Numeri
1 Israël in de vlakten van Moab 2-7 Balak zendt boden naar Bileam 8-14 Gesprek tussen God en Bileam 15-19 Balak zendt opnieuw boden naar Bileam 20 God spreekt weer tot Bileam 21-35 Bileam ontmoet God als tegenstander 36-41 Balak en Bileam naar de Baälshoogten
Israël in de vlakten van Moab

1Daarna braken de Israëlieten op en sloegen hun kamp op in de vlakten van Moab, aan deze zijde van de Jordaan, [ter hoogte] van Jericho.

Nadat de Israëlieten het hele gebied op de Amorieten heeft veroverd, trekken ze naar de vlakten van Moab om zich daar op de verovering van Kanaän voor te bereiden. Vanaf hier zullen zij, na de dood van Mozes, onder aanvoering van Jozua de Jordaan doortrekken om het land Kanaän binnen te trekken.


Balak zendt boden naar Bileam

2Balak, de zoon van Zippor, zag alles wat Israël met de Amorieten gedaan had. 3Daarom was Moab zeer bevreesd voor dit volk, want het was talrijk. Moab verkeerde in angst voor de Israëlieten. 4Toen zei Moab tegen de oudsten van Midian: Nu zal deze menigte alles wat rondom ons is, afgrazen, zoals een rund het groen van het veld afgraast. Balak, de zoon van Zippor, was in die tijd koning van Moab. 5Hij stuurde boden naar Bileam, de zoon van Beor, in Pethor, aan de rivier [de Eufraat], in het land van zijn volksgenoten, om hem bij zich te laten roepen: Zie, er is een volk uit Egypte getrokken; zie, het heeft het oppervlak van het land bedekt, en het blijft recht tegenover mij liggen. 6Nu dan, kom toch, vervloek dit volk voor mij, want het is machtiger dan ik. Misschien kan ik het verslaan en kan ik het uit het land verdrijven, want ik weet: wie u zegent, is gezegend, en wie u vervloekt, is vervloekt. 7Toen gingen de oudsten van Moab en de oudsten van Midian op weg, en zij hadden het waarzeggers[loon] in hun hand. En zij kwamen bij Bileam en spraken tot hem de woorden van Balak.

Voordat het volk Kanaän binnentrekt, laat God in het overleg tussen Balak en Bileam iets zien waarvan Israël zich op dat moment niets bewust is. Het is een aanval op Gods volk in een vorm die we nog niet eerder hebben gezien. We worden er deelgenoot van gemaakt, net als van het gesprek van God met de satan over Job (Jb 1:6-126Het gebeurde [op] een dag, dat de zonen van God kwamen om hun opwachting te maken bij de HEERE, dat ook de satan in hun midden kwam.7Toen zei de HEERE tegen de satan: Waar komt u vandaan? En de satan antwoordde de HEERE en zei: Van het rondtrekken over de aarde en van het rondwandelen erover.8De HEERE zei tegen de satan: Hebt u [ook] acht geslagen op Mijn dienaar Job? Want er is niemand op de aarde zoals hij, een vroom en oprecht man, hij is Godvrezend en keert zich af van het kwaad.9Toen antwoordde de satan de HEERE en zei: Is het zonder reden dat Job God vreest?10Hebt Ú niet voor hem en voor zijn huis en alles wat hij heeft, een beschutting gemaakt? Het werk van zijn handen hebt U gezegend en zijn vee breidt zich [steeds verder] uit in het land.11Maar steek toch Uw hand uit en tref alles wat hij heeft. Voorwaar, hij zal U in Uw aangezicht vaarwel zeggen.12De HEERE zei tegen de satan: Zie, alles wat hij heeft, is in uw hand; alleen naar hemzelf mag u uw hand niet uitsteken. En de satan ging weg van het aangezicht van de HEERE.). En net als in het geval van Job wordt deze aanval van de satan op Gods volk door God gebruikt om Zijn volk te zegenen.

Als we de gebeurtenissen van de komende drie hoofdstukken diep op ons laten inwerken, zullen we aan het slot met Paulus uitroepen: “Wie zal beschuldiging inbrengen tegen uitverkorenen van God? God is het die rechtvaardigt; wie is het die veroordeelt?” (Rm 8:3333Wie zal beschuldiging inbrengen tegen uitverkorenen van God? God is het Die rechtvaardigt;).

Moab is ook een van de verstokte vijanden van Israël. Het kenmerk van Moab is zijn trots (Js 16:66Wij hebben gehoord van de trots van Moab,
[dat] zeer hoogmoedig is,
van zijn hoogmoed, zijn trots en zijn overmoed;
zijn holle praat is niet gepast!
; Jr 48:2929Wij hebben gehoord van de trots van Moab,
[dat] zeer hoogmoedig is,
van zijn hoogheid, zijn trots, zijn hoogmoed,
en zijn hooghartigheid.
)
. De trots zal altijd proberen Gods volk te overheersen. Dit volk is een groot gevaar voor het volk van God. Omgekeerd ziet Balak in Gods volk een enorm gevaar voor zijn eigen bestaan. Hij voelt zich bedreigd in zijn eer. Toch is er geen reden voor die angst, omdat God Zijn volk verboden heeft Moab uit zijn gebied te verdrijven (Dt 2:99Toen zei de HEERE tegen mij: Breng Moab niet in het nauw en ga niet de strijd met hen aan, want van hun land zal Ik u niets in bezit geven. Ik heb Ar namelijk aan de kinderen van Lot in bezit gegeven.). Maar goddeloze mensen zien altijd gevaren waar ze niet zijn, omdat ze een slecht geweten hebben.

