1 Samuel
Inleiding 1 Samuel sterft 2-3 Nabal en Abigaïl 4-8 Het verzoek van David 9-11 Antwoord van Nabal 12-13 Reactie van David 14-17 Een knecht doet verslag aan Abigaïl 18-22 Abigaïl ontmoet David 23-31 David van bloedschuld weerhouden 32-35 David luistert 36-38 De dood van Nabal 39-42 Abigaïl wordt Davids vrouw 43-44 De vrouwen van David
Inleiding

Hier wordt, zo lijkt het, de geschiedenis tussen Saul en David even onderbroken. Toch is er een verbinding met de geschiedenis van Saul. Nabal, een van de hoofdpersonen van dit hoofdstuk, lijkt namelijk veel op Saul. Evenals Saul verwerpt hij David. Dat is tegelijk de aanval van de satan op David. Het is de satan niet gelukt David tegen Saul op te zetten, maar dat lukt hem wel tegenover Nabal. Als zich een plotselinge gebeurtenis voordoet, blijkt ineens wat er in David is. Alle mooie eigenschappen zijn dan plotseling verdwenen en zien we dat het vlees in David zich openbaart. Deze geschiedenis houdt een grote waarschuwing voor ons in.

In de geschiedenis van David komen meerdere aantrekkelijke karakters voor, zoals Jonathan, Mefiboseth en Ithai. Onder al die vrienden van David neemt Abigaïl, de vrouw van Nabal een speciale plaats in. Bij haar zien we in dit hoofdstuk prachtige geloofseigenschappen. Het is een hoofdstuk over een vrouw voor vrouwen. We zien hier wat een vrouw voor een man kan betekenen. Veel mannen zullen het, als ze willen, kunnen getuigen dat hun vrouw hen vaak van dwaasheden heeft weerhouden.


Samuel sterft

1Samuel stierf; en heel Israël kwam bijeen, zij bedreven rouw over hem en begroeven hem bij zijn huis in Rama. David stond op en trok naar de woestijn Paran.

Als Samuel sterft, duidt dat op het verdwijnen van het Woord van God uit Israël. Tevens verdwijnt daarmee een voorbidder voor het volk (1Sm 12:2323En wat mij betreft, er is bij mij geen sprake van dat ik tegen de HEERE zou zondigen door op te houden voor u te bidden; maar ik zal u de goede en juiste weg leren.) en is het ook met de voorbede gedaan. Woord en gebed zijn niet meer aanwezig. Het volk erkent het grote gemis en bedrijft rouw over hem. Tijdens zijn leven hebben ze hem afgedankt (1Sm 8:55Zij zeiden tegen hem: Zie, u bent oud geworden en uw zonen gaan niet in uw wegen. Stel daarom een koning over ons aan om ons leiding te geven, zoals alle volken.). Nu hij gestorven is, voelen ze het gemis. Dat gaat vaker zo met profeten. Tijdens hun leven worden ze miskend, na hun dood worden ze geëerd. Dat eerbetoon bestaat echter niet uit het alsnog ter harte nemen van hun woorden, maar het versieren van hun graven (Mt 23:2929Wee u, schriftgeleerden en farizeeën, huichelaars, want u bouwt de graven van de profeten en versiert de graftomben van de rechtvaardigen).

Het is gemakkelijk deze man te eren nu hij met zijn trouwe vermaningen het geweten niet meer onrustig maakt. Het vlees is daarbij zelfs in staat nog een zekere zelfvoldoening te hebben dat ze zo’n man in hun midden hebben gehad. Wat God echter waardeert, is gewillige gehoorzaamheid aan de boodschap van Zijn dienaren terwijl ze nog leven, en een gedenken aan hun woorden nadat ze gestorven zijn (Hb 13:77Houdt uw voorgangers in herinnering die het Woord van God tot u gesproken hebben, en volgt, terwijl u het einde van hun wandel beschouwt, hun geloof na.).

Ware dienaren willen niet betreurd worden als hun lichamen in het graf liggen. Ze hebben veel liever dat er naar hun woorden wordt geluisterd. Als ze dat zien, worden ze bemoedigd in hun harten en zullen ze “met vreugde en niet zuchtend” rekenschap afleggen aan de Heer (Hb 13:1717Weest aan uw voorgangers gehoorzaam en weest hun onderdanig, want zij waken over uw zielen als degenen die rekenschap zullen afleggen, opdat zij dit met vreugde en niet zuchtend doen, want dat is voor u niet nuttig.). Het roemen van de doden terwijl hun leringen worden afgewezen, kan worden betiteld als godsdienstige huichelarij.

Een voorbeeld van deze huichelarij zien we in het eerbetoon dat in de christenheid aan Petrus wordt gegeven. Prachtige gebouwen dragen zijn naam. Maar wat zou er gebeuren als de apostel vandaag tot ons zou terugkeren en vanaf de kansel van het gebouw dat zijn naam draagt, de waarheid van zijn brieven zou prediken? Dan zou hij net zo veracht en buiten geworpen worden als zijn Heer en Meester uit de synagoge van Nazareth (Lk 4:28-2928En allen in de synagoge werden met toorn vervuld toen zij dit hoorden;29en zij stonden op, wierpen Hem de stad uit en voerden Hem op [de] rand van de berg waarop hun stad was gebouwd, om Hem van de steilte af te werpen.).

Petrus leert bijvoorbeeld duidelijk dat de wedergeboorte de vrucht is van het geloof in het zaad van het Woord van God dat in het hart wordt opgenomen. In sommige delen van de christenheid wordt echter verklaard dat de wedergeboorte plaatsvindt door de doop die door een ‘geestelijke’ wordt verricht. Hetzelfde geldt voor het priesterschap van alle gelovigen dat Petrus in zijn brief leert. In de christenheid wordt geleerd dat het priesterschap het voorrecht is van een select groepje ambtsdragers.

