Deuteronomium
Inleiding
Inleiding

De schrijver van het boek Deuteronomium is Mozes. Dat wordt in het Nieuwe Testament op verschillende plaatsen vermeld in verband met citaten uit dit boek (Dt 25:5-65Wanneer broers bij elkaar wonen en een van hen sterft zonder dat hij een zoon heeft, dan mag de vrouw van de gestorvene niet [de vrouw] van een vreemde man buiten [de familie] worden. Haar zwager moet bij haar komen en haar voor zichzelf tot vrouw nemen, en [zo zijn] zwagerplicht tegenover haar vervullen.6En het moet [zó] zijn dat het eerste kind dat zij baart, op naam van zijn gestorven broer zal staan, zodat diens naam niet uit Israël wordt uitgewist. in Mt 22:2424en zij vroegen Hem aldus: Meester, Mozes heeft gezegd: Als iemand kinderloos sterft, dan zal zijn broer met diens vrouw het zwagerhuwelijk sluiten en zijn broer nageslacht verwekken.; Dt 18:15-1915Een Profeet uit uw midden, uit uw broeders, zoals ik, zal de HEERE, uw God, voor u doen opstaan; naar Hem moet u luisteren,16overeenkomstig alles wat u van de HEERE, uw God, bij de Horeb gevraagd hebt, op de dag [dat u daar] bijeenkwam, toen u zei: Ik wil de stem van de HEERE, mijn God, niet langer horen en dit grote vuur wil ik niet meer zien, anders zal ik sterven.17Toen zei de HEERE tegen mij: Het is goed wat zij gesproken hebben.18Ik zal een Profeet voor hen doen opstaan uit het midden van hun broeders, zoals u. Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en alles wat Ik Hem gebied, zal Hij tot hen spreken.19En [met] de man die niet naar Mijn woorden luistert, die Hij in Mijn Naam spreekt, zal [het zó] zijn: Ík zal [rekenschap] van hem eisen. in Hd 3:2222Mozes heeft immers gezegd: ‘Een Profeet zal [de] Heer uw God u verwekken uit uw broeders, zoals Hij mij [verwekte]: naar Hem zult u horen overeenkomstig alles wat Hij tot u zal spreken;; Dt 9:1919Want ik was bevreesd vanwege [Zijn] toorn en grimmigheid: de HEERE was [zo] toornig op u dat Hij u [wilde] wegvagen. De HEERE verhoorde mij echter ook die keer. in Hb 12:2121en zo vreselijk was het gezicht, dat Mozes zei: ‘Ik ben vol vrees en ik beef zeer’),). Mozes heeft het boek kort voor zijn dood geschreven (Dt 31:2424En het gebeurde, toen Mozes gereed was met het schrijven van de woorden van deze wet in een boek totdat zij voltooid waren,). Het laatste hoofdstuk, waarin zijn dood wordt opgetekend, is waarschijnlijk door Jozua geschreven.

Het boek beschrijft de bijzondere situatie waarin het volk verkeert. Enerzijds heeft het de woestijnreis achter zich. Anderzijds staat het op het punt in het bezit te worden gesteld van wat God aan de aartsvaders heeft beloofd. Het is de HEERE erom te doen het volk voor te bereiden op het veroveren en in bezit nemen van het land.

Het boek heeft een eigen bijzonder karakter. De namen van de vijf boeken van Mozes zijn gegeven door de vertalers van het Oude Testament vanuit het Hebreeuws in het Grieks. Zij hebben boven elk boek een Griekse titel geplaatst. ‘Deuteronomium’ betekent ‘tweede wet’, in de zin van herhaling. Het boek is echter geen herhaling. Veel onderwerpen die in eerdere boeken aan de orde zijn geweest, komen wel terug, maar ze worden in dit boek voorgesteld met een speciaal doel dat de andere boeken niet hebben.

In Deuteronomium wordt iets nieuws toegevoegd. Het volk heeft de ervaringen van de woestijn achter de rug. Het heeft ondervonden wat in hun hart is. In de veertig jaar die ze in de woestijn hebben rondgetrokken, hebben ze niets geleerd, niet over zichzelf en niet over God Die hen heeft gedragen en verzorgd. In enkele lange toespraken stelt Mozes in dit boek die ervaringen voor, zowel met zichzelf als met God. Hij stelt hun ook de toekomst voor.

Voordat ze de Jordaan doorgaan, roept Mozes hen met dit lange boek op tot bezinning. Hij stelt hun de zegen, maar ook de vloek voor. Gods genade hebben ze ervaren, wat zullen ze daarmee doen? De dringende vraag die gaandeweg op het volk afkomt, is deze: Zijn jullie van plan God te dienen of willen jullie je eigen weg gaan?

Het is tragisch dat het vanaf het begin duidelijk is dat ze van het verleden niets hebben geleerd en dat ze het ook in de toekomst zullen verderven. Dat laten Deuteronomium 28–29 zien. Maar er is een keerpunt in Deuteronomium 29:29 waar we lezen over “de verborgen dingen”. De “geopenbaarde dingen” waarvan in dat vers ook sprake is, zijn in de voorgaande hoofdstukken besproken. Daarin is gehoorzaamheid voorgesteld als de zekere weg naar de zegen, en ongehoorzaamheid als de zekere weg naar het verderf. Maar in “de verborgen dingen” zien we wat God achter de hand heeft als het volk het heeft verdorven. Nadat God hen vanwege hun ontrouw heeft verstrooid onder de volken, zal Hij hen tot bekering brengen. God wil met hen te maken hebben, al willen zij niet met Hem te maken hebben. Dat is ook nu nog toekomst.

We hebben in het Oude Testament te maken met typologische voorstellingen waarin God bepaalde waarheden uit het Nieuwe Testament illustreert. Daartoe is alles wat Israël is overkomen, opgetekend. Het is zelfs gebeurd tot voorbeelden voor ons, opdat wij geen begeerte in [het] kwade zouden hebben, zoals zij er begeerte in hadden” (1Ko 10:6,116En deze dingen gebeurden tot voorbeelden voor ons, opdat wij geen begeerte in [het] kwade zouden hebben, zoals zij er begeerte in hadden.11<Al> deze dingen nu zijn hun overkomen als voorbeelden en zijn beschreven tot waarschuwing voor ons, op wie de einden van de eeuwen zijn gekomen.).

