Numeri
1-12 De vuuroffers 13-16 De vreemdeling en het vuuroffer 17-21 Het hefoffer 22-31 Zonde zonder opzet en met opzet 32-36 De sabbatschender 37-41 De gedenkkwasten
De vuuroffers

1De HEERE sprak tot Mozes: 2Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: Wanneer u komt in het land dat Ik u als uw woongebied geef, 3en u een vuuroffer voor de HEERE bereidt, een brandoffer of slachtoffer als inlossing van een gelofte, of een vrijwillige gave, of om op uw feestdagen de HEERE een aangename geur te bereiden, van de runderen of van het kleinvee, 4dan zal hij, die zijn offergave aan de HEERE aanbiedt, een graanoffer van een tiende [efa] meelbloem, gemengd met een kwart hin olie, aanbieden. 5En wijn als plengoffer, een kwart hin per lam, moet u bij het brandoffer of het slachtoffer doen. 6En bij een ram moet u een graanoffer doen van twee tiende [efa] meelbloem, gemengd met olie, een derde hin; 7en als plengoffer moet u een derde hin wijn aanbieden, [als] een aangename geur voor de HEERE. 8En wanneer u een jong van een rund bereidt als brandoffer of slachtoffer als inlossing van een gelofte, of als dankoffer voor de HEERE, 9dan moet men bij het jong van het rund een graanoffer aanbieden van drie tiende [efa] meelbloem, gemengd met een halve hin olie; 10en als plengoffer moet u een halve hin wijn aanbieden, [als] vuuroffer, een aangename geur voor de HEERE. 11Zo moet gedaan worden voor elk rund, of voor elke ram, of voor het kleinvee onder de schapen of onder de geiten. 12Overeenkomstig het aantal dat u bereidt, moet u voor elk [dier] doen, overeenkomstig hun aantal.

Numeri 15 vormt een groot contrast met de twee voorgaande hoofdstukken en met het volgende hoofdstuk. Daarin zien we gebeurtenissen die vol zijn van ongeloof en opstand van de kant van Gods volk. Maar in dit hoofdstuk lijkt het of God dat even allemaal vergeet. Hij begint met: “Wanneer u komt in het land”, woorden die helemaal los staan van de actuele situatie waarin het volk zich bevindt.

De HEERE spreekt over het ingaan van het volk in het land alsof er niets is gebeurd. Hij spreekt dan ook niet tot het ongelovige volk, waarvan de lichamen zullen vallen in de woestijn, maar tot een trouw overblijfsel, zoals Kaleb en Jozua. Zij stellen, samen met de kinderen onder de twintig jaar, een overblijfsel voor “naar [de] verkiezing van [de] genade” (Rm 11:55Zo is er dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel naar [de] verkiezing van [de] genade.). Waar God het hele volk zal oordelen en slechts een overblijfsel het land zal bereiken, zijn de bemoedigende woorden van dit hoofdstuk juist voor dit overblijfsel bedoeld.

Hieruit blijkt dat de zonde van de mens de raadsbesluiten van God nooit teniet kan doen. God zal Zijn plannen altijd aan een overblijfsel vervullen. God is niet in verlegenheid gebracht door de zonde van de mens. De grote massa komt om in de woestijn, het overblijfsel krijgt de zegen. Dat overblijfsel brengt Hij in de rust van Zijn raad, die van eeuwigheid in Zijn hart was, ongestoord door alles wat er in de christenheid gebeurt.

God maakt, niet in het minst geschokt door het ongeloof en de opstand van Zijn volk, bekend wat Hij van plan is te gaan doen. Dit handelen van God te kennen is ook voor ons een troost te midden van zoveel afval. De verwijzing naar het ingaan in het land op dit moment – nu het volk zojuist heeft geweigerd het in bezit te nemen – is een duidelijke bemoediging voor het geloof en een verzekering van de onfeilbare genade van God.

