Mattheüs
1-6 Het oordelen van anderen 7-12 Bidt, zoekt, klopt 13-14 Twee poorten, twee wegen 15-20 Valse belijders herkennen 21-23 Het oordeel over valse belijders 24-27 Tweeërlei fundament 28-29 De menigten staan versteld
Het oordelen van anderen

1Oordeelt niet, opdat u niet wordt geoordeeld; 2want met het oordeel waarmee u oordeelt, zult u worden geoordeeld, en met de maat waarmee u meet, zal u worden gemeten. 3En wat ziet u de splinter in het oog van uw broeder, maar de balk in uw eigen oog merkt u niet? 4Of hoe zult u tot uw broeder zeggen: Laat mij de splinter uit uw oog wegdoen, en zie, de balk is in uw oog? 5Huichelaar, doe eerst de balk uit uw oog weg, en dan zult u helder zien om de splinter uit het oog van uw broeder weg te doen. 6Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw parels niet voor de varkens; opdat zij ze niet misschien met hun poten vertrappen en zich omkeren en u verscheuren.

In het vorige hoofdstuk hebben we onderwijs van de Heer waarbij het erom gaat Zijn discipelen in te voeren in een betrekking tot de Vader in de hemel. Hij wil dat de Vader hun hele denken vult, of het nu gaat om het doen van weldadigheid of om gebeden of om vasten of ook om hun verhouding tot bezit en alle behoeften van het leven. In dit hoofdstuk geeft de Heer Zijn discipelen onderwijs over de verhouding tot hun broeders en zelfs tot goddeloze mensen.

Het gaat in dit hoofdstuk over de regering van God in het leven van de discipel. De ‘regering van God’ wil zeggen dat een mens verantwoordelijk is voor wat hij doet en dat God aan zijn handelingen of woorden altijd consequenties voor hemzelf en vaak ook voor anderen verbindt.

Als de Heer hier zegt “oordeelt niet”, heeft dat niet te maken met wat duidelijk is, maar met wat verborgen is. Het betreft hier de waarschuwing om te waken voor de geest van kritiek in onszelf, de neiging om kwade motieven bij anderen te veronderstellen in wat niet duidelijk is. Dat wil niet zeggen dat de Heer bedoelt het noodzakelijke oordeel van het kwaad te verzwakken. Als er openbaar kwaad in de gemeente is, moet de gemeente dat oordelen (1Ko 5:12-1312Want wat heb ik hen die buiten zijn te oordelen? Oordeelt u niet hen die binnen zijn?13Maar hen die buiten zijn, zal God oordelen. Doet de boze uit uw midden weg.).

Maar als we ons een oordeel aanmatigen waar dat niet is toegestaan (1Ko 4:55Oordeelt daarom niets vóór [de] tijd, totdat de Heer komt, Die ook wat in de duisternis verborgen is, aan het licht zal brengen en de raadslagen van de harten openbaar zal maken; en dan zal ieder zijn lof ontvangen van God.), krijgen we te maken met de regering van God. God zal ons dan oordelen en meten naar de normen die wij bij anderen hebben aangelegd. Dan zullen we ervaren hoezeer we anderen tekortgedaan hebben.

Deze verkeerde geest van oordelen komt ook tot uiting in de omvang van het kwaad dat we bij anderen menen waar te nemen, terwijl we blind zijn voor onze eigen veel grotere verkeerdheden. Van dat splintertje in het oog van onze broeder maken we veel ophef, die splinter wordt uitvergroot, terwijl de balk in ons eigen oog wordt gebagatelliseerd. We maken ons druk als iemand een kleinigheid van de waarheid niet ziet, terwijl we niet in de gaten hebben dat wijzelf grote delen van de waarheid veronachtzamen.

Als er oprechte zorg is voor elkaar, zullen we een ander willen helpen bij het verwijderen van een splinter uit zijn oog. Daarvoor zijn we leden van hetzelfde lichaam. Maar het moet wel op de goede manier gebeuren. Het gaat hier om huichelachtig oordelen, om oordeel zonder zelfoordeel, om mank gaan aan hetzelfde kwaad en dan toch een ander voor juist dat kwaad veroordelen.

