Deuteronomium
1 Israël wordt opgeroepen om te luisteren 2-3 Het verbond 4-5 Mozes de middelaar 6 De verlossende God 7-10 Eerste en tweede gebod 11 Derde gebod 12-15 Vierde gebod 16 Vijfde gebod 17 Zesde gebod 18 Zevende gebod 19 Achtste gebod 20 Negende gebod 21 Tiende gebod 22 Een compleet woord 23-27 Het volk vreest de HEERE 28-30 Het verlangen van de HEERE 31 Mozes ontvangt mededelingen 32-33 Bevel om de geboden te houden
Israël wordt opgeroepen om te luisteren

1Mozes riep heel Israël [bijeen] en zei tegen hen: Luister, Israël, naar de verordeningen en bepalingen die ik heden ten aanhoren van u spreek. U moet ze leren en nauwlettend in acht nemen.

Mozes roept Israël samen. Hij is een beeld van de Heer Jezus als de Leraar Die Gods Woord spreekt. Hij roept op om te ‘luisteren’ – een woord dat meer dan dertig keer in dit boek voorkomt –, opdat ze zullen leren wat God zegt en vervolgens ook doen wat God zegt. Luisteren en doen zijn niet te scheiden. Niets is vrijblijvend, omdat God dit volk tot Zijn eigen volk heeft aangenomen. Luisteren is noodzakelijk om als volk te overleven.


Het verbond

2De HEERE, onze God, heeft een verbond met ons gesloten bij de Horeb. 3Niet met onze vaderen heeft de HEERE dit verbond gesloten, maar met ons, wij die hier heden allen in leven zijn.

Mozes wijst terug naar de Horeb waar God het volk in een verbondsrelatie met Zichzelf heeft gebracht en Hij het tot Zijn volk heeft verklaard (Ex 19:4-54U hebt zelf gezien wat Ik met de Egyptenaren gedaan heb en [hoe] Ik u op arendsvleugels gedragen en u bij Mij gebracht heb.5Nu dan, als u nauwgezet Mijn stem gehoorzaamt en Mijn verbond in acht neemt, dan zult u uit alle volken Mijn persoonlijk eigendom zijn, want heel de aarde is van Mij.). Het volk tot wie Mozes zich hier richt, is bij de Horeb jonger dan twintig jaar. Maar zij vertegenwoordigen het volk dat destijds bij de Horeb aanwezig was.

De HEERE heeft dit verbond niet met de vaderen Abraham, Izak en Jakob gesloten, maar met een door Hem verlost volk. God heeft Zijn verbond niet gemaakt met een volk dat zucht onder de slavernij van de zonde, maar met een nieuwe generatie, een volk dat leeft.


Mozes de middelaar

4Van aangezicht tot aangezicht heeft de HEERE met u gesproken op de berg, vanuit het midden van het vuur 5(ik stond in die tijd tussen de HEERE en u in, om u het woord van de HEERE bekend te maken, want u was bevreesd vanwege het vuur en klom de berg niet op). Hij zei:

Met dit nieuwe volk heeft de HEERE van aangezicht tot aangezicht gesproken, terwijl Mozes als middelaar tussen de HEERE en het volk stond. Zo stond de Heer Jezus tussen God en ons. In Zijn aangezicht heeft God Zich aan ons getoond: Want de God Die gezegd heeft: ‘Uit duisternis zal licht schijnen’, Die heeft geschenen in onze harten tot [de] lichtglans van de kennis van de heerlijkheid van God in [het] aangezicht van <Jezus> Christus” (2Ko 4:66Want de God Die gezegd heeft: ‘Uit duisternis zal licht schijnen’, Die heeft geschenen in onze harten tot [de] lichtglans van de kennis van de heerlijkheid van God in [het] aangezicht van <Jezus> Christus.). Waar Israël vreesde, is voor ons de vrees weg: “In de liefde is geen vrees” (1Jh 4:18a18In de liefde is geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees uit, want de vrees houdt straf in, en wie vreest, is niet volmaakt in de liefde.). Wij staan niet op de grondslag van de wet, maar op de grondslag van de genade.