Voor dit handelen heeft God dan ook een vaste grondslag. Die heeft Hij in het werk van de Heer Jezus. Met Hem wil Hij Zijn volk, en de getrouwen in het bijzonder, bezighouden. Het offer van de Heer Jezus staat in de verzen 1-161De HEERE sprak tot Mozes:2Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: Wanneer u komt in het land dat Ik u als uw woongebied geef,3en u een vuuroffer voor de HEERE bereidt, een brandoffer of slachtoffer als inlossing van een gelofte, of een vrijwillige gave, of om op uw feestdagen de HEERE een aangename geur te bereiden, van de runderen of van het kleinvee,4dan zal hij, die zijn offergave aan de HEERE aanbiedt, een graanoffer van een tiende [efa] meelbloem, gemengd met een kwart hin olie, aanbieden.5En wijn als plengoffer, een kwart hin per lam, moet u bij het brandoffer of het slachtoffer doen.6En bij een ram moet u een graanoffer doen van twee tiende [efa] meelbloem, gemengd met olie, een derde hin;7en als plengoffer moet u een derde hin wijn aanbieden, [als] een aangename geur voor de HEERE.8En wanneer u een jong van een rund bereidt als brandoffer of slachtoffer als inlossing van een gelofte, of als dankoffer voor de HEERE,9dan moet men bij het jong van het rund een graanoffer aanbieden van drie tiende [efa] meelbloem, gemengd met een halve hin olie;10en als plengoffer moet u een halve hin wijn aanbieden, [als] vuuroffer, een aangename geur voor de HEERE.11Zo moet gedaan worden voor elk rund, of voor elke ram, of voor het kleinvee onder de schapen of onder de geiten.12Overeenkomstig het aantal dat u bereidt, moet u voor elk [dier] doen, overeenkomstig hun aantal.13Elke ingezetene [van het land] moet deze dingen zo doen om een vuuroffer, een aangename geur voor de HEERE, aan te bieden.14En wanneer er een vreemdeling bij u verblijft of in uw midden is, [al] uw generaties door, moet hij een vuuroffer, een aangename geur voor de HEERE, offeren. Net zoals u doet, zo moet [ook] hij doen.15[U,] gemeente, voor u en voor de vreemdeling die [bij u] verblijft, geldt één verordening, een eeuwige verordening, [al] uw generaties door: net zoals u, zo moet [ook] de vreemdeling voor het aangezicht van de HEERE zijn.16Eén wet en één bepaling geldt voor u en voor de vreemdeling die bij u verblijft. dan ook centraal. De offers die hier worden beschreven, zijn allemaal offers tot een aangename geur. God wil onze harten bezighouden met het heerlijkste wat Zijn volk in het land zal doen: Hem offers brengen. Daarvoor wil Hij dat wij indringen in Zijn gedachten en daarvoor laat Hij ons die offers zien en leert Hij ons lessen.

Over de offers zelf is al veel in Leviticus verteld. Waar hier in Numeri de nadruk op ligt, is op de begeleidende offers. Bij de drie verschillende soorten brandoffers en dank- of vredeoffers moet steeds een spijsoffer, een drankoffer en een hoeveelheid olie worden gebracht. Naar de grootte van het brandoffer en dank- of vredeoffer wordt ook de hoeveelheid voor het spijsoffer, drankoffer en de olie bepaald.

Het eerste offer dat iemand kan brengen, is een lam (vers 55En wijn als plengoffer, een kwart hin per lam, moet u bij het brandoffer of het slachtoffer doen.), vervolgens kan iemand ook een ram (vers 66En bij een ram moet u een graanoffer doen van twee tiende [efa] meelbloem, gemengd met olie, een derde hin;) brengen en ten slotte kan iemand als grootste offer een rund brengen (vers 99dan moet men bij het jong van het rund een graanoffer aanbieden van drie tiende [efa] meelbloem, gemengd met een halve hin olie;). De offers gaan hier van klein naar groot. In Leviticus is het andersom. Daar begint God met het grootste. Maar in Numeri gaat het om onze praktijk, hoe wij steeds meer indringen in de waarde van het offer en groeien in de kennis ervan:
1. bij het lam hoort een spijsoffer van een tiende efa fijn meel, een kwart hin olie en een kwart hin wijn,
2. bij de ram hoort een spijsoffer van twee tiende efa fijn meel, een derde hin olie en een derde hin wijn,
3. bij het rund hoort een spijsoffer van drie tiende efa fijn meel, een halve hin olie en een halve hin wijn.

God wil dat Zijn volk nooit vergeet dat bij bloedige offers deze niet-bloedige offers horen. Dat wil voor ons zeggen dat wij het werk van de Heer Jezus aan het kruis nooit los mogen zien van Zijn leven als Mens op aarde, waarvan het spijsoffer spreekt. Dat wil God ons juist in Numeri leren. We moeten er steeds aan denken dat het werk van Zijn Zoon op het kruis de afsluiting is van een volmaakt leven op aarde. Het maakt voor God alles uit dat het die volmaakte Mens is Die Zijn voetstappen naar het kruis heeft gericht. Hij is dat fijne meelbloem, alles volmaakt gelijkmatig en geen enkele oneffenheid.

De olie moet met de meel worden gemengd. Het spreekt ervan hoe de Heilige Geest volkomen vermengd is met het leven van de Heer Jezus. Hij heeft alles gedaan door de kracht van de Heilige Geest. Hij heeft alleen door Hem gesproken en gehandeld. Dat moeten wij ook leren in onze wandel door de woestijn. Hoe meer we van de Heer Jezus in Zijn offer zien, hoe groter ons inzicht wordt in Zijn werk op het kruis, des te meer zal de Heilige Geest ook in ons leven kunnen werken.

Hetzelfde kan worden gezegd van de wijn. De wijn wordt uitgegoten, geplengd, vandaar de naam ‘plengoffer’. Wijn is een beeld van de vreugde. Het plengoffer doet denken aan de vreugde waarmee de Heer Jezus Zich heeft overgegeven. God wil dat we ook dat gedenken.

Paulus heeft daar iets van gevoeld. Hij zegt tegen de Filippiërs dat hij “een drankoffer” wil zijn “over de offerend en bediening” van hun geloof (Fp 2:1717Maar ook al word ik als een drankoffer uitgegoten over de offerande en bediening van uw geloof, dan verblijd ik mij, en ik verblijd mij met u allen.). Hij wil door zijn dood God een extra aanleiding geven om Zich te verheugen bij de vreugde die Hij al geniet door het offer van de Filippiërs. Het is ook voor Paulus een vreugde als hij eraan denkt dat hij zijn hele leven heeft gegeven om anderen, waaronder de Filippiërs, als een offer aan God aan te bieden (vgl. Rm 15:1616dat ik een dienaar van Christus Jezus zou zijn voor de volken, om het evangelie van God priesterlijk te bedienen, opdat de offerande van de volken welgevallig zou zijn, geheiligd door [de] Heilige Geest.).

