Mattheüs
1-7 De geroepenen tot de bruiloft 8-10 De bruiloftszaal wordt vol 11-14 Zonder bruiloftskleed 15-22 Over de keizerlijke belasting 23-33 Over de opstanding 34-40 Het grote gebod 41-46 De Zoon van David
De geroepenen tot de bruiloft

1En Jezus antwoordde en sprak opnieuw in gelijkenissen tot hen en zei: 2Het koninkrijk der hemelen is gelijk geworden aan een koning die een bruiloft voor zijn zoon aanrichtte. 3En hij zond zijn slaven uit om de genodigden te roepen tot de bruiloft, en zij wilden niet komen. 4Opnieuw zond hij andere slaven uit en zei: Zegt aan de genodigden: Zie, mijn middagmaal heb ik gereedgemaakt, mijn ossen en mijn gemeste beesten zijn geslacht en alles is gereed; komt tot de bruiloft. 5Zij sloegen er echter geen acht op en gingen weg, de een naar zijn eigen akker, de ander naar zijn koophandel; 6de overigen nu grepen zijn slaven, mishandelden en doodden hen. 7De koning nu werd toornig, en hij zond zijn legers en bracht die moordenaars om en stak hun stad in brand.

Met de volgende gelijkenis “antwoordde” de Heer op Zijn verwerping die Hij in de vorige gelijkenis naar voren heeft gebracht. In dit antwoord komt Zijn genade tot uiting. Ondanks Zijn verwerping biedt Hij alsnog Zijn genade aan in de uitnodiging om naar de bruiloft te komen. Als zij de uitnodiging van het evangelie aannemen, komen zij onder de rechtsorde van de hemel, nadat de nationale ineenstorting heeft plaatsgevonden die in de voorgaande gelijkenis wordt voorgesteld.

Het is opnieuw een gelijkenis, maar nu in verbinding met het koninkrijk der hemelen. Dat onderscheidt deze gelijkenis van de twee voorgaande. Daar gaat het om de rechtvaardige aanspraken die Hij op Israël heeft op grond van wat Hij hun heeft toevertrouwd en hun reactie daarop. Hier gaat het om iets nieuws, de bruiloft. Met deze gelijkenis brengt Hij weer naar voren waarom Hij gekomen is. Evenals in de vorige gelijkenis is hier sprake van een zoon, dit keer een zoon van een koning.

De Heer leidt deze gelijkenis in met de woorden “het koninkrijk der hemelen is gelijk geworden aan”. Dit betekent dat Hij het koninkrijk der hemelen niet in zijn oorspronkelijke vorm aankondigt. Dat kan niet meer vanwege Zijn verwerping. Door te spreken over een bruiloft legt Hij wel de nadruk op de vreugde die eraan verbonden is als iemand de uitnodiging aanneemt en er binnengaat. In deze gelijkenis gaat een uitnodiging uit. De slaven krijgen niet de opdracht om in de wijngaard te gaan en te werken, maar om te roepen: “Komt tot de bruiloft.” Er wordt niet geëist, maar gegeven.

De slaven zijn de discipelen die de Heer heeft uitgezonden. De genodigden zijn in eerste instantie de Joden, het volk van God. Maar het volk wil niet, het verwerpt de uitnodiging. Christus is echter vol genade en laat een tweede uitnodiging uitgaan tot dezelfde groep bijzonder bevoorrechte personen, de genodigden. Hij geeft Zijn slaven de opdracht nu niet alleen uit te nodigen, maar ook de aantrekkelijkheid van het feest in de uitnodiging voor te stellen. Het staat allemaal klaar voor de genodigden. Ze hoeven alleen maar te komen. Hij doet er alles aan om de genodigden op het feest te krijgen.

De geestelijke betekenis is dat alles gereed is door het offer van Christus. Hiervan was bij de eerste uitnodiging nog geen sprake. De vervulling van de tweede uitnodiging zien we in de eerste hoofdstukken van Handelingen. Deze tweede uitnodiging gebeurt door de apostelen als het verlossingswerk is volbracht.

Maar de genodigden tonen geen interesse. De oorzaak ervan is verschillend. Er is een groep die te druk bezig is met zijn eigen bezittingen, een andere groep heeft het druk met zijn zaken. Er is ook een groep onder de genodigden die nog anders reageert. Als zij de uitnodiging krijgen, ontsteken ze in woede. Dat heeft te maken met hun trots op hun nationale godsdienst waaraan zij hun belangrijkheid ontlenen. Ze beantwoorden de uitnodiging met mishandeling en het vermoorden van de boodschappers.

Het mag geen verbazing wekken dat de koning deze reacties op zijn uitnodiging niet ongestraft kan laten. God heeft in het jaar 70 Jeruzalem door de Romeinen als “Zijn legers” laten verwoesten.


De bruiloftszaal wordt vol

8Toen zei hij tot zijn slaven: De bruiloft is wel gereed, maar de genodigden waren het niet waard; 9gaat daarom naar de kruispunten van de wegen en roept allen die u er zult vinden tot de bruiloft. 10En die slaven gingen naar buiten naar de wegen en brachten allen samen die zij vonden, zowel bozen als goeden; en de bruiloft werd vol met hen die aanlagen.

