Deuteronomium
Inleiding 1-5 Volken en hun afgoderij uitroeien 6-11 Uitverkoren uit liefde 12-16 Zegen als beloning 17-24 Bemoediging 25-26 Verafschuwen wat onder de ban ligt
Inleiding

De hoofdgedachte van dit hoofdstuk is de heiliging van het volk aan God. Daar hoort bij dat het alle wegen van de heidenen en de heidenen zelf verwerpt. Het gaat niet om de heiliging van een bepaalde klasse, bijvoorbeeld de priesters, maar van het hele volk dat God rondom Zichzelf vergadert als aan Hem gewijd. Priesters en Levieten worden in dit boek nauwelijks genoemd. Ze worden gezien als een deel van het volk. In de woestijn zijn de verschillen tussen die groepen groot, in het land zijn ze naar verhouding maar klein.


Volken en hun afgoderij uitroeien

1Wanneer de HEERE, uw God, u gebracht heeft in het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen, en Hij vele volken van voor uw [ogen] verdreven heeft, de Hethieten, de Girgasieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, zeven volken, die groter en machtiger zijn dan u, 2en [wanneer] de HEERE, uw God, hen aan u overgegeven heeft en u ze verslaat, dan moet u hen volledig met de ban slaan; u mag geen verbond met hen sluiten en hun niet genadig zijn. 3U mag geen huwelijksbanden met hen aangaan: uw dochters mag u niet geven aan hun zonen, en hun dochters niet nemen voor uw zonen. 4Want zij zouden uw zonen van achter Mij laten afwijken, zodat zij andere goden gaan dienen en de toorn van de HEERE tegen u ontbrandt en Hij u [al] snel wegvaagt. 5Maar zo moet u met hen doen: hun altaren moet u afbreken, hun gewijde stenen in stukken slaan, hun gewijde palen omhakken en hun beelden met vuur verbranden.

Tot hiertoe hebben we meer de innerlijke toestand van het volk voor ons gehad. Nu krijgen we de plicht naar buiten. De volken moeten worden uitgeroeid omdat zij een belemmering vormen voor het beërven en genieten van de zegen van het land. God wil ons leren dat de zegeningen die Hij ons heeft gegeven, alleen door strijd door ons in bezit kunnen worden genomen om ervan te genieten.

Ze moeten die volken uitroeien, niet op grond van moordlust, maar als uitvoerders van het Goddelijk oordeel. Deze volken hebben dat oordeel rechtvaardig van Godswege verdiend. Onderzoek heeft uitgewezen dat ze in die tijd de meest verdorven volken van de aarde waren. God heeft hen vierhonderd jaar lang verdragen, maar nu is hun ongerechtigheid vol (Gn 15:16-2116De vierde generatie zal hier terugkeren, want [de maat] van de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nu toe niet vol.17En het gebeurde dat de zon onderging en het donker werd; en zie, er was een rokende oven en een brandende fakkel, die tussen de stukken van de dieren doorging.18Op die dag sloot de HEERE een verbond met Abram, en zei: Aan uw nageslacht heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat:19de Kenieten, de Kenizieten, de Kadmonieten,20de Hethieten, de Ferezieten, de Refaïeten,21de Amorieten, de Kanaänieten, de Girgasieten en de Jebusieten.).

God zou die volken ook hebben kunnen uitroeien door ziekte, honger of natuurrampen (vgl. Ez 38:21-2221Op al Mijn bergen zal Ik een zwaard tegen hem oproepen, spreekt de Heere HEERE. Ieders zwaard zal tegen zijn broeder zijn.22Ik zal met hem een rechtszaak voeren door pest en door bloed. Ik zal een [alles] wegspoelende regen, en hagelstenen, vuur en zwavel op hem doen regenen, op zijn troepen en op de vele volken die met hem zijn.). Hij laat het Zijn volk echter doen, opdat het de ernstige les krijgt hoe heilig Hij is en hoe afschuwelijk zonde is in Zijn ogen. Het oordeel dat zij uitoefenen, zal hun deel worden als zij de volken volgen in hun zonden en gruwelen.