Vers 66Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw parels niet voor de varkens; opdat zij ze niet misschien met hun poten vertrappen en zich omkeren en u verscheuren. lijkt een heel ander onderwerp aan te snijden dan de voorgaande verzen. Toch is er een verband. In de verzen 1-51Oordeelt niet, opdat u niet wordt geoordeeld;2want met het oordeel waarmee u oordeelt, zult u worden geoordeeld, en met de maat waarmee u meet, zal u worden gemeten.3En wat ziet u de splinter in het oog van uw broeder, maar de balk in uw eigen oog merkt u niet?4Of hoe zult u tot uw broeder zeggen: Laat mij de splinter uit uw oog wegdoen, en zie, de balk is in uw oog?5Huichelaar, doe eerst de balk uit uw oog weg, en dan zult u helder zien om de splinter uit het oog van uw broeder weg te doen. waarschuwt de Heer ervoor dat we bij onze medediscipelen niet mogen oordelen over de motieven van het hart. Die zijn voor ons verborgen. In vers 66Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw parels niet voor de varkens; opdat zij ze niet misschien met hun poten vertrappen en zich omkeren en u verscheuren. gaat het over het oordelen van personen die zich aandienen als christen, maar van wie uit hun mond en uit hun daden blijkt dat ze de kostbare dingen van de Heer Jezus met hun voeten vertrappen. Daarvan zegt Hij uitdrukkelijk dat we dat wel moeten oordelen.

Met “honden” en “varkens” worden mensen in de christenheid bedoeld voor wie het kostbare van Gods waarheid geen enkele betekenis en waarde heeft. Over zulke mensen moeten we een scherp oordeel vellen. We mogen hun niets geven van wat God alleen bedoeld heeft voor Zijn volk en wat voor hen kostbaar is. Niet alleen vertrappen ze dat waardevolle in het slijk, maar ze zullen ook ons, die het geven, meesleuren en verscheuren (vgl. 2Pt 2:2222Hun is overkomen wat het ware spreekwoord zegt: ‘[De] hond is teruggekeerd naar zijn eigen braaksel’, en: ‘[De] gewassen zeug tot [het] wentelen in [de] modder’.).

Met “honden” en “varkens” worden niet de zondaars in het algemeen bedoeld, en met het “heilige” en de “parels” wordt niet het evangelie bedoeld. Het brengen van het evangelie is geen parels voor de zwijnen. Het evangelie is juist voor alle zondaars bedoeld, ook voor de meest ‘zwijnachtige’ onder hen.


Bidt, zoekt, klopt

7Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en u zult vinden; klopt, en u zal worden opengedaan. 8Want ieder die bidt, ontvangt; en die zoekt, vindt; en die klopt, zal worden opengedaan. 9Of welk mens is er onder u, aan wie zijn zoon om een brood zal vragen – zal hij hem soms een steen geven? 10of ook om een vis vragen – zal hij hem soms een slang geven? 11Als dan u die boos bent, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader Die in de hemelen is, goede [gaven] geven aan hen die er Hem om bidden! 12Alles dan wat u wilt dat u de mensen doen, doet u hun ook zo; want dat is de wet en de profeten.

De Heer geeft een geweldige bemoediging om al het onderwijs dat Hij heeft gegeven in praktijk te brengen. Als we het onderwijs hebben gehoord, voelen we ons onmachtig het op te volgen. Maar hier geeft de Heer de hulpmiddelen: bidden, zoeken, kloppen. Hij nodigt uit er een onbeperkt en aanhoudend gebruik van te maken. Als we het echt doen, mogen we zeker zijn van de verhoring. Hij verzekert het ons met het woord “want” (vers 88Want ieder die bidt, ontvangt; en die zoekt, vindt; en die klopt, zal worden opengedaan.) dat Hij zal reageren.