De koning vertelt zijn slaven hoe de zaken ervoor staan en dat de genodigden het niet waard zijn om tot de bruiloft te komen. Hij heeft ze de uitnodiging gezonden, maar ze hebben zichzelf onwaardig gemaakt om bij de bruiloft aanwezig te zijn. Hij wil zijn slaven, een beeld van dienaren van de Heer, nu uitzenden naar mensen die eerst niet tot de genodigden behoorden. Zijn slaven mogen, zonder enig onderscheid te maken, allen tot de bruiloft roepen die ze op de kruispunten van de wegen zullen vinden. Op de kruispunten zijn altijd de meeste mensen te vinden. Nu de genodigden het genadeaanbod van het evangelie hebben afgeslagen, gaat het aanbod naar alle mensen.

De slaven kwijten zich van hun taak door zonder onderscheid te maken allen samen te brengen die ze maar vinden. Het evangelie wordt aan alle mensen aangeboden. De evangelist hoeft zich er niet mee bezig te houden wie door God zijn uitverkoren. Hij moet het Woord brengen aan allen die hij tegenkomt. Onder “bozen” kunnen we grote zondaars verstaan en onder “goeden” mensen zoals Nicodémus. Het gaat niet om de aard en het karakter van de mensen naar wie het evangelie uitgaat, maar om het feit dat de uitnodiging aan allen zonder onderscheid wordt gedaan. Er wordt niet gezocht naar mensen die het bruiloftskleed dragen, want dat zullen ze van de Koning krijgen. Het is hier zoals het in Mattheüs 13 is met de gelijkenis van de tarwe en het onkruid. Zo wordt de bruiloft vol met hen die aanliggen.


Zonder bruiloftskleed

11Toen nu de koning naar binnen was gegaan om hen die aanlagen te bezien, zag hij daar een mens die niet bekleed was met een bruiloftskleed. 12En hij zei tot hem: Vriend, hoe bent u hier binnengekomen zonder een bruiloftskleed aan te hebben? En hij zweeg. 13Toen zei de koning tot zijn dienstknechten: Bindt hem aan handen en voeten en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars. 14Want velen zijn geroepenen, maar weinigen uitverkorenen.

Dan komt de koning binnen om te zien wie er allemaal binnen zijn gekomen. Het gaat in deze gelijkenis niet om de verantwoordelijkheid van de prediker, maar van hen die op de prediking hebben gereageerd. De mens zonder bruiloftskleed is eigenmachtig binnengekomen. Hij heeft zich onder de geroepenen begeven, maar heeft het uitgereikte bruiloftskleed niet aanvaard. Hij meent dat zijn eigen kleding het wel kan doen.

Het gaat hier duidelijk niet om de hemel. Daarin kan niemand binnenkomen die niet bekleed is met Christus. Het gaat om een gelijkenis van het koninkrijk der hemelen dat gelijk geworden is aan een situatie waarin bozen en goeden samen aanwezig zijn. Er komt echter een dag waarop God openbaar zal maken wie er werkelijk in thuis horen en wie niet.

De man wordt ter verantwoording geroepen. De koning noemt hem “vriend”, want hij is gekomen. Maar de man geeft geen antwoord op de vraag hoe hij zonder bruiloftskleed binnen is gekomen. Al zijn verbeelding waarmee hij meende daar aanwezig te kunnen zijn op grond van zijn eigen voorwaarden, is verdwenen. Zo zal het alle mensen vergaan die nu een grote mond hebben over hoe ze God zullen antwoorden als Hij hen ter verantwoording zal roepen.

We hebben in deze gelijkenis al het oordeel over Jeruzalem gezien (vers 77De koning nu werd toornig, en hij zond zijn legers en bracht die moordenaars om en stak hun stad in brand.). Omdat dit een gelijkenis van het koninkrijk is, zien we ook het oordeel over wat binnen het koninkrijk is. Er kan een uiterlijk ingaan in het koninkrijk zijn, een belijden van het christendom, maar hij die niet gekleed is met wat tot het feest behoort, zal worden uitgeworpen. We moeten bekleed zijn met Christus Zelf. Wie dat niet is, wordt buiten geworpen in de buitenste duisternis, waar geween is en tandengeknars. De Heer stelt het vreselijke lot voor van hen die zich in het licht wanen, terwijl hun hart in de duisternis is. Zij zullen eeuwig zijn waar hun hart altijd was.

Hij eindigt de gelijkenis met er nog eens op te wijzen dat velen wel geroepen zijn, dat wil zeggen alle mensen, maar dat weinigen uitverkoren zijn, dat wil zeggen dat niet velen zich buigen onder de genade. Wat het lot is van deze enkeling in de gelijkenis, zal in werkelijkheid het lot zijn van velen.