Gewaarschuwd door de nederlaag van Sihon en Og ziet hij niets in een militaire confrontatie. Hij ziet in dat zo’n confrontatie voor hem een zekere nederlaag inhoudt. Ook weet hij dat het volk zijn overwinningen te danken heeft aan zijn God, zoals alle volken om Israël heen dat weten (Jz 2:1010Want wij hebben gehoord dat de HEERE het water van de Schelfzee voor uw ogen heeft doen opdrogen, toen u uit Egypte ging. En [ook] wat u hebt gedaan met de twee koningen van de Amorieten, Sihon en Og, die aan de andere zijde van de Jordaan waren, die u met de ban geslagen hebt.). Hij zoekt zijn heil in een heel andere richting. Hij zoekt de zwakke plek van het volk en die vindt hij in de ontrouw van het volk tegenover hun God.

Wat hij wil proberen, is een wig te drijven tussen God en Zijn volk. Hij doet dat op een uiterst tactisch moment, aan het einde van de woestijnreis, als alle ontrouw van het volk openbaar is geworden. Maar dan laat Balak zien dat hij van de God van Israël niets begrijpt. Hij ziet de God van Israël als een nationale afgod, zoals elk volk zijn god of goden heeft. Zo ziet bijvoorbeeld ook Sanherib, de koning van Assyrië, de God van Israël (2Kr 32:10-1910Dit zegt Sanherib, de koning van Assyrië: Waarop vertrouwt u terwijl u onder belegering in Jeruzalem blijft?11Spoort Hizkia u niet aan, zodat hij u overgeeft om door honger en door dorst te sterven, door te zeggen: De HEERE, onze God, zal ons uit de hand van de koning van Assyrië redden?12Heeft hij, Hizkia, niet Zijn [offer]hoogten en Zijn altaren weggenomen, en tegen Juda en tegen Jeruzalem gezegd: Voor één altaar moet u zich neerbuigen, en daarop [reukoffers] in rook laten opgaan?13Weet u niet wat ik gedaan heb, ik en mijn vaderen, met alle volken van de landen? Hebben de goden van de volken van die landen ooit hun land kunnen redden uit mijn hand?14Wie is er onder alle goden van die volken die mijn vaderen met de ban geslagen hebben, die zijn volk heeft kunnen redden uit mijn hand, dat uw God u uit mijn hand zou kunnen redden?15Nu dan, laat Hizkia u niet bedriegen en u niet op deze manier aansporen; geloof hem niet. Want geen enkele god van enig volk en koninkrijk heeft zijn volk uit mijn hand en de hand van mijn vaderen kunnen redden. Hoeveel te minder zal uw God u uit mijn hand kunnen redden?16En nog meer spraken zijn dienaren tegen de HEERE God, en tegen Zijn dienaar Hizkia.17Ook schreef hij brieven om de HEERE, de God van Israël, te honen en over Hem te zeggen: Zoals de goden van de volken van de landen, die hun volk uit mijn hand niet gered hebben, zo zal de God van Hizkia Zijn volk niet uit mijn hand redden.18En zij riepen met luide stem in het Judees tegen het volk van Jeruzalem dat op de [stads]muur stond, om het bang te maken en schrik aan te jagen, zodat zij de stad zouden kunnen innemen.19Zij spraken over de God van Jeruzalem als over de goden van de volken van de aarde, een werk van mensenhanden.).

Balak stuurt boden naar Bileam, omdat hij in Bileam een profeet van de HEERE ziet. Maar Bileam is geen profeet van de HEERE. Een echte profeet van de HEERE spreekt tot het volk over hun ontrouw. Tevens wijst hij op de zegen wijzen die aan de bekering verbonden is. Geen van beide aspecten zien we bij Bileam. Balak en Bileam vormen samen een duivels span dat we herkennen in het duivelse span van de toekomst: het beest en de valse profeet (Op 13:1,11-121En ik zag uit de zee een beest opstijgen, dat tien horens en zeven koppen had en op zijn horens tien diademen en op zijn koppen namen van lastering.11En ik zag een ander beest opstijgen uit de aarde; en het had twee horens, aan die van een lam gelijk, en het sprak als [de] draak.12En het oefent al het gezag van het eerste beest uit in diens tegenwoordigheid; en het maakt dat de aarde en zij die erop wonen, het eerste beest aanbidden, van wie de dodelijke wond genezen was.), die zich onder aansturing van de satan tegen Christus en Zijn volk keren.