In Genesis, de eerste helft van Exodus en in Numeri hebben we veel geschiedenissen. De tweede helft van Exodus en het boek Leviticus geven voorschriften. Die voorschriften geven aan hoe het volk in verbinding met God kan zijn en met Hem gemeenschap kan hebben. Dat kan op de grondslag van het offer, wat dan ook het centrale thema van de voorschriften is. Ook die voorschriften hebben in de eerste plaats betekenis voor ons, want Israël heeft zich in de praktijk nooit aan die voorschriften gehouden (Am 5:25-2625Hebt u Mij slachtoffers en graanoffers gebracht
in de woestijn, veertig jaar [lang], huis van Israël?26U hebt Sikkut, uw koning, rondgedragen,
en Kewan, uw beelden,
de sterren, uw goden, die u voor uzelf hebt gemaakt!
)
. In de brief aan de Hebreeën wordt de betekenis voor ons genoemd: het zijn “de zinnebeelden van de dingen die in de hemelen zijn” (Hb 9:2323Het was dus nodig dat wel de zinnebeelden van de dingen die in de hemelen zijn hierdoor gereinigd werden, maar de hemelse dingen zelf door betere slachtoffers dan deze.).

In dit boek zien ook wij terug op wie wij zijn geweest en wat God voor ons is geweest. We leren hoe de zegeningen die nu al ons deel zijn, werkelijkheid voor ons kunnen worden. De hemel is al in ons. De vraag die op Israël afkomt, komt ook op ons af: Wat is ons erfdeel ons waard? De kortste weg van Egypte naar het beloofde land is elf dagen (Dt 1:22Vanaf de Horeb in de richting van het Seïrgebergte, tot aan Kades-Barnea, is het elf dagen [reizen].). Maar net als Israël hebben ook wij veel tijd nodig om te leren wie we zelf zijn en Wie God is. Als we dat enigszins hebben geleerd door de soms harde en langdurige ervaringen van het leven van elke dag, is het mogelijk om ons hart te richten op het land vóór ons, waar de Heer Jezus is.

Het hele boek speelt zich af in de vlakten van Moab aan de Jordaan (Nm 36:1313Dit zijn de geboden en de bepalingen die de HEERE de Israëlieten door de dienst van Mozes geboden heeft, in de vlakten van Moab, aan de Jordaan, [ter hoogte] van Jericho.; Dt 1:11Dit zijn de woorden die Mozes tot heel Israël gesproken heeft, aan deze zijde van de Jordaan, in de woestijn, op de Vlakte tegenover Suf, tussen Paran enerzijds en Tofel, Laban, Hazeroth en Dizahab anderzijds.). Om de betekenis van het boek voor ons te leren kennen, moeten we begrijpen wat de geestelijke betekenis van deze vlakten van Moab voor ons is. We kunnen daarvan iets leren uit de brieven van Paulus. In de brief aan de Romeinen legt hij uit, hoe iemand verlost wordt uit de wereld, waarvan Egypte een beeld is. Hij spreekt in Romeinen 6 over de doop als de overgang naar een nieuw leven: Wij zijn dan met Hem begraven door de doop tot de dood, opdat, zoals Christus uit [de] doden is opgewekt door de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwheid van leven zouden wandelen” (Rm 6:44Wij zijn dan met Hem begraven door de doop tot de dood, opdat, zoals Christus uit [de] doden is opgewekt door de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwheid van leven zouden wandelen.). In beeld zien we dat in de doortocht door de Rode Zee (1Ko 10:1-21Want ik wil niet, broeders, dat u onbekend is, dat onze vaderen allen onder de wolk waren, allen door de zee zijn heengegaan,2allen tot Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee,).

De gedoopte gelovige hoort niet meer bij de wereld. Die is voor hem een woestijn geworden. In die woestijn doet hij, net als het volk Israël, allerlei ervaringen op, zowel met zichzelf als met God. Naarmate hij meer leeft door het geloof in de Zoon van God en minder geleefd wordt door de omstandigheden, nadert hij om zo te zeggen de vlakten van Moab. Er is geestelijke groei als de Heilige Geest gelegenheid krijgt het hart van de christen steeds meer op Christus te richten.

Iemand is, geestelijk gesproken, in de vlakten van Moab aangekomen, als zijn hart vol is van Christus. Dat zien we in de brief aan de Filippenzen. Daar horen we iemand zeggen, niet als een leerstuk, maar door ervaring geleerd: ”Ik vermag alles door Hem Die mij kracht geeft” (Fp 4:1313Ik vermag alles door Hem Die mij kracht geeft.). Hoe komt het dat we elke keer door honger en gevaar ondersteboven raken? Omdat we, geestelijk gesproken, nog niet in de vlakten van Moab zijn aangekomen. Iemand die niet meer onder de indruk komt van de gevaren en problemen van de woestijn, is aangekomen in de vlakten van Moab. Zo iemand ziet terug op de ervaringen van de woestijn als een beleven van de goedheid van de Heer. Zo iemand is Paulus in de brief aan de Filippenzen. Hij is daar vol “van de hemelse roeping van God in Christus Jezus” (Fp 3:1414maar één ding [doe ik]: terwijl ik vergeet wat achter is en mij uitstrek naar wat vóór is, jaag ik in de richting van [het] doel naar de prijs van de hemelse roeping van God in Christus Jezus.).

