1 Samuel
Inleiding 1-5 God en de afgoden 6-12 God en de afgodendienaars
Inleiding

In 1 Samuel 5-6 wordt alle belangstelling verlegd van Israël naar het land van de Filistijnen omdat de ark daar is. Waar Gods tegenwoordigheid is, daar is het ware centrum van de belangstelling. Silo verliest, na een driehonderdjarige aanwezigheid van de ark, het symbool van Gods tegenwoordigheid (Jz 18:11Vervolgens verzamelde zich heel de gemeenschap van de Israëlieten in Silo, en zij zetten daar de tent van ontmoeting op, nadat het land aan hen onderworpen was.; 19:5151Dit is het erfelijk bezit dat Eleazar, de priester, en Jozua, de zoon van Nun, en de familiehoofden van de stammen, door het lot aan de Israëlieten als erfelijk bezit toewezen, in Silo, voor het aangezicht van de HEERE, bij de ingang van de tent van ontmoeting. Zo voltooiden zij de verdeling van het land.). Hierdoor wordt Silo de voortdurende herinnering aan de zonde van het volk (Jr 7:12,1412Want ga toch naar Mijn plaats die in Silo was, daar waar Ik vroeger Mijn Naam heb laten wonen, en zie wat Ik daarmee gedaan heb vanwege de slechtheid van Mijn volk Israël.14zal Ik met dit huis waarover Mijn Naam is uitgeroepen, waarop u vertrouwt, en met deze plaats, die Ik u en uw vaderen gegeven heb, doen zoals Ik met Silo heb gedaan.).

God laat niet toe dat Zijn heerlijkheid in het land van de Filistijnen geweld wordt aangedaan. Daar zorgt Hij voor. Hij handhaaft Zijn eigen eer. De ark heeft de Filistijnen geen zegen gebracht. Zo zorgen bijbelkritische predikanten ervoor, niet dat de kerken vol worden, maar leeglopen. Hun prediking brengt dood en verderf. Dat willen ze niet allemaal bewust, maar dat is het resultaat.


God en de afgoden

1De Filistijnen hadden de ark van God [als buit] meegenomen en hem van Eben-Haëzer naar Asdod gebracht. 2Vervolgens namen de Filistijnen de ark van God, brachten hem in het huis van Dagon en plaatsten hem bij Dagon. 3Maar toen de inwoners van Asdod de andere dag vroeg opstonden, zie, Dagon was op zijn gezicht ter aarde gevallen vóór de ark van de HEERE. En zij namen Dagon en zetten hem weer op zijn plaats. 4Toen zij de volgende dag 's morgens vroeg opstonden, zie, Dagon lag op zijn gezicht ter aarde gevallen vóór de ark van de HEERE. Maar het hoofd van Dagon en zijn beide handpalmen lagen afgehakt op de drempel; alleen Dagons [romp] was [op zijn plaats] overgebleven. 5Daarom betreden de priesters van Dagon en allen die in het huis van Dagon komen, de drempel van Dagon in Asdod niet, tot op deze dag.

In dit hoofdstuk hebben we een stuk geschiedenis, niet van Israël, maar van de Filistijnen, omdat het symbool van Gods tegenwoordigheid daar is. In beeld spreekt dat ervan dat Gods aandacht op de plaats is, waar Zijn Zoon wordt gezien. Dit betekent niet dat God Zijn volk voorgoed heeft opgegeven of het niet meer liefheeft.

God geeft Zijn eer niet uit handen, hoewel dat soms zo lijkt. Als God zo handelt, blijkt altijd dat Hij daarmee een bedoeling heeft. Het resultaat is een grotere verheerlijking van Zijn Naam dan anders mogelijk was geweest. Zo zien we dat de Heer Jezus juist in de overlevering aan Zijn vijanden verheerlijkt is en dat daarin God “in Hem verheerlijkt” is (Jh 13:3131Toen hij dan naar buiten was gegaan, zei Jezus: Nu is de Zoon des mensen verheerlijkt en God is in Hem verheerlijkt.).