Voor David is het anders dan voor het volk. Voor hem is de dood van Samuel een groot persoonlijk verlies. Hij heeft bij hem zijn toevlucht gezocht en enige tijd bescherming gevonden (1Sm 19:1818Zo vluchtte David en ontkwam. Hij kwam bij Samuel in Rama en vertelde hem alles wat Saul met hem gedaan had. Hij en Samuel gingen [op weg] en bleven in Najoth.). Nu kan hij er niet meer heen. Dat betekent echter niet dat hij zonder het Woord van God is, want de profeet Gad is bij hem. Ook heeft hij de priester Abjathar bij zich. Alles wat waardevol voor Israël is, bevindt zich bij David.

Na het bericht van de dood van Samuel wordt vermeld dat David opstaat en naar de woestijn Paran trekt. Het lijkt zo te zijn dat David van de dood van Samuel heeft gehoord en daarom wegtrekt. De woestijn Paran roept herinneringen op in verband met de woestijnreis. Het is een van de rustplaatsen tijdens de woestijnreis (Nm 10:1212De Israëlieten braken op, [en trokken] van rustplaats tot rustplaats, uit de woestijn Sinaï; en de wolk bleef rusten in de woestijn Paran.). Hij ligt ten zuiden van Israël en ten westen van Edom. Israël heeft van daaruit verspieders gestuurd om het land te verspieden en daarheen kwamen ze ook terug na het verspieden van het land (Nm 13:3,263Mozes stuurde hen uit de woestijn Paran, op bevel van de HEERE. Al die mannen waren hoofden van de Israëlieten.26Zij gingen op weg en kwamen bij Mozes en bij Aäron, en bij heel de gemeenschap van de Israëlieten, in de woestijn Paran, bij Kades. En zij brachten aan hen en heel de gemeenschap verslag uit en toonden hun de vruchten van het land.). David is dus buiten het land gegaan om uit de handen van Saul te blijven.

De dood van Samuel en het verlaten van het land door David lijken de inleiding te zijn op de gebeurtenissen die verder in dit hoofdstuk worden beschreven. Zowel het een als het ander lijkt op David een zeer ontmoedigend effect te hebben gehad. We kunnen dat afleiden uit zijn vraag aan Nabal om ondersteuning en zijn reactie op de weigering daarvan. Er zijn in beide acties geen aanwijzingen dat God tegen hem heeft gezegd zo te handelen.


Nabal en Abigaïl

2Nu was er in Maon een man die in Karmel zijn bedrijf had. Die man was zeer aanzienlijk: hij had drieduizend schapen en duizend geiten. Hij was bij het scheren van zijn schapen in Karmel. 3De naam van de man was Nabal, en de naam van zijn vrouw was Abigaïl. De vrouw was goed van verstand en mooi van gestalte, maar de man was hard en slecht in [zijn] optreden. Hij was een nakomeling van Kaleb.

Maon is een stad in Juda, in het gebied Karmel – er is ook een woestijn met de naam Maon (1Sm 23:2424Toen stonden zij op en gingen naar Zif, voor Saul uit. David en zijn mannen waren in de woestijn van Maon, in de Vlakte, ten zuiden van de wildernis.). De blik wordt eerst gericht op iemand die in die omgeving zijn bedrijf heeft. Voordat zijn naam wordt genoemd, wordt van de man gezegd dat hij “aanzienlijk” is. Ook wordt gezegd waar hij zich bevindt en wat er gebeurt. Hij heeft een grote kudde schapen en geiten en is bezig de schapen van hun wol te ontdoen.

De naam “Nabal” betekent ‘dwaas’. Hij is wat zijn naam zegt, want hij houdt totaal geen rekening met God. Dat is precies het kenmerk van een dwaas, want die “zegt in zijn hart: Er is geen God” (Ps 14:1a1Een psalm van David, voor de koorleider.
De dwaas zegt in zijn hart:
Er is geen God.
Zij handelen verderfelijk,
bedrijven gruwelijke daden;
er is niemand die goeddoet.
)
. Hij is een beeld van het goddeloze volk dat niet aan God denkt. Bij iemand die dwaas is, is ook geen spoortje wijsheid aanwezig.

Zijn vrouw heet “Abigaïl”, dat betekent ‘vader van de vreugde’ of ‘wiens vader zich verheugt’. Zij is een volledig tegenbeeld van haar man. Bij haar zijn verstand en inzicht, die ze in dit huwelijk niet verloren heeft. Ook is ze een mooie verschijning. Dat zij ooit aan een dergelijke man in het huwelijk is verbonden, zal niet haar eigen keus zijn geweest, maar zal voor haar geregeld zijn.

Dan wordt nog van Nabal gezegd dat zijn optreden “hard en slecht” is. De voorvader van Nabal is Kaleb. Nabal heeft wel de bezitting van Kaleb geërfd, maar niet diens geloof en toewijding. Hij wandelt niet in de geest van zijn voorvader. We zouden nooit van Nabal hebben gehoord als hij niet, al is het slechts voor een ogenblik, in aanraking met David zou zijn gekomen.


Het verzoek van David

4Toen David in de woestijn hoorde dat Nabal zijn schapen aan het scheren was, 5stuurde David [er] tien knechten [heen]. David zei tegen de knechten: Ga naar Karmel, en als jullie bij Nabal komen, moeten jullie hem in mijn naam naar [zijn] welstand vragen. 6Dit moeten jullie zeggen tegen die [man die in voorspoed] leeft: Vrede voor u, vrede voor uw huis, en vrede voor alles wat u hebt! 7Welnu, ik heb gehoord dat er schaapscheerders bij u zijn. Nu dan, de herders die u hebt, zijn bij ons geweest; wij hebben hen niet lastiggevallen, en zij hebben al de dagen die zij in Karmel geweest zijn, ook niets gemist. 8Vraag het uw dienaren en zij zullen het u vertellen. Laat deze knechten daarom genade vinden in uw ogen, want wij zijn gekomen op een goede dag. Geef toch uw dienaren en uw zoon David wat uw hand zal vinden.