Het boek Deuteronomium is de oudtestamentische tegenhanger van de brief aan de Filippenzen. De harten worden in Deuteronomium warm gemaakt voor het land. In de brief aan de Filippenzen worden de harten door de Heilige Geest bij monde van Paulus warm gemaakt voor de hemel. In Deuteronomium doet Mozes dat. Hij is hier een beeld van de Heer Jezus als Degene Die de woestijnreis heeft meegemaakt. Hij kent alle omstandigheden, Hij is ons voorgegaan, wij mogen Zijn voetstappen drukken. Deze Leermeester is volmaakt. In Filippenzen 2 zien we Hem als de ware Mozes, beproefd in de woestijn waar Zijn gezindheid en gehoorzaamheid duidelijk worden. In Filippenzen 3 wordt ons oog gericht op de Heer Jezus in de heerlijkheid, Hij Die de zegeningen voor ons bevat, om Hem te winnen.

Ook in de letterlijke zin is de Heer in de woestijn geweest. Hij heeft daar veertig dagen doorgebracht, terwijl Hij werd verzocht door de duivel (Mt 4:1-101Toen werd Jezus naar de woestijn omhooggeleid door de Geest om verzocht te worden door de duivel.2En nadat Hij veertig dagen en veertig nachten had gevast, kreeg Hij ten slotte honger.3En de verzoeker kwam en zei tot Hem: Als U Gods Zoon bent, zeg dan dat deze stenen broden moeten worden.4Hij antwoordde echter en zei: Er staat geschreven: ‘Niet van brood alleen zal de mens leven, maar van alle woord dat door [de] mond van God uitgaat’.5Toen nam de duivel Hem mee naar de heilige stad en liet Hem op de dakrand van de tempel staan6en zei tot Hem: Als U Gods Zoon bent, werp Uzelf dan naar beneden; want er staat geschreven: ‘Zijn engelen zal Hij bevel geven aangaande U, en zij zullen U op [de] handen dragen, opdat U niet misschien Uw voet aan een steen stoot’.7Jezus zei tot hem: Er staat eveneens geschreven: ‘U zult [de] Heer, uw God, niet verzoeken’.8Opnieuw nam de duivel Hem mee naar een zeer hoge berg en toonde Hem alle koninkrijken van de wereld en hun heerlijkheid9en zei tot Hem: Al deze dingen zal ik U geven, als U neervalt en mij aanbidt.10Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: ‘[De] Heer, uw God, zult u aanbidden en Hem alleen dienen’.). Elke verzoeking heeft Hij met een citaat uit dit boek beantwoord (Dt 8:33Hij verootmoedigde u, Hij liet u hongerlijden en Hij liet u het manna eten, dat u niet kende en [ook] uw vaderen niet gekend hadden, om u te laten weten dat de mens niet alleen van brood leeft, maar dat de mens leeft van alles wat uit de mond van de HEERE komt. in Mt 4:44Hij antwoordde echter en zei: Er staat geschreven: ‘Niet van brood alleen zal de mens leven, maar van alle woord dat door [de] mond van God uitgaat’.; Dt 6:1616U mag de HEERE, uw God, niet op de proef stellen, zoals u Hem bij Massa op de proef gesteld hebt. in Mt 4:77Jezus zei tot hem: Er staat eveneens geschreven: ‘U zult [de] Heer, uw God, niet verzoeken’.; Dt 6:1313U moet de HEERE, uw God, vrezen, Hem dienen en bij Zijn Naam zweren. in Mt 4:1010Toen zei Jezus tot hem: Ga weg, satan, want er staat geschreven: ‘[De] Heer, uw God, zult u aanbidden en Hem alleen dienen’.). Zoals we zien, komen de citaten uit het eerste deel van het boek, waarin een terugblik op de woestijnreis wordt gegeven.

Als wij dit boek lezen en op ons laten inwerken, zullen we in elk onderdeel van Israëls geschiedenis onszelf herkennen. Steeds wordt een ander gezichtspunt genomen. Het volk is een geheel nieuw volk, want het oude geslacht – bestaande uit allen van twintig jaar en ouder – is omgekomen in de woestijn, behalve Jozua en Kaleb. Tot dit nieuwe volk richt Mozes in dit boek zijn toespraken. Deze nieuwe generatie heeft het nodig om de geschiedenis van het volk te horen om te weten wat er is gebeurd, zodat ze de les eruit kunnen leren.