Er worden zeven volken genoemd, die het land van God wederrechtelijk in bezit hebben genomen. Het getal zeven laat zien dat in deze volken de volkomen macht van de boosheid wordt gezien. Ze zijn een beeld van de overheden en machten en wereldbeheersers, geestelijke machten van de boosheid in de hemelse gewesten. Tegen die machten is onze strijd en niet, zoals bij Israël, tegen bloed en vlees: Want onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse [gewesten]” (Ef 6:1212Want onze strijd is niet tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers van deze duisternis, tegen de geestelijke [machten] van de boosheid in de hemelse [gewesten].).

De enige weg om het erfdeel in bezit te nemen, is door strijd en overwinning. Wij zijn door God in het erfdeel geplaatst – Hij heeft [ons] mee opgewekt en mee doen zitten in de hemelse [gewesten] in Christus Jezus” (Ef 2:66en heeft [ons] mee opgewekt en mee doen zitten in de hemelse [gewesten] in Christus Jezus,) –, maar vijanden hebben het in bezit genomen en willen ons verhinderen het tot ons eigendom te maken. Voor Israël is de belofte dat de HEERE hen aan Zijn volk zal overleveren, zodat ze in staat zullen zijn hen te verslaan. Voor ons heeft de Heer Jezus op het kruis en in Zijn opstanding alle vijanden verslagen (Hb 2:1414Daar nu de kinderen aan bloed en vlees deel hebben, heeft ook Hij op gelijke wijze daaraan deelgenomen, opdat Hij door de dood teniet zou doen hem die de macht over de dood had, dat is de duivel,; Ko 2:1515En Hij heeft de overheden en de machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en door het [kruis] over hen getriomfeerd.). Met Hem als onze Aanvoerder is de overwinning zeker als we gaan in de wapenrusting die God ons ter beschikking heeft gesteld (Ef 6:13-1813Neemt daarom de hele wapenrusting van God op, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, na alles volbracht te hebben, stand te houden.14Houdt dan stand, uw lendenen omgord met [de] waarheid, en bekleed met het borstharnas van de gerechtigheid,15en de voeten geschoeid met [de] toerusting van het evangelie van de vrede,16terwijl u bovenal het schild van het geloof hebt opgenomen, waarmee u al de brandende pijlen van de boze zult kunnen uitblussen.17En neemt de helm van de behoudenis en het zwaard van de Geest, dat is [het] Woord van God,18terwijl u te allen tijde bidt in [de] Geest met alle gebed en smeking, en daartoe waakt met alle volharding en smeking voor alle heiligen,).

Deze vijanden mag geen genade worden betoond en er mag geen verbond mee worden gesloten. Ze moeten “volledig met de ban” geslagen worden. Wij mogen met ongelovigen geen verbintenis sluiten (2Ko 6:1414Gaat niet met ongelovigen onder een ongelijk juk. Want welk deelgenootschap hebben gerechtigheid en wetteloosheid? Of welke gemeenschap heeft licht met duisternis?), maar we moeten hun wel genade bewijzen. Dat laatste past bij de openbaring van God onze Heiland in deze tijd (1Tm 2:3-43Dit is goed en aangenaam voor God, onze Heiland,4Die wil dat alle mensen behouden worden en tot kennis van [de] waarheid komen.). Waar we geen genade aan mogen betonen, zijn de boze machten, dat zijn de beginselen waardoor ongelovigen zich laten leiden. Daarom kunnen we ons niet verbinden met maatschappelijke groeperingen die edele doelen nastreven, of met politieke partijen, die de wereld willen verbeteren. De beginselen die erachter zitten, zijn niet uit God.