De apostel ziet heel hun geloof en dienstbetoon als een offer aan God. Zij stellen hun lichamen “tot een levende offerande” (Rm 12:11Ik vermaan u dan, broeders, door de ontfermingen van God, dat u uw lichamen stelt tot een levende offerande, heilig, voor God welbehaaglijk, [dat is] uw redelijke dienst.). Dat vormt voor hem het hoofdoffer. Hun geloof is actief in het offeren van zichzelf en het dienen van God en anderen. Dat vindt Paulus groter dan zijn leven. Zijn martelaarsdood zal daar als een veel kleiner drankoffer over uitgegoten worden (2Tm 4:66Want ik word al als een drankoffer uitgegoten en de tijd van mijn heengaan is aangebroken.).

Hoe groter het offer is dat we brengen, dat wil zeggen hoe groter ons inzicht is in het werk dat de Heer Jezus op het kruis heeft verricht, hoe groter zal ook ons plengoffer zijn. Dan zullen wij niet met verdrietige gezichten rondlopen, maar met Zijn vreugde en Zijn gezindheid in onze harten.

Zijn wij alleen onder de indruk van de goddeloosheid van het volk? Of zien we op de heerlijkheid van de Heer Jezus? Dat is wat God ons met Numeri 15 wil leren. Hij wil ons optrekken tot het niveau van Zijn gedachten. Dan gaan we niet ten onder aan de smart van het verval, maar gaan we op in de vreugde van het werk van de Heer Jezus, waarvan het drankoffer spreekt.


De vreemdeling en het vuuroffer

13Elke ingezetene [van het land] moet deze dingen zo doen om een vuuroffer, een aangename geur voor de HEERE, aan te bieden. 14En wanneer er een vreemdeling bij u verblijft of in uw midden is, [al] uw generaties door, moet hij een vuuroffer, een aangename geur voor de HEERE, offeren. Net zoals u doet, zo moet [ook] hij doen. 15[U,] gemeente, voor u en voor de vreemdeling die [bij u] verblijft, geldt één verordening, een eeuwige verordening, [al] uw generaties door: net zoals u, zo moet [ook] de vreemdeling voor het aangezicht van de HEERE zijn. 16Eén wet en één bepaling geldt voor u en voor de vreemdeling die bij u verblijft.

Als alles zo wordt betrokken op de Heer Jezus, verdwijnt voor God het verschil tussen Jood en heiden. Vandaar dat we in deze verzen lezen dat voor een vreemdeling hetzelfde geldt als voor de geboren Israëliet. Ook de vreemdeling heeft het voorrecht zulke vuuroffers te brengen. Dat betekent niet alleen dat hij hetzelfde moet doen als de Israëliet, maar dat hij voor de HEERE dezelfde positie als de Israëliet inneemt.

De plaats die de heiden hier naast de Israëliet krijgt (vers 15b15[U,] gemeente, voor u en voor de vreemdeling die [bij u] verblijft, geldt één verordening, een eeuwige verordening, [al] uw generaties door: net zoals u, zo moet [ook] de vreemdeling voor het aangezicht van de HEERE zijn.), is uniek in het Oude Testament. Altijd wordt het onderscheid gehandhaafd. En als er zegen voor de heidenen is, dan is dat door middel van Israël, dus niet op voet van gelijkheid. Hoe kan het dan dat dit hier staat? Omdat, zoals gezegd, God hier denkt aan het offer van de Heer Jezus. Waar Hij naar voren komt, kan er in Gods handelen met de mens geen verschil zijn. Jood en heiden hebben evenzeer gezondigd “en komen tekort aan de heerlijkheid van God” (Rm 3:23b23Want allen hebben gezondigd en komen tekort aan de heerlijkheid van God,). Daarom zijn ze beiden ook van dezelfde genade afhankelijk (Rm 10:11-1211Want de Schrift zegt: ‘Ieder die in Hem gelooft, zal niet beschaamd worden’.12Want er is geen onderscheid tussen Jood en Griek, want dezelfde Heer van allen is rijk jegens allen die Hem aanroepen:; 11:3232Want God heeft allen onder [het] ongeloof besloten, opdat Hij aan allen barmhartigheid zou bewijzen.). Op grond van het werk van de Heer Jezus kan God met Jood en heiden op dezelfde grondslag handelen.


Het hefoffer

17De HEERE sprak tot Mozes: 18Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: Als u gekomen bent in het land waarheen Ik u breng, 19en het gebeurt dat u van het brood van het land eet, dan moet u de HEERE een hefoffer brengen. 20U moet van de eerstelingen van uw deeg een koek als hefoffer brengen. U moet dat, net als het hefoffer, van de dorsvloer brengen. 21U moet van de eerstelingen van uw deeg de HEERE een hefoffer geven, [al] uw generaties door.

