individueel aan God gewijd, maar zijn gedrag heeft invloed op het samenkomen van God met Zijn volk. Zoals er bij trouw zegen is voor het hele volk, zo wordt er bij ontrouw afbreuk aan die zegen gedaan. Wat gelovigen in hun dagelijks leven doen, is altijd van invloed op de samenkomsten van de gelovigen, hetzij ten goede, hetzij ten kwade.

Na het brengen van de beide vogels als offer mag hij opnieuw beginnen. Er zijn gelovigen die goed zijn begonnen, maar op latere leeftijd falen. Dat falen gebeurt op het ogenblik dat ze in eigen kracht aan het werk gaan en de ware afhankelijk van de Heer vergeten. Ze moeten tot belijdenis komen en zien wat de Heer Jezus voor hen heeft gedaan. Dan gaan ze zich opnieuw toewijden, maar nu in de kracht van het offer, op grond van het werk van de Heer Jezus. Het schuldoffer moet worden gebracht.

Het is een verootmoedigende gedachte dat, in geval van verontreiniging, al het goede van de voorgaande tijd vervalt. Er blijft niets van over wat waarde heeft voor God (vgl. Ez 33:1313Als Ik tegen de rechtvaardige zeg dat hij zeker in leven zal blijven, maar híj op zijn gerechtigheid vertrouwt, en onrecht doet, dan zullen geen van zijn gerechtigheden in herinnering gebracht worden, maar in zijn onrecht, dat hij gedaan heeft, daarin zal hij sterven.).


Offers na afloop nazireeërschap

13Dit is de wet voor de nazireeër: Op de dag dat de dagen van zijn nazireeërschap voorbij zijn, moet hij het volgende bij de ingang van de tent van ontmoeting brengen: 14hij moet de HEERE als zijn offergave één lam zonder enig gebrek van een jaar oud als brandoffer aanbieden, één ooilam zonder enig gebrek van een jaar oud als zondoffer en een ram zonder enig gebrek als dankoffer. 15Verder een mand met ongezuurd [brood], koeken van meelbloem, met olie gemengd, en ongezuurde platte koeken met olie bestreken, en het bijbehorende graanoffer en de bijbehorende plengoffers.

Als de nazireeër de tijd van zijn nazireeërschap heeft vol gemaakt, wordt hij naar de tent der samenkomst gebracht om daar zijn offergave aan te bieden. Anderen brengen hem daar. Die anderen hebben hem gezien en weten dat zijn toewijding is volbracht. Bij de tent der samenkomst brengt de nazireeër zijn offergave. Het hele volk heeft met zijn toewijding te maken, heeft er nut van.

Alles in de offergave spreekt van de Heer Jezus. Hiermee brengt hij het besef tot uitdrukking dat hij niet in eigen kracht toegewijd is geweest en gebleven. De Heer Jezus, de volmaakte Nazireeër, heeft hem daarvoor de kracht gegeven.

Het offer dat hij nu brengt, is vele malen groter dan in het vorige gedeelte. Daar wordt het gebracht als een noodzakelijk offer vanwege zijn verontreiniging. Hier brengt hij een offer, nadat zijn tijd als nazireeër geëindigd is. In zijn toewijding zal hij steeds meer van de Heer Jezus zijn gaan zien. Deze offers zijn het resultaat daarvan. Hij brengt een brandoffer – dat staat hier voorop; bij de vogels staat het zondoffer voorop –, een zondoffer – hij weet dat hij in zichzelf een zondaar is – en een dank- of vredeoffer – het offer dat de gemeenschap van Gods volk met God, met Christus en met elkaar tot uitdrukking brengt.

Verder brengt hij nog diverse spijsoffers en de daarbij behorende plengoffers. Ook die spreken van de Heer Jezus. Het spijsoffer stelt Zijn leven op aarde voor, waarin Hij volmaakt geleid is door de Geest (waarvan de olie een beeld is) en alle werken van de Geest in Hem zichtbaar zijn geworden. Het plengoffer spreekt van de vreugde die Hij in Zijn leven op aarde voor God heeft betekend. God heeft in Hem een volkomen welgevallen gevonden.