In het land kan niets geduld worden wat niet voortkomt uit gehoorzaamheid aan God. Alleen wat Híj geeft, is passend voor die plaats. Daarom moet alles wat niet uit Hem is met de bijl en vuur worden uitgeroeid (vers 55Maar zo moet u met hen doen: hun altaren moet u afbreken, hun gewijde stenen in stukken slaan, hun gewijde palen omhakken en hun beelden met vuur verbranden.). Dit betekent dat de altaren en gewijde palen waarmee de afgoden worden gediend, niet moeten worden gereinigd om ze vervolgens aan God toe te wijden. Dat is in de christenheid gebeurd met het christelijk maken van in oorsprong heidense feesten als kerstmis en de Mariaverering.

Het erfdeel staat in contrast met dingen in ons leven die het genot onmogelijk maken. De typen spreken niet over wat wij in beginsel geworden zijn, maar over het leven naar en beleven van de waarheden van het Nieuwe Testament. Wij hebben een erfdeel ontvangen in het licht (Ko 1:1212terwijl u de Vader dankt, Die u bekwaam heeft gemaakt om deel te hebben aan het erfdeel van de heiligen in het licht;). Dat vormt een contrast met onze verlossing uit de macht van de duisternis. Wat we al bezitten, moeten we nu ook genieten. Dat doen we te midden van de wereld van duisternis waaruit we verlost zijn. Om echt te kunnen genieten moeten wij alle restanten van duisternis verwijderen en zo de erfenis tot ons eigendom maken.

Het is niet Gods bedoeling dat we eigenaar van een erfdeel zijn zonder er weet van te hebben en er ten volle van te genieten. Als Johannes in zijn brieven spreekt over het eeuwige leven, doet hij dat als iets wat we nu al bezitten en niet als iets wat we pas straks zullen krijgen. Daarom moeten de vijanden uit ons leven worden verdreven om het te genieten. De machten in ons leven kunnen we overwinnen door de kracht van de Geest.

Hoe meer terrein de vijand in bezit heeft des te minder kunnen we de zegeningen genieten. Alles wat aantrekkelijk is, is gevaarlijk en moet worden weggedaan, anders verspelen we de zegeningen (vers 1616U zult al de volken verteren die de HEERE, uw God, u geeft. Laat uw oog hen niet ontzien. En dien hun goden niet, want dat is voor u een valstrik.). God geeft een zegen in de plaats van elk kwaad dat we uit ons leven verdrijven. Elk terrein dat we op de vijand veroveren en voor Hem inruimen, vult Hij met Zijn zegen.

Het gaat om het verdrijven van de vijand opdat wij het land erven en opdat wij een welgevallen zijn voor God. Er is een absolute scheiding nodig met de wereldbeheersers van deze duisternis. God wil ons voor Zichzelf bezitten. Dat kan alleen als onze gedachten met de Zijne overeenstemmen en wij dezelfde belangstelling hebben als Hij, om met ons gemeenschap te hebben. Hoe is het in de gezinnen? Zoeken de ouders dit voor hun kinderen?


Uitverkoren uit liefde

6Want u bent een heilig volk voor de HEERE, uw God. De HEERE, uw God, heeft ú uitgekozen uit alle volken op de aardbodem om voor Hem tot een volk te zijn dat [Zijn] persoonlijk eigendom is. 7Niet omdat u groter was dan al de [andere] volken heeft de HEERE liefde voor u opgevat en u uitgekozen, want u was het kleinste van al de volken. 8Maar vanwege de liefde van de HEERE voor u, en om de eed die Hij uw vaderen gezworen had, in acht te nemen, heeft de HEERE u met sterke hand uitgeleid en heeft Hij u verlost uit het slavenhuis, uit de hand van de farao, de koning van Egypte. 9Daarom moet u weten dat de HEERE uw God is. Hij is dé God, de getrouwe God, Die het verbond en de goedertierenheid in acht neemt voor wie Hem liefhebben en Zijn geboden in acht nemen, tot in duizend generaties. 10En Hij doet vergelding aan [ieder van] hen die Hem haten, door hem om te doen komen, hem persoonlijk; Hij zal tegenover wie Hem haat niet aarzelen. Hij zal aan hem vergelding doen, aan hem persoonlijk. 11En [daarom] moet u de geboden, verordeningen en bepalingen die ik u heden gebied, in acht nemen door ze te houden.