Opnieuw spreekt God over het feit dat ze in het land zullen komen. Dat is opnieuw een troost voor de ‘Kalebs’ in het volk. Er volgt een nieuwe inzetting. Als ze in het land komen, mogen ze eten van wat het land opbrengt. Maar God wil daar ook Zijn deel van hebben. Dat kunnen ze Hem geven in de vorm van een hefoffer. Het hefoffer is een offer dat op en neer wordt bewogen voor het aangezicht van de HEERE. Hier is het een koek, bereid van de vrucht van het land.

Om het gerst tot meel en het meel tot een koek te maken moet de Israëliet zich er actief mee bezighouden. Dat geldt ook in geestelijk opzicht. Er moet een werk in ons hart gebeuren, we moeten er in ons hart mee bezig zijn, willen we God iets kunnen aanbieden van de Heer Jezus. Bij elke bewerking ervan wil God het eerst Zijn deel krijgen. God wil dat we eraan denken dat Hij het is Die ons het voedsel geeft dat we mogen genieten. In het hefoffer laten we Hem er als het ware van meegenieten en wel als Eerste.

Het hefoffer van het land spreekt van de Heer Jezus zoals Hij nu is in de hemel. God wil dat we indringen in wat de Heer Jezus nu is. Alles wat we genieten van de Heer Jezus in onze geestelijke groei in het kennen van Hem zoals Hij in de hemel is, daarvan wil God van ons een hefoffer krijgen. We tillen het omhoog, naar Hem, om Hem te laten meegenieten van wat wij van de Heer Jezus hebben genoten. In Ezechiël 44:30 wordt een bijzondere zegen verbonden aan het geven van eerstelingen.

Het gaat hier niet om bijzondere gelegenheden, zoals de feesten van de HEERE, maar juist om het gewone leven van alle dag. God wenst de eerstelingen te ontvangen van wat wij in onze dagelijkse omgang met Hem als geestelijk voedsel genieten. Hij wenst dus dat wij Hem als Eerste deelgenoot maken van wat wij hebben genoten. Pas daarna kunnen wij wat we van de Heer Jezus hebben gezien weer doorgeven aan anderen. Dat kan gebeuren bijvoorbeeld in een gesprek, een bijbelbespreking of lezing.


Zonde zonder opzet en met opzet

22En wanneer u zonder opzet gezondigd hebt, en niet al deze geboden gedaan hebt, die de HEERE tot Mozes gesproken heeft 23– alles wat de HEERE u door de dienst van Mozes geboden heeft, vanaf de dag dat de HEERE het geboden heeft en daarna, [al] uw generaties door – 24wanneer het zal zijn dat iets zonder opzet gedaan is, iets wat voor de ogen van de gemeenschap [verborgen was], dan moet heel de gemeenschap volgens de bepaling één jonge stier, het jong van een rund, als brandoffer bereiden, als een aangename geur voor de HEERE, met het bijbehorende graanoffer en het bijbehorende plengoffer, en één geitenbok als zondoffer. 25Dan moet de priester verzoening doen voor heel de gemeenschap van de Israëlieten, en het zal hun vergeven worden, want het was zonder opzet. Zij hebben zelf hun offergave gebracht, een vuuroffer voor de HEERE, en hun zondoffer, voor het aangezicht van de HEERE, vanwege hun [zonde] zonder opzet. 26Dan zal het heel de gemeenschap van de Israëlieten vergeven worden, en [ook] de vreemdeling die in hun midden verblijft, want het is heel het volk zonder opzet [overkomen]. 27Als nu één persoon zonder opzet gezondigd heeft, moet hij een geit van een jaar oud als zondoffer aanbieden. 28Dan moet de priester verzoening doen voor die persoon die zonder opzet [gezondigd heeft], met een onopzettelijke zonde, voor het aangezicht van de HEERE, om verzoening voor hem te doen, en het zal hem vergeven worden. 29Voor de ingezetene onder de Israëlieten, en voor de vreemdeling die in hun midden verblijft: één wet geldt voor u, voor hem die zonder opzet [zonde] doet. 30Maar de persoon die iets met opgeheven hand doet, van de ingezetenen of van de vreemdelingen, die lastert de HEERE: die persoon moet uit het midden van zijn volk uitgeroeid worden, 31want hij heeft het woord van de HEERE veracht en Zijn gebod verbroken. Die persoon moet beslist uitgeroeid worden, zijn ongerechtigheid is op hem.

Er is nog een aspect in verbinding met het land dat de HEERE hier aan Zijn volk voorhoudt. Dat betreft de overtredingen waarin het volk ook in het land zal kunnen vallen. De HEERE stelt niet alleen de zegen, Hij stelt ook het falen voor. We zien dat in de brieven die spreken over de hemelse zegeningen. Daarin is ook sprake van falen. Dat gebeurt als we niet waardig wandelen, dat wil zeggen niet in overeenstemming met onze positie.