Als David hoort dat Nabal zijn schapen aan het scheren is, acht hij dat de beste gelegenheid om Nabal om een gunst te vragen. Het schijnt een gewoonte te zijn geweest om bij gelegenheid van het scheren van de schapen grote maaltijden te houden, zoals we ook zien bij Absalom (2Sm 13:23-2423Het gebeurde twee volle jaren later, toen Absalom [schaap]scheerders [aan het werk] had in Baäl-Hazor, dat bij Efraïm ligt, dat Absalom alle zonen van de koning uitnodigde.24Absalom kwam bij de koning en zei: Zie toch, uw dienaar heeft [schaap]scheerders [aan het werk]; laat de koning en zijn dienaren toch met uw dienaar meegaan.). Het scheren van de schapen (Gn 31:1919Laban was [op weg] gegaan om zijn schapen te scheren; Rachel stal toen de afgodsbeeldjes die haar vader toebehoorden.; 38:12-1312Toen veel dagen verlopen waren, stierf de dochter van Sua, de vrouw van Juda. Daarna vond Juda troost en ging hij naar zijn schaapscheerders, naar Timna, hij en zijn vriend Hira uit Adullam.13En men vertelde Tamar: Zie, uw schoonvader gaat naar Timna om zijn schapen te scheren.) is als het inzamelen van de oogst. Zo’n gebeurtenis maakt vrolijk en vaak ook vrijgevig.

David stuurt tien knechten naar Nabal en zegt hun precies wat ze hem moeten wensen, wat zij voor hem geweest zijn – waardoor Nabal nu dit schaapscheerdersfeest kan vieren – en wat ze als gunst moeten vragen. Hij geeft zijn tien knechten opdracht om uit zijn naam eerst naar de welstand van Nabal te vragen. Het is de beleefde belangstelling. Vervolgens moeten ze hem vrede toewensen, zowel voor hem persoonlijk als voor zijn gezin, familie en bedienden en ook voor zijn hele bezit. Deze vredewens is niet alleen beleefdheid, maar laat Nabal de gezindheid van David tegenover hem zien.

Behalve het tonen van zijn gezindheid in zijn goede wensen wijst David ook op zijn inzet voor het welzijn van Nabal. Hij heeft niet alleen niets genomen, maar ook voor bescherming gezorgd dat anderen niets hebben genomen van wat aan Nabal toebehoort. Met deze bewijzen onderstreept hij zijn woorden. En ook dat is nog niet alles. Hij wijst Nabal erop dat hij bij zijn dienaren de waarheid van zijn beweringen kan controleren. Ten slotte doet David een beroep op de genade van Nabal. Hij eist niets, hij dreigt niet, hij vraagt geen beloning, maar vraagt om een genadig handelen van Nabal. En is het niet een goede dag waarop hij Nabal benadert?

Met al deze woorden wil David de juiste sfeer scheppen voor de vraag die hij wil stellen. Hij stelt zich nederig op. Over zijn eigen knechten spreekt hij tot Nabal als “uw dienaren” en zichzelf noemt hij “uw zoon David”. Hij geeft ook geen lijstje met gewenste artikelen, maar laat het helemaal aan Nabal over. Hij vraagt Nabal om hem te geven wat “uw hand zal vinden”, dat wil zeggen wat hij maar kan missen en binnen handbereik heeft, dus zonder zich ergens voor te moeten inspannen.


Antwoord van Nabal

9De knechten van David kwamen en spraken namens David overeenkomstig al die woorden tot Nabal. Toen zij zwegen, 10antwoordde Nabal de dienaren van David: Wie is David, en wie is de zoon van Isaï? Er zijn [vandaag] de dag zoveel slaven die losbreken, ieder bij zijn heer vandaan. 11Zou ik dan mijn brood, mijn water en mijn vlees nemen, dat ik voor mijn schaapscheerders geslacht heb, en zou ik het aan mannen geven van wie ik niet weet waar zij vandaan komen?

De tien knechten komen bij Nabal en spreken namens David wat hij hun heeft opgedragen. Het getuigenis wordt gegeven door tien mannen. Het getal tien is het getal van verantwoordelijkheid. Nabal is verantwoordelijk voor zijn reactie op de vraag van David. Het gaat om de vraag of de aanspraken van Gods gezalfde koning, ook al is hij op de vlucht, worden erkend. Dat David als persoon niet op de hoogte van het geloof lijkt te leven, doet niets af van de test waaraan Nabal door deze vraag wordt onderworpen.

Als ze zijn uitgesproken en zwijgen, antwoordt Nabal direct. Zijn antwoord is een diepe belediging van David en getuigt van minachting en verachting voor de gezalfde koning. Smalend spreekt hij het uit: “Wie is David?” Het klinkt als de spottende vraag van de farao aan Mozes: “Wie is de HEERE?” (Ex 5:22Maar de farao zei: Wie is de HEERE, naar Wiens stem ik zou moeten luisteren om Israël te laten gaan? Ik ken de HEERE niet en ik zal Israël ook niet laten gaan.; vgl. Jb 21:15a15Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen?
En wat baat het ons dat wij bij Hem aandringen?
)
. Hij vervolgt met: “En wie is de zoon van Isaï?” Hieruit blijkt dat hij David wel degelijk kent en dat hij hem minacht, zoals dat ook door Saul gebeurt die David ook zo noemt (1Sm 20:2727Maar de volgende dag, de tweede van de nieuwe maan, gebeurde het dat de plaats van David [weer] leeg bleef. Toen zei Saul tegen zijn zoon Jonathan: Waarom is de zoon van Isaï gisteren en vandaag niet naar de maaltijd gekomen?).

Overigens kunnen we de vraag “wie is David?”, waarbij we David zien als een beeld van de Heer Jezus, zien als een vraag die aan ieder mens wordt gesteld. Ieder mens zal antwoord moeten geven op de vraag: “Wat denkt u van de Christus?” (Mt 22:4242Wat denkt u van de Christus? Wiens Zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: Van David.). Het antwoord op deze vraag is bepalend voor de eeuwigheid. Als we het antwoord op deze vraag niet weten, is dat een schuldige onwetendheid. Wat David betreft, weet Abigaïl het wel, terwijl Nabal het niet weet. Wat Christus betreft, kan iedereen het weten, want het staat geschreven in Gods Woord. Als we het niet weten, is dat omdat we het niet willen weten.