De Schrift laat er geen misverstand over bestaan dat Bileam een valse profeet is, een dienaar van de satan, die zich uitgeeft voor een profeet van de God van Israël. Daarom wil Balak hem inhuren. Als Bileam zegen over Gods volk uitspreekt, zegt dat niets over Bileam en alles over God. God dwingt Bileam Zijn volk te zegenen.

Zijn naam komt in acht bijbelboeken voor en altijd in negatieve zin (Nm 22-24; Nm 31:8,168Behalve hen die door hen verslagen werden, doodden zij ook de koningen van Midian: Evi, Rekem, Zur, Hur en Reba, de vijf koningen van Midian; ook doodden zij Bileam, de zoon van Beor, met het zwaard.16Zie, zíj waren door de raad van Bileam voor de Israëlieten de aanleiding tot trouwbreuk tegen de HEERE, in het geval van Peor, waardoor de plaag kwam onder de gemeenschap van de HEERE.; Dt 23:3-53Een Ammoniet of Moabiet mag niet in de gemeente van de HEERE komen; zelfs hun [nakomelingen van de] tiende generatie mogen tot in eeuwigheid niet in de gemeente van de HEERE komen,4vanwege het feit dat zij u onderweg niet met brood en water tegemoetgekomen zijn toen u uit Egypte wegtrok; en omdat hij Bileam, de zoon van Beor, uit Pethor in Mesopotamië, tegen u ingehuurd heeft om u te vervloeken.5De HEERE, uw God, echter wilde niet naar Bileam luisteren, maar de HEERE, uw God, heeft de vloek voor u in een zegen veranderd, omdat de HEERE, uw God, u liefhad.; Jz 13:2222Bovendien hebben de Israëlieten Bileam, de zoon van Beor, de waarzegger, met het zwaard gedood, tegelijk met de [anderen] die door hen verslagen zijn.; 24:9-109Vervolgens maakte Balak, de zoon van Zippor, de koning van Moab, zich gereed en streed hij tegen Israël. Hij zond [een bode] en liet Bileam, de zoon van Beor, roepen om u te vervloeken.10Maar Ik wilde niet naar Bileam luisteren; daarom zegende hij u steeds weer, en Ik verloste u uit zijn hand.; Ne 13:1-21Op die dag werd er voorgelezen uit het boek van Mozes voor de oren van het volk. Daarin werd voorgeschreven bevonden dat een Ammoniet of een Moabiet tot in eeuwigheid niet in de gemeente van God mocht komen,2omdat zij de Israëlieten niet met brood en water tegemoetgekomen waren, en men Bileam tegen hen had ingehuurd om hen te vervloeken; onze God had de vloek echter veranderd in zegen.; Mi 6:55Mijn volk, denk toch aan wat Balak, de koning van Moab, beraamde,
en wat Bileam, de zoon van Beor, hem antwoordde,
[aan wat er] gebeurd is van Sittim tot Gilgal,
opdat u de gerechtigheid van de HEERE kent.
; 2Pt 2:15-1615Door [de] rechte weg te verlaten zijn zij afgedwaald en volgen de weg van Bileam, [de zoon] van Bosor, die [het] loon van [de] ongerechtigheid liefhad,16maar een berisping voor zijn eigen wetteloosheid kreeg: [het] stomme lastdier dat met mensenstem sprak, verhinderde de dwaasheid van de profeet.; Jd 1:1111Wee hun, omdat zij de weg van Kaïn gegaan zijn en voor loon zich aan de dwaling van Bileam overgegeven hebben en in de tegenspreking van Korach omgekomen zijn.; Op 2:1414Maar Ik heb enkele dingen tegen u: dat u daar hebt die aan de leer van Bileam vasthouden, die Balak leerde de zonen van Israël een strik te spannen, om afgodenoffers te eten en te hoereren.).
Aan het einde van Israëls geschiedenis haalt de profeet Micha nog eens aan wat Balak en Bileam hier willen doen, om door hun voorbeeld Israël het recht van God voor ogen te stellen (Mi 6:5a5Mijn volk, denk toch aan wat Balak, de koning van Moab, beraamde,
en wat Bileam, de zoon van Beor, hem antwoordde,
[aan wat er] gebeurd is van Sittim tot Gilgal,
opdat u de gerechtigheid van de HEERE kent.
)
.

De drie aanhalingen van Bileam in het Nieuwe Testament zijn veelzeggend. We lezen over “de weg van Bileam” (2Pt 2:1515Door [de] rechte weg te verlaten zijn zij afgedwaald en volgen de weg van Bileam, [de zoon] van Bosor, die [het] loon van [de] ongerechtigheid liefhad,), over “de dwaling van Bileam” (Jd 1:1111Wee hun, omdat zij de weg van Kaïn gegaan zijn en voor loon zich aan de dwaling van Bileam overgegeven hebben en in de tegenspreking van Korach omgekomen zijn.) en over “de leer van Bileam” (Op 2:1414Maar Ik heb enkele dingen tegen u: dat u daar hebt die aan de leer van Bileam vasthouden, die Balak leerde de zonen van Israël een strik te spannen, om afgodenoffers te eten en te hoereren.). Uit deze aanhalingen en het verband waarin ze staan, zien we dat zijn geschiedenis ons als gemeente belangrijke lessen leert.