‘Bidden’ is het uitspreken van een verlangen. ‘Zoeken’ ziet erop dat het verlangen niet binnen handbereik is, maar dat we ons moeten inspannen om het verlangde te krijgen. Bij ‘kloppen’ ligt de nadruk op aandringen door de bidder bij God en ook dat er een deur geopend moet worden, wat toegepast kan worden op het wegnemen van een hindernis.

De grens aan het geven van God wordt bepaald door ons geloof. God is een gewillige en overvloedige Gever. Zijn volheid is onuitputtelijk. Zijn vermogen om te geven is onbegrensd. Hij zegt: “Doe uw mond wijd open en Ik zal hem vullen” (Ps 81:11b11Ik ben de HEERE, uw God,
Die u uit het land Egypte leidde.
Doe uw mond wijd open en Ik zal hem vullen.
)
. Toch geeft God niet alles wat wij vragen. Hij geeft namelijk alleen wat goed is. Als wij iets aan de Vader vragen, zal Hij ons niet iets geven wat waardeloos is als een steen of gevaarlijk als een slang. Zijn maatstaf blijft niet achter bij die van een aardse vader.

Vers 1212Alles dan wat u wilt dat u de mensen doen, doet u hun ook zo; want dat is de wet en de profeten. is een samenvatting van de verzen 1-111Oordeelt niet, opdat u niet wordt geoordeeld;2want met het oordeel waarmee u oordeelt, zult u worden geoordeeld, en met de maat waarmee u meet, zal u worden gemeten.3En wat ziet u de splinter in het oog van uw broeder, maar de balk in uw eigen oog merkt u niet?4Of hoe zult u tot uw broeder zeggen: Laat mij de splinter uit uw oog wegdoen, en zie, de balk is in uw oog?5Huichelaar, doe eerst de balk uit uw oog weg, en dan zult u helder zien om de splinter uit het oog van uw broeder weg te doen.6Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw parels niet voor de varkens; opdat zij ze niet misschien met hun poten vertrappen en zich omkeren en u verscheuren.7Bidt, en u zal gegeven worden; zoekt, en u zult vinden; klopt, en u zal worden opengedaan.8Want ieder die bidt, ontvangt; en die zoekt, vindt; en die klopt, zal worden opengedaan.9Of welk mens is er onder u, aan wie zijn zoon om een brood zal vragen – zal hij hem soms een steen geven?10of ook om een vis vragen – zal hij hem soms een slang geven?11Als dan u die boos bent, goede gaven weet te geven aan uw kinderen, hoeveel te meer zal uw Vader Die in de hemelen is, goede [gaven] geven aan hen die er Hem om bidden! en eigenlijk van het hele Oude Testament voor zover daar over betrekkingen tot medemensen wordt gesproken. Wat iemand anders ook doet, mijn zorg is hem te doen wat ik wil dat hij mij doet. Dan handel ik als een kind van mijn hemelse Vader.

Er staat niet: ‘Wat u niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet.’ Dat is een negatieve benadering van de ander. De Heer stelt het positief voor. Zo sluit het ook goed aan op het voorgaande. Als de Vader ons zo rijk geeft, zullen wij ook anderen rijk geven. We kunnen deze woorden van de Heer daarom ook zien als een samenvatting van het christendom in zijn uiting naar onze medemensen.


Twee poorten, twee wegen

13Gaat in door de nauwe poort; want wijd <is de poort> en breed is de weg die naar het verderf leidt, en velen zijn er die daardoor binnengaan; 14hoe nauw is de poort en smal de weg die naar het leven leidt, en weinigen zijn er die hem vinden.

Hier spreekt de Heer over de hoofden van de discipelen heen tot de menigten. Hij biedt hun de keus tussen de nauwe en de brede poort, tussen het leven binnengaan of verloren gaan. De poort is nauw omdat iemand daar slechts door naar binnen kan gaan als hij niets van zichzelf wil meenemen. De poort is niet te nauw voor iemand die zichzelf voor God verootmoedigt en klein wordt.