Hier eindigt de tweevoudige beproeving van het volk. De eerste vond plaats op grond van verantwoordelijkheid van het volk onder de wet (Mt 21:33-4633Hoort een andere gelijkenis. Er was een heer des huizes die een wijngaard plantte, en hij zette er een omheining omheen, groef een persbak daarin en bouwde een toren; en hij verhuurde hem aan landlieden en ging buitenslands.34Toen nu de tijd van de vruchten was genaderd, zond hij zijn slaven naar de landlieden om zijn vruchten te ontvangen.35En de landlieden namen zijn slaven, sloegen de een, doodden de ander en stenigden de derde.36Opnieuw zond hij andere slaven, meer dan de eersten, en zij deden met hen hetzelfde.37Ten slotte nu zond hij tot hen zijn zoon en zei: Zij zullen mijn zoon ontzien.38Toen de landlieden echter de zoon zagen, zeiden zij onder elkaar: Deze is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden en zijn erfenis in bezit nemen.39En zij grepen hem, wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem.40Wanneer dan de heer van de wijngaard komt, wat zal hij met die landlieden doen?41Zij zeiden tot Hem: Die kwaden zal hij een kwade dood laten sterven en de wijngaard aan andere landlieden verhuren, die hem de vruchten op hun tijd zullen afgeven.42Jezus zei tot hen: Hebt u nooit gelezen in de Schriften: ‘[De] steen die de bouwlieden hebben verworpen, die is geworden tot een hoeksteen; van [de] Heer is dit gebeurd en het is wonderlijk in onze ogen’?43Daarom zeg Ik u, dat het koninkrijk van God van u zal worden weggenomen en aan een volk gegeven dat de vruchten ervan opbrengt. <44En wie op deze steen valt, zal verbrijzeld worden; en op wie hij valt, zal hij verpletteren.>45En toen de overpriesters en de farizeeën Zijn gelijkenissen hoorden, begrepen zij dat Hij van hen sprak.46En terwijl zij Hem trachtten te grijpen, waren zij bang voor de menigten, daar Die Hem voor een profeet hielden.). De tweede toetssteen voor hen was de boodschap van de genade (Mt 22:1-141En Jezus antwoordde en sprak opnieuw in gelijkenissen tot hen en zei:2Het koninkrijk der hemelen is gelijk geworden aan een koning die een bruiloft voor zijn zoon aanrichtte.3En hij zond zijn slaven uit om de genodigden te roepen tot de bruiloft, en zij wilden niet komen.4Opnieuw zond hij andere slaven uit en zei: Zegt aan de genodigden: Zie, mijn middagmaal heb ik gereedgemaakt, mijn ossen en mijn gemeste beesten zijn geslacht en alles is gereed; komt tot de bruiloft.5Zij sloegen er echter geen acht op en gingen weg, de een naar zijn eigen akker, de ander naar zijn koophandel;6de overigen nu grepen zijn slaven, mishandelden en doodden hen.7De koning nu werd toornig, en hij zond zijn legers en bracht die moordenaars om en stak hun stad in brand.8Toen zei hij tot zijn slaven: De bruiloft is wel gereed, maar de genodigden waren het niet waard;9gaat daarom naar de kruispunten van de wegen en roept allen die u er zult vinden tot de bruiloft.10En die slaven gingen naar buiten naar de wegen en brachten allen samen die zij vonden, zowel bozen als goeden; en de bruiloft werd vol met hen die aanlagen.11Toen nu de koning naar binnen was gegaan om hen die aanlagen te bezien, zag hij daar een mens die niet bekleed was met een bruiloftskleed.12En hij zei tot hem: Vriend, hoe bent u hier binnengekomen zonder een bruiloftskleed aan te hebben? En hij zweeg.13Toen zei de koning tot zijn dienstknechten: Bindt hem aan handen en voeten en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal het geween zijn en het tandengeknars.14Want velen zijn geroepenen, maar weinigen uitverkorenen.).


Over de keizerlijke belasting

15Toen gingen de farizeeën beraadslagen om Hem in een woord te verstrikken. 16En zij zonden tot Hem hun discipelen met de herodianen om te zeggen: Meester, wij weten dat U waarachtig bent en de weg van God in waarheid leert en U om niemand bekommert, want U kijkt mensen niet naar de ogen. 17Zeg ons dan wat U denkt: Is het geoorloofd de keizer belasting te geven of niet? 18Daar Jezus echter hun boosheid kende, zei Hij: Wat verzoekt u Mij, huichelaars? 19Toont Mij de belastingmunt. Zij nu brachten Hem een denaar. 20En Hij zei tot hen: Van wie is dit beeld en dit opschrift? 21Zij zeiden tot Hem: Van de keizer. Toen zei Hij tot hen: Geeft dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is. 22En toen zij dit hoorden, verwonderden zij zich, en zij verlieten Hem en gingen weg.

In de rest van het hoofdstuk zien we verschillende groepen in Israël die na elkaar proberen de Heer te veroordelen en in Zijn woorden te verstrikken. Maar elke groep die voor Hem verschijnt, komt in het licht, Zijn licht. In Zijn licht wordt hun positie duidelijk. De eerste groep is die van de farizeeën. Zij proberen Hem te verleiden tot een uitspraak die zij kunnen gebruiken om Hem aan te klagen.