Uit de mond van de HEERE komen de tien geboden. Ze worden gegeven aan een volk dat zich heeft verplicht alles te doen wat de HEERE zegt. Zij moeten leren dat zij niet in eigen kracht daaraan kunnen voldoen. Voor ons is de wet niet letterlijk van toepassing, maar er is zeker een geestelijke toepassing. We kunnen door de wet veel leren over onze verhoudingen onder elkaar en onze verhouding met God.

De lessen van dit boek hebben direct te maken met onze christelijke positie. Mozes licht hen voor over het land dat ze straks zullen binnengaan en op welke grondslag ze de zegeningen kunnen bezitten en genieten. Die grondslag is gehoorzaamheid.

De zegeningen van de christen zijn tweeërlei. Er zijn aardse zegeningen en er zijn hemelse zegeningen. Aardse zegeningen zijn niet specifiek christelijk. Ook ongelovigen kunnen genieten van een goede gezondheid, de natuur, hun baan. De specifiek christelijke zegeningen zijn die van het land, de hemelse gewesten. Er is de verheerlijkte Mens Christus Jezus in de hemel, en alle zegeningen die Hij als Mens heeft geërfd, deelt Hij met de gelovigen. Daarvoor is Hij juist Mens geworden. Christus is gezeten in de hemelse gewesten en de gelovige is daar ook in Hem (Ef 1:33Gezegend zij de God en Vader van onze Heer Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in de hemelse [gewesten] in Christus,; 2:4-74Maar God, Die rijk is aan barmhartigheid, heeft ons vanwege Zijn grote liefde waarmee Hij ons heeft liefgehad,5toen ook wij dood waren in de overtredingen, levend gemaakt met Christus (uit genade bent u behouden),6en heeft [ons] mee opgewekt en mee doen zitten in de hemelse [gewesten] in Christus Jezus,7opdat Hij in de komende eeuwen de uitnemende rijkdom van Zijn genade zou betonen in goedertierenheid over ons in Christus Jezus.).

Diezelfde Mens Christus Jezus is ook God de Zoon, van eeuwigheid. Vandaar dat de zegen van het eeuwige leven ook ons deel is: En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus Die U hebt gezonden” (Jh 17:33En dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, de enige waarachtige God, en Jezus Christus Die U hebt gezonden.). Deuteronomium laat zien dat de zegeningen niet automatisch door ons verkregen worden. Daartoe moeten we dat land hier-en-nu in bezit nemen, met strijd. Vanaf Deuteronomium 4 wordt de weg getoond waarlangs we de zegeningen in bezit kunnen nemen.

Liefde uit zich in het houden van de geboden en dat geeft als resultaat gemeenschap in het ‘land’. Liefhebben van God hier komt voor ons overeen met wat de Heer Jezus zegt in Johannes 14 (Jh 14:21,2321Wie Mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het die Mij liefheeft; en wie Mij liefheeft, zal door Mijn Vader worden geliefd; en Ik zal hem liefhebben en Mijzelf aan hem openbaren.23Jezus antwoordde en zei tot hem: Als iemand Mij liefheeft, zal hij Mijn woord bewaren, en Mijn Vader zal hem liefhebben en Wij zullen tot hem komen en woning bij hem maken.). Gelovigen die beginnen met gehoorzaam te zijn, gaan steeds meer zien van de hemelse dingen. Centraal in gehoorzaamheid staan de tien geboden. Daarbij gaat het voor ons om de geestelijke les eruit.


De verlossende God

6Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft.