We kunnen het boek Deuteronomium als volgt indelen:
1. Eerste grote rede van Mozes: terugblik op de woestijnreis (Dt 1:1-4:431Dit zijn de woorden die Mozes tot heel Israël gesproken heeft, aan deze zijde van de Jordaan, in de woestijn, op de Vlakte tegenover Suf, tussen Paran enerzijds en Tofel, Laban, Hazeroth en Dizahab anderzijds.2Vanaf de Horeb in de richting van het Seïrgebergte, tot aan Kades-Barnea, is het elf dagen [reizen].3Het gebeurde in het veertigste jaar, in de elfde maand, op de eerste [dag] van de maand, dat Mozes tot de Israëlieten sprak, overeenkomstig alles wat de HEERE hem voor hen geboden had,4nadat hij Sihon, de koning van de Amorieten, die in Hesbon woonde, en Og, de koning van Basan, die in Astharoth woonde, in Edreï verslagen had.).
2. Tweede grote rede van Mozes (Dt 4:44-26:1944Dit is de wet die Mozes de Israëlieten voorhield.), die in drie delen onderverdeeld kan worden:
   a. Gebeurtenissen bij de Horeb (Dt 4:44-5:3344Dit is de wet die Mozes de Israëlieten voorhield.).
   b. Geboden en inzettingen, gehoorzaamheid als voorwaarde voor het genieten van de zegen van het land (Dt 6:1-11:321Dit zijn de geboden, de verordeningen en de bepalingen die de HEERE, uw God, geboden heeft u te leren, om [ze] te doen in het land waar u naartoe trekt om het in bezit te nemen,2opdat u de HEERE, uw God, vreest door al Zijn verordeningen en Zijn geboden, die ik u gebied, in acht te nemen: u, uw kind en uw kleinkind, alle dagen van uw leven; en opdat uw dagen verlengd worden.3Luister dan, Israël, en neem [ze] nauwlettend in acht! Dan zal het u goed gaan en zult u zeer talrijk worden – zoals de HEERE, de God van uw vaderen, tot u gesproken heeft – in het land dat overvloeit van melk en honing.4Luister, Israël! De HEERE, onze God, de HEERE is één!5Daarom zult u de HEERE, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw kracht.6Deze woorden, die ik u heden gebied, moeten in uw hart zijn.7U moet ze uw kinderen inprenten en erover spreken, als u in uw huis zit en als u over de weg gaat, als u neerligt en als u opstaat.8U moet ze als een teken op uw hand binden en ze moeten als een voorhoofdsband tussen uw ogen zijn.9U moet ze op de deurposten van uw huis en op uw poorten schrijven.10Wanneer het dan gebeuren zal dat de HEERE, uw God, u gebracht heeft in het land dat Hij uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft u te zullen geven – grote en goede steden, die u niet gebouwd hebt,11huizen, vol van allerlei kostbare [dingen], waarmee u ze niet gevuld hebt, uitgehakte putten, die u niet uitgehakt hebt, en wijngaarden en olijfgaarden, die u niet geplant hebt – en u gegeten hebt en verzadigd bent,).
   c. Inzettingen voor het leven in het land rondom de plaats die de HEERE uitgekozen heeft om Zijn Naam daar te doen wonen (Dt 12:1-26:191Dit zijn de verordeningen en de bepalingen die u nauwlettend in acht moet nemen, in het land dat de HEERE, de God van uw vaderen, u gegeven heeft om het in bezit te hebben, al de dagen dat u op de aardbodem leeft.2U moet al de plaatsen waar de volken van wie u [het land] in bezit neemt, hun goden gediend hebben, volledig vernielen, op de hoge bergen, op de heuvels en onder elke bladerrijke boom.3Hun altaren moet u afbreken, hun gewijde stenen in stukken slaan, hun gewijde palen met vuur verbranden en de beelden van hun goden omhakken; en u moet hun naam uit die plaats doen verdwijnen.4U mag tegenover de HEERE, uw God, niet doen zoals [zij]!5Maar naar de plaats die de HEERE, uw God, uit al uw stammen zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, naar Zijn woning moet u vragen en daarheen komen.6Daarheen moet u uw brandoffers brengen, uw slachtoffers, uw tienden, de hefoffers van uw hand, uw gelofte[offers], uw vrijwillige gaven en de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee.7En daar moet u voor het aangezicht van de HEERE, uw God, eten en u verblijden, u en uw gezinnen, over alles wat u ter hand genomen hebt [en] waarin de HEERE, uw God, u gezegend heeft.8U mag niet doen zoals al wat wij hier heden doen: iedereen [doet] wat juist is in eigen oog.9Want u bent tot nu toe [nog] niet gekomen in de rust en in het erfelijk bezit dat de HEERE, uw God, u geven zal.10Maar u zult de Jordaan oversteken en gaan wonen in het land dat de HEERE, uw God, u in erfelijk bezit geeft. Hij zal u rust geven van al uw vijanden rondom [u], en u zult veilig wonen.11Dan zal daar de plaats zijn die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen. Daarheen moet u alles brengen wat ik u gebied: uw brandoffers, uw slachtoffers, uw tienden, de hefoffers uit uw hand en heel de keur van uw gelofte[offers] die u de HEERE belooft,12en [daar] zult u zich verblijden voor het aangezicht van de HEERE, uw God, u, uw zonen en uw dochters, uw slaven en uw slavinnen, en de Leviet die binnen uw poorten is, want hij heeft geen aandeel of erfelijk bezit [samen] met u.13Wees op uw hoede dat u uw brandoffers niet brengt op elke plaats die u ziet,14maar [alleen] op de plaats die de HEERE in een van uw stammen zal uitkiezen. Daar moet u uw brandoffers brengen en daar moet u doen alles wat ik u gebied.15Wel mag u naar het volle verlangen van uw ziel binnen al uw poorten slachten en vlees eten, overeenkomstig de zegen van de HEERE, uw God, die Hij u geeft. De onreine en de reine mag daarvan eten, zoals van een gazelle en van een hert.16Alleen het bloed mag u niet eten; u moet het op de aarde uitgieten als water.17U mag binnen uw poorten niet de tienden van uw koren, van uw nieuwe wijn en van uw olie eten, evenmin de eerstgeborenen van uw runderen en van uw kleinvee of enige van uw gelofte[offers], die u beloofd hebt, ook niet uw vrijwillige gaven of de hefoffers van uw hand.18Alleen voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen, mag u dat eten: u, uw zoon en uw dochter, uw slaaf en uw slavin, en de Leviet die binnen uw poorten is; en u zult u voor het aangezicht van de HEERE, uw God, verblijden over alles wat u ter hand genomen hebt.19Wees op uw hoede dat u de Leviet niet in de steek laat, al uw dagen in uw land.20Wanneer de HEERE, uw God, uw gebied ruim gemaakt heeft, zoals Hij tot u gesproken heeft, en u zegt: Ik wil vlees eten, omdat uw ziel ernaar verlangt om vlees te eten, dan mag u naar het volle verlangen van uw ziel vlees eten.21Wanneer de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te vestigen, ver van u vandaan is, dan mag u van uw runderen en uw kleinvee die de HEERE u gegeven heeft, slachten, zoals ik u geboden heb, en mag u [ervan] eten binnen uw poorten, naar het volle verlangen van uw ziel.22Maar [dan] moet u het eten zoals een gazelle en een hert gegeten wordt; de onreine en de reine mogen het beiden eten.23Alleen, houd eraan vast geen bloed te eten, want het bloed is de ziel, en u mag niet, [samen] met het vlees, [ook] de ziel eten.24U mag dat niet eten; u moet het op de aarde uitgieten als water.25U mag dat niet eten, opdat het u en uw kinderen na u goed gaat, als u doet wat juist is in de ogen van de HEERE.26Maar de heilige [gaven] die u hebt, en uw gelofte[offers], moet u opnemen en [ermee] naar de plaats komen die de HEERE zal uitkiezen.).