De poort is wel te nauw voor iemand die meent dat hij erdoor in kan gaan op grond van eigen goede werken. Die werken maken iemand groot. Mensen met werken van eigen gerechtigheid gaan door de wijde poort naar binnen. Velen kiezen deze gemakkelijke poort en de even gemakkelijke weg om een aangenaam leven te leven. Het einde van die weg is echter het verderf.

De nauwe poort wordt maar door weinigen ontdekt en binnengegaan. Dat wil niet zeggen dat Gods genade nauw is. Gods genade is rijk en vrij en voor iedereen beschikbaar. Maar slechts weinigen willen op genade een beroep doen. Slechts zij die inzien dat zij voor God niet kunnen bestaan en Hem hun zonden belijden, gaan naar binnen. Zij kiezen de weg van het leven. Dat is een smalle weg. De massa is daar niet te vinden, maar die weg mondt uit in het eeuwige leven bij God.


Valse belijders herkennen

15Past u op voor de valse profeten, die tot u komen in schapenvachten, maar van binnen zijn zij roofzuchtige wolven. 16Aan hun vruchten zult u hen kennen. Men plukt toch geen druiven van dorens, of vijgen van distels? 17Zo brengt elke goede boom mooie vruchten voort, maar de bedorven boom brengt slechte vruchten voort. 18Een goede boom kan geen slechte vruchten voortbrengen en een bedorven boom geen mooie vruchten voortbrengen. 19Elke boom die geen mooie vrucht voortbrengt, wordt omgehakt en in [het] vuur geworpen. 20U zult hen dus aan hun vruchten kennen.

De Heer waarschuwt voor de valse profeten. Valse profeten maken de nauwe poort wijd en de smalle weg breed. Ze doen zich voor als discipelen, maar in werkelijkheid brengen ze verderf. Ze zijn erop uit om de ware discipelen te verscheuren. Het onderscheid tussen de echte en de valse profeet is te zien aan de vrucht. De vrucht bestaat niet uitsluitend uit grove boosheid. Valse profeten komen niet altijd met opvallende boze leringen. Aan de uitwerking van de leringen, dat zijn hun vruchten, is te zien met wat voor soort profeten we te maken hebben. Het gaat erom wat een leer uitwerkt in het leven van de discipel. De toetssteen van een leer is of een discipel daardoor een trouwere volgeling van de Heer wordt of daardoor van de Heer worden gescheiden.

Het is ermee als met een boom. De gezondheid van de boom is af te lezen aan de vrucht die hij voortbrengt. Het is onmogelijk hierin bedrogen te worden. Het is ook duidelijk wat er met een boom gebeurt die geen mooie vrucht voortbrengt. Die laat je niet staan, want stel je voor dat je er per ongeluk toch van eet. Dat kan schadelijk en zelfs dodelijk zijn. Daarom moet zo’n boom worden omgehakt en in het vuur worden geworpen.

Hetzelfde geldt voor mensen die leringen brengen die Gods volk bij God vandaan voeren. Gods volk is geroepen mooie vrucht voor Hem voort te brengen. Door toedoen van de valse profeten worden geen mooie vruchten voortgebracht. Daarom moeten zij streng geoordeeld worden. Laten we dus op de vruchten van een bepaalde leer letten, want daaraan herkennen we met wat voor soort profeten we te maken hebben!


Het oordeel over valse belijders

21Niet ieder die tot Mij zegt: Heer, Heer, zal het koninkrijk der hemelen binnengaan, maar hij die de wil doet van Mijn Vader Die in de hemelen is. 22Velen zullen in die dag tot Mij zeggen: Heer, Heer, hebben wij niet door Uw Naam geprofeteerd en door Uw Naam demonen uitgedreven en door Uw Naam vele krachten gedaan? 23En dan zal Ik openlijk tot hen zeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij, werkers van de wetteloosheid!

Het gaat er niet om wat iemand zegt, maar wat hij doet. Iemand kan nadrukkelijk belijden dat Jezus “Heer” is en daarbij het woord “Heer” zelfs twee keer noemen. Maar als hij niet Gods wil volbrengt in onderwerping aan de Schrift, zal de Heer hem verwerpen. Hij noemt zulke lieden “werkers van de wetteloosheid”, dat zijn mensen die geen enkel gezag erkennen en zeker niet dat van God.