De farizeeën komen niet zelf, maar sturen hun discipelen. Ze betrekken in hun duivelse opzet de herodianen. Deze combinatie van farizeeën en herodianen is alleen denkbaar door een gemeenschappelijke haat tegenover de Heer Jezus. De herodianen zijn vrienden van Rome, de farizeeën zijn vijanden van Rome, maar in hun verwerping van de Heer valt hun onderlinge politieke vijandschap weg en vinden ze elkaar (vgl. Lk 23:1212Herodes en Pilatus nu werden op diezelfde dag vrienden met elkaar, want zij leefden tevoren in vijandschap jegens elkaar.). Ze leggen hun discipelen in de mond wat zij moeten zeggen. De woorden van hun discipelen zijn hun woorden.

In wat ze hun discipelen laten zeggen, geven ze getuigenis van de onberispelijkheid van de Heer. Wat ze van Hem zeggen, is waar, hoewel hun motieven boos zijn. Hij is inderdaad waarachtig. Hij leert de weg van God in waarheid. Zeker bekommert Hij Zich wel om anderen, maar niet op een manier om daardoor bij die anderen in het gevlei te komen. Alles wat ze van Hem zeggen, is bij hen niet aanwezig. Zij zijn onwaarachtig, zij leren niet Gods weg in waarheid, maar hun eigen weg in leugen. Zij bekommeren zich alleen om anderen als ze daardoor zelf meer eer krijgen. Zij zijn leidslieden die de schapen voor zichzelf misbruiken (Ez 34:22Mensenkind, profeteer tegen de herders van Israël, profeteer, en zeg tegen hen, tegen die herders: Zo zegt de Heere HEERE: Wee de herders van Israël die zichzelf weiden! Moeten de herders niet de schapen weiden?).

De vraag die het gezantschap de Heer moet stellen, betreft het betalen van belasting aan de keizer. Is dat geoorloofd of niet? Met deze vraag menen ze Hem iets verkeerds te kunnen laten zeggen. Als Hij ‘ja’ zegt, kunnen ze Hem bij het volk in diskrediet brengen. Hij kan dan immers niet de Messias zijn, want Hij aanvaardt de heerschappij van de Romeinen en zet Zich niet in voor Israël. Als Hij ‘nee’ zegt, kunnen ze Hem bij de Romeinen aanklagen als een opstandeling tegen het gezag. Natuurlijk doorziet de Heer hun list. Hij kent hun boosheid. Openlijk bestraft Hij hen en noemt hen “huichelaars”.

Met gezag gebiedt Hij hun Hem een belastingmunt te brengen. Ze gehoorzamen zonder tegensputteren. Dan heeft Hij een vraag voor hen. Hij wijst op de munt en vraagt hun van wie “dit beeld en dit opschrift” op de munt zijn. Ze kunnen niet anders zeggen dan dat het beeld en het opschrift beide van de keizer zijn. Ze beseffen nog steeds niet waar de Heer naar toe wil. Dat komt nu. In volmaakte Goddelijke wijsheid wijst Hij op de verplichtingen die zij hebben, zowel tegenover de keizer als tegenover God. Aan de keizer geven betekent erkennen dat ze onder zijn gezag staan. Aan God geven betekent erkennen dat Hij in Christus naar toe hen is gekomen om vrucht te ontvangen.

Het beeld op de munt wijst op wie het voorstelt, de vertegenwoordiger. Het opschrift op de munt wijst op zijn wil. Beide zijn die van de keizer te Rome. Dit betekent dat zij daar staan met geld in hun handen – de Heer heeft het geld niet in Zijn hand genomen – dat zij in hun land gebruiken dat symbolisch is voor hun onderwerping aan vreemde heerschappij. Die onderwerping is het gevolg van hun hardnekkige weigering om naar God te luisteren (vgl. Ne 9:33-3733U bent echter rechtvaardig geweest in alles wat ons overkomen is. Want U hebt getrouw gehandeld, maar wij hebben goddeloos gehandeld.34Onze koningen, onze vorsten, onze priesters en onze vaderen hebben Uw wet niet gehouden en zij hebben geen acht geslagen op Uw geboden en op Uw getuigenissen, die U hun gegeven hebt.35Zij hebben U in hun koninkrijk niet gediend, ondanks Uw vele kostbaarheden, die U hun had gegeven, en ondanks het uitgestrekte en vruchtbare land dat U aan hen overgegeven had, en zij hebben zich niet bekeerd van hun slechte daden.36Zie, vandaag zijn wij slaven, en het land dat U aan onze vaderen hebt gegeven om de vrucht en het goede daarvan te eten, zie, wij zijn slaven daarin.37De opbrengst ervan verschaft veel [rijkdom] aan de koningen die U over ons aangesteld hebt vanwege onze zonden. Zij heersen over onze lichamen en over onze dieren naar hun goeddunken, en wij zijn in grote benauwdheid.). Hoe hardnekkig hun zonde is, blijkt wel uit hun verwerping van Hem Die voor hen staat en Die het beeld en opschrift van God is (Ko 1:1515Hij is [het] Beeld van de onzichtbare God, [de] Eerstgeborene van [de] hele schepping,).