Wat we in de verzen 6-216Ik ben de HEERE, uw God, Die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heeft.7U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben.8U zult voor uzelf geen beeld maken, [geen] enkele afbeelding [van] wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is.9U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HEERE, uw God, ben een na-ijverig God, Die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, en aan het derde en aan het vierde [geslacht] van hen die Mij haten;10maar Die barmhartigheid doet aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden in acht nemen.11U zult de Naam van de HEERE, uw God, niet ijdel gebruiken, want de HEERE zal niet voor onschuldig houden wie Zijn Naam ijdel gebruikt.12Neem de sabbatdag in acht om die te heiligen, zoals de HEERE, uw God, u geboden heeft.13Zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen,14maar de zevende dag is de sabbat van de HEERE, uw God. [Dan] zult u geen enkel werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw slaaf, noch uw slavin, noch uw rund, noch uw ezel, noch enig vee van u, noch uw vreemdeling, die binnen uw poorten is, opdat uw slaaf en uw slavin rusten zoals u.15Want u zult in gedachten houden dat u slaaf geweest bent in het land Egypte en dat de HEERE, uw God, u vandaar uitgeleid heeft met sterke hand en uitgestrekte arm. Daarom heeft de HEERE, uw God, u geboden de dag van de sabbat te houden.16Eer uw vader en uw moeder, zoals de HEERE, uw God, u geboden heeft, opdat uw dagen verlengd worden en opdat het u goed gaat in het land dat de HEERE, uw God, u geeft.17U zult niet doodslaan.18En u zult geen overspel plegen.19En u zult niet stelen.20En u zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste.21En u zult niet begeren de vrouw van uw naaste. U zult uw zinnen niet zetten op het huis van uw naaste, noch op zijn akker, noch op zijn slaaf, noch op zijn slavin, noch op zijn rund, noch op zijn ezel, noch op iets wat van uw naaste is. voor ons krijgen, is geen loutere herhaling van de tien geboden uit Exodus 20. Dat is bijvoorbeeld te zien aan het sabbatsgebod. In Exodus 20 is het motief om de sabbat te houden dat de HEERE in zes dagen de hemel en de aarde heeft gemaakt en daarna heeft gerust (Ex 20:1111Want in zes dagen heeft de HEERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee, en al wat erin is, en Hij rustte op de zevende dag. Daarom zegende de HEERE de sabbatdag, en heiligde die.), terwijl hier het motief is dat God een verlossingswerk tot stand heeft gebracht (vers 1515Want u zult in gedachten houden dat u slaaf geweest bent in het land Egypte en dat de HEERE, uw God, u vandaar uitgeleid heeft met sterke hand en uitgestrekte arm. Daarom heeft de HEERE, uw God, u geboden de dag van de sabbat te houden.). Verder worden de laatste vijf geboden hier op nadrukkelijke wijze aan elkaar verbonden door het woord ‘en’ tussen de geboden, wat in Exodus 20 ontbreekt.

God herinnert hen aan de bevrijding die Hij heeft verricht. Hij heeft Zich in de eerste plaats als de verlossende God geopenbaard, Die nu hun God is. Dat kan niet anders dan liefde voor Hem bewerken. Hij vraagt liefde, maar Hij heeft ons eerst liefgehad en eerst Zijn grote liefde voor ons bewezen door Zijn Zoon te zenden “als zoenoffer voor onze zonden” (1Jh 4:9-10,199Hierin is de liefde van God ten aanzien van ons geopenbaard, dat God Zijn eniggeboren Zoon in de wereld heeft gezonden, opdat wij zouden leven door Hem.10Hierin is de liefde, niet dat wij God hebben liefgehad, maar dat Hij ons heeft liefgehad en Zijn Zoon heeft gezonden als zoenoffer voor onze zonden.19Wij hebben lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.; Rm 5:88Maar God bevestigt Zijn liefde tot ons [hierin], dat Christus voor ons gestorven is toen wij nog zondaars waren.; Tegelijk behoort er eerbied te zijn. Hoe dichter we bij Hem komen – en Hij wil ons dicht bij Zich hebben! – des te meer zullen we Zijn majesteit en verhevenheid zien.