3. Derde en vierde rede van Mozes, zijn lied en het bericht van zijn dood (Dt 27:1-34:121En Mozes gebood het volk [samen] met de oudsten van Israël: Neem al de geboden die ik u heden gebied, in acht.2En op de dag dat u de Jordaan oversteekt naar het land dat de HEERE, uw God, u geeft, moet het [zo] zijn dat u voor uzelf grote stenen opricht en die met kalk bestrijkt.3U moet alle woorden van deze wet daarop schrijven als u overgestoken bent, opdat u komt in het land dat de HEERE, uw God, u geeft, een land dat overvloeit van melk en honing, zoals de HEERE, de God van uw vaderen, tot u gesproken heeft.4En als u de Jordaan bent overgestoken, moet het [zó] zijn dat u deze stenen, waarover ik u heden gebied, opricht op de berg Ebal, en dat u ze met kalk bestrijkt.5U moet daar een altaar bouwen voor de HEERE, uw God, een altaar van stenen die u niet met een ijzeren [voorwerp] mag bewerken.6Van hele stenen moet u het altaar van de HEERE, uw God, bouwen, en daarop brandoffers brengen voor de HEERE, uw God.7Ook moet u dankoffers offeren en daar eten en u verblijden voor het aangezicht van de HEERE, uw God.8U moet op de stenen alle woorden van deze wet schrijven, duidelijk en goed.9Verder sprak Mozes, [samen] met de Levitische priesters, tot heel Israël: Zwijg en luister, Israël! Op deze dag bent u tot een volk geworden voor de HEERE, uw God.10Daarom moet u de stem van de HEERE, uw God, gehoorzaam zijn, en Zijn geboden en Zijn verordeningen die ik u heden gebied, doen.11En Mozes gebood het volk op die dag:12Wanneer u de Jordaan overgestoken bent, moeten de volgende [stammen] op de berg Gerizim gaan staan om het volk te zegenen: Simeon, Levi, Juda, Issaschar, Jozef en Benjamin.13En de volgende [stammen] moeten op de berg Ebal gaan staan voor de vervloeking: Ruben, Gad, Aser, Zebulon, Dan en Naftali.14De Levieten moeten het woord nemen en tegen alle mannen van Israël zeggen met luide stem:15Vervloekt is de man die een gesneden of gegoten beeld maakt, een gruwel voor de HEERE, het werk van de handen van een vakman, en dat op een verborgen [plaats] neerzet! En heel het volk moet antwoorden en zeggen: Amen.16Vervloekt is wie zijn vader of zijn moeder veracht! En heel het volk moet zeggen: Amen.17Vervloekt is wie de grens[steen] van zijn naaste verlegt! En heel het volk moet zeggen: Amen.18Vervloekt is wie een blinde laat verdwalen op de weg! En heel het volk moet zeggen: Amen.19Vervloekt is wie het recht van de vreemdeling, de wees en de weduwe buigt! En heel het volk moet zeggen: Amen.20Vervloekt is wie met de vrouw van zijn vader slaapt, want hij heeft het kleed van zijn vader opengeslagen! En heel het volk moet zeggen: Amen.21Vervloekt is wie gemeenschap heeft met welk dier dan ook! En heel het volk moet zeggen: Amen.22Vervloekt is wie slaapt met zijn zuster, de dochter van zijn vader, of [met] de dochter van zijn moeder! En heel het volk moet zeggen: Amen.23Vervloekt is wie met zijn schoonmoeder slaapt! En heel het volk moet zeggen: Amen.24Vervloekt is wie zijn naaste in het geheim doodslaat! En heel het volk moet zeggen: Amen.25Vervloekt is wie een geschenk aanneemt om iemand om het leven te brengen, onschuldig bloed [te vergieten]! En heel het volk moet zeggen: Amen.26Vervloekt is wie de woorden van deze wet niet uitvoert door ze te houden! En heel het volk moet zeggen: Amen.), met als onderverdeling:
   a. Derde rede: zegen en vloek (Dt 27:1-28:681En Mozes gebood het volk [samen] met de oudsten van Israël: Neem al de geboden die ik u heden gebied, in acht.2En op de dag dat u de Jordaan oversteekt naar het land dat de HEERE, uw God, u geeft, moet het [zo] zijn dat u voor uzelf grote stenen opricht en die met kalk bestrijkt.3U moet alle woorden van deze wet daarop schrijven als u overgestoken bent, opdat u komt in het land dat de HEERE, uw God, u geeft, een land dat overvloeit van melk en honing, zoals de HEERE, de God van uw vaderen, tot u gesproken heeft.4En als u de Jordaan bent overgestoken, moet het [zó] zijn dat u deze stenen, waarover ik u heden gebied, opricht op de berg Ebal, en dat u ze met kalk bestrijkt.5U moet daar een altaar bouwen voor de HEERE, uw God, een altaar van stenen die u niet met een ijzeren [voorwerp] mag bewerken.6Van hele stenen moet u het altaar van de HEERE, uw God, bouwen, en daarop brandoffers brengen voor de HEERE, uw God.7Ook moet u dankoffers offeren en daar eten en u verblijden voor het aangezicht van de HEERE, uw God.8U moet op de stenen alle woorden van deze wet schrijven, duidelijk en goed.9Verder sprak Mozes, [samen] met de Levitische priesters, tot heel Israël: Zwijg en luister, Israël! Op deze dag bent u tot een volk geworden voor de HEERE, uw God.10Daarom moet u de stem van de HEERE, uw God, gehoorzaam zijn, en Zijn geboden en Zijn verordeningen die ik u heden gebied, doen.11En Mozes gebood het volk op die dag:12Wanneer u de Jordaan overgestoken bent, moeten de volgende [stammen] op de berg Gerizim gaan staan om het volk te zegenen: Simeon, Levi, Juda, Issaschar, Jozef en Benjamin.13En de volgende [stammen] moeten op de berg Ebal gaan staan voor de vervloeking: Ruben, Gad, Aser, Zebulon, Dan en Naftali.14De Levieten moeten het woord nemen en tegen alle mannen van Israël zeggen met luide stem:15Vervloekt is de man die een gesneden of gegoten beeld maakt, een gruwel voor de HEERE, het werk van de handen van een vakman, en dat op een verborgen [plaats] neerzet! En heel het volk moet antwoorden en zeggen: Amen.16Vervloekt is wie zijn vader of zijn moeder veracht! En heel het volk moet zeggen: Amen.17Vervloekt is wie de grens[steen] van zijn naaste verlegt! En heel het volk moet zeggen: Amen.18Vervloekt is wie een blinde laat verdwalen op de weg! En heel het volk moet zeggen: Amen.19Vervloekt is wie het recht van de vreemdeling, de wees en de weduwe buigt! En heel het volk moet zeggen: Amen.20Vervloekt is wie met de vrouw van zijn vader slaapt, want hij heeft het kleed van zijn vader opengeslagen! En heel het volk moet zeggen: Amen.21Vervloekt is wie gemeenschap heeft met welk dier dan ook! En heel het volk moet zeggen: Amen.22Vervloekt is wie slaapt met zijn zuster, de dochter van zijn vader, of [met] de dochter van zijn moeder! En heel het volk moet zeggen: Amen.23Vervloekt is wie met zijn schoonmoeder slaapt! En heel het volk moet zeggen: Amen.24Vervloekt is wie zijn naaste in het geheim doodslaat! En heel het volk moet zeggen: Amen.25Vervloekt is wie een geschenk aanneemt om iemand om het leven te brengen, onschuldig bloed [te vergieten]! En heel het volk moet zeggen: Amen.26Vervloekt is wie de woorden van deze wet niet uitvoert door ze te houden! En heel het volk moet zeggen: Amen.).
