1 Samuel
1 Het woord van de HEERE is schaars 2-10 De HEERE roept Samuel 11-14 Het oordeel over Eli en zijn huis 15-18 Wat de HEERE heeft gezegd 19-21 De HEERE is met Samuel
Het woord van de HEERE is schaars

1En de jonge Samuel diende de HEERE onder toezicht van Eli. Het woord van de HEERE was schaars in die dagen; er was geen visioen dat in de openbaarheid kwam.

Het priesterschap ligt onder het oordeel. God heeft het oordeel uitgesproken. Dat maakt de weg vrij om de profeet van God naar voren te brengen. Hierdoor voorkomt God dat er een leegte ontstaat in de omgang met Zijn volk. Hij zal altijd een verbinding geven tussen Zijn volk en Zichzelf, hoe groot het falen van Zijn volk ook mag zijn. Voordat het oordeel over Eli en zijn huis wordt voltrokken, maakt God aan Zijn volk duidelijk langs welke weg Hij nu tot hen komt om Zijn wil bekend te maken, en dat is door middel van een profeet.

Het Woord van God heeft in die dagen een geringe plaats bij Gods volk. Zo is het ook vandaag. Er wordt nauwelijks meer in de Bijbel gelezen of het moet een gemakkelijk leesbare vertaling zijn. Het gaat dan vaak niet om het leren kennen van Gods gedachten, maar om de bevrediging van godsdienstige gevoelens die ieder mens eigen zijn.

Dat er geen visioen is dat in de openbaarheid komt, wil zeggen dat er geen openlijke mededelingen zijn van Gods wil betreffende Zijn volk. Dat betekent dat er duisternis over het volk ligt. Toch heeft God ook in de donkerste tijden een getuige voor Zijn Naam. Wie waarlijk voor God is, zal niet lang zonder een boodschap van God blijven. Zo iemand is de jonge Samuel.

Hij dient de HEERE, maar nog wel onder toezicht van Eli. Hij dient de HEERE, ondanks de verderfelijke leefwijze van de zonen van Eli. Zowel het toezicht van de slappe Eli als het gezelschap van de goddeloze zonen is door de HEERE bepaald als het klimaat waarin de opleiding van Samuel moet plaatsvinden. In deze duistere omgeving zal het licht van de trouw van Samuel aan de HEERE des te meer stralen.


De HEERE roept Samuel

2Het gebeurde op zekere dag, toen Eli op zijn [slaap]plaats lag – zijn ogen begonnen zwak te worden, [zodat] hij niet [meer] kon zien – 3en toen [ook] Samuel zich [te slapen] gelegd had, voordat de lamp van God gedoofd werd in de tempel van de HEERE, waar de ark van God was, 4dat de HEERE Samuel riep. En hij zei: Zie, hier ben ik. 5Hij snelde naar Eli en zei: Zie, [hier] ben ik, want u hebt mij geroepen. Maar die zei: Ik heb niet geroepen, ga terug [en] ga [weer] liggen. En hij ging weg en ging [weer] liggen. 6Toen riep de HEERE Samuel opnieuw; Samuel stond op, ging naar Eli en zei: Zie, [hier] ben ik, want u hebt mij geroepen. Hij zei echter: Ik heb niet geroepen, mijn zoon; ga terug [en] ga [weer] liggen. 7Nu kende Samuel de HEERE nog niet; het woord van de HEERE was nog niet aan hem geopenbaard. 8Toen riep de HEERE Samuel opnieuw, voor de derde keer, en hij stond op, ging naar Eli en zei: Zie, hier ben ik, want u hebt mij geroepen. Toen begreep Eli dat de HEERE de jongen riep. 9Daarom zei Eli tegen Samuel: Ga [weer terug en] ga liggen. Wanneer het gebeurt dat Hij je roept, moet je zeggen: Spreek, HEERE, want Uw dienaar luistert. Toen ging Samuel [weer terug] en ging op zijn [slaap]plaats liggen. 10Toen kwam de HEERE en bleef daar staan; en Hij riep zoals de andere keren: Samuel, Samuel! En Samuel zei: Spreek, want Uw dienaar luistert.