Over dit antwoord kunnen ze zich alleen verwonderen. Ze zijn uitgepraat. De Heer heeft hun het zwijgen opgelegd. In plaats van zich te buigen voor Zijn majesteit en wijsheid verlaten ze Hem en gaan weg. Ze zijn verslagen, maar willen dat niet erkennen.


Over de opstanding

23Op die dag kwamen er sadduceeën naar Hem toe, die zeggen dat er geen opstanding is; 24en zij vroegen Hem aldus: Meester, Mozes heeft gezegd: Als iemand kinderloos sterft, dan zal zijn broer met diens vrouw het zwagerhuwelijk sluiten en zijn broer nageslacht verwekken. 25Nu waren er bij ons zeven broers; en nadat de eerste getrouwd was, stierf hij; en daar hij geen nageslacht had, liet hij zijn vrouw na aan zijn broer. 26Evenzo ook de tweede en de derde, tot zeven toe. 27Het laatst van allen nu stierf de vrouw. 28In de opstanding dan, wie van de zeven zal zij tot vrouw zijn? Want zij hebben haar allen gehad. 29Jezus nu antwoordde en zei tot hen: U dwaalt, daar u de Schriften niet kent, noch de kracht van God. 30Want in de opstanding trouwen zij niet en worden niet uitgehuwelijkt, maar zij zijn als engelen <van God> in de hemel. 31Wat nu de opstanding van de doden betreft, hebt u niet gelezen wat door God tot u gesproken is, toen Hij zei: 32‘Ik ben de God van Abraham en de God van Izaäk en de God van Jakob’? Hij is niet <de> God van doden maar van levenden. 33En toen de menigten dit hoorden, stonden zij versteld over Zijn leer.

De sadduceeën zijn de vrijzinnigen van die tijd. Zij geloven alleen in wat ze kunnen beredeneren. Daarom geloven ze niet in de opstanding en ook niet in engelen en geesten (Hd 23:88Want sadduceeën zeggen dat er geen opstanding is, en geen engel of geest; farizeeën echter belijden beide.). Zij zijn rationalisten, zoals de farizeeën traditionalisten zijn. De sadduceeën komen bij de Heer met een vraag die net zo onoprecht is als die van de farizeeën en herodianen in de geschiedenis hiervoor.

Ze benaderen Hem met huichelachtige eerbied door Hem “Meester” te noemen. Dat is Hij, maar zij erkennen Hem niet. Evenmin erkennen ze het Woord van God. Ze nemen daaruit een gedeelte, laten daarop hun menselijke en dwaze redeneringen los en menen vervolgens dat ze hun eigen gelijk en het ongelijk van God hebben aangetoond.

Ze stellen de Heer het door hen verzonnen geval voor van zeven broers die achtereenvolgens met dezelfde vrouw trouwen. Ze lichten vanuit hun verdorven denken toe hoe in hun verzonnen voorbeeld de situatie zich ontwikkelt. Ze beginnen met de eerste broer die de vrouw trouwt en sterft zonder dat hij nageslacht heeft waardoor hij zijn vrouw aan zijn broer nalaat. Hier doen ze het Woord nog geen geweld aan. Zo heeft Mozes het gezegd. Dat geldt ook voor de tweede die haar trouwt, dan sterft en daardoor zijn vrouw aan zijn broer nalaat. Ook alle volgende huwelijksverbintenissen zouden in overeenstemming zijn met wat Mozes heeft gezegd. Ten slotte sterft ook de vrouw. Tot zover is er nog niets mis met hun voorstelling van zaken, hoe onzinnig het verhaal op zich ook is.

Dan komen ze in hun dwaasheid met een vraag die volgens hun verduisterd verstand de onmogelijkheid van de opstanding bewijst. Ze menen de Heer daarmee te hebben uitgeschakeld en de onzinnigheid van het Woord van God te hebben aangetoond. In de zekerheid van hun overwinning stellen ze Hem triomfantelijk de vraag wie van de zeven zij tot vrouw zal zijn in de opstanding. Ze hebben haar immers allemaal op geheel wettige wijze tot vrouw gehad.

Hij Die precies wist waar ze heen gingen met hun voorbeeld, valt hen niet in de rede. Hij laat hen uitpraten en zichzelf zo helemaal blootgeven. Dan komt Zijn antwoord! Daarin spaart Hij hen niet. Hij legt de bron van hun dwaling en dwaasheid bloot. De Schrift wordt vaak verkeerd aangehaald en altijd verkeerd begrepen door mensen die op hun verstand steunen. Verder loochenen zij door hun redenering de macht en heerlijkheid van God, wat hen voor onoverkomelijke moeilijkheden plaatst in verbinding met het handelen van God.

In Zijn genade voor ons verklaart de Heer hoe het in de opstanding is. In de opstanding is de situatie niet gelijk aan die op aarde. Zij die opstaan, zijn dan evenals de engelen geslachtloos, zoals er nu al in Christus man noch vrouw is (Gl 3:2828Daar is geen Jood of Griek, daar is geen slaaf of vrije, daar is geen man of vrouw; want u bent allen één in Christus Jezus.). Vaak zijn dwaalleringen voor de Geest van God aanleiding om de waarheid in al zijn glans en luister voor te stellen. Zij hebben de Schrift aangehaald, nu haalt de Heer de Schrift aan. Of ze ook het volgende hebben gelezen. Natuurlijk hebben ze dat gelezen.