Wij zijn een heilig volk om een volk ten eigendom te zijn: U echter bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilige natie, een volk tot een eigendom, opdat u de deugden verkondigt van Hem die u uit [de] duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht” (1Pt 2:99U echter bent een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterdom, een heilige natie, een volk tot een eigendom, opdat u de deugden verkondigt van Hem Die u uit [de] duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht,; Tt 2:1414Die Zichzelf voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons van alle wetteloosheid verloste en Zichzelf een eigen volk reinigde, ijverig in goede werken.). God wil een volk voor Zichzelf. De erfenis is voor ons, maar wij zijn voor God. God heeft ons bestemd “tot [het] zoonschap voor Zichzelf”, “naar het welbehagen van Zijn wil” (Ef 1:55terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van Zijn wil,). Hetzelfde welbehagen dat Hij heeft in Zijn Zoon, heeft Hij uitgestrekt naar ons. Dan behoren wij een heilig volk te zijn dat geen compromissen wil en alles uitdrijft wat niet bij Hem hoort.

Heel Deuteronomium 7 laat zien hoezeer het hart van God uitgaat naar Zijn volk. God heeft het volk niet uitverkoren vanwege de aantrekkelijkheid ervan. Er is niets in onszelf waarom God ons tot zonen heeft gemaakt en de erfenis wil schenken. Het is een liefde die volledig zijn bron en motivering vindt in God Zelf: God bevestigt Zijn liefde tot ons [hierin], dat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren” (Rm 5:88Maar God bevestigt Zijn liefde tot ons [hierin], dat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren.). Als wij aan onszelf denken, is het dan niet een groot wonder dat Hij ons heeft uitverkoren? Hij is daarvoor de aanbidding waard tot in alle eeuwigheid.

Zonen van God en het zijn onder de wet horen niet bij elkaar. Zonen staan niet onder de wet. Elk handelen van God met Zijn zonen is uit liefde en omdat Hij ernaar verlangt gemeenschap te hebben. Dat sluit alle zonde buiten. Voor alles wat wij wegdoen, krijgen wij een grotere zegen van Hem terug.

Aan de uitverkiezing die zijn oorsprong uitsluitend in Hemzelf heeft, heeft Hij ook een eed, een belofte verbonden. Voor Israël staat die eed in verbinding met de aartsvaders en uiteindelijk natuurlijk met de Zoon. Voor ons staat die belofte in directe verbinding met de Zoon.

God blijft altijd trouw aan wat Hij heeft gezegd. Hem staan ook alle middelen ter beschikking om te doen wat Hij heeft gezegd. Als Zijn volk in slavernij is, verlost Hij het. De verlossing is een bewijs van Zijn trouw aan Zijn Woord. Zijn trouw gaat door “tot in duizend generaties”. Hij is ook trouw, onveranderlijk, aan Zijn oordeelsaanzeggingen. God is liefde, en God is ook licht (1Jh 4:8,168Wie niet liefheeft, heeft God niet gekend, want God is liefde.16En wij hebben onderkend en geloofd de liefde die God ten aanzien van ons heeft. God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem.; 1:55En dit is de boodschap die wij van Hem gehoord hebben en u verkondigen, dat God licht is en dat in Hem in het geheel geen duisternis is.). Zijn natuur, Zijn wezen kan Hij niet verloochenen. Hij blijft altijd trouw aan Zichzelf (2Tm 2:1313als wij ontrouw zijn – Hij blijft trouw, want Zichzelf kan Hij niet verloochenen.).