Op de door Hem bepaalde tijd openbaart de HEERE Zich aan Samuel. Dat gebeurt in de nacht. Eli en Samuel zijn naar bed gegaan. Er is echter een fijn onderscheid in de wijze waarop dat van ieder van hen wordt gezegd. We lezen van Eli dat hij “op zijn [slaap]plaats lag”, terwijl we van Samuel lezen dat hij “zich te slapen gelegd had”. Met wat we van Eli weten is het voorstelbaar dat hij zijn bed liefheeft en daar veel tijd op doorbrengt. In hem, de slapende hogepriester, zien we een beeld van de geestelijke toestand van het volk in die dagen. Deze gedachte wordt versterkt door de vermelding dat hij niet meer kan zien. Eli is niet alleen lichamelijk, maar ook geestelijk blind.

Van Samuel lezen we dat hij zich te slapen gelegd heeft. Dat wijst op een activiteit na een dag van werken. Hij is eraan toe. Als hij naar bed gaat, moet de lamp van God bijna uitgedoofd worden. De lamp van God is de kandelaar in de tabernakel. Het is nacht en de lamp brandt nog zwak. Maar juist als de nacht het donkerst is, mag er de hoop zijn op het aanbreken van de dag. Een nieuwe dag staat op het punt aan te breken, om nieuw en helder licht te geven in deze jonge Samuel, die bijna volwassen is en in de buurt van de ark slaapt.

Als de mensen slapen, slaapt of sluimert de Heilige van Israël niet. De HEERE verschijnt aan Samuel, niet aan Eli. Aan Eli kan Hij Zich niet laten zien. Als de HEERE Samuel roept, hoort hij een stem alsof Eli hem roept. Het moet als een menselijke stem hebben geklonken. Hoewel Samuel niet weet dat de HEERE hem roept, gehoorzaamt hij wel direct. Gehoorzaamheid is het uitgangspunt voor alle geestelijke groei en voor alle toename in de dienst.

Eli heeft er geen idee van dat de HEERE Samuel geroepen zou kunnen hebben. Hij is daar blind en doof voor. Het enige wat hij kan zeggen, is dat de jongen maar weer moet gaan liggen en proberen te slapen. We kunnen daarin het beeld zien van het sussen van het geweten met het oog op de toestand waarin we leven. We willen liever niet gestoord worden en als er iets is wat ons in onze rust stoort, vragen we niet verder. We willen graag zo vlug mogelijk weer rust.

Het gevaar is altijd groot dat we in een geestelijke toestand van slaperigheid geraken en daar ook in blijven, omdat we ons daar prettig in voelen (1Th 5:66Laten wij dus niet slapen zoals de overigen, maar laten wij waken en nuchter zijn.). Dan moeten we wakker geschud worden. De Heer moet tegen ons zeggen: “Ontwaak, u die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten“ (Ef 5:1414Daarom zegt Hij: Ontwaak, u die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten.). Als we zelf slaperig zijn, zullen we anderen die nog waken tot slaperigheid stimuleren. Laten we ervoor waken niet tegen iemand te zeggen ‘ga maar weer lekker liggen en ga weer slapen’ als God tot hem spreekt!

Als Samuel een tweede keer wordt geroepen, antwoordt Eli weer dat hij hem niet heeft geroepen en dat Samuel maar weer moet gaan liggen. Dat zal Samuel wel hebben gedaan. Toch staat dat er niet, maar lezen we een soort verklaring van het feit dat Samuel weer is gaan liggen. Hij kent de HEERE namelijk nog niet. Dat wil niet zeggen dat hij niet in Hem gelooft. Samuel gelooft zeker in de HEERE, maar al zijn contact met de HEERE is tot nu toe nog via Eli gegaan. Eli heeft Samuel niet geleerd naar de stem van de HEERE te luisteren. Dat kan hij ook niet, want hij kent de stem van de HEERE zelf niet. Voor de HEERE is nu de tijd gekomen Zichzelf aan Samuel bekend te maken.