Zal de satan, na zijn mislukkingen om het volk om te brengen door middel van strijd, nu wel slagen in zijn pogingen om het volk te verdelgen? De pogingen van de vijand maken duidelijk dat God tegenover de vijand Zijn betrekkingen met Zijn volk handhaaft en niet toelaat dat Zijn volk vervloekt wordt. Balak denkt alleen aan God als een heilig God. Hij weet niets van de genade van God. Als vijand van God krijgt hij van God niet het recht Hem tegen Zijn volk op te zetten. De ontrouw van het volk is altijd alleen een zaak tussen God en Zijn volk.

Balak zoekt overigens niet alleen steun bij Bileam. Hij heeft ook overleg met de oudsten van Midian. Maar zijn hoop is toch vooral op Bileam gevestigd.


Gesprek tussen God en Bileam

8Toen zei hij tegen hen: Overnacht hier deze nacht en ik zal verslag aan u uitbrengen zoals de HEERE tot mij spreken zal. Toen bleven de vorsten van Moab bij Bileam. 9En God kwam tot Bileam en zei: Wie zijn die mannen die bij u zijn? 10Toen zei Bileam tegen God: Balak, de zoon van Zippor, de koning van Moab, heeft hen naar mij toe gestuurd [met het verzoek]: 11Zie, het volk dat uit Egypte getrokken is, heeft het oppervlak van het land bedekt. Kom nu, vervloek het voor mij. Misschien kan ik ertegen strijden en het verdrijven. 12Toen zei God tegen Bileam: U mag niet met hen meegaan, u mag dat volk niet vervloeken, want het is gezegend. 13De [volgende] morgen stond Bileam op en zei tegen de vorsten van Balak: Ga naar uw land, want de HEERE weigert mij toe te laten met u mee te gaan. 14Toen stonden de vorsten van Moab op en kwamen [terug] bij Balak. En zij zeiden: Bileam heeft geweigerd met ons mee te gaan.

God opent het gesprek met Bileam. Deze schijnt er niet van te schrikken, gewend als hij is aan de omgang met de geestenwereld, waarbij hij tot nog toe alleen met boze geesten te maken heeft gehad. Hij weet niet beter of ook nu betreft het een waarzeggende geest. Zo vangt God de sluwe profeet in zijn eigen net (1Ko 3:1919Want de wijsheid van deze wereld is dwaasheid voor God. Want er staat geschreven: ‘Die de wijzen vangt in hun sluwheid’;).

God stelt nooit vragen omdat Hij Zelf het antwoord niet weet, maar om de mens ertoe te dwingen na te denken over wat er in zijn hart is. In dit geval moet het Bileam bepalen bij het feit dat men hem is komen vragen om Gods volk te vervloeken. Bileam legt God uit waar het om gaat. Uit wat hij zegt, blijkt dat hij er geen flauw besef van heeft dat het gaat om het volk van de God met Wie hij spreekt.

God doet de zaak af met het bevel aan Bileam niet mee te gaan om het volk te vervloeken omdat het een gezegend volk is. Dat Bileam het later nog eens probeert, toont aan dat hij door geldzucht wordt geleid en niet door wat God zegt. God heeft vaker tot goddeloze mensen gesproken, zoals tot Abimelech en Laban, met het bevel zich niet aan Zijn uitverkorenen te vergrijpen (Gn 20:33Maar God kwam in een nachtelijke droom bij Abimelech en zei tegen hem: Zie, u gaat sterven vanwege de vrouw die u genomen hebt, want zij is met een man getrouwd!; 31:2424Maar God kwam 's nachts in een droom bij Laban, de Syriër, en zei tegen hem: Wees op uw hoede, dat u met Jakob niet goedwillend of kwaadwillend spreekt.).

In zijn antwoord aan de boden van Balak spreekt Bileam alleen over de weigering van de HEERE om hem mee te laten gaan. Er klinkt de teleurstelling in door van een man die geen gemeenschap heeft met God. Hij wil graag meegaan, maar helaas het wordt hem niet toegestaan. Hij rept er met geen woord over dat het een gezegend volk is. Ook de boden brengen geen getrouw verslag uit van wat Bileam heeft gezegd. Zij spreken alleen van de weigering door Bileam.


Balak zendt opnieuw boden naar Bileam

15Maar Balak ging door met het sturen van vorsten, meer en aanzienlijker dan de [eerste]. 16Die kwamen bij Bileam en zeiden tegen hem: Dit zegt Balak, de zoon van Zippor: Laat u er toch niet van weerhouden naar mij toe te komen. 17Ja, ik zal u met grote eer overladen, en alles wat u tegen mij zegt, zal ik doen. Maar kom toch, vervloek dit volk voor mij! 18Toen antwoordde Bileam en zei tegen de dienaren van Balak: Al zou Balak mij zijn huis vol zilver en goud geven, ik ben niet in staat het bevel van de HEERE, mijn God, te overtreden om iets te doen, klein of groot. 19Nu dan, blijft u toch ook deze nacht hier, opdat ik weet wat de HEERE verder tot mij spreken zal.