In hun dwaasheid plaatsen de Filistijnen de ark bij hun god Dagon. God en de afgoden kunnen niet samengaan (2Ko 6:14-16a14Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk. Want welk deelgenootschap hebben gerechtigheid en wetteloosheid? Of welke gemeenschap heeft licht met duisternis?15En welke overeenstemming heeft Christus met Belial? En welk deel heeft een gelovige met een ongelovige?16En welke overeenkomst heeft Gods tempel met afgoden? Want wij zijn [de] tempel van [de] levende God, zoals God gezegd heeft: ‘Ik zal onder hen wonen en wandelen, en Ik zal hun God zijn en zij zullen Mijn volk zijn’.). God laat niet met Zich spotten, maar spot daarentegen Zelf met de afgod. De Filistijnen maken op een ongedachte manier kennis met God. Ze menen Hem in hun macht te hebben, maar Hij laat zien dat zij in Zijn macht zijn.

Hoogstwaarschijnlijk is Dagon een visgod, half mens, half vis. Hij stelt een afgod voor van inzicht (mens) en menigte (vis). Dat is ook de afgod in de christenheid. De godsdienstige mens aanbidt het menselijk verstand en grote aantallen. Zo is er de redenering dat als veel mensen iets doen, het niet verkeerd kan zijn.

De Filistijnen zien het veroveren van de ark niet alleen als een overwinning op Israël, maar ook op de God van Israël. Heidenen vermeerderen hun goden, ze nemen er goden bij. De handelwijze van Israël is trouwens nog erger, want zij ruilen de ware God voor andere goden in.

De Filistijnen willen hun god eer bewijzen en de God van Israël kleineren, maar God handhaaft Zijn majesteit. Hij toont Zijn aanwezigheid en verhevenheid boven de god van de Filistijnen. Het is niet langer een zaak tussen God en Zijn volk, ook niet tussen God en de Filistijnen, maar tussen God en de afgoden. Gods aanwezigheid oordeelt de valse goden (Jr 50:22Verkondig onder de heidenvolken, laat het horen,
hef een banier omhoog, laat het horen,
verberg het niet, zeg: Babel is ingenomen,
 Bel staat beschaamd, Merodach is verpletterd.
Zijn afgoden staan beschaamd, zijn stinkgoden zijn verpletterd.
; Js 48:55daarom heb Ik het u van oudsher verkondigd;
voordat het kwam, heb Ik het u doen horen,
anders zou u zeggen: Mijn afgod heeft die dingen gedaan,
mijn gesneden beeld of mijn gegoten beeld heeft ze geboden.
)
.

Als het volk en/of de priesters de volgende morgen vroeg hun god willen offeren, treffen ze een god aan die als het ware in aanbidding voor de God van Israël is neergevallen (vgl. Ps 97:77Beschaamd moeten zijn allen die beelden dienen
en zich op de afgoden beroemen.
Buig u voor Hem neer, alle goden.
)
. Ze doen alsof het een ongelukje is. Zonder verder commentaar tillen ze hun god op en zetten hem weer overeind. Het is een god zonder kracht. Afgoden, gemaakt door mensenhanden, moeten altijd gedragen worden (Js 46:1-21Bel is gekromd, Nebo neergebogen,
hun afgods[beelden] zijn geworden
voor de dieren en voor de beesten;
uw opgeladen pakken zijn een last voor de vermoeide [dieren].
2Tezamen zijn ze neergebogen, gekromd.
Ze hebben de last niet kunnen redden,
maar zijn zelf in gevangenschap gegaan.
)
. Wat een verschil met de God van Israël, Die Zijn volk draagt (Js 46:3-43Luister naar Mij, huis van Jakob,
en heel het overblijfsel van het huis van Israël,
u, die [door Mij] gedragen bent vanaf de [moeder]schoot,
gedragen vanaf de baarmoeder.
4Tot [uw] ouderdom toe zal Ik Dezelfde zijn,
ja, tot [uw] grijsheid toe zal Ík [u] dragen;
Ík heb het gedaan en Ík zal [u] opnemen,
Ík zal dragen en redden.
)
. Jesaja laat het contrast tussen de afgoden en God op indrukwekkende wijze zien in de genoemde verzen.