Voor Hem is het volk niet een massa, maar enkelingen die samen een volk vormen. Ieder persoonlijk stelt Hij verantwoordelijk voor de begane daden. Hij vergeldt aan ieder persoonlijk, zonder uitstel. Het vonnis dat Hij velt, is volmaakt rechtvaardig en direct uitvoerbaar. Hoger beroep is niet mogelijk en ook niet nodig. Een jarenlang slepend proces is ondenkbaar bij Zijn rechtsuitoefening.

Al het voorgaande – hun uitverkiezing door de HEERE, de liefde van de HEERE, Zijn eed, de verlossing uit Egypte, Zijn verbond met hen, Zijn trouw en goedertierenheid tegenover hen, Zijn vergelding van wie Hem haten – zijn redenen om te luisteren naar de oproep van Mozes, voor ons: de Heer Jezus, in vers 1111En [daarom] moet u de geboden, verordeningen en bepalingen die ik u heden gebied, in acht nemen door ze te houden..

1. ”Geboden” zijn voorschriften waarin God duidelijk omschreven handelingen gebiedt of verbiedt.
2. “Verordeningen” zijn richtlijnen waarbinnen gehandeld moet worden.
3. “Bepalingen” bepalen het volk bij het recht dat God op hen heeft.


Zegen als beloning

12Dan zal het gebeuren, omdat u deze bepalingen zult horen, in acht nemen en houden, dat de HEERE, uw God, voor u het verbond en de goedertierenheid in acht zal nemen die Hij uw vaderen onder ede beloofd heeft. 13Hij zal u liefhebben, u zegenen en u talrijk maken; Hij zal de vrucht van uw schoot zegenen en de vrucht van uw land, uw koren, uw nieuwe wijn en uw olie, de dracht van uw koeien en de jongen van uw kleinvee, in het land dat Hij uw vaderen gezworen heeft u te geven. 14Gezegend zult u zijn boven al de volken; onder u zal geen man of vrouw onvruchtbaar zijn, onder uw dieren evenmin. 15De HEERE zal alle ziekte van u weren en geen van de verschrikkelijke kwalen van Egypte, die u hebt leren kennen, zal Hij u opleggen, maar Hij zal ze geven aan allen die u haten. 16U zult al de volken verteren die de HEERE, uw God, u geeft. Laat uw oog hen niet ontzien. En dien hun goden niet, want dat is voor u een valstrik.

Door de onderhouding van Gods geboden kan het volk laten zien dat het God liefheeft. Dat heeft weer Gods speciale liefde tot gevolg, als een nieuwe reden. Hij heeft het volk lief vanuit Zichzelf, maar Hij wil Zijn volk ook graag Zijn liefde laten voelen op grond van wat Hij bij hen vindt in de praktijk van hun leven (vers 1313Hij zal u liefhebben, u zegenen en u talrijk maken; Hij zal de vrucht van uw schoot zegenen en de vrucht van uw land, uw koren, uw nieuwe wijn en uw olie, de dracht van uw koeien en de jongen van uw kleinvee, in het land dat Hij uw vaderen gezworen heeft u te geven.).

Dat geldt ook voor ons en wel in veel intiemere mate. Daarover spreekt de Heer Jezus in de opperzaal met Zijn discipelen. Daar vertelt Hij hoe het bewaren van de geboden en de liefde voor Hem bij elkaar horen (Jh 14:2121Wie Mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal door Mijn Vader worden geliefd; en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren.). De beloning daarvan is het ervaren van de liefde van de Vader en de Heer Jezus en het zicht krijgen op een verdere heerlijkheid van de Zoon. Onze kennis van de Persoon en het werk van de Heer Jezus zal zich vermeerderen.