   b. Vierde rede: vernieuwing van het verbond, berouw en verlossing, de keus voorgehouden (Dt 29:1-30:201Dit zijn de woorden van het verbond dat de HEERE Mozes geboden heeft met de Israëlieten te sluiten, in het land Moab, naast het verbond dat Hij met hen gesloten had bij de Horeb.2Mozes riep heel Israël [bijeen] en zei tegen hen: U hebt alles gezien wat de HEERE in het land Egypte voor uw ogen gedaan heeft, met de farao, met al zijn dienaren en met heel zijn land:3de grote beproevingen die uw ogen gezien hebben, die grote tekenen en wonderen.4Maar de HEERE heeft u geen hart gegeven om [dat] te erkennen, of ogen om te zien, of oren om te horen, tot op deze dag.5Ik heb u veertig jaar door de woestijn laten gaan; uw kleren zijn bij u niet versleten, en uw schoenen zijn niet versleten aan uw voeten;6brood hebt u niet gegeten, en wijn en sterkedrank hebt u niet gedronken, opdat u zou weten dat Ik de HEERE, uw God, ben.7Toen u bij deze plaats kwam, trokken Sihon, de koning van Hesbon, en Og, de koning van Basan, uit ons tegemoet om [tegen ons] te strijden, maar wij versloegen hen.8Wij hebben hun land ingenomen en dat als erfelijk bezit gegeven aan de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam van de Manassieten.9Houd daarom de woorden van dit verbond, en doe ze, opdat u verstandig zult handelen in alles wat u doet.10U staat heden allen voor het aangezicht van de HEERE, uw God: uw stamhoofden, uw oudsten en uw beambten, alle mannen van Israël,11uw kleine kinderen, uw vrouwen, en uw vreemdeling die in het midden van uw [tenten]kamp is, van uw houthakker af tot uw waterputter toe,12om het verbond van de HEERE, uw God, en Zijn vervloeking, binnen te gaan, dat de HEERE, uw God, heden met u sluit,13opdat Hij u heden voor Zichzelf tot een volk bevestigt, en Hij voor u tot een God is, zoals Hij tot u gesproken heeft en zoals Hij uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft.14En niet alleen met u sluit ik dit verbond en deze vervloeking,15maar met hem die hier heden bij ons staat voor het aangezicht van de HEERE, onze God, en met hem die hier heden niet bij ons is.16Want u weet zelf hoe wij in het land Egypte gewoond hebben, en hoe wij midden door [het gebied van] de volken kwamen waar u doorheen trok.17U hebt hun afschuwelijke [afgoden] en stinkgoden gezien die zij hadden: hout en steen, zilver en goud.18Laat onder u geen man of vrouw, gezin of stam zijn die zijn hart heden van de HEERE, onze God, afkeert, om de goden van deze volken te gaan dienen. Laat onder u geen wortel zijn die gal en alsem voortbrengt.19En het zal gebeuren, als hij bij het horen van de woorden van deze vervloeking zichzelf in zijn hart zegent door te zeggen: Ik zal vrede hebben, ook wanneer ik mijn verharde hart volg; de overvloed zal de dorst wegnemen,20dat de HEERE hem niet zal willen vergeven; dan zal de toorn van de HEERE en Zijn na-ijver tegen die man ontbranden, en alle vervloekingen die in dit boek geschreven zijn, zullen op hem rusten. De HEERE zal zijn naam van onder de hemel uitwissen.21De HEERE zal hem voor [dit] kwaad afzonderen van al de stammen van Israël, overeenkomstig alle vervloekingen van het verbond dat beschreven is in het boek met deze wet.22Dan zal de volgende generatie, uw kinderen, die na u opstaan, en de buitenlander die uit een ver land komt – als zij de plagen van dit land en zijn ziekten, waarmee de HEERE het getroffen heeft, zien –23zeggen dat heel zijn land zwavel en zout, een brandplek, is; dat het niet wordt bezaaid, er niets op groeit en er geen enkel gewas opkomt, zoals bij de omkering van Sodom en Gomorra, Adama en Zeboïm, die de HEERE omgekeerd heeft in Zijn toorn en in Zijn grimmigheid –24dan zullen alle volken zeggen: Waarom heeft de HEERE dit gedaan met dit land? Wat betekent deze grote ontbranding van [Zijn] toorn?25Dan zal men zeggen: Omdat zij het verbond van de HEERE, de God van hun vaderen, dat Hij met hen gesloten had toen Hij hen uit het land Egypte leidde, verlaten hebben.26Zij zijn andere goden gaan dienen en hebben zich daarvoor neergebogen, goden die zij niet kenden en die Hij hun niet toebedeeld had.27Daarom is de toorn van de HEERE ontbrand tegen dit land [en] brengt Hij daarover al deze vervloekingen die in dit boek beschreven zijn.28En de HEERE heeft hen uit hun land weggerukt, in toorn, in grimmigheid en in grote verbolgenheid, en Hij heeft hen weggeworpen in een ander land, zoals het op deze dag is.29De verborgen dingen zijn voor de HEERE, onze God, maar de geopenbaarde dingen zijn voor ons en onze kinderen, tot in eeuwigheid, om al de woorden van deze wet te doen.).
   c. Mozes wijst Jozua als zijn opvolger aan (Dt 31:1-81Daarop is Mozes deze woorden tot heel Israël gaan spreken,2en hij zei tegen hen: Ik ben heden honderdtwintig jaar oud. Ik kan niet meer uitgaan of ingaan; bovendien heeft de HEERE tegen mij gezegd: U zult deze Jordaan niet oversteken.3De HEERE, uw God, Hij zal voor u uit overtrekken. Hij zal deze volken van voor uw [ogen] wegvagen, en u zult hen uit hun bezit verdrijven. Jozua zal voor u uit overtrekken, zoals de HEERE gesproken heeft.4En de HEERE zal met hen doen zoals Hij met Sihon en Og, koningen van de Amorieten, en met hun land gedaan heeft, die Hij weggevaagd heeft.5Wanneer de HEERE hen aan u gegeven heeft, moet u met hen doen overeenkomstig alle geboden die ik u gegeven heb.6Wees sterk en moedig, wees niet bevreesd en schrik niet voor hen terug, want het is de HEERE, uw God, Die met u [mee]gaat. Hij zal u niet loslaten en u niet verlaten.7En Mozes riep Jozua en zei tegen hem voor de ogen van heel Israël: Wees sterk en moedig, want ú zult met dit volk het land binnengaan dat de HEERE hun vaderen gezworen heeft hun te geven; en ú zult het hun in erfbezit laten nemen.8De HEERE nu is het Die voor u uit gaat. Hij zal met u zijn. Hij zal u niet loslaten en u niet verlaten. Wees niet bevreesd en wees niet ontsteld.).
   d. Elke zeven jaar moet de wet aan het hele volk worden voorgelezen (Dt 32:1-33:291Hoor [mij] aan, hemel, dan zal ik spreken!
Laat de aarde de woorden van mijn mond horen.2Laat mijn leer neerdruppelen als de regen,
laten mijn woorden stromen als de dauw,
als een zachte regen op het groen,
en als regendruppels op het gewas.3Want ik zal de Naam van de HEERE uitroepen;
geef grootheid aan onze God!
4Hij is de rots, Wiens werk volmaakt is,
want al Zijn wegen zijn [een en al] recht.