Nabal ziet alles als zijn eigendom, verkregen door eigen inspanningen. Het telkens terugkerende woord “mijn” geeft dat aan. Het komt geen moment bij hem op dat hij zijn rijkdom grotendeels te danken heeft aan de bescherming van zijn bezit door David en zijn mannen. Daardoor is hij niets kwijtgeraakt (verzen 15-1615De mannen zijn echter erg goed voor ons geweest; wij zijn niet lastiggevallen en wij hebben alle dagen dat wij met hen omgingen, toen wij op het veld waren, niets gemist.16Toen wij de schapen weidden, zijn zij alle dagen dat wij bij hen waren, een muur om ons heen geweest, zowel ‘s nachts als overdag.).

Nabal lijkt sterk op de rijke man over wie de Heer Jezus een gelijkenis vertelt, naar aanleiding van de vraag van iemand of Hij wil rechtspreken in een geschil over een erfenis (Lk 12:13-2113Iemand nu uit de menigte zei tot Hem: Meester, zeg mijn broer dat hij de erfenis met mij moet delen.14Hij echter zei tot hem: Mens, wie heeft Mij tot rechter of deler over u gesteld?15Hij nu zei tot hem: Let op en waakt voor alle hebzucht; want ook al heeft iemand overvloed, zijn leven behoort niet tot zijn bezittingen.16Hij nu sprak een gelijkenis tot hen en zei: Het land van een rijk mens bracht veel op;17en hij overlegde bij zichzelf en zei: Wat zal ik doen? want ik heb niets waarin ik mijn vruchten kan verzamelen.18En hij zei: Dit zal ik doen; ik zal mijn schuren afbreken en grotere bouwen, en ik zal daar al mijn gewas en mijn goederen verzamelen;19en ik zal tot mijn ziel zeggen: Ziel, je hebt vele goederen liggen voor vele jaren; rust, eet, drink, wees vrolijk.20God echter zei tot hem: Dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen, en wat u hebt bereid, voor wie zal het zijn?21Zo is hij die voor zichzelf schatten verzamelt en niet rijk is in God.). In de gelijkenis spreekt God die rijke man ook aan met de naam “Dwaas” (Lk 12:2020God echter zei tot hem: Dwaas, in deze nacht zal men uw ziel van u afeisen, en wat u hebt bereid, voor wie zal het zijn?). Wie zijn bezittingen beziet louter als het resultaat van eigen verdienste, zonder enig gevoel van dankbaarheid aan God, is een dwaas.


Reactie van David

12Toen keerden de knechten van David om en gingen de weg terug; zij kwamen [bij David] en vertelden hem overeenkomstig al deze woorden. 13David zei tegen zijn mannen: Laat ieder zijn zwaard aangorden. Toen gordde ieder zijn zwaard aan, en ook David gordde zijn zwaard aan. Ongeveer vierhonderd man trok achter David aan, en tweehonderd bleven er bij de bagage.

Zonder dat we van enige reactie van de mannen lezen, keren ze terug naar David. David reageert wel, en hoe. Hij reageert niet met de zachtmoedigheid van Hem van Wie hij zo vaak een beeld is. Hij reageert als Johannes en Jakobus (Lk 9:5454Toen nu Zijn discipelen Jakobus en Johannes dit zagen, zeiden zij: Heer, wilt U dat wij zeggen dat vuur van de hemel moet neerdalen en hen verteren <zoals ook Elia heeft gedaan>?). Zijn reactie is misschien begrijpelijk, maar niet goed. Waar zijn zijn geduld en zijn vragen aan God wat hij moet doen? Hij reageert vleselijk. We zien hier dat de geliefde alleen door genade een man naar Gods hart is. Hij is net als anderen in staat om een zaak in eigen hand te nemen.

Van Saul verwacht David kwaad en belediging. Daarop is hij voorbereid en daartegen is hij op zijn hoede. Daardoor kan hij zichzelf in de hand houden. Van Nabal heeft hij echter vriendelijkheid verwacht. Daarom is de belediging die hij krijgt een onaangename verrassing. Hij wordt erdoor overvallen. Hij is niet op zijn hoede voor die plotselinge aanval. Met het oog op zulke verzoekingen is het nodig de Heer te bidden: “Leid ons niet in verzoeking” (Mt 6:13a13En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van de boze.).


Een knecht doet verslag aan Abigaïl

14Maar een knecht uit [het midden] van de knechten vertelde dit aan Abigaïl, de vrouw van Nabal, en zei: Zie, David heeft boden gestuurd uit de woestijn om onze heer te groeten; maar hij is tegen hen uitgevaren. 15De mannen zijn echter erg goed voor ons geweest; wij zijn niet lastiggevallen en wij hebben alle dagen dat wij met hen omgingen, toen wij op het veld waren, niets gemist. 16Toen wij de schapen weidden, zijn zij alle dagen dat wij bij hen waren, een muur om ons heen geweest, zowel ‘s nachts als overdag. 17Nu dan, weet [dit], en zie wat u doen kunt, want het kwaad is ten volle over onze heer en heel zijn huis besloten. Hij is een verdorven man, met wie niet te praten valt.

Een knecht van Nabal vertelt Abigaïl wat er is gebeurd. Hij getuigt hoe Nabal heeft gereageerd op het verzoek van David, dat hij tegen de mannen van David is “uitgevaren”. Nabal is de mannen van David aangevlogen in een uitbarsting van woede over wat hem namens David is gevraagd. Vervolgens getuigt de knecht van de goedheid van David en zijn mannen die hij en de andere knechten hebben ervaren. Zij hebben hen als een muur om hen heen ervaren en ze hebben niets gemist van het vee dat ze moesten bewaken. Nabal zal hen er wel danig van langs hebben gegeven als ze weer een stuk vee misten. Die uitbarstingen van woede zijn hun bespaard gebleven door de bescherming van David en zijn mannen. Tegelijk is Nabal niets kwijtgeraakt.