Balak zendt opnieuw boden naar Bileam. Hij doet nu niet alleen een beroep op de hebzucht van Bileam, maar ook op zijn eerzucht. Een voornaam gezantschap met veel geld is toch wat anders dan een onbetekenende bode met veel geld. Daarbij geeft hij ook nog de toezegging dat Bileam maar hoeft te vragen wat hij wil, en Balak zal eraan voldoen. Mensen van de wereld geven alles om de gunst van een medium te verkrijgen. Ze menen door het bezit van het medium zichzelf te verzekeren van de toekomst, zonder te beseffen dat ze daardoor in de macht van het medium komen.

Bileam spreekt over “de HEERE, mijn God”. Slechte mensen kunnen zeer vrome taal gebruiken. Maar God kent het hart van de mens. Bileam gebruikt deze woorden als formule. Van een relatie is geen sprake. Degene Die hij “de HEERE, mijn God” noemt, is voor hem niet meer dan een waarzeggende geest, aan wie hij zich onderworpen heeft en aan wie hij zich ook niet onttrekken kan.

Dat hij zich niet bewust is van Gods autoriteit en dat hij aan Hem volledige gehoorzaamheid verschuldigd is, blijkt eens te meer uit zijn verdere handelen. God heeft duidelijk gezegd dat hij niet mee moet gaan. Waarom moet hij het dan toch nog een keer proberen? Hij meent met een geest te doen te hebben die gemakkelijk tot aanpassing bereid is.


God spreekt weer tot Bileam

20God kwam 's nachts tot Bileam en zei tegen hem: Kwamen die mannen soms om u te ontbieden? Sta op, ga met hen mee, maar u mag alleen dat doen, wat Ik tot u spreken zal.

God spreekt weer tot Bileam. God kent zijn hart en geeft hem de opdracht mee te gaan. God geeft wel vaker opdrachten die aansluiten bij verlangens van mensen. Zo geeft hij Israël een koning als Saul. Hij gaat Bileam gebruiken om een geweldig getuigenis aangaande Zijn volk uit te spreken.


Bileam ontmoet God als tegenstander

21De [volgende] morgen stond Bileam op, zadelde zijn ezelin en ging met de vorsten van Moab mee. 22De toorn van God ontbrandde echter, omdat hij op weg ging, en een Engel van de HEERE ging hem in de weg staan als [zijn] tegenstander. [Bileam] reed op zijn ezelin, en twee van zijn knechten waren bij hem. 23Toen de ezelin de Engel van de HEERE op de weg zag staan, met het getrokken zwaard in Zijn hand, week de ezelin van de weg af en ging het veld in. Toen sloeg Bileam de ezelin om haar [weer] naar de weg terug te drijven. 24Maar de Engel van de HEERE ging [nu] op een nauw pad tussen de wijngaarden staan, [met] een muur aan de ene en een muur aan de andere [kant]. 25Toen de ezelin de Engel van de HEERE zag, drukte ze zich tegen de muur aan en drukte Bileams voet tegen de muur; daarom ging hij door met haar te slaan. 26De Engel van de HEERE ging nog verder en ging op een nauwe plaats staan, waar geen weg was om naar rechts of links af te wijken. 27Toen de ezelin de Engel van de HEERE zag, ging ze liggen, onder Bileam. Toen ontstak Bileam in woede en hij sloeg de ezelin met een stok. 28Toen opende de HEERE de mond van de ezelin en ze zei tegen Bileam: Wat heb ik u misdaan, dat u mij nu driemaal geslagen hebt? 29Toen zei Bileam tegen de ezelin: Omdat jij de spot met me drijft. Had ik maar een zwaard in mijn hand, dan zou ik je nu doden! 30De ezelin zei tegen Bileam: Ben ik niet uw ezelin, waarop u gereden hebt sinds u [mijn heer] werd, tot op deze dag? Was ik ooit gewend u zo te behandelen? Hij zei: Nee! 31Toen ontsloot de HEERE de ogen van Bileam, zodat hij de Engel van de HEERE zag staan op de weg, met zijn uitgetrokken zwaard in Zijn hand. En hij knielde en boog zich neer met zijn gezicht [ter aarde]. 32De Engel van de HEERE zei tegen hem: Waarom hebt u uw ezelin nu driemaal geslagen? Zie, Ik ben zelf uitgegaan als [uw] tegenstander, want deze weg wijkt van Mij af. 33Maar de ezelin heeft Mij gezien en driemaal is ze voor Mij uitgeweken. Als ze niet voor Mij was uitgeweken, zou Ik u nu zeker hebben gedood, maar haar zou Ik hebben laten leven. 34Toen zei Bileam tegen de Engel van de HEERE: Ik heb gezondigd, want ik wist niet dat U hier stond om mij onderweg te ontmoeten; nu dan, als het slecht is in Uw ogen, zal ik wel terugkeren. 35En de Engel van de HEERE zei tegen Bileam: Ga met deze mannen mee, maar alleen het woord dat Ik tot u spreken zal, mag u spreken. Daarop ging Bileam met de vorsten van Balak mee.