Eerste en tweede gebod

7U zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. 8U zult voor uzelf geen beeld maken, [geen] enkele afbeelding [van] wat boven in de hemel, of beneden op de aarde of in het water onder de aarde is. 9U zult zich daarvoor niet neerbuigen, en die niet dienen, want Ik, de HEERE, uw God, ben een na-ijverig God, Die de misdaad van de vaderen vergeldt aan de kinderen, en aan het derde en aan het vierde [geslacht] van hen die Mij haten; 10maar Die barmhartigheid doet aan duizenden van hen die Mij liefhebben en Mijn geboden in acht nemen.

Voor Zijn volk is Hij de exclusieve, enige God. Het betekent dat alle gebieden van het leven onder Zijn gezag staan. Wij kennen God als Degene Die Zich geopenbaard heeft in de Heer Jezus. Daardoor kennen we Hem op zoveel heerlijker wijze dan Israël Hem kent. Wie Hem liefheeft, zal Zijn geboden bewaren en Hem aanbidden. Dan is er geen ruimte voor andere goden. Maar God ziet het gevaar dat het hart van Zijn volk altijd geneigd is van Hem af te wijken.

Voor ons is dat gevaar niet anders. Johannes spreekt in zijn eerste brief over de zegen van het eeuwige leven in de gelovige. Hij besluit zijn brief met de waarschuwing: “Kinderen, wacht u voor de afgoden” (1Jh 5:2121Kinderen, wacht u voor de afgoden.). Alles wat zich tussen ons en God in wringt om ons te verleiden daaraan enige eer te geven, is afgoderij. Zodra we toegeven aan die verleiding, verspelen we het genot van de zegen van het eeuwige leven, dat is Christus Zelf: En wij weten dat de Zoon van God gekomen is en ons [het] verstand gegeven heeft, opdat wij de Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en het eeuwige leven” (1Jh 5:2020En wij weten dat de Zoon van God gekomen is en ons [het] verstand gegeven heeft, opdat wij de Waarachtige kennen; en wij zijn in de Waarachtige, in Zijn Zoon Jezus Christus. Deze is de waarachtige God en [het] eeuwige leven.).

God is een geest en kan niet door iets afgebeeld worden. Elk beeld kan slechts een karikatuur zijn van Hem Die niet door mensenhanden uit te beelden is. Dan zou God in de hand van de mens zijn, die iets uit de schepping neemt en naar zijn eigen fantasie daar een vorm aan geeft. Wie Hem door het geloof als Vader kennen, mogen Hem aanbidden in geest en waarheid. Naar zulke mensen zoekt de Vader (Jh 4:23-2423Maar er komt een uur, en het is er, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; immers, de Vader zoekt zulke [personen] die Hem aanbidden.24God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.).

Het enige beeld dat wij van God hebben, is de Heer Jezus (Ko 1:1515Hij is [het] Beeld van de onzichtbare God, [de] Eerstgeborene van [de] hele schepping,). Hij kan zeggen: ”Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien” (Jh 14:99Jezus zei tot hem: Ben Ik zo lange tijd bij u en heb je Mij niet gekend, Filippus? Wie Mij heeft gezien, heeft de Vader gezien; hoe zeg je dan: Toon ons de Vader?). Buiten de Heer Jezus om is niets van God te kennen of is een lasterlijke weergave van Hem. Elke opvatting van God naar eigen gedachten is een gesneden beeld.

God deelt Zijn eer niet met iets of iemand anders. Wie toch iets van Hem zichtbaar wil maken, zal de ongerechtigheid daarvan dragen, zelfs tot in het vierde geslacht dat met het overnemen van de afgoderij ook de toorn van God zal ondergaan. Daartegenover merken we Gods barmhartigheid in de levens van hen die Hem liefhebben en Hem eren en dienen als de enige God. In zijn uitwerking draagt het liefhebben van God veel verder (“aan duizenden”) dan het haten van Hem (“aan het derde en aan vierde [geslacht]”). De liefde overtreft verre de haat.


Derde gebod

11U zult de Naam van de HEERE, uw God, niet ijdel gebruiken, want de HEERE zal niet voor onschuldig houden wie Zijn Naam ijdel gebruikt.