Maar Hij zegt ook of ze hebben gelezen wat door God “tot u”, dat wil zeggen tot deze sadduceeën die hier voor Hem staan, is gesproken. Dat is aan hen voorbijgegaan. Ze hebben zo hun eigen verklaring voor de Schrift en zijn daardoor blind voor de werkelijke verklaring. Die gaat aan hen voorbij omdat ze zich niet persoonlijk aangesproken weten. Ze zijn alleen intellectueel met de Schrift bezig.

Toch doet de Heer moeite om hun verduisterde verstand te verlichten. Hij wijst op de Schriftplaats die spreekt over God als de God van Abraham en de God van Izaäk en de God van Jakob (Ex 3:6,15-166Hij zei verder: Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob. En Mozes bedekte zijn gezicht, want hij was bevreesd God aan te kijken.15Toen zei God verder tegen Mozes: Dit moet u tegen de Israëlieten zeggen: De HEERE, de God van uw vaderen, de God van Abraham, de God van Izak en de God van Jakob, heeft mij naar u toe gezonden. Dit is voor eeuwig Mijn Naam, dit is Mijn [Naam ter] gedachtenis, van generatie op generatie.16Ga, verzamel de oudsten van Israël en zeg tegen hen: De HEERE, de God van uw vaderen, is aan mij verschenen, de God van Abraham, Izak en Jakob. [Hij] zei: Ik heb zeker naar u omgezien en [naar] wat u in Egypte wordt aangedaan.). Hij haalt deze Schriftplaats aan om aan te tonen dat in de dagen van Mozes de aartsvaders in een andere wereld leven, hoewel ze nog niet opgewekt waren uit de doden. Het feit dat hun geesten daar zijn, staat er garant voor dat ze aan het einde van de tijd met opgewekte lichamen in het koninkrijk zullen zijn.

Op het moment dat God dit zegt, zijn Abraham, Izaäk en Jakob allang overleden. Maar God heeft hun Zijn beloften gedaan. Zou Hij die dan niet meer kunnen waarmaken? Zeker zal Hij die waarmaken en wel in de opstanding. Hoe heel anders was het geloof van Abraham dan dat van de sadduceeën. Hij geloofde dat God machtig was zelfs doden op te wekken (Hb 11:1818van wie gesproken was: ‘In Izaäk zal uw nageslacht genoemd worden’. Hij heeft overwogen, dat God machtig was hem zelfs uit [de] doden op te wekken,).

Door Zichzelf de God van Abraham, Izaäk en Jakob te noemen, terwijl ze al gestorven zijn, zegt God dat Hij nog steeds hun God is. Dit betekent dat zij voor Hem levend zijn. Hij staat niet in verbinding met doden, maar met levenden. In Zijn antwoord maakt de Heer duidelijk dat de opstanding in een andere wereld binnenbrengt, waar andere voorwaarden gelden. Dit onderwijs over de opstanding maakt grote indruk op de menigten.


Het grote gebod

34Toen nu de farizeeën hadden gehoord dat Hij de sadduceeën tot zwijgen had gebracht, kwamen zij bijeen. 35En een van hen, <een wetgeleerde,> vroeg om Hem te verzoeken: 36Meester, wat is [het] grote gebod in de wet? 37Hij nu zei tot hem: ‘U zult [de] Heer, uw God, liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand’. 38Dit is het grote en eerste gebod. 39[Het] tweede nu, daaraan gelijk: ‘U zult uw naaste liefhebben als uzelf’. 40Aan deze twee geboden hangt de hele wet en de profeten.

Als de farizeeën van de nederlaag van de sadduceeën horen, komen ze in crisisberaad bijeen. Zij moeten en zullen Christus het zwijgen opleggen. Ze wagen nog een poging, ditmaal door een wetgeleerde. Hij stelt de Heer een vraag met het doel Hem te verzoeken. Hij wil Hem een keus laten maken uit de tien geboden (Ex 20:1-171Toen sprak God al deze woorden:2Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft.3U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.4U zult voor uzelf geen beeld maken, [geen] enkele afbeelding [van] wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is.5U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HEERE, uw God, ben een na-ijverig God, Die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, aan het derde en vierde [geslacht] van hen die Mij haten,6maar Die barmhartigheid doet aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden in acht nemen.7U zult de Naam van de HEERE, uw God, niet ijdel gebruiken, want de HEERE zal niet voor onschuldig houden wie Zijn Naam ijdel gebruikt.8Gedenk de sabbatdag, dat [u] die heiligt.9Zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen,10maar de zevende dag is de sabbat van de HEERE, uw God. [Dan] zult u geen enkel werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, [noch] uw slaaf, noch uw slavin, noch uw vee, noch uw vreemdeling die binnen uw poorten is.11Want in zes dagen heeft de HEERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee, en al wat erin is, en Hij rustte op de zevende dag. Daarom zegende de HEERE de sabbatdag, en heiligde die.12Eer uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land dat de HEERE, uw God, u geeft.13U zult niet doodslaan.14U zult niet echtbreken.15U zult niet stelen.16U zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste.17U zult niet begeren het huis van uw naaste. U zult niet begeren de vrouw van uw naaste, noch zijn slaaf, noch zijn slavin, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets wat van uw naaste is.), welk gebod het belangrijkst zou zijn. Hij wil Hem daardoor tot een uitspraak verlokken die hij kan gebruiken om Hem van afbreuk van de wet te beschuldigen.