De geboden waarover de Heer Jezus het heeft, zijn niet de tien geboden. Die beloven geen openbaring van de Zoon. De geboden van de Heer Jezus gaan daar ver bovenuit. Het zijn de geboden die het verlangen van het nieuwe leven aangeven om de wil van God te doen. Dat zijn geen beperkende geboden of gebiedende geboden (‘u zult’ en ‘u zult niet’), maar het is elke gehoorzaamheid aan wat de Heer Jezus ons ook maar vraagt om te doen. “Dit is de liefde van God, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar” (1Jh 5:33Want dit is de liefde van God, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar.). Deze geboden zijn niet zwaar omdat ze volmaakt passen bij het nieuwe leven dat zijn vreugde vindt in het houden van die geboden.

Hierop sluit een nog verdergaand bewijs van liefde tegenover de Heer Jezus aan. Dat treffen we aan in de woorden van de Heer: “Als iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn Woord bewaren” (Jh 14:2323Jezus antwoordde en zei tot hem: Als iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn woord bewaren, en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en woning bij hem maken.). De beloning daarvan is dat de Vader en de Zoon zullen komen om bij zo iemand woning te maken. Hier gaat het niet alleen om iets doen wat de Heer Jezus ons vraagt, maar het doen van alles waarvan wij weten dat Hij dat fijn vindt zonder dat Hij dat uitdrukkelijk tegen ons heeft gezegd. Als een vader tegen een van zijn kinderen zegt dat het iets moet doen, en het doet het, is dat goed. Als een vader tegen zijn vrouw zegt dat hij nog iets moet doen en een van de kinderen hoort dat en doet het voor zijn vader, gaat dat verder.

De weg van gehoorzaamheid is de weg van zegen. Liefde die zich uit in gehoorzaamheid heeft overvloedige zegen tot gevolg. Er is vermeerdering van de aardse zegen. Er is overvloed in de vrucht van het land en in het nageslacht, verheffing boven andere volken, geen ziekten en kwalen van Egypte. Voor ons is geestelijke voorspoed verbonden aan gehoorzaamheid (Hd 9:3131De gemeente dan door heel Judéa, Galiléa en Samaria had vrede, terwijl zij werd opgebouwd en wandelde in de vrees van de Heer, en zij vermeerderde door de vertroosting van de Heilige Geest.).

De voorspoed wordt op drie terreinen voorgesteld. Eerst is er de vrucht van de schoot. Dat ziet op nieuw leven en wel in het land. Paulus zegt van de Galaten, over wie hij in grote zorg is vanwege het wetticisme dat daar ingang heeft gevonden: “Mijn kinderen, van wie ik opnieuw in barensweeën ben, totdat Christus gestalte in u krijgt” (Gl 4:19-2019mijn kinderen, van wie ik opnieuw in barensweeën ben, totdat Christus gestalte in u krijgt.20En ik wilde wel dat ik nu bij u was en op een andere toon kon spreken, want ik ben met u ten einde raad.). De vrucht van de schoot wordt in geestelijk opzicht gezien waar een mens volmaakt gesteld wordt in Christus, dat wil zeggen dat iemand zijn positie in Christus kent en daarnaar leeft (Ko 1:2828Hem verkondigen wij, terwijl wij iedere mens terechtwijzen en iedere mens leren in alle wijsheid, om iedere mens volmaakt te stellen in Christus.).

Het tweede bewijs van voorspoed is de vrucht van het vee, waarin de toenemende mogelijkheden tot offeren te zien zijn, wat voor ons een toenemende aanbidding betekent.

Het derde bewijs is de vrucht van het land, samengevat in “uw koren, uw nieuwe wijn en uw olie”. Dit zijn voor ons symbolen van Christus als ons voedsel (koren) en onze blijdschap (wijn) die we genieten in de kracht van de Heilige Geest (olie).