Als een toepassing kunnen we zeggen dat Samuel tot nu toe alleen van anderen over de HEERE heeft gehoord, zoals zoveel jonge mensen vandaag. Veel jonge mensen weten het een en ander over de Heer Jezus door hun ouders. Dat kan een zekere tijd normaal zijn, maar er moet op een gegeven moment een persoonlijke ontmoeting met Hem plaatsvinden. Kinderen kunnen niet op het geloof van hun ouders of ouderen blijven steunen, anders worden ze niet volwassen. Om geestelijk volwassen te worden moeten de geestelijke ogen de heerlijkheid van de Heer Jezus gaan zien.

De HEERE roept geduldig voor de derde keer. Hij weet dat het onkunde en geen onwil is. Dit geduld moeten wij ook met elkaar hebben en vooral met hen die wij traag van begrip achten. Als Samuel voor de derde keer naar Eli gaat, begrijpt deze eindelijk dat de HEERE Samuel geroepen heeft. Dat moet hem iets gezegd hebben. Het moet tot hem zijn doorgedrongen dat God niet hem, maar de jongen heeft geroepen. We zien hier dat er in elke nieuwe generatie jongeren zijn die iets van de Heer hebben ontvangen dat Hij niet aan de ouderen heeft gegeven of heeft kunnen geven. In dit geval kan Hij het niet geven, omdat Eli geestelijk niet in staat is Zijn stem te verstaan.

Er is geen jaloersheid te bespeuren bij Eli dat de HEERE hem passeert en Zich aan Samuel openbaart. Als hij beseft dat de HEERE Samuel roept, geeft hij een goed advies. Samuel moet, zodra de HEERE hem weer roept, zich als een gewillige luisteraar voor Hem plaatsen en zich als dienaar opstellen. Dat doet Samuel ook. Met een twee keer noemen van zijn naam roept de HEERE Samuel voor de vierde keer. Het twee keer noemen van de naam is speciaal. We komen het nog enkele keren tegen in de Schrift dat de HEERE of de Heer Jezus iemands naam twee keer noemt als Hij Zich tot hem richt, bijvoorbeeld “Abraham, Abraham” (Gn 22:1111Maar de Engel van de HEERE riep tot hem vanuit de hemel en zei: Abraham, Abraham! Hij zei: Zie, hier ben ik.) en “Saul, Saul” (Hd 9:44en hij viel op de grond en hoorde een stem die tot hem zei: Saul, Saul, waarom vervolg je Mij?).

In antwoord op de roepstem van de HEERE zegt Samuel niet “spreek, HEERE”, zoals Eli hem heeft gezegd. Hij doet dat zeker niet uit ongehoorzaamheid aan Eli, maar waarschijnlijk uit ontzag, omdat hij zich niet waard voelt die Naam te noemen. Dat staat in schril contrast tot de grote familiariteit waarmee de naam van de Heer Jezus tegenwoordig vaak wordt genoemd. In veel preken en zogenaamde aanbiddingsdiensten ontbreekt nogal eens de eerbied voor die Naam. Respectloos wordt Zijn Naam (Jezus) genoemd.

Het is ook belangrijk dat wij respect hebben voor allen die God boven ons heeft geplaatst, zoals ouders, ouderen en regeerders. Dat wordt door God in Zijn Woord voorgeschreven (Ef 6:1-31Kinderen, weest jullie ouders gehoorzaam <in [de] Heer>, want dat is terecht.2‘Eer uw vader en uw moeder’, – dit is het eerste gebod met een belofte:3‘opdat het u goed gaat en u lang leeft op de aarde’.; Lv 19:3232U moet opstaan voor iemand met grijze haren en eer bewijzen aan een oudere. Uw God moet u vrezen. Ik ben de HEERE.; Rm 13:77Geeft aan allen wat hun toekomt: belasting, aan wie belasting; tol, aan wie tol; vrees, aan wie vrees; eer, aan wie eer [toekomt].). Ook dat wordt tegenwoordig niet veel meer gevonden. Als het respect voor God verdwijnt, verdwijnt het ook uit de samenleving.