Het gaat om onoplettendheid, een zonde zonder er erg in te hebben. God veronderstelt niet dat wij opzettelijk zondigen. Iemand die zondigt, weet dat vaak wel, maar heeft dan niet de kracht de zonde te weerstaan. Toch zal hij, terwijl hij zondigt, tegelijk de zonde haten die weer macht over hem heeft gekregen. Hoe de gelovige tegenover deze onopzettelijke, voor hem zelf verborgen zonde staat, wordt mooi weergegeven door David: Wie zou [al zijn] afdwalingen opmerken? Reinig mij van verborgen [afdwalingen]” (Ps 19:1313Wie zou [al zijn] afdwalingen opmerken?
Reinig mij van verborgen [afdwalingen].
)
.

In Leviticus is ook sprake van onopzettelijk zondigen door de hele gemeente van Israël en het offer dat daarvoor moet worden gebracht (Lv 4:13-2113Als echter heel de gemeenschap van Israël zonder opzet gezondigd heeft en de zaak voor de ogen van de gemeente verborgen is gebleven, en zij iets gedaan hebben [tegen] enig gebod van de HEERE, wat niet gedaan mag worden, en [dus] schuldig zijn geworden,14en als de zonde die zij daartegen begaan hebben, bekend is geworden, dan moet de gemeente een jonge stier – het jong van een rund – als zondoffer aanbieden en die vóór de tent van ontmoeting brengen.15Vervolgens moeten de oudsten van de gemeenschap hun handen op de kop van de jonge stier leggen, voor het aangezicht van de HEERE. Daarna moet men de jonge stier slachten voor het aangezicht van de HEERE.16Dan moet de priester, de gezalfde, [een deel] van het bloed van de jonge stier naar de tent van ontmoeting brengen.17En de priester moet zijn vinger in [een deel] van het bloed dopen en [dat] zeven keer sprenkelen voor het aangezicht van de HEERE, namelijk vóór het voorhangsel.18[Een deel] van het bloed moet hij dan op de horens van het altaar strijken dat voor het aangezicht van de HEERE is, in de tent van ontmoeting. En al het [overige] bloed moet hij uitgieten aan de voet van het brandofferaltaar, dat [bij] de ingang van de tent van ontmoeting staat.19Verder moet hij ook al zijn vet eruit omhoogheffen en op het altaar in rook laten opgaan.20Hij moet dan met de jonge stier doen net zoals hij met de jonge stier van het zondoffer gedaan heeft. Zo moet hij ermee doen. Zo zal de priester voor hen verzoening doen, en het zal hun vergeven worden.21Vervolgens moet hij de jonge stier naar buiten brengen, tot buiten het kamp, en hem verbranden, net zoals hij de eerste jonge stier verbrand heeft. Het is een zondoffer van de gemeente.). Daar gaat het om iets doen wat volgens de geboden van de HEERE niet gedaan moet worden, terwijl het hier gaat om iets niet doen dat volgens de geboden van de HEERE wel gedaan moet worden. Uitgangspunt blijft dat het onopzettelijk gebeurt.

De verloochening van de Heer door Petrus is een voorbeeld van een onopzettelijke zonde. Petrus is door zijn zelfvertrouwen gekomen op een plaats waar hij zichzelf niet meer in de hand heeft. Door mensenvrees komt hij tot laffe uitspraken aangaande zijn verhouding tot de Heer Jezus. Maar hij is daardoor geen tegenstander van de Heer geworden. Even later komt hij tot diep berouw (Lk 22:56-6256Een dienstmeisje nu zag hem bij het licht zitten en keek hem scherp aan en zei: Ook deze was bij Hem.57Hij echter loochende het en zei: Ik ken Hem niet, vrouw.58En kort daarna zag een ander hem en zei: Ook u bent een van hen. Petrus echter zei: Mens, ik ben het niet!59En na verloop van ongeveer één uur verzekerde een ander en zei: In waarheid, ook deze was bij Hem, want ook hij is een Galileeër.60Petrus echter zei: Mens, ik weet niet wat u zegt. En onmiddellijk, terwijl hij nog sprak, kraaide [de] haan.61En de Heer keerde Zich om en keek Petrus aan; en Petrus herinnerde zich het woord van de Heer, hoe Hij tot hem gezegd had: Voordat [de] haan vandaag kraait, zul je Mij driemaal verloochenen.62En hij ging naar buiten en weende bitter.; vgl. 1Tm 1:1313mij die vroeger een lasteraar, een vervolger en een smader was; maar mij is barmhartigheid bewezen, omdat ik het onwetend heb gedaan, in ongeloof;).

Met opzettelijk zondigen, dat is zondigen “met opgeheven hand” (verzen 30-3130Maar de persoon die iets met opgeheven hand doet, van de ingezetenen of van de vreemdelingen, die lastert de HEERE: die persoon moet uit het midden van zijn volk uitgeroeid worden,31want hij heeft het woord van de HEERE veracht en Zijn gebod verbroken. Die persoon moet beslist uitgeroeid worden, zijn ongerechtigheid is op hem.), wordt opstand tegen God bedoeld, bewust tegen God ingaan, met moedwil. Daarvoor is geen vergeving: Want als wij moedwillig zondigen nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, blijft er geen slachtoffer voor [de] zonden meer over” (Hb 10:2626Want als wij moedwillig zondigen nadat wij de kennis van de waarheid ontvangen hebben, blijft er geen slachtoffer voor [de] zonden meer over,). Iemand die een dergelijke houding tegenover God aanneemt, is niet te zwak om de zonde te weerstaan, maar geeft heel bewust aan de zonde toe. Hij beseft wat hij doet, kent de gevolgen, maar er is niets wat hem kan tegenhouden.