God is waarheid en geen onrecht;
rechtvaardig en waarachtig is Hij.5Zij hebben verderfelijk tegen Hem gehandeld;
het zijn Zijn kinderen niet. Een schandvlek!
Het is een slinkse en verdorven generatie.
6Doet u dit de HEERE aan,
dwaas en onwijs volk?
Is Hij niet uw Vader, Die u verworven heeft,
Die u gemaakt heeft en u stand heeft doen houden?
7Denk aan de dagen van vroeger tijd;
let op de jaren van generatie op generatie.
Vraag het uw vader, hij zal het u vertellen,
[vraag het] uw oudsten, zij zullen het u zeggen.
8Toen de Allerhoogste aan de volken het erfelijk bezit uitdeelde,
toen Hij Adams kinderen van elkaar scheidde,
heeft Hij het grondgebied van de volken vastgesteld
overeenkomstig het aantal Israëlieten.
9Want het deel van de HEERE is Zijn volk,
Jakob is het gebied dat Zijn eigendom is.
10Hij vond hem in een woestijngebied,
in een woeste, huilende wildernis.
Hij omringde hem, Hij onderwees hem,
Hij beschermde hem als Zijn oogappel.
11Zoals een arend zijn nest opwekt,
boven zijn jongen zweeft,
zijn vleugels uitspreidt, ze pakt
en ze draagt op zijn vlerken,
12[zo] heeft alleen de HEERE hem geleid,
er was geen vreemde god bij hem.
13Hij liet hem rijden op de hoogten van de aarde,
en hij at de opbrengsten van het veld.
Hij liet hem honing zuigen uit de rots,
en olie uit hard gesteente;
14boter van runderen, en melk van kleinvee,
[samen] met het vet van lammeren,
van rammen die in Basan weiden, en van bokken,
[samen] met het allerbeste van de tarwe,
en druivenbloed, goede wijn, hebt u gedronken.15Maar toen Jesjurun vet werd, trapte hij achteruit
– u bent vet, u bent dik, u bent vetgemest –
toen verliet hij God, Die hem gemaakt heeft,
hij versmaadde de Rots van zijn heil.
16Zij hebben Hem tot na-ijver gebracht met vreemde [goden],
met gruwelijke daden hebben zij Hem tot toorn verwekt.
17Zij hebben geofferd aan de demonen, niet aan God;
aan goden die zij niet kenden,
aan nieuwe [goden], die kortgeleden gekomen zijn,
voor wie uw vaderen niet gehuiverd hebben.
18De Rots Die u verwekt heeft, hebt u veronachtzaamd,
en u hebt de God Die u gebaard heeft, vergeten.19Toen de HEERE [dat] zag, verwierp Hij hen,
uit toorn tegen Zijn zonen en Zijn dochters.
20Hij zei: Ik zal Mijn aangezicht voor hen verbergen;
Ik zal zien wat hun einde is,
want zij zijn een totaal verdorven generatie,
kinderen in wie geen [enkele] trouw is.
21Zíj hebben Mij tot na-ijver gebracht met wat geen God is;
zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun nietige [afgoden].
Ík zal hen daarom jaloers maken door wat geen volk is,
door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken.
22Want een vuur is aangestoken in Mijn toorn,
het zal branden tot onder in de hel,
het zal het land met zijn opbrengst verteren
en de fundamenten van de bergen in vlam zetten.
23Ik zal verschrikkelijke dingen over hen ophopen;
al Mijn pijlen schiet Ik op hen af.
24Uitgeteerd door honger, verteerd door pest
en bitter verderf zullen zij zijn;
tanden van [wilde] dieren zal Ik op hen afsturen,
met vurig vergif van [slangen] die in het stof kruipen.
25Buiten berooft het zwaard,
en binnenskamers de verschrikking,
zowel de jongen als het meisje,
de zuigeling [samen] met de grijsaard.26Ik zei: Ik zal hen naar alle kanten verspreiden,
Ik zal de gedachtenis aan hen onder de stervelingen doen ophouden,
27ware het niet dat Ik beducht was voor de toorn van de vijand.
Hun tegenstanders zouden het verdraaien
en zeggen: Ónze hand is verheven,
het is niet de HEERE Die dit alles gedaan heeft.
28Want zij zijn een volk dat door raadgevingen verloren gaat,
er is geen inzicht bij hen.
29Waren zij maar wijs, dan zouden zij dit opmerken.
Zij zouden op hun einde letten.
30Hoe zou één [man] er duizend kunnen achtervolgen,
en twee [mannen] er tienduizend laten vluchten,
tenzij hun Rots hen verkocht
en de HEERE hen uitleverde?
31Want hun rots is niet zoals onze Rots,
zelfs onze vijanden kunnen [hierover] oordelen.
32Want hun wijnstok is uit de wijnstok van Sodom
en uit de velden van Gomorra;
hun druiven zijn giftige druiven,
bittere trossen hebben zij.
33Hun wijn is slangenvergif,
en een venijnig gif van adders.
)
.
   e. Lied en zegen van Mozes (Dt 31:9-139En Mozes schreef deze wet op en gaf ze aan de priesters, de zonen van Levi, die de ark van het verbond van de HEERE droegen, en aan alle oudsten van Israël.10En Mozes gebood hun: Na verloop van zeven jaar, op de vastgestelde tijd van het jaar van de kwijtschelding, op het Loofhuttenfeest,11als heel Israël komt om te verschijnen voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen, moet u deze wet ten aanhoren van heel Israël voorlezen.12Roep het volk bijeen, de mannen, de vrouwen en de kleine kinderen, en de vreemdeling die binnen uw poorten is, om te horen, en om te leren de HEERE, uw God, te vrezen en alle woorden van deze wet nauwlettend te houden.13Zodat hun kinderen die het niet weten, [het ook] horen, en leren de HEERE, uw God, te vrezen, al de dagen dat u leeft in het land waarvoor u de Jordaan oversteekt om het in bezit te nemen.).
   f. De dood van Mozes (Dt 34:1-121Toen beklom Mozes, vanuit de vlakten van Moab, de berg Nebo, de top van de Pisga, die recht tegenover Jericho ligt. En de HEERE liet hem heel het land zien: [van] Gilead tot Dan,2heel Naftali, het land van Efraïm en Manasse, heel het land van Juda tot aan de zee in het westen,3het Zuiderland, de vlakte van de vallei van Jericho, de palmstad, tot aan Zoar.4En de HEERE zei tegen hem: Dit is het land waarvan Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb: Aan uw nageslacht zal Ik het geven. Ik heb het u met uw [eigen] ogen laten zien, maar u mag daarheen niet oversteken.5Zo stierf Mozes, de dienaar van de HEERE, daar in het land van Moab, overeenkomstig het woord van de HEERE.6En Hij begroef hem in een dal in het land van Moab, tegenover Beth-Peor. En niemand weet [waar] zijn graf [is], tot op deze dag.7Mozes nu was honderdtwintig jaar oud toen hij stierf; zijn oog was niet dof geworden en zijn kracht was niet vervlogen.8En de Israëlieten beweenden Mozes in de vlakten van Moab, dertig dagen [lang]; toen waren de dagen van het bewenen, van de rouw over Mozes, voorbij.9Jozua nu, de zoon van Nun, was vol van de geest van wijsheid; want Mozes had zijn handen op hem gelegd. Daarom luisterden de Israëlieten [nu] naar hém, en zij deden zoals de HEERE Mozes geboden had.10En er is in Israël geen profeet meer opgestaan zoals Mozes, die de HEERE kende van aangezicht tot aangezicht,11met al de tekenen en wonderen waarmee de HEERE hem gezonden had om die in het land Egypte te doen bij de farao, bij al zijn dienaren en bij heel zijn land;12en met heel de sterke hand en met alle grote ontzagwekkende daden, die Mozes voor de ogen van heel Israël verrichtte.).