Het gebod om de Naam van de HEERE niet ijdel te gebruiken, is niet beperkt tot het niet mogen vloeken. Het betreft elk gebruik van de Naam van de Heer Jezus in een verband waarin Zijn Naam als een dekmantel voor eigen opvattingen wordt genoemd. Dat kan bijvoorbeeld bij zweren gebeuren. De Heer Jezus waarschuwt daarvoor (Mt 5:33-3733U hebt eveneens gehoord dat tot de ouden gezegd is: U zult geen valse eed zweren, maar de Heer uw eden houden.34Maar Ik zeg u helemaal niet te zweren, niet bij de hemel, want hij is [de] troon van God;35niet bij de aarde, want zij is [de] voetbank voor Zijn voeten; niet bij Jeruzalem, want zij is [de] stad van de grote Koning;36niet bij uw hoofd zult u zweren, want u kunt niet één haar wit of zwart maken.37Laat uw woord ja echter ja zijn, [en uw] nee nee; en wat meer is dan dit, is uit de boze.). Andere vormen van het ijdel gebruik van Zijn Naam zijn bijvoorbeeld: Zijn Naam noemen en tegelijk zonde in je leven toelaten, of Zijn Naam noemen als middelpunt van samenkomen en die samenkomst toch inrichten naar eigen smaak, of Zijn Naam noemen, terwijl we op een wereldse wijze uiting geven aan ons geloof in Hem.


Vierde gebod

12Neem de sabbatdag in acht om die te heiligen, zoals de HEERE, uw God, u geboden heeft. 13Zes dagen zult u arbeiden en al uw werk doen, 14maar de zevende dag is de sabbat van de HEERE, uw God. [Dan] zult u geen enkel werk doen, u, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw slaaf, noch uw slavin, noch uw rund, noch uw ezel, noch enig vee van u, noch uw vreemdeling, die binnen uw poorten is, opdat uw slaaf en uw slavin rusten zoals u. 15Want u zult in gedachten houden dat u slaaf geweest bent in het land Egypte en dat de HEERE, uw God, u vandaar uitgeleid heeft met sterke hand en uitgestrekte arm. Daarom heeft de HEERE, uw God, u geboden de dag van de sabbat te houden.

De zondag is geen verkapte sabbat, waar alle geboden naar overgeheveld moeten worden. Wat de sabbat is, staat in Hebreeën 4 (Hb 4:8-98Want als Jozua hen in de rust gebracht had, zou Hij daarna niet over een andere dag gesproken hebben.9Er blijft dus een sabbatsrust over voor het volk van God.). Het ziet op de rust van het vrederijk. De sabbat mogen wij geestelijk in acht nemen door te leven alsof de sabbat van God al aangebroken is. In geestelijk opzicht mogen wij in het vrederijk leven.

Het sabbatgebod is het kerngebod wat betreft gehoorzaamheid. Alle andere geboden kunnen zelfs door ongelovigen begrepen worden. De enige beweegreden om de sabbat in acht te nemen is omdat God het bevolen heeft. Het is de grote test voor Israël voor hun gehoorzaamheid. Daarom wordt het verbreken van dit gebod meerdere keren als grond voor het oordeel genoemd (Lv 26:3535Alle dagen dat het verwoest ligt, zal het rusten, omdat het niet rustte gedurende uw sabbatten, toen u het bewoonde.; 2Kr 36:2121om het woord van de HEERE, bij monde van Jeremia [gesproken], te vervullen, totdat het land behagen zou scheppen in zijn sabbats[jaren]. Het rustte al de dagen van de verwoesting, totdat de zeventig jaar vervuld waren.). In het vrederijk zal de sabbat weer gehouden worden (Ez 45:1717Op de vorst rust [de taak te zorgen voor] de brandoffers, het graanoffer en het plengoffer op de feesten, op nieuwemaans[dagen] en op de sabbatten: op alle feestdagen van het huis van Israël. Hij moet zorgen voor het zondoffer, het graanoffer, het brandoffer en de dankoffers om verzoening te doen voor het huis van Israël.).