Valse belijders erkennen met hun mond het gezag van de Heer, maar in de praktijk handelen ze daar niet naar. Judas is een vreselijk voorbeeld van zulke mensen. Hij heeft ongetwijfeld indrukwekkende dingen gesproken en gedaan in de Naam van de Heer, maar er was bij hem geen innerlijke gehechtheid aan Hem. Hij heeft zich nooit bekeerd en bezat daarom geen nieuw leven.

De Heer kijkt hier vooruit door de eeuwen heen naar het laatste oordeel. Hij zal openlijk van al die mensen die Hem alleen met de lippen hebben beleden, zeggen dat Hij hen nooit heeft gekend. Natuurlijk kende Hij hen volmaakt. Daarom komt Hij tot deze volmaakt rechtvaardige veroordeling. Dat Hij hen nooit heeft gekend, wil zeggen dat er tussen Hem en hen nooit een door Hem erkende relatie is geweest omdat zij zich niet hebben bekeerd. Hun eigen waardering van hun dienst zal plaatsmaken voor Zijn beoordeling ervan.


Tweeërlei fundament

24Ieder dan die deze Mijn woorden hoort en ze doet, zal vergeleken worden met een wijs man, die zijn huis op de rots heeft gebouwd; 25en de slagregen viel en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en beukten tegen dat huis; en het viel niet, want het was op de rots gegrondvest. 26En ieder die deze Mijn woorden hoort en ze niet doet, zal vergeleken worden met een dwaas man, die zijn huis op het zand heeft gebouwd; 27en de slagregen viel en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en sloegen tegen dat huis; en het viel, en zijn val was groot.

De Heer Jezus maakt in deze verzen het verschil duidelijk tussen iemand die wijs is en iemand die dwaas is. Het zijn de slotwoorden van de bergrede. Deze afsluitende en samenvattende woorden gelden natuurlijk niet alleen voor wat Hij in de bergrede heeft gezegd. Ze gelden voor het hele Woord van God.

Wie is wijs en wie is dwaas? Een wijs man is hij die de woorden van de Heer Jezus hoort en ze doet. Een dwaas man is hij die de woorden van de Heer Jezus hoort en ze niet doet. Het verschil zit hem dus niet in horen en niet horen. Zowel de wijze als de dwaas hoort het Woord van God. Het grote verschil is doen of niet doen. De Heer maakt dit verschil duidelijk met het voorbeeld van het bouwen van een huis. Het verschil zit hem niet in de huizen. Ze zullen beide met deugdelijk materiaal zijn gebouwd. Het grote verschil is het fundament waarop het huis wordt gebouwd.

In de vergelijking laat de Heer zien dat een test zal uitwijzen of iemand wijs is of dwaas. Uit de test zal blijken of iemand hoort én doet en daarom een wijs man is, of dat iemand hoort en niet doet en daarom een dwaas man is. De test wordt op verschillende wijzen gedaan.