De priester brengt het offer

16En de priester moet dat voor het aangezicht van de HEERE aanbieden, en moet zijn zondoffer en zijn brandoffer bereiden. 17Hij moet ook de ram als dankoffer voor de HEERE bereiden, met de mand met ongezuurde [broden]; en de priester moet zijn graanoffer en plengoffer bereiden.

De nazireeër biedt dit omvangrijke offer aan. De priester maakt alles klaar voor het aangezicht van de HEERE. In de gemeente zijn de nazireeër en de priester dezelfde persoon. Toegewijde gelovigen, nazireeërs, zien veel van de Heer Jezus en deze zelfde gelovigen zullen wat ze van de Heer Jezus zien, als priesters aan God aanbieden. In het brengen van de offers neemt het zondoffer wel de eerste plaats in. Als we mogen naderen met iets van onze dienst, zal het besef dat dit mag gebeuren op grond van het werk van de Heer Jezus als het zondoffer toch de eerste plaats innemen.

Van onze toewijding zullen we zeggen dat het allemaal door Zijn genade is volbracht. Zijn offer heeft ons de kracht gegeven. Het offer dat wij zullen brengen, spreekt ervan. Als we bij Hem komen, na onze dienst op aarde, zullen we Hem zien als het Lam. We zullen Hem eren omdat Hij ons in staat heeft gesteld alles te doen wat tot eer van God is geweest. We zullen Hem eren als het volmaakte brandoffer en spijsoffer en dank- of vredeoffer. We zullen Hem eren ook voor wat Hij als het zondoffer is geweest, Hij Die onze zonden heeft gedragen.


Het haar wordt geofferd

18Dan moet de nazireeër [bij] de ingang van de tent van ontmoeting het hoofd van zijn nazireeërschap scheren. Hij moet het hoofdhaar van zijn nazireeërschap nemen en op het vuur leggen dat onder het dankoffer is.

Nadat de priester alles heeft klaargemaakt om te offeren wat de nazireeër als een offergave heeft meegebracht, scheert de nazireeër zijn haar eraf en legt dat op het vuur, onder het dank- of vredeoffer. Hierdoor stijgt, samen met de reuk van het dank- of vredeoffer, de reuk van zijn haar op tot God. We zien hierin een prachtig beeld dat God tot in eeuwigheid herinnerd wordt aan de toewijding van iedere gelovige en dat in directe samenhang met wat Zijn Zoon is als dank- of vredeoffer. Door het dank- of vredeoffer is er gemeenschap mogelijk geworden tussen de God en Zijn volk en tussen de leden van Gods volk onderling. Een bijzonder aspect in die gemeenschap is de rol die toegewijde gelovigen daarin hebben.

Het haar wordt gelegd op het vuur onder het dank- of vredeoffer. Nergens lezen we dat er iets van een mens verbonden wordt met een offer, behalve bij dit haar van de nazireeër. Dat bewijst wel de enorme waarde die God toekent aan wat in toewijding aan Hem wordt gedaan. Het is zoals het in een lied staat: ‘Al wat gedaan werd uit liefde tot Jezus, houdt zijn waarde en zal blijven bestaan.’


Het offer in de handen van de nazireeër

19Daarna moet de priester een gekookt schouder[stuk] van de ram nemen, één ongezuurd brood uit de mand, en één ongezuurde platte koek. Die moet hij in de handen van de nazireeër leggen, nadat hij zich [het haar] van zijn nazireeërschap afgeschoren heeft. 20En de priester moet die als beweegoffer bewegen voor het aangezicht van de HEERE; het is een heilig [deel] voor de priester, met het borststuk van het beweegoffer en de achterbout van het hefoffer. Pas daarna mag de nazireeër wijn drinken. 21Dit is de wet voor de nazireeër, die zijn offergave voor zijn nazireeërschap aan de HEERE beloofd heeft, naast datgene waartoe zijn vermogen reikt. Hij moet zo handelen volgens de gelofte die hij gedaan heeft, overeenkomstig de wet van zijn nazireeërschap.