Ziekte is voor ons geen bewijs van ongehoorzaamheid. De ziekten en kwalen van Egypte spreken voor ons van een geestelijke houding waaronder wij vroeger gebukt gingen (Tt 3:33Want ook wij waren vroeger onverstandig, ongehoorzaam, dwalend, aan allerlei begeerten en genietingen verslaafd, in boosheid en afgunst levend, verfoeilijk [en] elkaar hatend.). Die houding zal weer bij ons te zien zijn als we een weg van God af gaan.

God beloont naar hun wandel. Wel moeten zij oppassen voor de valstrik: het ontzien van de vijandige volken en het dienen van hun afgoden. In deze valstrik komen we terecht als we niet meer genoeg hebben aan alles wat de Heer heeft gegeven aan geestelijke zegeningen. Dan worden we jaloers op wat de mensen van de wereld of wereldsgezinde christenen zich allemaal veroorloven en willen dat dan ook.


Bemoediging

17Wanneer u in uw hart zegt: Deze volken zijn groter dan ik; hoe kan ik [hen ooit] uit hun bezit verdrijven? 18wees [dan] niet bevreesd voor hen. Denk steeds aan wat de HEERE, uw God, met de farao en met alle Egyptenaren gedaan heeft, 19de grote beproevingen die uw ogen gezien hebben, de tekenen, de wonderen, de sterke hand en de uitgestrekte arm waarmee de HEERE, uw God, u uitgeleid heeft. Zo zal de HEERE, uw God, doen met al de volken voor wie u bevreesd bent. 20Daarbij zal de HEERE, uw God, horzels onder hen zenden, totdat zij die overgebleven en voor u verborgen zijn, [ook] omgekomen zijn. 21Schrik voor hen niet terug, want de HEERE, uw God, is in uw midden, een groot en ontzagwekkend God. 22De HEERE, uw God, zal deze volken van voor uw [ogen] verdrijven, [maar] geleidelijk: u zult hen niet onmiddellijk kunnen vernietigen, anders zouden de dieren van het veld talrijker worden dan u. 23De HEERE, uw God, zal hen aan u overgeven; Hij zal hen in grote verwarring brengen, totdat zij weggevaagd zijn. 24Hij zal u hun koningen in uw hand geven, en u moet hun naam van onder de hemel doen verdwijnen; niemand zal vóór u standhouden, totdat u hen weggevaagd hebt.

De valstrik van vers 1616U zult al de volken verteren die de HEERE, uw God, u geeft. Laat uw oog hen niet ontzien. En dien hun goden niet, want dat is voor u een valstrik. is een onvergeeflijke ruimhartigheid. In vers 1717Wanneer u in uw hart zegt: Deze volken zijn groter dan ik; hoe kan ik [hen ooit] uit hun bezit verdrijven? ligt een andere valstrik klaar, die van bangheid. God weet hoe Zijn volk is en hoe het bij zichzelf kan denken. Hij weet dat de vijand in de ogen van het volk een te grote hindernis kan worden, zodat hun de moed in de schoenen zinkt. Daarom herinnert Hij hen eraan en bemoedigt hen ermee door te wijzen op wat Hij voor hen geweest is en gedaan heeft met de farao en alle Egyptenaren. Op dezelfde wijze zal Hij het opnieuw voor hen opnemen.

Zoals God Israël wees op Zijn overwinning over de farao en Egypte, zo wijst Hij ons op de overwinning die de Heer Jezus op Golgotha heeft behaald. Daar zien we hoe Hij de satan en zijn demonen heeft verslagen (Ko 2:1515En Hij heeft de overheden en de machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en door het [kruis] over hen getriomfeerd.). Hij herinnert ons aan onze eigen verlossing. Geen macht heeft ons kunnen vasthouden, toen Hij ons wilde verlossen uit de slavernij van de satan, de wereld en de zonde. Het gevaar ligt niet in de macht van de vijand, maar in het aanknopingspunt dat hij in ons hart heeft.