De Filistijnen leren niets van het vallen van hun god. De volgende nacht breekt God de menselijke kenmerken eraf. Alleen het dierlijke – zoals gezegd is Dagon mogelijk een vis-mensgod – blijft over. In elk geval wordt deze god volkomen vernederd, zowel in zijn vermeende intelligentie – het hoofd is afgebroken, wat ook spreekt van gezag, besturing – als in zijn vermeende daden – de handen zijn afgebroken. De tegenstelling tussen de afgehouwen handen van Dagon en “de hand van de HEERE” (verzen 6,9,116En de hand van de HEERE drukte zwaar op de inwoners van Asdod en teisterde hen; Hij trof hen, [namelijk] Asdod en de bijbehorende gebieden, met gezwellen.9En het gebeurde, nadat zij hem overgebracht hadden, dat de hand van de HEERE op de stad drukte en er een zeer grote verwarring [ontstond], want Hij trof de inwoners van die stad van klein tot groot: zij kregen gezwellen.11Daarom stuurden zij [boden], brachten al de stadsvorsten van de Filistijnen bijeen, en zeiden: Stuur de ark van de God van Israël weg, en laat hem terugkeren naar zijn [eigen] plaats, zodat hij mij en mijn volk niet zal doden. Er was namelijk een dodelijke verwarring in de hele stad; de hand van God drukte er zeer zwaar.) die dingen bewerkt, is opmerkelijk.

Het gevolg van de vernedering van hun afgod is een toename van hun bijgeloof. Zó blind is de mens die zich voor afgoden buigt. De gewoonte die zij eerbied noemen, is een blijvend getuigenis van de onmacht van hun afgod. Elke keer dat zij over de drempel heenstappen, is een herinnering aan de afgang van hun god en aan de verhevenheid van de God van Israël.

Er is wel verondersteld dat de afgodische Israëlieten in de tijd van de profeet Zefanja Dagon als afgod hebben aangenomen en aanbidden (Zf 1:9a9Ook zal Ik op die dag straffen allen die over de drempel springen,
die het huis van hun heren vullen met geweld en bedrog.
)
. Op de drempel stappen betekent die verontreinigen. Daarom stapt men er overheen. Of men valt ervoor neer en kust de drempel. Toen het christendom steeds meer verdorven werd, vond deze aanbidding van de drempel van de kerken ook plaats. Er zijn altijd bijgelovige elementen in Europa geweest. De afgoden zijn opgenomen in het rooms-katholicisme. Het is te zien in het in processies ronddragen van beelden. Het is als het ware het ronddragen van de romp.


God en de afgodendienaars

6En de hand van de HEERE drukte zwaar op de inwoners van Asdod en teisterde hen; Hij trof hen, [namelijk] Asdod en de bijbehorende gebieden, met gezwellen. 7Toen de mannen van Asdod zagen dat het er zo [aan toeging], zeiden zij: Laat de ark van de God van Israël niet bij ons blijven, want Zijn hand drukt hard op ons en op Dagon, onze god. 8Daarom stuurden zij [boden], brachten al de stadsvorsten van de Filistijnen bijeen en zeiden: Wat zullen wij met de ark van de God van Israël doen? En die zeiden: Laat de ark van de God van Israël naar Gath overgebracht worden. Daarop brachten zij de ark van de God van Israël [daarheen] over. 9En het gebeurde, nadat zij hem overgebracht hadden, dat de hand van de HEERE op de stad drukte en er een zeer grote verwarring [ontstond], want Hij trof de inwoners van die stad van klein tot groot: zij kregen gezwellen. 10Toen stuurden zij de ark van God naar Ekron. Het gebeurde echter, toen de ark van God in Ekron kwam, dat de inwoners van Ekron het uitschreeuwden: Zij hebben de ark van de God van Israël naar mij overgebracht om mij en mijn volk te doden. 11Daarom stuurden zij [boden], brachten al de stadsvorsten van de Filistijnen bijeen, en zeiden: Stuur de ark van de God van Israël weg, en laat hem terugkeren naar zijn [eigen] plaats, zodat hij mij en mijn volk niet zal doden. Er was namelijk een dodelijke verwarring in de hele stad; de hand van God drukte er zeer zwaar. 12De mensen die niet stierven, werden getroffen met gezwellen, zodat het hulpgeroep van de stad opsteeg naar de hemel.

Nadat God met hun afgod heeft afgerekend, gaat Hij Zich bezighouden met de afgodendienaars. Hij doet hun Zijn oordeel voelen. Hij slaat hen met gezwellen, waarbij wel gedacht is aan aambeien of etterende gezwellen. Het slaan met gezwellen betekent het uitbreken van onzinnigheid. Het maakt duidelijk dat God opkomt voor de eer van Zijn Zoon. Er is ook een plaag van muizen geweest, waardoor God ook het land en de opbrengst ervan treft (1Sm 6:55Maak beeldjes van uw gezwellen en beeldjes van uw muizen die het land te gronde richten, en geef eer aan de God van Israël. Misschien zal Hij [de druk van] Zijn hand op u, op uw goden en op uw land verlichten.).