Bileam ontmoet God als zijn tegenstander. Bileam gaat omdat God het gezegd heeft, en omdat hij gaat, ontbrandt de toorn van God. Dat lijkt een tegenstrijdigheid. Bileam weet dat het tegen de wil van God is, maar hij gaat, gedreven door liefde voor het geld.

In de geschiedenis met de ezelin laat God zien dat Bileam nog dommer is dan een ezel. Verblind als hij is door de geldzucht, weet hij niet in welk gevaar hij verkeert. De ezelin heeft daar wel oog voor. Dieren hebben vaak meer oog voor hun Eigenaar dan mensen (Js 1:33Een rund kent zijn bezitter
en een ezel de kribbe van zijn eigenaar,
[maar] Israël heeft geen kennis,
Mijn volk heeft geen inzicht.
)
. Een dier ziet hier meer dan iemand die naar Gods beeld geschapen is. Wat een dwaasheid om voort te gaan op een boze weg waarop het zwaard van de HEERE tegen de boze uitgetrokken is. De ezelin redt hem van die dwaasheid (2Pt 2:15-1615Door [de] rechte weg te verlaten zijn zij afgedwaald en volgen de weg van Bileam, [de zoon] van Bosor, die [het] loon van [de] ongerechtigheid liefhad,16maar een berisping voor zijn eigen wetteloosheid kreeg: [het] stomme lastdier dat met mensenstem sprak, verhinderde de dwaasheid van de profeet.).

Bileam schijnt het ongewone van het spreken van de ezelin niet op te merken. Hij gaat met haar in gesprek. Er is wel geopperd dat hij misschien door zijn contacten met demonen gewend is aan sprekende dieren. Misschien ook is hij door zijn woede zo buiten zichzelf dat het vreemde ervan hem niet opvalt.

Dat de HEERE de ezelin laat spreken, laat zien hoe uitzonderlijk dit gebeuren met Bileam is. De inzet is dan ook hoog. Het gaat om zegen of vloek voor het volk van God en alle daarmee samenhangende beloften. God kan alles gebruiken en een stem geven om een getuigenis te geven van Zijn almacht en daardoor te waarschuwen (Lk 19:4040En Hij antwoordde en zei: Ik zeg u, als dezen zwijgen, zullen de stenen roepen.; Hk 2:1111want de steen schreeuwt vanuit de muur,
en de balk antwoordt erop vanuit het houtwerk.
)
. Hij kan ook, als dat past in de uitvoering van Zijn plan, ingrijpen in een door Hemzelf ingestelde wetmatigheid (2Kn 6:66De man Gods zei: Waar is het gevallen? En toen hij hem de plaats aangewezen had, sneed hij een stuk hout af, wierp het ernaartoe en deed het ijzer bovendrijven.; Jz 10:1313En de zon stond stil en de maan bleef staan, totdat het volk zich aan zijn vijanden had gewroken. Is dit niet geschreven in het Boek van de Oprechte? De zon stond stil in het midden van de hemel en haastte zich niet om onder te gaan, ongeveer een volle dag.; 2Kn 20:1111En Jesaja, de profeet, riep de HEERE aan, en Hij deed de schaduw tien treden teruggaan van de treden die zij op de treden van Achaz’ [zonnewijzer] naar beneden was gegaan.).

Het ongeloof spreekt spottend over drie ‘zaligmakende dieren’: de sprekende slang (Gn 3:11De slang nu was de listigste onder alle dieren van het veld die de HEERE God gemaakt had; en hij zei tegen de vrouw: Is het echt zo dat God gezegd heeft: U mag niet eten van alle bomen in de hof?), de sprekende ezelin (hier) en de vis waarin Jona heeft gezeten (Jn 1:1717En de HEERE beschikte een grote vis om Jona op te slokken. Jona was drie dagen en drie nachten in het binnenste van de vis.). Toch is het inderdaad zo, dat wie niet gelooft dat dit echt gebeurd is, niet ‘zalig’ ofwel behouden kan worden, want zo iemand maakt God tot een leugenaar. De gebeurtenissen waarbij dieren door God voor een bijzonder doel boven hun natuur worden gebruikt, hebben te maken met de zondeval (de slang), de verbinding tussen God en Zijn volk met de daaraan verbonden beloften (de ezelin) en de Heer Jezus (de vis). Alle drie worden ze in het Nieuwe Testament aangehaald (2Ko 11:33Maar ik vrees dat wellicht, zoals de slang Eva verleidde door haar sluwheid, uw gedachten bedorven [en afgeweken] zijn van de eenvoudigheid <en de reinheid> jegens Christus.; 2Pt 2:1616maar een berisping voor zijn eigen wetteloosheid kreeg: [het] stomme lastdier dat met mensenstem sprak, verhinderde de dwaasheid van de profeet.; Mt 12:4040Want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van het zeemonster was, zo zal de Zoon des mensen drie dagen en drie nachten in het hart van de aarde zijn.).