Inleiding op Deuteronomium

Het boek geeft praktische en geestelijke lessen met als onderwerp het erfdeel. We zien een volk dat wordt voorbereid op het erfdeel dat voor hen ligt en dat ze op het punt staan in bezit te nemen. Het is het land waar God met vreugde naar kijkt. Mozes weet waarover hij spreekt als hij hun hart warm wil maken voor dat land. Hij geeft in de eerste hoofdstukken een historische terugblik op de wijze waarop het volk al met het land te maken heeft gehad. Zij hebben “het begerenswaardige land” versmaad (Ps 106:2424Zij versmaadden het begerenswaardige land,
zij geloofden Zijn woord niet,
)
. Dan komen er een nieuwe generatie en een overblijfsel, voorgesteld in Kaleb, die het in bezit mogen nemen.

Voor ons, christenen, is het land Kanaän het beeld van de hemelse gewesten. Daarin zijn we “gezegend met alle geestelijke zegening … in Christus” (Ef 1:33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,). De Heer Jezus, onze ware Mozes, wil onze harten daarop richten. Als er echt gemeenschap met God is, zal dat tot uiting komen in de belangstelling die wij tonen voor de dingen waarin Hij belangstelt. Gods hart is vol van Christus en alles wat Hij heeft gedaan.


Lees verder