Door zijn optreden is Nabal bij David in ongenade gevallen en zal hij gedood worden. De knecht kan dit kwaad niet met Nabal bespreken, want de man is onbenaderbaar. Hij spreekt tot de vrouw van Nabal over hem als “een verdorven man, met wie niet te praten valt”.


Abigaïl ontmoet David

18Toen haastte Abigaïl zich en nam tweehonderd broden, twee zakken wijn, vijf toebereide schapen, vijf maten geroosterd koren, honderd rozijnenkoeken en tweehonderd klompen vijgen, en legde [dat alles] op ezels. 19En zij zei tegen haar knechten: Trek voor mij uit; zie, ik kom achter jullie aan. Maar aan haar man Nabal vertelde zij het niet. 20Toen zij op de ezel reed en [de berg] afdaalde, door de bergwand aan het gezicht onttrokken, zie, toen gebeurde het dat David en zijn mannen haar tegemoetkwamen; en zij ontmoette hen. 21David had gezegd: Werkelijk, ik heb voor niets alles bewaakt wat deze [man] in de woestijn heeft, zodat er niets gemist wordt van alles wat hij heeft; hij heeft mij kwaad voor goed vergolden. 22God mag zó en nog veel erger doen met de vijanden van David, als ik van alles wat hij heeft, [één] man tot morgen overlaat!

Abigaïl haast zich (vers 1818Toen haastte Abigaïl zich en nam tweehonderd broden, twee zakken wijn, vijf toebereide schapen, vijf maten geroosterd koren, honderd rozijnenkoeken en tweehonderd klompen vijgen, en legde [dat alles] op ezels.; verzen 23,34,4223Toen Abigaïl David zag, haastte zij zich en kwam van de ezel af. Vervolgens wierp zij zich voor David op haar gezicht en boog zich ter aarde.34Want zeker, [zo waar] de HEERE leeft, de God van Israël, Die mij verhinderd heeft u kwaad te doen: wanneer u zich niet gehaast had mij tegemoet te komen, dan was er van Nabal niet [één] man tot aan het morgenlicht overgebleven!42Abigaïl haastte zich en stond op, en reed op een ezel, en haar vijf meisjes met haar, die haar op de voet volgden. Zij ging achter de boden van David aan en werd hem tot vrouw.). Het is de haast van het geloof om iemand van een dwaasheid terug te houden. Ze handelt niet uit bescherming voor haar man, maar ze handelt met het oog op de toekomst van David. Dat toont een groot geloof. Als er geloof aanwezig is, is er ook verstandig handelen. Ze neemt alles mee wat Nabal geweigerd heeft te geven en doet zelfs meer dan dat. David heeft gevraagd om de dingen die Nabal gemakkelijk voor het grijpen heeft (vers 88Vraag het uw dienaren en zij zullen het u vertellen. Laat deze knechten daarom genade vinden in uw ogen, want wij zijn gekomen op een goede dag. Geef toch uw dienaren en uw zoon David wat uw hand zal vinden.). Abigaïl geeft ook voedsel dat zij heeft klaargemaakt.

Hiermee maakt ze de weigering van Nabal meer dan goed. Later zal ze ook de beledigende woorden die Nabal heeft gesproken, goedmaken. Zij handelt naar de waarheid van de spreuk: Een gift in het verborgene houdt toorn eronder, en een geschenk in de schoot hevige woede” (Sp 21:1414Een gift in het verborgene houdt toorn eronder,
en een geschenk in de schoot hevige woede.
; Gn 32:13b-2113Hij overnachtte daar die nacht; en hij nam een [deel] van wat in zijn bezit gekomen was als geschenk voor zijn broer Ezau:14tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen,15dertig zogende kamelen met hun veulens, veertig koeien en tien stieren, twintig ezelinnen en tien ezels.16Vervolgens gaf hij ze in de hand van zijn dienaren, elke kudde apart; en hij zei tegen zijn dienaren: Steek [de beek] over, voor mij uit, en houd afstand tussen de kudden.17En hij gebood de eerste: Als mijn broer Ezau u tegenkomt en u vraagt: Van wie bent u? En waar gaat u heen? En van wie is deze [kudde] die [u] voor u uit [drijft]?18dan moet u zeggen: Dat is een geschenk van uw dienaar Jakob, gestuurd aan mijn heer Ezau; zie, hijzelf komt ook achter ons aan!19En hij gebood ook de tweede, de derde en allen die achter de kudden liepen: U moet op dezelfde manier tot Ezau spreken zodra u hem aantreft.20En u moet ook zeggen: Zie, uw dienaar Jakob [komt] achter ons aan! Want hij zei: Ik zal hem gunstig stemmen met dit geschenk, dat voor mij uit gaat; daarna zal ik hem onder ogen komen. Misschien zal hij mij ter wille zijn.21Zo stak het geschenk [de beek] over, voor hem uit; hijzelf echter overnachtte die nacht in het kamp.)
.

Met haar geschenk gaat ze David tegemoet. Ze daalt af. Dat stelt voor dat in de laagte, dat wil zeggen in een nederige houding, een geschil kan worden beslecht. In de laagte worden genegenheid en ontferming gevonden. Dat is bij Abigaïl ten opzichte van David aanwezig en daarmee weerhoudt ze hem van het uitvoeren van een verkeerd voornemen.

Terwijl ze op weg is, ontmoet ze David. De ontmoeting wordt beschreven op een manier die doet veronderstellen dat ze alles hoort wat David zegt en dat David dan plotseling oog in oog met haar staat. Wat David van plan is en de aanleiding daartoe worden meegedeeld. Hieruit blijkt dat David als een getergd en beledigd man reageert. Hij vindt dat Nabal hem “kwaad voor goed vergolden” heeft. Daarvoor zal hij zich wreken. Daar heeft hij, zo vindt hij, het volste recht toe.

Hij is daarmee ver verwijderd van de gezindheid die hij telkens tegenover Saul heeft getoond en die zo aan de gezindheid van de Heer Jezus herinnert. De weigering van Nabal om hem iets van zijn welvaart te geven en de belediging door Nabal met betrekking tot zijn persoon, zijn bij David in het verkeerde keelgat geschoten. Hoezeer de weigering van Nabal ook misplaatst is, hij doet er op zichzelf genomen David geen onrecht mee. Er loopt geen afspraak dat David beloond wordt voor de bescherming die hij heeft geboden. De strafexpeditie van David staat niet in verhouding tot de weigering en de hem aangedane belediging.