In Leviticus 4, waar de onopzettelijke zonde uitvoerig wordt behandeld, wordt alleen gesproken over een zondoffer. Maar hier wordt ook gesproken over een brandoffer, dat ook nog eens groter is dan het zondoffer. Dat komt omdat het hier gaat om een zonde in het land. Daar te zijn geeft een grotere verantwoordelijkheid. Als we daar zondigen, hebben we ook de zegeningen in gevaar gebracht. Daarom is hier sprake van een brandoffer, om als het ware er opnieuw aan te herinneren dat onze zegeningen het gevolg zijn van het werk van de Heer Jezus voor God.

Er worden in dit gedeelte twee gevallen voorgesteld waarin gezondigd wordt: door de gemeente (verzen 22-2622En wanneer u zonder opzet gezondigd hebt, en niet al deze geboden gedaan hebt, die de HEERE tot Mozes gesproken heeft23– alles wat de HEERE u door de dienst van Mozes geboden heeft, vanaf de dag dat de HEERE het geboden heeft en daarna, [al] uw generaties door –24wanneer het zal zijn dat iets zonder opzet gedaan is, iets wat voor de ogen van de gemeenschap [verborgen was], dan moet heel de gemeenschap volgens de bepaling één jonge stier, het jong van een rund, als brandoffer bereiden, als een aangename geur voor de HEERE, met het bijbehorende graanoffer en het bijbehorende plengoffer, en één geitenbok als zondoffer.25Dan moet de priester verzoening doen voor heel de gemeenschap van de Israëlieten, en het zal hun vergeven worden, want het was zonder opzet. Zij hebben zelf hun offergave gebracht, een vuuroffer voor de HEERE, en hun zondoffer, voor het aangezicht van de HEERE, vanwege hun [zonde] zonder opzet.26Dan zal het heel de gemeenschap van de Israëlieten vergeven worden, en [ook] de vreemdeling die in hun midden verblijft, want het is heel het volk zonder opzet [overkomen].) en door de enkeling (verzen 27-2927Als nu één persoon zonder opzet gezondigd heeft, moet hij een geit van een jaar oud als zondoffer aanbieden.28Dan moet de priester verzoening doen voor die persoon die zonder opzet [gezondigd heeft], met een onopzettelijke zonde, voor het aangezicht van de HEERE, om verzoening voor hem te doen, en het zal hem vergeven worden.29Voor de ingezetene onder de Israëlieten, en voor de vreemdeling die in hun midden verblijft: één wet geldt voor u, voor hem die zonder opzet [zonde] doet.). We kunnen dat verbinden met de zegeningen, want die zijn er ook in deze twee vormen: er zijn gemeenschappelijke zegeningen voor de gemeente als geheel (Ef 3) en er zijn persoonlijke zegeningen voor iedere gelovige afzonderlijk (Ef 1:3-83Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,4zoals Hij ons in Hem heeft uitverkoren vóór [de] grondlegging van [de] wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn vóór Hem in [de] liefde,5terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van Zijn wil,6tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,7in Wie wij de verlossing hebben door Zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom van Zijn genade,8waarmee Hij jegens ons overvloedig is geweest in alle wijsheid en inzicht;). Waar zonde zijn intrede doet, verdwijnt het genot van de zegen, zowel voor het geheel als voor het individu.


De sabbatschender

32Toen de Israëlieten in de woestijn waren, troffen zij een man aan die hout sprokkelde op de sabbatdag. 33En zij die hem aantroffen terwijl hij hout sprokkelde, brachten hem naar Mozes en naar Aäron, en naar heel de gemeenschap. 34Zij namen hem in hechtenis, want er was [nog] geen beslissing genomen wat met hem gedaan moest worden. 35Toen zei de HEERE tegen Mozes: Die man moet zeker gedood worden. Heel de gemeenschap moet hem met stenen stenigen buiten het kamp. 36Toen bracht heel de gemeenschap hem weg tot buiten het kamp, en zij stenigden hem met stenen, zodat hij stierf, zoals de HEERE Mozes geboden had.

In deze verzen krijgen we een voorbeeld van een zonde met opgeheven hand (vers 3030Maar de persoon die iets met opgeheven hand doet, van de ingezetenen of van de vreemdelingen, die lastert de HEERE: die persoon moet uit het midden van zijn volk uitgeroeid worden,) door iemand die het woord van de HEERE veracht (vers 3131want hij heeft het woord van de HEERE veracht en Zijn gebod verbroken. Die persoon moet beslist uitgeroeid worden, zijn ongerechtigheid is op hem.). De sabbat schenden betekent de rust van God schenden. De sabbat is door God aan de mens tot zegen gegeven. Door de zonde van de mens is het een gebod geworden. Toch blijft de bedoeling van God met de sabbat dat de mens op die dag mag delen in Zijn rust, dat hij dan niet hoeft te werken.