Er zijn “slagregens”. Daarin kunnen we plotselinge beproevingen zien, zoals in het leven van Job. De ene slagregen heeft nog maar net zijn verwoestende werk gedaan of de volgende slagregen valt in alle hevigheid neer op het levenshuis van Job (Jb 1:13-1913Er was nu een dag, toen zijn zonen en zijn dochters aten en wijn dronken in het huis van hun broer, de eerstgeborene,14dat er een bode bij Job kwam en zei: De runderen waren aan het ploegen en de ezelinnen naast hen aan het weiden.15Toen deden Sabeeërs een inval en namen ze mee, en ze sloegen de knechten met de scherpte van het zwaard; en ík ben maar als enige ontkomen om het u te vertellen.16Terwijl deze nog sprak, kwam er een ander en zei: Het vuur van God viel neer uit de hemel en ontbrandde tegen de schapen en de knechten, en verteerde ze; en ík ben maar als enige ontkomen om het u te vertellen.17Terwijl deze nog sprak, kwam er [weer] een ander en zei: De Chaldeeën stelden drie groepen op en pleegden een overval op de kamelen en namen ze mee, en sloegen de knechten met de scherpte van het zwaard; en ík ben maar als enige ontkomen om het u te vertellen.18Terwijl deze nog sprak, kwam er [nog weer] een ander en zei: Uw zonen en uw dochters waren aan het eten en wijn drinken in het huis van hun broer, de eerstgeborene.19En zie, een hevige stormwind kwam van over de woestijn en trof de vier hoeken van het huis, en het viel boven op de jonge mensen, zodat zij stierven; en ík ben maar als enige ontkomen om het u te vertellen.). Toch blijft zijn levenshuis staan. Dat komt omdat hij zijn vertrouwen in God niet opgeeft (Jb 2:1010Maar hij zei tegen haar: Je spreekt zoals één van de dwaze vrouwen spreekt. Zouden wij het goede wel van God ontvangen en zouden we het kwade niet ontvangen? In dit alles zondigde Job met zijn lippen niet.).

Er kunnen ook “waterstromen” komen. Dat spreekt van aanhoudende en toenemende druk. David heeft dat gekend, bijvoorbeeld in de lange tijd dat hij door Saul achterna werd gezeten die hem wilde vermoorden. Soms werd het zo zwaar, dat hij bijna de moed zou opgeven (Ps 69:1-4,161[Een psalm] van David, voor de koorleider, op ‘De lelies’.2Verlos mij, o God,
want het water is tot aan de ziel gekomen.
3Ik ben gezonken in bodemloze modder,
waarin men niet kan staan;
ik ben gekomen in de waterdiepten
en de vloed overspoelt mij.
4Ik ben moe van mijn roepen,
mijn keel is ontstoken;
mijn ogen zijn bezweken,
omdat ik steeds hoop op mijn God.
16Laat de watervloed mij niet overspoelen,
de diepte mij niet verslinden,
de put zijn mond boven mij niet sluiten.
)
. Maar ook hij gaf zijn vertrouwen in God niet op (Ps 69:31-3731Ik zal Gods Naam loven met gezang
en Hem met dank[zegging] groot maken.
32Het zal de HEERE aangenamer zijn dan een rund
[of] een jonge stier met hoornen [en] gespleten hoeven.
33[Als] de zachtmoedigen[dit] zien, zullen zij zich verblijden;
u die God zoekt, uw hart zal leven.
34Want de HEERE hoort de armen,
Hij veracht Zijn gevangenen niet.
35Laten hemel en aarde Hem loven,
de zeeën en al wat daarin krioelt.
36Want God zal Sion verlossen
en de steden van Juda herbouwen;
daar zullen zij wonen en het bezitten.
37Het nageslacht van Zijn dienaren zal het in erfelijk bezit krijgen;
wie Zijn Naam liefhebben, zullen daarin wonen.
)
.

En dan “de winden”. Daarbij kunnen we denken aan allerlei “wind van leer” (Ef 4:1414opdat wij niet meer onmondigen zijn, heen en weer bewogen en rondgedreven door elke wind van de leer, door de bedriegerij van de mensen, door [hun] sluwheid om door listen te doen dwalen,). Timotheüs wordt gewaarschuwd voor “verleidende geesten en leringen van demonen” (1Tm 4:11De Geest nu zegt uitdrukkelijk, dat in [de] latere tijden sommigen van het geloof zullen afvallen, terwijl zij zich zullen bezighouden met verleidende geesten en leringen van demonen) die hun uiterste best doen ingang te krijgen in de levens van mensen om hun geloof uit te hollen en te verwoesten. Dit gebeurt veelvuldig in de christenheid. Paulus houdt Timotheüs voor dat het Woord betrouwbaar is en dat hij zijn hoop moet vestigen op de levende God (1Tm 4:9-109Het woord is betrouwbaar en alle aanneming waard;10want hiertoe arbeiden wij en strijden wij, omdat wij onze hoop gevestigd hebben op de levende God, Die een Onderhouder is van alle mensen, het meest van [de] gelovigen.).