Een volk dat “een groot en ontzagwekkend God” in hun midden heeft, hoeft geen enkele vrees te hebben. Integendeel, de aanwezigheid van die God in hun midden zal hun vijanden met vrees vervullen. Als we op Zijn kracht vertrouwen, kunnen we gerust zijn (2Ko 10:3-63Want al wandelen wij in [het] vlees, wij voeren geen strijd naar [het] vlees;4want de wapens van onze strijd zijn niet vleselijk, maar krachtig voor God, tot afbreking van bolwerken;5daar wij [de] overleggingen en elke hoogte die zich verheft tegen de kennis van God, afbreken en elke gedachte gevangennemen tot de gehoorzaamheid van Christus,6en gereed staan elke ongehoorzaamheid te wreken, wanneer uw gehoorzaamheid vervuld zal zijn.).

De HEERE wijst er ook op dat de verovering van het land niet te snel moet gaan (Ex 23:29-3029Ik zal hen niet in één jaar vóór u uit verdrijven, anders wordt het land een woestenij en worden de [wilde] dieren van het veld u te talrijk.30Ik zal hen geleidelijk vóór u uit verdrijven, totdat u [zo in aantal] toegenomen bent dat u het land in erfbezit kunt nemen.) om het evenwicht van het land niet te verstoren. Als ze wel de vijanden verdrijven, maar er niet gaan wonen omdat ze verdertrekken, zal het veroverde land door het wild gedierte in bezit worden genomen. Ze moeten dus verdrijven en gaan wonen en dan weer verdrijven en gaan wonen.

Dat is geen ontmoediging. Het in bezit nemen van het land is geen zaak van vandaag op morgen, ook niet in geestelijk opzicht. De geestelijke groei kent verschillende stadia. Daarover lezen we in 1 Johannes 2:13-14. Kinderen, jongelingen en vaders hebben allen hetzelfde eeuwige leven. Maar kleine kinderen, zij die pas tot geloof zijn gekomen, en jongelingen, zij die al wat verder op de weg van het geloof zijn, moeten nog naar volwassenheid toegroeien. Je bent niet zomaar een vader in Christus. Er is een geleidelijke groei om de zegen die God ons wil toevertrouwen in bezit te nemen. Zo doen we steeds nieuwe verrassingen op in het land.


Verafschuwen wat onder de ban ligt

25De beelden van hun goden moet u met vuur verbranden. Het zilver en goud dat erop zit, mag u niet begeren of voor uzelf nemen, anders wordt u daardoor verstrikt, want het is voor de HEERE, uw God, een gruwel. 26U mag [zoiets] gruwelijks niet in huis halen, anders wordt u evenzo tot iemand waarop de ban rust; volledig verafschuwen moet u het, ja, er een diepe afschuw van hebben, want het is iets waarop de ban rust.

Een waarschuwend voorbeeld van wat Mozes hier aan het volk voorhoudt, zien we in Achan (Jz 7:11Maar de Israëlieten pleegden trouwbreuk met wat door de ban gewijd was, want Achan, de zoon van Charmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerah, uit de stam Juda, nam van wat door de ban gewijd was. Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen de Israëlieten.; vgl. 1Sm 15:99Maar Saul en het volk spaarden Agag, de beste schapen en runderen, en wat bijna het beste was, de lammeren en alles wat goed was. Zij wilden die niet met de ban slaan. Maar elk gebruiksvoorwerp dat waardeloos en vergaan was, sloegen zij met de ban.). Het is belangrijk op te merken dat van ons wordt gevraagd bepaalde dingen te verafschuwen. Er zijn zaken die onze begeerten opwekken en waar ons vlees naar verlangt, dingen die we van nature niet verafschuwen, maar koesteren. Juist van die dingen wordt gezegd dat we die moeten verafschuwen. Verafschuwen is in de eerste plaats een wilsbesluit dat we nemen uit gehoorzaamheid aan Gods Woord en niet een gevoel.


Lees verder