In plaats van zich af te vragen waarom de ezelin, die hem nog nooit in de steek heeft gelaten, zo doet, ranselt hij haar af. Hij wil haar zelfs doden, een dwaasheid die wordt verhinderd omdat hij geen zwaard bij zich heeft. Wat zou hij daar nu mee opgeschoten zijn? Hij zou er alleen maar bij verloren hebben. Zo doen veel mensen in hun dwaasheid dingen die hun geen winst, maar slechts verlies opleveren.

Ook door de wrede behandeling van zijn trouwe rijdier bewijst Bileam dat hij een onrechtvaardige is. De rechtvaardige weet immers wat zijn vee nodig heeft (Sp 12:10a10De rechtvaardige kent het leven van zijn vee,
maar barmhartigheid van goddelozen is meedogenloos.
)
. Overigens is er wel een zwaard in de buurt, dat van de Engel van de HEERE! Maar daarvoor is Bileam blind. Daarbij komt dat het niet gericht is tegen de ezelin, maar tegen Bileam.

De reactie van de ezelin is niet alleen wonderlijk door het spreken, maar ook in wat zij zegt. Zij spreekt met meer verstand dan Bileam. In haar woorden, in de vorm van vragen, gaan wijze lessen schuil voor Bileam en ieder mens in hun verhouding tot God. In de eerste plaats erkent zij het eigendomsrecht van Bileam op haar (“ben ik niet uw ezelin”). In de tweede plaats kan zij zeggen dat zij er altijd voor hem in trouwe dienst is geweest (“waarop u gereden hebt sinds u mijn heer werd, tot op deze dag”). In de derde plaats zien we dat dit uitzonderlijke handelen niet voortkomt uit onwilligheid bij haar (“was ik ooit gewend u zo te behandelen?”), waarmee ze indirect zegt dat de onwilligheid bij hem zit.

De vragen van de ezelin hebben geen profetische lading. Het zijn geen vragen die van God komen en een bijzondere betekenis hebben. Ze zegt ook niets over de Engel van de HEERE. Het zijn eenvoudig de vragen die elk dier, dat mishandeld wordt, zou stellen als het daartoe de gelegenheid kreeg. Ze gaan niet buiten het terrein van het gevoelen van een dier, maar blijven binnen de sfeer van het dierlijke zielenleven. Het enige antwoord dat Bileam op de gestelde vragen kan en moet geven, is: “Nee!” Maar van enige reactie in zijn geweten is geen sprake.

Er is een praktische toepassing te maken. Als wij onderweg zijn en er komt een verhindering, waardoor we niet verder kunnen reizen, hoe reageren we dan? De Heer wil dat zo’n verhindering ons ertoe brengt dat we nagaan wat onze motieven zijn om die reis, of het nu een korte of een lange is, te ondernemen. Het hoeft niet verkeerd te zijn, maar Hij wil dat we indringen in Zijn gedachten en dat we ons bewust worden dat alles alleen tot Zijn eer kan zijn als Hij met ons meegaat. Dit geldt in nog sterkere mate voor de levensweg die we bij onze levensreis volgen, de keuzes die we daarop maken, bijvoorbeeld welke opleiding, welk beroep, welke man of vrouw we moeten kiezen. Vanuit welk motief kiezen we de weg die we gaan?

Zoals de HEERE de mond van de ezelin opende (vers 2828Toen opende de HEERE de mond van de ezelin en ze zei tegen Bileam: Wat heb ik u misdaan, dat u mij nu driemaal geslagen hebt?), zo opent Hij de ogen van Bileam (vers 3131Toen ontsloot de HEERE de ogen van Bileam, zodat hij de Engel van de HEERE zag staan op de weg, met zijn uitgetrokken zwaard in Zijn hand. En hij knielde en boog zich neer met zijn gezicht [ter aarde].). Dat brengt hem op de knieën. De HEERE spreekt hem in vragende zin aan op zijn gedrag tegen zijn ezelin. Vervolgens maakt Hij Bileam duidelijk dat Hij en Bileam lijnrecht tegenover elkaar staan. Bileam is niet in de weg van de HEERE, maar op een weg waarvan Hij zegt: Want deze weg wijkt van Mij af, wat betekent dat deze weg naar de ondergang voert. De Engel benadrukt dat Bileam maar liefst driemaal zijn ezelin mishandeld heeft om haar te dwingen de weg te gaan die hij wil dat ze gaat, maar dat de ezelin hem driemaal voor de ondergang heeft bewaard, door voor de Engel uit te wijken.