Al deze elementen gaan tekeer tegen iemands levenshuis en zullen duidelijk maken op welk fundament het is gebouwd: op de rots of op het zand. Niemand die zegt te horen, ontkomt aan de test.

Bij de wijze man gebruikt de Heer Jezus voor de test het woord “beukten” (vers 2525en de slagregen viel en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en beukten tegen dat huis; en het viel niet, want het was op de rots gegrondvest.). Hier beluisteren we hoezeer de vijand met inspanning van al zijn krachten zijn uiterste best doet om dit huis te laten vallen. Maar wat is het resultaat? Het valt niet!

Bij de dwaze man gebruikt de Heer het iets minder krachtige “sloegen” (vers 2727en de slagregen viel en de waterstromen kwamen en de winden waaiden en sloegen tegen dat huis; en het viel, en zijn val was groot.), alsof de vijand daar minder kracht hoeft te gebruiken. De dwaas heeft ook de woorden van de Heer gehoord. Alleen, hij doet ze niet. Hij bouwt niet op de rots, maar op iets anders. Wat het ook mag zijn, het is zand en biedt daarom geen enkele stevigheid. Dat maakt de man dwaas. De test brengt dat aan het licht. Het huis valt niet slechts, de val ervan is zelfs “groot”.

Waarop is ons levenshuis gebouwd? Zijn wij wijs of zijn wij dwaas? Niemand zal van zichzelf zeggen dat hij dwaas is. Maar de test komt en het bewijs van wat we zijn, zal ondubbelzinnig worden geleverd. Het komt erop aan dat we geloven wat God zegt, dat we aanvaarden wat God zegt en dat we doen wat God zegt. Met minder redden we het niet. We constateren dat er veel gebouwd wordt op het verkeerde fundament. Velen luisteren naar Gods Woord, maar doen ermee wat henzelf het beste lijkt. Dat is bouwen op zand, waarbij de val onvermijdelijk en groot is.


De menigten staan versteld

28En het gebeurde toen Jezus deze woorden had geëindigd, dat de menigten versteld stonden over Zijn leer; 29want Hij leerde hen als iemand die gezag heeft, en niet als hun schriftgeleerden.

Hoewel de Heer Zijn discipelen heeft geleerd, hebben de menigten meegeluisterd. Wat ze horen, doet hen versteld staan. Dat is geen wonder, want het is een stem uit een andere sfeer dan die van de aarde. De Leraar leeft het Woord uit en voor. Dat geeft Hem gezag. Hij is, wat Hij zegt. In Hem wordt de leer geïllustreerd. Hij is de volmaakte Leermeester Die onderwijs geeft aan Zijn discipelen, dat wil zeggen volgelingen die Hem, hun Leermeester, eren en willen worden als Hij. Ze luisteren niet alleen naar Hem, maar doen Hem ook na.

Het gezag waarmee Hij deze dingen verkondigt, bewerkt grote verbazing bij de menigten. Zij merken het verschil op tussen de wijze waarop Hij leert en de wijze waarop hun schriftgeleerden dat doen. Hun schriftgeleerden zijn de mensen die zeggen en niet doen (Mt 23:4b4Zij nu binden zware <en moeilijk te dragen> lasten en leggen ze op de schouders van de mensen; maar zijzelf willen ze met hun vinger niet verroeren.). Hij spreekt met gezag, zonder te zeggen waarom Hij dat doet. Hij beveelt, zonder Zijn recht daarop te verklaren. Hij leert op een manier die volkomen anders is dan de manier waarop anderen dat doen. Terwijl Hij de heilige Schrift eert en vervult, citeert Hij geen vroegere gezagsbron om te onderstrepen wat Hij zegt. Hij leert op volkomen unieke wijze waaruit blijkt dat Hij is wat Hij zegt (Jh 8:2525Zij zeiden dan tot Hem: Wie bent U? Jezus zei tot hen: Geheel wat Ik ook tot u spreek.).


Lees verder