De sabbat hoort bij de eerste schepping. Later heeft God de sabbat opgenomen in Zijn wet die Hij aan Zijn volk geeft. Gelovigen van de gemeente zijn “een nieuwe schepping” (Gl 6:1515Want noch besnijdenis is iets, noch onbesneden zijn, maar een nieuwe schepping.) en “niet onder de wet, maar onder de genade” (Rm 6:1414Want [de] zonde zal over u niet heersen; want u bent niet onder [de] wet, maar onder [de] genade.). In letterlijke zin geldt de sabbat dan ook niet voor hen. Waar zij van mogen genieten, is de sabbatsrust in geestelijke zin. Zij mogen genieten van de sabbatsrust van God die Hij heeft gevonden in het volbrachte werk van Zijn Zoon. God rust in Zijn Zoon. Die rust wordt vertreden als we toch werken van het vlees voortbrengen.

De zondag is niet de sabbat. Door van de zondag een verkapte sabbat te maken is die dag in de christenheid een dag van geboden en verboden geworden. Juist de mensen die de eerste dag van de week als sabbat houden, zijn sabbatsschenders, want zij menen door werken van de wet, zoals het houden van de ‘sabbat’, God aangenaam te zijn. Dan sta je niet op de grondslag van de genade. Rusten in de rust van God wil zeggen staan in de genade. De zondag als sabbat houden is voor velen geen vreugde, maar een last, omdat niets mag. Dan wordt de verkapte sabbat een juk.

De sabbatsschender verzamelt dode takken. Dat is een beeld van het verrichten van dode werken. Dat zijn werken waarin geen leven uit God zit. Dode werken zijn werken die uit ons godsdienstige vlees voortkomen (Hb 9:1414hoeveel te meer zal het bloed van Christus, Die door [de] eeuwige Geest Zichzelf vlekkeloos aan God heeft geofferd, ons geweten reinigen van dode werken, om [de] levende God te dienen.). Boze werken komen voort uit ons verdorven vlees (Ko 1:2121En u, die er vroeger vreemd aan was en vijandig gezind was door uw boze werken, heeft Hij echter nu verzoend). Dode werken hoeven niet boos te zijn, maar als ze voortkomen uit een onwedergeboren hart of geschieden in het kader van een vleselijke religie, zijn ze dood. Tegenover de dode werken staat het dienen van de levende God.

Dode werken zijn werken die het product zijn van een schepsel dat in Gods oog “dood” is in “overtredingen en zonden” (Ef 2:11En u [heeft God opgewekt], toen u dood was in uw overtredingen en zonden,). Ze ontspringen niet uit de bron van alle ware leven, dat is God Zelf. Dat soort werken zijn brandhout, alleen goed voor het vuur. Dit herkennen we in allen die zich stellen op de grondslag van werken van de wet. Zij stellen zich onder de vloek, “want allen die op grond van werken van [de] wet zijn, zijn onder [de] vloek; want er staat geschreven: ’Vervloekt is ieder die niet volhardt in alles wat geschreven staat in het boek van de wet, om dat te doen’” (Gl 3:1010Want allen die op grond van werken van [de] wet zijn, zijn onder [de] vloek; want er staat geschreven: ‘Vervloekt is ieder die niet volhardt in alles wat geschreven staat in het boek van de wet, om dat te doen’.).

De man mag geen vuur maken op de sabbat (Ex 35:33U mag op de sabbatdag in geen van uw woongebieden vuur aansteken.). Vuur geeft licht en warmte. God wil dat we eraan denken dat dit alleen te vinden is in Jezus Christus en niet bij iets wat een mens presteert. Het aangezicht van Mozes dat heeft geglansd van de heerlijkheid van God (Ex 34:3535En als de Israëlieten aan het gezicht van Mozes zagen dat de huid van het gezicht van Mozes glansde, dan deed Mozes de doek weer over zijn gezicht, totdat hij naar binnen ging om met Hem te spreken.), doet denken aan de lichtglans die in Christus te zien is (2Ko 4:4-64in wie de god van deze eeuw de gedachten van deze ongelovigen verblind heeft, opdat de lichtglans van het evangelie van de heerlijkheid van Christus, Die [het] beeld van God is, [hen] niet zou bestralen.5Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus als Heer, en onszelf als uw slaven om Jezus’ wil.6Want de God Die gezegd heeft: ‘Uit duisternis zal licht schijnen’, Die heeft geschenen in onze harten tot [de] lichtglans van de kennis van de heerlijkheid van God in [het] aangezicht van <Jezus> Christus.). Dit is het enige licht dat gezien mag worden, en niet het vuur dat door mensen is gemaakt. Het aangezicht van Jezus Christus straalt, niet wat wij presteren.

De sabbat spreekt van Gods rust. Daarin wil Hij de mens laten delen. Deze man stoort zich daar niet aan. Hij sprokkelt hout, doet werken, om zich bij het vuur daarvan te warmen. Het is een beeld van het wandelen in het licht van eigen vuur, eigen ervaring, eigen meningen, eigen resultaten. Het wijst op het verzamelen van godsdienstige verrichtingen, maar het is dood hout, het zijn dode werken. Wie zich daaraan willens en wetens overgeeft, sterft zonder barmhartigheid.