Dat de wereld ons geen enkele dankbaarheid betoont voor bewezen diensten en ons misschien zelfs beledigt, mag geen aanleiding zijn onszelf dan maar te wreken. Dankbaarheid is geen recht dat we kunnen opeisen. Ook voor ons geldt dat we erop mogen rekenen dat de Heer alles zal belonen wat we hebben gedaan uit liefde voor Hem, juist als we van de mensen niet het verwachte loon krijgen. Het is niet aan ons onszelf te wreken voor aangedaan onrecht of een belediging: “Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn; want er staat geschreven: ‘Aan Mij de wraak, Ik zal vergelden, zegt [de] Heer’” (Rm 12:1919Wreekt uzelf niet, geliefden, maar laat plaats voor de toorn; want er staat geschreven: ‘Aan Mij de wraak, Ik zal vergelden, zegt [de] Heer’.).

Omdat David naar Abigaïl luistert, neemt de HEERE Nabal voor Zijn rekening en doet David niet iets waarvan hij later spijt zou hebben.


David van bloedschuld weerhouden

23Toen Abigaïl David zag, haastte zij zich en kwam van de ezel af. Vervolgens wierp zij zich voor David op haar gezicht en boog zich ter aarde. 24Zij viel aan zijn voeten en zei: Och, mijn heer, op mij rust de misdaad; laat uw dienares toch spreken ten aanhoren van u, en luister naar de woorden van uw dienares. 25Laat mijn heer toch geen aandacht schenken aan deze verdorven man, aan Nabal, want zoals zijn naam is, zo is hij: Nabal is zijn naam en dwaasheid is in hem. Maar ik, uw dienares, heb de knechten van mijn heer, die u gezonden hebt, niet gezien. 26En nu, mijn heer, [zo waar] de HEERE leeft en u zelf leeft, het is de HEERE Die u verhinderd heeft tot bloedschuld te komen, en dat uw [eigen] hand u verlossing schenken zou. En nu, mogen uw vijanden en zij die kwaadwillend zijn tegenover mijn heer, worden als Nabal! 27Welnu, dit is het geschenk dat uw dienares voor mijn heer meegebracht heeft, opdat het gegeven zal worden aan de knechten die mijn heer volgen. 28Vergeef toch uw dienares de overtreding, want de HEERE zal voor mijn heer zeker een blijvend [konings]huis maken, omdat mijn heer de oorlogen van de HEERE voert en er [al] uw [levens]dagen geen kwaad bij u gevonden is. 29Wanneer er een mens opstaat om u te vervolgen en naar het leven te staan, zal het leven van mijn heer veilig zijn in de buidel van de levenden bij de HEERE, uw God. Het leven van uw vijanden echter zal Hij wegslingeren midden uit de holte van de slinger. 30En het zal gebeuren, wanneer de HEERE aan mijn heer zal doen naar al het goede dat Hij over u gesproken heeft, en Hij u aanstelt tot een vorst over Israël, 31dat dit dan voor u, mijn heer, niet tot struikelblok of tot aanstoot voor [uw] hart zal zijn, dat u namelijk zonder reden bloed vergoten hebt en dat mijn heer zich [zelf] verlossing geschonken heeft. En wanneer de HEERE mijn heer welgedaan heeft, denk dan aan uw dienares.

Als Abigaïl David ziet, toont ze haar onderdanige houding door aan zijn voeten te vallen. In die houding neemt ze de schuld op zich van de slechte behandeling die zijn boden hebben ondervonden (verzen 24,2824Zij viel aan zijn voeten en zei: Och, mijn heer, op mij rust de misdaad; laat uw dienares toch spreken ten aanhoren van u, en luister naar de woorden van uw dienares.28Vergeef toch uw dienares de overtreding, want de HEERE zal voor mijn heer zeker een blijvend [konings]huis maken, omdat mijn heer de oorlogen van de HEERE voert en er [al] uw [levens]dagen geen kwaad bij u gevonden is.). Dat doet ze tot bescherming van haar huis en om David van het begaan van een dwaasheid te weerhouden. Wie werkelijk onderworpen is, gaat aan grote beledigingen voorbij. Nederig vraagt zij David om haar aan te horen.

Ze spreekt tot hem met de eerbied die een man als David verdient. Ze noemt hem telkens “mijn heer” en toont daarmee een totaal andere houding en gezindheid dan haar man, die in zijn minachtig voor David zei: “Wie is David?” Het is alsof ze door haar eerbetoon de minachting van haar man verwijdert en vervangt. Ze doet haar best om David zachter te stemmen en hem tot een betere gezindheid te brengen. Ook wijst ze David erop dat haar man het niet eens waard is om zich met hem bezig te houden. Het is dat zij Davids knechten niet heeft gezien toen ze om wat voedsel kwamen. Als dat wel zo was geweest, had zij gegeven wat ze vroegen.

David is op weg om door zijn eigen hand zijn recht te halen. Wat hij steeds geweigerd heeft tegenover Saul, staat hij hier op het punt te doen: zichzelf wreken. Nu ze David tot staan heeft gebracht, zegt ze dat de HEERE hem ervoor heeft bewaard dat kwaad te begaan. In wat ze zegt, toont ze haar geloof in de uitkomst van haar tussenkomst. Daardoor lijkt ze op Rachab die zich ook in geloof met Gods volk verbindt, wanneer dat volk nog niets van het beloofde land in bezit heeft (Jz 2:9-139en zei tegen die mannen: Ik weet dat de HEERE u dit land gegeven heeft en dat de schrik voor u op ons gevallen is, en dat al de inwoners van dit land weggesmolten zijn [van angst] voor u.10Want wij hebben gehoord dat de HEERE het water van de Schelfzee voor uw ogen heeft doen opdrogen, toen u uit Egypte ging. En [ook] wat u hebt gedaan met de twee koningen van de Amorieten, Sihon en Og, die aan de andere zijde van de Jordaan waren, die u met de ban geslagen hebt.11Toen wij [dat] hoorden, smolt ons hart weg [van angst], en vanwege u bestaat er geen moed meer in iemand, want de HEERE, uw God, is een God boven in de hemel en beneden op de aarde.12Nu dan, zweer mij toch bij de HEERE, omdat ik goedertierenheid aan u bewezen heb, dat u ook goedertierenheid zult bewijzen aan het huis van mijn vader, en geef mij een teken van trouw13dat u mijn vader en mijn moeder zult laten leven, en ook mijn broers en mijn zusters met al wat van hen is, en dat u ons leven van de dood redden zult.).