De Heer antwoordt met twee citaten uit de wet (Dt 6:55Daarom zult u de HEERE, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw kracht.; Lv 19:1818U mag geen wraak nemen of een [wrok] koesteren tegen uw volksgenoten, maar u moet uw naaste liefhebben als uzelf. Ik ben de HEERE.). Hij citeert ze volledig om de kracht ervan tot de wetgeleerde te laten doordringen. Vervolgens zegt Hij dat wat de wet eist, zich in één woord laat samenvatten: liefde (Rm 13:1010De liefde doet de naaste geen kwaad. Daarom is de liefde [de] vervulling van [de] wet.). Die liefde moet in de eerste plaats uitgaan naar God en in de tweede plaats naar de naaste. Het gebod om God lief te hebben staat voorop. Het tweede gebod, het liefhebben van de naaste, is even belangrijk als het eerste, maar het eerste staat voorop. Het is onmogelijk het tweede te doen zonder het eerste. Daarom is het eerste gebod het grootste gebod. Het tweede vloeit uit het eerste voort. Het eerste zonder het tweede is ook niet mogelijk, maar het eerste vloeit niet uit het tweede voort.

Met Zijn antwoord heeft de Heer de hele wet en de profeten samengevat. Zijn antwoord gaat verder dan de vraag. De wetgeleerde is zeer beperkt in zijn denken. Hij heeft het gewaagd de eeuwige God uit te dagen. Hij heeft zijn antwoord gekregen.

Hier eindigt de ondervraging. Alles is geoordeeld en in het licht gesteld, zowel wat betreft de positie van het volk als de sekten die er onder hen zijn. De Heer heeft hun de volmaakte gedachten van God voorgehouden
1. over hun toestand: ze zijn onderworpen aan de Romeinen (verzen 15-2215Toen gingen de farizeeën beraadslagen om Hem in een woord te verstrikken.16En zij zonden tot Hem hun discipelen met de herodianen om te zeggen: Meester, wij weten dat U waarachtig bent en de weg van God in waarheid leert en U om niemand bekommert, want U kijkt mensen niet naar de ogen.17Zeg ons dan wat U denkt: Is het geoorloofd de keizer belasting te geven of niet?18Daar Jezus echter hun boosheid kende, zei Hij: Wat verzoekt u Mij, huichelaars?19Toont Mij de belastingmunt. Zij nu brachten Hem een denaar.20En Hij zei tot hen: Van wie is dit beeld en dit opschrift?21Zij zeiden tot Hem: Van de keizer. Toen zei Hij tot hen: Geeft dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is.22En toen zij dit hoorden, verwonderden zij zich, en zij verlieten Hem en gingen weg.),
2. over Zijn beloften: Hij is de God van Abraham, Izaäk en Jakob (verzen 23-3323Op die dag kwamen er sadduceeën naar Hem toe, die zeggen dat er geen opstanding is;24en zij vroegen Hem aldus: Meester, Mozes heeft gezegd: Als iemand kinderloos sterft, dan zal zijn broer met diens vrouw het zwagerhuwelijk sluiten en zijn broer nageslacht verwekken.25Nu waren er bij ons zeven broers; en nadat de eerste getrouwd was, stierf hij; en daar hij geen nageslacht had, liet hij zijn vrouw na aan zijn broer.26Evenzo ook de tweede en de derde, tot zeven toe.27Het laatst van allen nu stierf de vrouw.28In de opstanding dan, wie van de zeven zal zij tot vrouw zijn? Want zij hebben haar allen gehad.29Jezus nu antwoordde en zei tot hen: U dwaalt, daar u de Schriften niet kent, noch de kracht van God.30Want in de opstanding trouwen zij niet en worden niet uitgehuwelijkt, maar zij zijn als engelen <van God> in de hemel.31Wat nu de opstanding van de doden betreft, hebt u niet gelezen wat door God tot u gesproken is, toen Hij zei:32‘Ik ben de God van Abraham en de God van Izaäk en de God van Jakob’? Hij is niet <de> God van doden maar van levenden.33En toen de menigten dit hoorden, stonden zij versteld over Zijn leer.) en
3. over de wezenlijke inhoud van de wet (verzen 34-4034Toen nu de farizeeën hadden gehoord dat Hij de sadduceeën tot zwijgen had gebracht, kwamen zij bijeen.35En een van hen, <een wetgeleerde,> vroeg om Hem te verzoeken:36Meester, wat is [het] grote gebod in de wet?37Hij nu zei tot hem: ‘U zult [de] Heer, uw God, liefhebben met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand’.38Dit is het grote en eerste gebod.39[Het] tweede nu, daaraan gelijk: ‘U zult uw naaste liefhebben als uzelf’.40Aan deze twee geboden hangt de hele wet en de profeten.).