Nadat de HEERE Bileam de les met de ezelin heeft verklaard, spreekt Bileam het uit: “Ik heb gezondigd”. Maar het is op dezelfde manier als de farao, Saul en Judas (Ex 9:2727Toen stuurde de farao [boden] en hij liet Mozes en Aäron roepen, en zei tegen hen: Ik heb deze keer gezondigd. De HEERE is de Rechtvaardige. Ik daarentegen en mijn volk zijn de schuldigen.; 10:1616Toen haastte de farao zich om Mozes en Aäron te roepen, en hij zei: Ik heb gezondigd tegen de HEERE, uw God, en tegen u.; 1Sm 15:2424Toen zei Saul tegen Samuel: Ik heb gezondigd, omdat ik het bevel van de HEERE en uw woorden overtreden heb, want ik was bevreesd voor het volk en heb naar hun stem geluisterd.; 26:2121Toen zei Saul: Ik heb gezondigd; keer terug, mijn zoon David, want ik zal je geen kwaad meer doen, omdat mijn leven deze dag kostbaar was in jouw ogen. Zie, ik heb dwaas gehandeld, ik heb zeer ernstig gedwaald.; Mt 27:44Ik heb gezondigd door onschuldig bloed over te leveren! Zij echter zeiden: Wat gaat ons dat aan? Dat is uw zaak.). Van echt berouw is geen sprake. God ontslaat hem dan ook niet van zijn opdracht, maar verplicht hem verder te gaan, met de mededeling dat hij alleen zal spreken wat Hij tot hem zegt. Het zal tot meerdere eer van God strekken, als Hij Bileam niet alleen verhindert het volk te vervloeken, maar Bileam juist tot een instrument maakt door wie Hij Zijn volk zegent.


Balak en Bileam naar de Baälshoogten

36Toen Balak hoorde dat Bileam kwam, ging hij hem tegemoet, tot aan de stad van Moab die in het gebied van de Arnon ligt, en wel aan de uiterste rand van het gebied. 37Balak zei tegen Bileam: Heb ik niet dringend [boden] naar u toe gestuurd om u te roepen? Waarom bent u niet naar mij toe gekomen? Ben ik werkelijk niet in staat u te eren? 38Toen zei Bileam tegen Balak: Zie, ik ben nu naar u toe gekomen; zal ik nu echter ook maar iets kunnen spreken? Het woord dat God mij in de mond legt, zal ik spreken. 39Bileam ging met Balak mee, en zij kwamen in Kirjath-Huzoth. 40Toen slachtte Balak runderen en schapen, en hij stuurde [ervan] naar Bileam en naar de vorsten die bij hem waren. 41De [volgende] morgen gebeurde het dat Balak Bileam meenam en hem op de Baälshoogten liet klimmen, zodat hij vandaar het uiterste [deel] van het volk kon zien.

Bij het eerste contact dat Balak met Bileam heeft, kan hij hem alleen nog verwijten dat hij niet eerder is gekomen. Zijn verwachtingen zijn hooggespannen. Bileam tempert die verwachtingen door erop te wijzen dat hij alleen dat kan spreken wat God hem in de mond legt. Hij weet zich een gevangene van Hem.

Balak neemt Bileam mee naar de hoogten van Baäl. Dit is de eerste vermelding van Baäl in de Bijbel. Vanaf deze plaats zal de eerste poging tot vervloeking plaatsvinden. Het is een plaats die geheel gewijd is aan de aanbidding van de satan die zich hier verschuilt achter de naam ‘Baäl’.

Baäl is de mannelijke hoofdgod van de Foeniciërs en de Kanaänieten, terwijl Astarte de vrouwelijke hoofdgod is. Deze vorm van afgoderij krijgt een vaste plaats in Israël in de tijd van de richters (zie het boek Richteren). In de eerste dagen van het optreden van Samuel wordt deze afgod uit het land verwijderd. Maar hij komt terug. Tijdens de regering van de goddeloze Achab over het tien stammenrijk, maakt zijn nog goddelozere vrouw Izebel de Baälsdienst tot officiële godsdienst in Israël.

Vanaf de plaats die Balak heeft uitgekozen, kan Bileam niet het hele volk zien, maar slechts een gedeelte ervan. Het moet Bileam de indruk geven dat hij maar met een klein volk te maken heeft, het moet hem tot geringschatting van dat volk brengen. Maar luister tot welke uitspraak God Bileam brengt als hij onder de indruk komt van wat hij ziet: Moge mijn ziel de dood van de oprechten sterven en mijn einde zijn als dat van hem” (Nm 23:1010Wie heeft het stof van Jakob geteld,
en het aantal, het vierde deel van Israël?
Moge mijn ziel de dood van de oprechten sterven
en mijn einde zijn als dat van hem.
)
.

Elke volgende poging vindt steeds vanaf een andere locatie plaats, naar het schijnt steeds dichter bij het volk. Het is de bedoeling van Balak dat Bileam datgene ziet wat hem een negatieve indruk van dat volk zal geven, zodat hij ‘materiaal’ in handen krijgt, waarmee hij het volk kan vervloeken.


Lees verder