De stadsvorsten van de Filistijnen beraadslagen wat ze met deze God moeten doen. Ze willen van Hem af en de plagen naar iemand anders sturen. Hun afwijzing van de ark doet denken aan de afwijzing van de Heer Jezus door de Gerasenen. Deze lieden smeken de Heer Jezus uit hun gebied te vertrekken, omdat ze door Hem hun zwijnen zijn kwijtgeraakt. Dat er een bezetene genezen is, laat hen volkomen onverschillig. Ze hebben liever het gezelschap van een bezetene, en dus van demonen, en de zwijnen dan van de Heiland (Mk 5:13-1713En Jezus liet het hun toe. En de onreine geesten gingen uit [de man] en gingen in de varkens; en de kudde stortte zich van de steilte in de zee, ongeveer tweeduizend, en zij verdronken in de zee.14En zij die ze weidden, vluchtten en berichtten het in de stad en op de velden. En zij kwamen zien wat er was gebeurd.15En zij kwamen tot Jezus en zagen de bezetene zitten, gekleed en goed bij zijn verstand, hem die het legioen had gehad, en zij werden bevreesd.16En zij die het hadden gezien, vertelden hun hoe het met de bezetene was gebeurd, en over de varkens.17En zij begonnen Hem te smeken uit hun gebied weg te gaan.).

De stadsvorsten zijn nog onwillig hun overwinning op te geven. In hun kortzichtig bijgeloof gaan ze ervan uit dat het gewoon plaatselijke pech moet zijn geweest voor Asdod. De ark moet naar Gath. Het resultaat van hun overleg is dat de rampen over de hele Filistijnse gemeenschap komen. Het gaat weer als in Egypte. God wil door plagen laten zien dat Hij er is en Hij wil hen dwingen Zijn ark – die hier steeds “de ark van God” wordt genoemd, ook door de Filistijnen! – uit het Filistijnse land weer naar Zijn land te laten gaan.

De plagen zijn niet alleen dwangmiddelen. Het zijn ook waarschuwingen, oproepen tot bekering. Toch bekeert de geplaagde mens zich niet (vgl. Op 16:8-118En de vierde goot zijn schaal uit op de zon, en haar werd gegeven de mensen met vuur te verbranden;9en de mensen werden verbrand door grote hitte en lasterden de Naam van God, Die de macht over deze plagen had, en zij bekeerden zich niet om Hem heerlijkheid te geven.10En de vijfde goot zijn schaal uit op de troon van het beest, en zijn koninkrijk werd verduisterd; en zij kauwden hun tongen van pijn11en lasterden de God van de hemel vanwege hun pijnen en vanwege hun zweren, en zij bekeerden zich niet van hun werken.). In het oordeel is geen aanzien des persoons. Klein of groot, rijk of arm, jong of oud, vrouw of man, God slaat hen allen. Zo zullen ook de grote en kleine zondaars voor de grote, witte troon staan en geoordeeld worden (Op 20:1212En ik zag de doden, de groten en de kleinen, voor de troon staan; en er werden boeken geopend. En een ander boek werd geopend, namelijk dat van het leven. En de doden werden geoordeeld volgens wat in de boeken geschreven was, naar hun werken.).

Na Gath willen ze de ark van God naar een derde stad, naar Ekron, sturen. Altijd wil de mens anderen opschepen met de problemen die hij zelf niet kan oplossen. Tegelijk gebruikt God dit als middel om de ark een triomftocht te laten maken (vgl. 2Ko 2:1414En God zij dank, Die ons altijd in triomf omvoert in Christus en de reuk van Zijn kennis door ons openbaar maakt op elke plaats.).

We zien dat plagen het hart van de mens niet veranderen. Het volk wil dat de ark terugkeert naar zijn eigen plaats. Ze wijzen op het onheil dat de ark hun heeft gebracht. We kunnen hier de les leren dat wie in bijgeloof meent een claim op Christus te kunnen leggen, zoals de roomse kerk doet, door plagen getroffen zal worden (Op 17-18).


Lees verder