Na het afscheren van zijn haar worden delen van het offer op de handen van de nazireeër gelegd. Dit ziet erop dat de nazireeër alleen door de kracht van de Heer Jezus – uitgebeeld in het schouderstuk van de ram – en het volmaakte voorbeeld van toewijding dat Hij is geweest, de tijd van zijn nazireeërschap tot een goed einde heeft kunnen brengen.

Er is ook een deel voor de priester: het borststuk van het beweegoffer en de achterbout van het hefoffer. Het bewustzijn van de liefde, waarvan het borststuk spreekt, en de kracht, waarvan de achterbout spreekt, van de Heer Jezus in het volbrengen van een tijd van toewijding is geestelijk voedsel voor de priester. Het geeft hem tevens zelf weer de liefde en kracht om zijn priesterdienst te vervullen.

Na het brengen van de offers mag de nazireeër weer wijn drinken. Als onze dienst op aarde voorbij is, zal de ware vreugde door ons worden genoten. De Heer Jezus zegt tot Zijn trouwe dienaren: “Voortreffelijk, goede en trouwe slaaf, over weinig ben je trouw geweest, over veel zal ik je stellen; ga de vreugde van je heer in” (Mt 25:21,2321Zijn heer zei tot hem: Voortreffelijk, goede en trouwe slaaf, over weinig ben je trouw geweest, over veel zal ik je stellen; ga de vreugde van je heer in.23Zijn heer zei tot hem: Voortreffelijk, goede en trouwe slaaf, over weinig ben je trouw geweest, over veel zal ik je stellen; ga de vreugde van je heer in.).


De Israëlieten gezegend

22En de HEERE sprak tot Mozes: 23Spreek tot Aäron en zijn zonen en zeg: Zo moet u de Israëlieten zegenen, door tegen hen te zeggen:
24De HEERE zegene u
en behoede u!
25De HEERE doe Zijn aangezicht over u lichten
en zij u genadig!
26De HEERE verheffe Zijn aangezicht over u
en geve u vrede!
27Zo moeten zij Mijn Naam op de Israëlieten leggen; en Ík zal hen zegenen.

In de voorgaande hoofdstukken en het voorgaande gedeelte van dit hoofdstuk zien we hoe God
1. het volk rondom Zich heeft geplaatst;
2. het volk naam voor naam heeft geteld;
3. de dienst heeft geordend;
4. het kamp heeft gereinigd;
5. de ware positie van de toegewijde dienaar heeft bepaald.

Alles is nu klaar om het volk te zegenen en Zijn Naam op hen te leggen. De zegen plaatst het volk onder de bescherming, onder de genade en vrede van de HEERE.

Er zijn drie paar zegeningen en een slotzegening, zeven in totaal. De drie paar kunnen we verbinden met de drie Goddelijke personen (vgl. 2Ko 13:1313De genade van de Heer Jezus Christus en de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest zij met u allen.): De zegen en bescherming van de Vader, de genade van de Heer Jezus en de innerlijke vrede door de Geest. We ontvangen alles wat God is. Met een volk dat zo gezegend is, wil God Zichzelf verbinden. Voor zo’n volk schaamt Hij Zich niet “hun God genoemd te worden” (Hb 11:1616maar nu verlangen zij naar een beter, dat is een hemels [vaderland]. Daarom schaamt God Zich niet voor hen hun God genoemd te worden, want Hij heeft voor hen een stad bereid.).

Het hele volk wordt gezegend op grond van wat de nazireeër heeft gedaan. Op grond van wat de Heer Jezus als de ware Nazireeër heeft gedaan zal deze zegen ook komen tot de hele schepping. In het uitdelen van die zegen is ook de gemeente betrokken (Rm 8:1919Want de schepping verwacht reikhalzend de openbaring van de zonen van God.), wat we kunnen zien in ”Aäron en zijn zonen” aan wie de opdracht om te zegenen gegeven wordt.


Lees verder