De Zoon van David

41Toen nu de farizeeën bijeen waren, vroeg Jezus hun aldus: 42Wat denkt u van de Christus? Wiens Zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: Van David. 43Hij zei tot hen: Hoe noemt David Hem dan in [de] Geest ‘Heer’, als hij zegt: 44‘[De] Heer heeft tot mijn Heer gezegd: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden onder Uw voeten stel’? 45Als dan David Hem ‘Heer’ noemt, hoe is Hij zijn Zoon? 46En niemand kon Hem een woord antwoorden, evenmin durfde iemand Hem van die dag af meer iets vragen.

Dan is het de tijd en de beurt van de Heer Jezus om het initiatief te nemen en een vraag te stellen. Hij stelt die vraag niet slechts aan een enkele farizeeër, maar aan een hele groep. Zijn vraag plaatst Zijn eigen positie in het licht. Deze vraag is de cruciale vraag waarop ieder mens antwoord moet geven, want hij heeft betrekking op Zijn Persoon als de Christus.

Eerst vraagt de Heer van wie Christus de Zoon is. Op die vraag weten ze het goede antwoord te geven: Hij is de Zoon van David. Dan gaat de Heer verder met vragen stellen over de Christus. Als Hij de Zoon van David is, hoe is het dan mogelijk dat David Hem in de Geest ‘Heer’ noemt? Hoe kan iemand zoon van een persoon zijn en tegelijk door die persoon met eerbied ‘heer’ worden genoemd? Om Zijn vraag te onderbouwen, citeert Hij een woord uit de Schriften die zij zo goed menen te kennen.

Het geciteerde woord slaat ondubbelzinnig op de Messias (Ps 110:11Een psalm van David.
De HEERE heeft tot mijn Heere gesproken:
Zit aan Mijn rechterhand,
totdat Ik Uw vijanden gemaakt zal hebben
[tot] een voetbank voor Uw voeten.
)
. Dat belijden de farizeeën ook. Ook hier citeert Christus het hele vers om de kracht ervan tot Zijn hoorders te laten doordringen. Dit vers spreekt over de heerlijkheid van de Messias in de hemel, een heerlijkheid die God Hem geeft.

Nadat Hij het vers heeft geciteerd, herhaalt de Heer Jezus Zijn vraag. Zij weten dat de Christus de Zoon van David zal zijn. Maar ze weten niet waarom David Hem in Psalm 110 ‘Heer’ noemt. De oplossing van het probleem is in het begin van dit evangelie gegeven. Hij is “Christus, Zoon van David” (Mt 1:11Geslachtsregister van Jezus Christus, Zoon van David, Zoon van Abraham.) en tevens “Emmanuel …, dat is vertaald: God met ons” (Mt 1:2323‘Zie, de maagd zal zwanger worden, en een Zoon baren, en men zal Hem de naam Emmanuel geven’, dat is vertaald: God met ons.). Als Mens is Hij de Zoon van David, geboren uit Maria, uit het geslacht van David. Tegelijk is en blijft Hij God voor Wie David zich buigt.

De Messias, de Heer Jezus, is God “geopenbaard in het vlees” (1Tm 3:1616En ongetwijfeld, groot is de verborgenheid van de Godsvrucht: Hij Die geopenbaard is in [het] vlees, gerechtvaardigd in [de] Geest, gezien door [de] engelen, gepredikt onder [de] volken, geloofd in [de] wereld, opgenomen in heerlijkheid.). Voor wie dit gelooft, is alles duidelijk. Wie dit niet gelooft, leeft in de duisternis. Hoewel Hij de Zoon van David is, moet Hij naar de hemel gaan om het koninkrijk te ontvangen. Terwijl Hij op het koninkrijk op aarde wacht, zit Hij aan de rechterhand van God in overeenstemming met de rechten van Zijn uitnemende Persoon: de Heer van David en de Zoon van David.

De farizeeën blijven het antwoord schuldig. Door hun hoogmoed zijn ze blind voor de heerlijkheid van de Persoon Die voor hen staat. Hij heeft al hun vragen beantwoord en daarna Zijn vraag gesteld die zij niet kunnen beantwoorden. De Heer Zelf heeft het laatste woord. Het is buitengewoon ernstig, onderzoekend en indringend. Het is als het oude, vlammende zwaard dat naar alle kanten heen en weer gaat (Gn 3:2424Hij verdreef de mens, en plaatste ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een vlammend zwaard, dat heen en weer bewoog, om de weg naar de boom des levens te bewaken.) om alles te bewaken wat van God in Zijn Persoon is en het hoogste gezag toont van Hem over Wie zij al de haat van hun hart willen uitgieten.

De nederlaag van Zijn tegenstanders is compleet. Zij zijn uitgepraat. Maar de Heer is nog niet klaar met hen. De tijd is gekomen om deze huichelaars de maskers af te trekken en dat te doen in tegenwoordigheid van het volk dat onder hun invloed staat. Dat doet Hij in het volgende hoofdstuk.


Lees verder