Ze spreekt het uit dat de HEERE David “zeker een blijvend [konings]huis” zal geven. Ze gelooft dat hij koning zal zijn, dat hij de oorlogen van de HEERE voert en dat hij dat doet op een rechtvaardige wijze. Voor haar is David en niet Saul de door God gezalfde koning. Saul duidt ze aan als “een mens” die “opstaat om u te vervolgen en naar het leven te staan”. Ze bemoedigt David door hem te wijzen op de bescherming van de HEERE bij Wie hij veilig is en voor Wie hij waardevol is. Hij kan erop vertrouwen dat de HEERE Zelf met zijn vijanden zal afrekenen, of dat nu Nabal is of Saul. Deze woorden moeten David herinneren aan wat hij zelf eerder tegen Saul heeft gezegd, dat de HEERE met hem zal afrekenen (1Sm 24:13,1613De HEERE zal rechtspreken tussen mij en u. De HEERE zal Zich vanwege mij op u wreken, maar mijn hand zal niet tegen u zijn.16De HEERE zal Rechter zijn en oordelen tussen mij en u. Hij zal toezien en het voor mij opnemen, en mij recht doen [en bevrijden] uit uw hand.).

Ze wijst op de tijd die zal aanbreken als het lijden van David voorbij zal zijn en hij zal regeren. Met het oog op die heerlijke tijd vraagt ze met vertrouwen of David haar dan zal gedenken. De woorden die ze spreekt, herinneren aan de woorden van de rover aan het kruis naast de Heer Jezus. Deze man ontdekt in de Gekruisigde de Heer van de heerlijkheid en de Koning van de koningen. Hij kijkt verder dan de vreselijke omstandigheden van het moment en vraagt in vertrouwen: “Jezus, denk aan mij, wanneer U in Uw koninkrijk komt” (Lk 23:4242En hij zei: Jezus, denk aan mij, wanneer U in Uw koninkrijk komt.). De edele Abigaïl en de laag gezonken rover tonen hetzelfde geloof. Ze kijken verder dan het heden en handelen en spreken in het licht van de toekomst.


David luistert

32Toen zei David tegen Abigaïl: Gezegend zij de HEERE, de God van Israël, Die u op deze dag mij tegemoet gezonden heeft! 33Gezegend is uw raad en gezegend bent u, dat u mij op deze dag verhinderd hebt om tot bloedschuld te komen, en mijn [eigen] hand mij verlossing geschonken zou hebben! 34Want zeker, [zo waar] de HEERE leeft, de God van Israël, Die mij verhinderd heeft u kwaad te doen: wanneer u zich niet gehaast had mij tegemoet te komen, dan was er van Nabal niet [één] man tot aan het morgenlicht overgebleven! 35Toen nam David uit haar hand aan wat zij voor hem meegebracht had, en hij zei tegen haar: Ga in vrede naar uw huis; zie, ik heb naar uw stem geluisterd en ben u ter wille.

Abigaïl is een wijze vermaner en David heeft een luisterend oor: Zoals een gouden oorring en een halssieraad van fijn goud, zo is een wijze vermaner voor een luisterend oor” (Sp 25:1212Zoals een gouden oorring en een halssieraad van fijn goud,
zo is een wijze vermaner voor een luisterend oor.
)
. David reageert als een gelovige. Hij schaamt zich er niet voor zich door een vrouw te laten corrigeren en geeft de HEERE daarvoor de eer. Hij ziet in haar een Godsgezant en erkent Zijn goedheid in haar.

Als iemand naar ons toe komt met raad, leiding, vertroosting, waarschuwing of bestraffing, is het belangrijk dat we zien dat God zo iemand tot ons zendt. Het moet ons dankbaar stemmen als er door Gods voorzienigheid mensen op onze weg komen die een middel in Zijn hand zijn om ons ervoor te bewaren dat we een zonde begaan.


De dood van Nabal

36Toen Abigaïl bij Nabal kwam, zie, toen hield hij [juist] een maaltijd in zijn huis, als een koningsmaal. Het hart van Nabal was vrolijk in hem en hij was erg dronken. Daarom vertelde zij hem tot het morgenlicht geen woord, kort of lang. 37‘s Morgens, toen de wijn uit Nabal gegaan was, gebeurde het dat zijn vrouw hem [deze] dingen vertelde. Toen bestierf hem het hart in zijn binnenste en hij werd als een steen. 38En [na] ongeveer tien dagen gebeurde het dat de HEERE Nabal trof, zodat hij stierf.

Als Abigaïl thuiskomt, is Nabal dronken. Er zijn weinig dingen waardoor een mens zo verlaagd wordt als dronkenschap. Overmatig drankgebruik berooft iemand van zijn gezonde kijk op het leven en maakt hem tot een redeloos dier. Aan God wordt helemaal niet gedacht. Nabal lijkt haar niet gemist te hebben en ook niets van wat zij heeft meegenomen. Hij viert op overdadige wijze feest. Wat hij aan David heeft misgund, gebruikt hij om zelf een zwelgpartij te hebben. In zijn verbeelding is hij een koning. Hij zit op de troon, het eigen ik regeert.

Abigaïl beseft dat het geen enkele zin heeft Nabal iets te vertellen van wat er is gebeurd. Proberen aan dronken mensen het evangelie te vertellen is parels voor de zwijnen werpen. Als Nabal de volgende dag weer nuchter is, vertelt Abigaïl hem van haar ontmoeting met David. Als hij dat hoort, krijgt hij een hartverlamming en wordt hij als een steen, dat wil zeggen als een dode.