De man wordt in bewaring gesteld. Dan wordt God geraadpleegd. Dat is belangrijk. De gemeente mag alleen straf uitoefenen die in overeenstemming is met de overtreding. God bepaalt de strafmaat. Er zijn gevallen van tucht waarbij de gemeente niet goed weet wat er moet gebeuren. Dan kan het nodig zijn dat iemand ‘in hechtenis wordt genomen’, wat we kunnen toepassen door iemand te zeggen dat hij voorlopig niet deelneemt aan het avondmaal, tot de Heer duidelijk maakt wat er moet gebeuren. Het is in dat soort gevallen beter te wachten en de plaats van een onwetende in te nemen, terwijl we in die tijd van onwetendheid erop vertrouwen dat de Heer hoort en voor ons zorgt.

In dit geval luidt Gods oordeel: stenigen. De stenen worden door de hele gemeente gegooid. De toepassing voor de gemeente van God in deze tijd is het wegdoen van de boze uit het midden van de gemeente (1Ko 5:13b13Maar hen die buiten zijn, zal God oordelen. Doet de boze uit uw midden weg.). Dat is ook een zaak van het geheel.


De gedenkkwasten

37De HEERE sprak tot Mozes: 38Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen dat zij voor zichzelf, [al] hun generaties door, kwastjes moeten maken aan de hoeken van hun kleren. Aan de kwastjes aan de hoek moeten zij een blauwpurperen draad bevestigen. 39Die zal voor u aan de kwastjes zitten, opdat u, wanneer u hem ziet, aan al de geboden van de HEERE denkt en die doet, zodat u niet uw [eigen] hart en uw [eigen] ogen zult onderzoeken, waar u als in hoererij achteraan gaat; 40opdat u aan al Mijn geboden denkt en die doet, en heilig bent voor uw God. 41Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte geleid heeft, om u tot een God te zijn. Ik ben de HEERE, uw God.

Mogelijk geeft God het bevel tot het maken en dragen van deze kwastjes naar aanleiding van de geschiedenis met de sabbatsschender. Wat hier staat, is een samenvatting van het voorgaande. Het volk wordt met het land beziggehouden. De gedachte aan het land moet nu elke stap die ze in de woestijn zetten, kenmerken. De blauwpurperen draad herinnert aan de hemel. Hemelse beginselen moeten de kleinste bijzonderheden in ons leven bepalen, zelfs die bijzonderheden die het dichtst bij de aarde zijn. Dan zullen we het kwade, waardoor we Gods oordeel over ons brengen, vermijden.

Gedenkkwastjes of franje zitten aan de hoeken van de kleren, onderaan (Dt 22:1212Aan de vier hoeken van het bovenkleed waarin u zich hult, moet u voor uzelf kwastjes maken.). De afmetingen worden er niet bij gegeven. De farizeeën maken ze groot. Zij willen daarmee aan iedereen laten zien hoezeer zij zich aan Gods gebod houden. De Heer Jezus bestraft hen, omdat zij alleen uiterlijk te koop lopen met hun vroomheid, maar innerlijk er ver vandaan zijn (Mt 23:55Al hun werken nu doen zij om door de mensen gezien te worden; want zij maken hun gebedsriemen breed en hun kwasten groot;).

De blauwpurperen draad zien we ook bij de voorhoofdplaat van de hogepriester (Ex 28:35-3735Aäron moet dat namelijk dragen wanneer [hij] dienst doet, zodat het geluid ervan gehoord wordt als hij in het heiligdom binnenkomt voor het aangezicht van de HEERE, en als hij naar buiten gaat, opdat hij niet zal sterven.36U moet ook een plaat maken van zuiver goud en daarin graveren, zoals men zegels graveert: DE HEILIGHEID VAN DE HEERE.37U moet die bevestigen met een blauwpurperen koord, zodat hij aan de tulband [vast]zit. Hij moet aan de voorkant van de tulband zitten.). Die plaat is met een blauwpurperen draad aan zijn voorhoofd bevestigd. Op die plaat staat “DE HEILIGHEID VAN DE HEERE”. Daarmee brengt hij het volk in gedachtenis bij God. Het hoofd is in de richting van God. De zomen met de blauwe draad zijn bij de aarde. Zij herinneren aan de wandel in de woestijn. Het een is niet te scheiden van het ander.

De hemelsblauwe draad doet ons denken aan de opdracht: “Zoekt de dingen die boven zijn” (Ko 3:11Als u nu met Christus opgewekt bent, zoekt dan de dingen die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan Gods rechterhand.). Als ze naar de kwastjes kijken, worden ze aan de geboden herinnerd. Dan zullen ze ervoor bewaard worden hun hart (gevoelens en genegenheden) en hun ogen (wat ze zien) achterna te gaan. Er is niets wat ons beter in staat stelt te wandelen op aarde dan het bewustzijn dat we van de hemel zijn.

De reden van dit alles is dat de HEERE hen uit Egypte heeft geleid en dat Hij hun God is. Hij is “de HEERE, uw God”. Alles is met Hem verbonden, Hij is het centrum van alles. Voor ons, die uit de wereld verlost zijn (Gl 1:44Die Zichzelf heeft gegeven voor onze zonden, opdat Hij ons zou trekken uit de tegenwoordige boze eeuw, naar de wil van onze God en Vader,), zijn alle zegeningen verbonden met en samengevat in Hem Die in de hemel is.


Lees verder