Het oordeel over Eli en zijn huis

11De HEERE zei tegen Samuel: Zie, Ik ga iets doen in Israël waarvan bij ieder die het hoort, de beide oren zullen tuiten. 12Op die dag zal Ik over Eli alles gestand doen wat Ik tegen zijn huis gesproken heb, [van] het begin tot het einde. 13Want Ik heb hem bekendgemaakt dat Ik over zijn huis voor eeuwig gericht zal oefenen, omwille van de ongerechtigheid die hij geweten heeft; want toen zijn zonen zich vervloekt gemaakt hebben, heeft hij hen niet eens zuur aangekeken. 14En daarom heb Ik het huis van Eli gezworen: De ongerechtigheid van het huis van Eli zal in eeuwigheid niet verzoend worden door slachtoffer of door graanoffer!

God openbaart Zijn gedachten aan hen die een gehoorzame geest hebben en niet hoog van zichzelf denken. Hij openbaart ze aan “kleine kinderen” (Mt 11:2525In die tijd antwoordde Jezus en zei: Ik prijs U, Vader, Heer van de hemel en van de aarde, dat U deze dingen voor wijzen en verstandigen hebt verborgen en ze aan kleine kinderen hebt geopenbaard.). De openbaring die Samuel krijgt, komt op een moment dat Israël zich op een dieptepunt de zijn geschiedenis bevindt. God moet het oordeel over het priesterschap laten komen. Tegelijk komt met Samuel een nieuwe periode voor Israël. Het oordeel komt niet alleen over de zonen, maar ook over Eli en zijn huis. Het oordeel is definitief. Ze hebben met opgeheven hand gezondigd en daarvoor is geen offer.

De boodschap die de HEERE ten aanzien van Eli en zijn huis heeft, zal diep inslaan en lang naklinken. Het wordt Eli kwalijk genomen dat hij niets aan het kwaad heeft gedaan, terwijl hij het wel heeft gezien. Het kwaad zien en kennen en er niet tegen optreden, terwijl de verantwoordelijkheid er ligt, is net zo erg als het zelf begaan. Dit kunnen we toepassen op gelovigen die deel blijven uitmaken van een kerk waar zonde niet wordt geoordeeld. Men kan de stem verheffen, maar als er niets gebeurt, staat men mee schuldig aan het handhaven van het kwaad. Als het kwaad niet wordt geoordeeld, moet men zelf weggaan.


Wat de HEERE heeft gezegd

15Samuel nu bleef tot aan de morgen liggen; toen deed hij de deuren van het huis van de HEERE open. Samuel was bevreesd dit visioen aan Eli te vertellen. 16Toen riep Eli Samuel en zei: Mijn zoon Samuel! Hij zei: Zie, hier ben ik. 17En hij zei: Wat is het woord dat Hij tot je gesproken heeft? Houd het toch niet voor mij verborgen. God mag zó en nog veel erger met je doen als je ook maar [één] woord voor mij verborgen houdt van al de woorden die Hij tot je gesproken heeft! 18Toen maakte Samuel hem al die woorden bekend en hield [ze] niet voor hem verborgen. En [Eli] zei: Hij is de HEERE; laat Hij doen wat goed is in Zijn ogen.

In het algemeen roept God een profeet niet om een blijde boodschap te prediken. De eerste boodschap die Samuel moet brengen, is er een van oordeel. Hij zal niet meer geslapen hebben, zich bewust van de ernst van het gezicht. Zijn boodschap heeft hem niet trots gemaakt. Hij is niet blij dat hij Eli het oordeel moet aanzeggen. Hij maakt voor het eerst kennis met de last van een profetische boodschap om aan iemand die hij liefheeft, waardeert en eert, een onaangename boodschap door te geven.

De HEERE beveelt Samuel niet om het visioen aan Eli te vertellen, maar hij voelt dat het moet. Eli helpt Samuel om te vertellen wat hij van de HEERE heeft gehoord. Hoewel God niet tot hem, de hogepriester, heeft gesproken, wil hij horen wat God heeft gezegd. Hij begrijpt dat het over hem gaat. Nu komt het ogenblik dat Samuel profeet wordt. Dit is het moment waarop hij de woorden van God tot Eli spreekt.