Als oorzaak daarvan zijn verschillende verklaringen gegeven. Sommigen zeggen dat hij een hartstilstand kreeg omdat tot hem doordrong aan welke doodsdreiging hij blootgesteld is geweest door zijn harteloze optreden tegenover David en zijn mannen. Hij zal daarbij hebben bedacht dat dit kwaad hem nog steeds kon overkomen. Een goddeloos mens blijft bang voor dreiging, zolang hij de genade niet accepteert. Anderen zeggen dat hij zich bijzonder heeft opgewonden over het geschenk dat zijn vrouw alsnog en zonder zijn medeweten naar David heeft gebracht. Dit verlies is schokkend voor hem geweest. Ook kan het zijn dat hij, die immers een hard, gevoelloos man was, zich realiseerde dat zijn vrouw hem door haar handelwijze op buitengewone wijze vernederd heeft. Dat was ondraaglijk voor hem.

Hoe het ook zij, ongeveer tien dagen later sterft hij werkelijk, omdat de HEERE hem doodt. Hij heeft geleefd zonder genade en sterft zonder vertroosting. Er is niemand die om hem treurt. We zien dat de HEERE recht oefent tussen David en Nabal. Laat het een bemoediging zijn voor ons dat Hij het recht ook voor ons regelt.


Abigaïl wordt Davids vrouw

39Toen David hoorde dat Nabal dood was, zei hij: Gezegend zij de HEERE, Die het voor mij opgenomen heeft, vanwege mijn smaad, van de hand van Nabal, en Zijn dienaar weerhouden heeft van het kwade, en [dat] de HEERE het kwaad van Nabal op zijn hoofd heeft doen terugkeren! En David stuurde [boden] en liet [hen] met Abigaïl bespreken dat hij haar tot vrouw wilde nemen. 40Toen de dienaren van David bij Abigaïl in Karmel gekomen waren, spraken zij tot haar: David heeft ons naar u toe gestuurd om u zich tot vrouw te nemen. 41Toen stond zij op, boog zich met het gezicht ter aarde en zei: Zie, uw dienares is als een slavin om de voeten van de dienaren van mijn heer te wassen. 42Abigaïl haastte zich en stond op, en reed op een ezel, en haar vijf meisjes met haar, die haar op de voet volgden. Zij ging achter de boden van David aan en werd hem tot vrouw.

David erkent dat de HEERE het voor hem heeft opgenomen en prijst Hem daarvoor. Dat maakt voor hem de weg vrij om Abigaïl tot vrouw te nemen. Abigaïl verlaat haar gemakkelijke leven met veel overvloed en kiest ervoor om bij David te komen en hem te vergezellen op een weg van lijden en omzwervingen. Abigaïl is een beeld van het overblijfsel dat met de Messias verbonden wordt.

Als ze bij hem komt, neemt ze de houding van onderdanigheid in en zegt dat ze bereid is het nederigste werk te doen. Ze neemt de nederige plaats in en stelt zich aan David en zijn dienaren ter beschikking. Ze verbindt haar lot aan dat van hem en zal delen in de vervolging en de verdrukking die zijn deel zijn. Ze zal zelfs gevangengenomen worden door de vijanden van David als ze in Ziklag zijn (1Sm 30:55Davids beide vrouwen waren ook als gevangenen meegevoerd: Ahinoam, uit Jizreël, en Abigaïl, de vrouw van Nabal, uit Karmel.). Ze zal echter ook delen in zijn troon wanneer hij zal regeren in Hebron (2Sm 2:2-42Zo trok David daarheen, en ook zijn twee vrouwen, Ahinoam uit Jizreël, en Abigaïl, de vrouw van Nabal, uit Karmel.3En de mannen die bij hem waren, liet David [mee] optrekken, ieder met zijn gezin. Zij gingen in de steden van Hebron wonen.4Toen kwamen de mannen van Juda en zalfden David daar tot koning over het huis van Juda. Men vertelde David: Het zijn de mannen van Jabes in Gilead die Saul begraven hebben.).


De vrouwen van David

43Ook nam David Ahinoam uit Jizreël [tot vrouw]; zo waren ook die twee hem tot vrouw. 44Saul had namelijk zijn dochter Michal, de vrouw van David, aan Palti gegeven, de zoon van Laïs, die uit Gallim [kwam].

Bij het noemen van de vrouwen van David wordt Ahinoam eerst genoemd (2Sm 3:22Bij David werden in Hebron zonen geboren. Zijn eerstgeborene was Amnon, van Ahinoam uit Jizreël;; 1Kr 3:11Dit waren de zonen van David, die bij hem in Hebron geboren zijn: de eerstgeborene Amnon, bij Ahinoam uit Jizreël; de tweede Daniël, bij Abigaïl, uit Karmel;). Dat gebeurt waarschijnlijk omdat zij de moeder is van zijn eerstgeboren zoon, Amnon. Als aanleiding voor het nemen van zijn twee andere vrouwen wordt hier vermeld dat Saul zijn dochter Michal, “de vrouw van David”, aan Palti of Paltiël (2Sm 3:1515Isboseth stuurde [boodschappers] en haalde haar weg bij [haar] man, Paltiël, de zoon van Laïs.) heeft gegeven. Saul heeft dat mogelijk gedaan om David dwars te zitten en mogelijk ook om elke band waarmee David aan hem was verbonden, door te snijden.

Opgemerkt moet wel worden dat, hoezeer het in die tijd ook de gewoonte is dat de toename van de macht van een vorst gepaard gaat met een vermeerdering van vrouwen, het hebben van meer dan één vrouw tegen Gods inzetting en bedoeling is en blijft (Mt 19:4-54Hij antwoordde echter en zei: Hebt u niet gelezen dat Hij Die hen heeft geschapen, hen van [het] begin af als man en vrouw heeft gemaakt5en gezegd heeft: ‘Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen en die twee zullen tot één vlees zijn’?).


Lees verder