Profetendienst is vaak moeilijk. Het is het spreken van vermaning op de juiste tijd. Jeremia is ook jong als hij de opdracht krijgt om te profeteren en wordt door de HEERE bemoedigd: “Maar de HEERE zei tegen mij: Zeg niet: Ik ben [nog maar] een jongen, want overal waarheen Ik u zenden zal, zult u gaan, en alles wat Ik u gebieden zal, zult u spreken. Wees niet bevreesd voor hen, want Ik ben met u om u te redden, spreekt de HEERE. Toen stak de HEERE Zijn hand uit en raakte mijn mond aan. En de HEERE zei tegen mij: Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond” (Jr 1:7-97Maar de HEERE zei tegen mij:
Zeg niet: Ik ben [nog maar] een jongen,
want overal waarheen Ik u zenden zal, zult u gaan,
en alles wat Ik u gebieden zal, zult u spreken.
8Wees niet bevreesd voor hen,
want Ik ben met u om u te redden,
spreekt de HEERE.9Toen stak de HEERE Zijn hand uit en raakte mijn mond aan. En de HEERE zei tegen mij:
Zie, Ik geef Mijn woorden in uw mond.
)
. De zwakste is als de sterkste als hij de woorden van God op zijn lippen heeft.

Eli is in zijn zwakheid groot. Hij aanvaardt het oordeel van God. Hij stribbelt niet tegen, maar erkent de grootheid en gerechtigheid van de HEERE. Hiermee erkent hij ook de profetendienst van Samuel. Toch komt hij niet tot berouw en een veroordeling van zijn zonen. Hij buigt zich onder Gods oordeel, dat is het enige wat hij kan doen.


De HEERE is met Samuel

19En Samuel werd groot. De HEERE was met hem en liet niet [een] van al Zijn woorden onvervuld. 20En heel Israël, van Dan tot Berseba toe, erkende dat Samuel aangesteld was tot profeet van de HEERE. 21En de HEERE bleef in Silo verschijnen; ja, de HEERE openbaarde Zich aan Samuel in Silo door het woord van de HEERE.

Samuel neemt toe in grootte. Hij groeit niet alleen lichamelijk, maar vooral ook geestelijk. Omdat hij met de HEERE leeft, is de HEERE met hem. De HEERE verheugt Zich erin dat Hij Zich met Samuel kan verbinden. Hij laat aan heel Israël van het uiterste noorden, waar Dan ligt, tot het uiterste zuiden, waar Berseba ligt, zien dat Samuel Zijn profeet is door al Zijn woorden, die Samuel spreekt, in vervulling te laten gaan.

Het is alsof we de vreugde van Heilige Geest horen als Hij zegt dat de HEERE in Silo blijft verschijnen. De HEERE verheugt Zich erover dat er iemand is aan wie Hij Zich kan openbaren, iemand die Hem kent en voor Hem leeft. Hier hebben we het omgekeerde van vers 77Nu kende Samuel de HEERE nog niet; het woord van de HEERE was nog niet aan hem geopenbaard.. Nu kent Samuel de HEERE en de HEERE openbaart Zich aan hem. Hij doet dat door Zijn Woord. Dat is nog steeds de manier waarop God Zich aan de Zijnen, aan ons, openbaart.

Alle openbaringen aan Samuel bewijzen het volk dat er een nieuwe verbinding is tussen hen en de HEERE. Hij openbaart Zich aan Zijn volk door de profeet, niet meer door de hogepriester. Samuel heeft een gewillig oor. Aan zulke mensen kan God Zijn wil bekendmaken en zulke mensen kan Hij gebruiken in Zijn dienst aan Zijn volk.

In zeker opzicht is Samuel ook nog priester en koning. God concentreert in tijden van verval vaak meerdere kenmerken in één persoon. God roept profeten als het volk in verval is. Samuel is de eerste van hen (Hd 3:2424En ook alle profeten, van Samuel en zijn opvolgers af, allen die hebben gesproken, hebben ook deze dagen aangekondigd.). Hij is ook de laatste richter (Hd 13:20b20[dit is totaal] ongeveer vierhonderdvijftig jaar. En daarna gaf Hij richters, tot op Samuel, <de> profeet.).


Lees verder