De reden dat christenen de zondag vieren, de eerste dag van de week, is niet omdat de sabbat, de zevende dag van de week, is afgeschaft, maar omdat zij in geestelijk opzicht voor de wet gestorven zijn. Voor hen geldt: “Dus bent ook u, mijn broeders, voor de wet gedood door het lichaam van Christus, opdat u aan een ander toebehoort, aan Hem Die uit de doden is opgewekt” (Rm 7:44Dus bent ook u, mijn broeders, voor de wet gedood door het lichaam van Christus, opdat u aan een ander toebehoort, aan Hem Die uit [de] doden is opgewekt, opdat wij voor God vrucht dragen.). Daarom vieren christenen, die met Christus zijn gestorven en opgestaan, als opgestane mensen de dag van de opstanding van Christus, de eerste dag van de week.

Hier leren we dat naast de schepping de verlossing de reden van onze gehoorzaamheid is. God heeft recht op onze gehoorzaamheid omdat Hij onze Schepper is. Heeft Hij niet een veel groter recht op onze gehoorzaamheid op grond van de verlossing die Hij heeft bewerkt? De verlossing is een machtiger drijfveer voor onze harten om gehoorzaam te zijn. Die verlossing zal ons er ook toe brengen om genadig te zijn tegenover anderen.


Vijfde gebod

16Eer uw vader en uw moeder, zoals de HEERE, uw God, u geboden heeft, opdat uw dagen verlengd worden en opdat het u goed gaat in het land dat de HEERE, uw God, u geeft.

Vanaf dit vers begint de tweede tafel van de wet met daarop zes geboden voor de verhouding tot de naaste. Als die relatie niet in orde is, kan de gelovige ook de zegeningen van het land niet genieten. Op de eerste tafel van de wet wordt de verhouding tot God geregeld. We hebben daarin Zijn liefde voor ons en ons antwoord aan Hem. “Wij hebben lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad” (1Jh 4:1919Wij hebben lief, omdat Hij ons eerst heeft liefgehad.). Onze liefde betreft niet alleen God, maar ook de broeder. De broeder liefhebben is ook een gebod.

De verhouding tot de naaste begint met het eren van vader en moeder, de eerste relatie die tot de naaste ontstaat. Het eren van vader en moeder heeft een doel. Het gaat om het genieten van de zegeningen van het land. God heeft het gezin ingesteld als een beeld van de familie van God, waarin de verhouding tussen ouders en kinderen de verhouding behoort weer te geven die er is tussen God de Vader en Zijn kinderen. In geestelijke zin betekent het dat de gelovigen hen, die vaders en moeders in Christus zijn, zullen eren in de gemeente (Hb 13:1717Weest aan uw voorgangers gehoorzaam en weest hun onderdanig, want zij waken over uw zielen als degenen die rekenschap zullen afleggen, opdat zij dit met vreugde en niet zuchtend doen, want dat is voor u niet nuttig.; 1Th 2:7,117maar wij waren vriendelijk in uw midden, zoals een voedende moeder haar eigen kinderen koestert.11U weet immers hoe wij, als een vader zijn eigen kinderen, ieder van u vermaanden en vertroostten,). Op soortgelijke wijze zien we dat, wanneer jongeren onderdanig zijn aan ouderen (1Pt 5:55Evenzo u jongeren, weest aan [de] oudsten onderdanig. En weest allen tegenover elkaar met nederigheid omgord; want ‘God weerstaat [de] hoogmoedigen, maar [de] nederigen geeft Hij genade’.). Als deze verhoudingen worden gerespecteerd, zal zegen het resultaat zijn.

Het erkennen van de gezagsverhoudingen die God in het gezin en in de gemeente heeft gegeven, doet de zegen van het land genieten (Ef 6:1-31Kinderen, weest jullie ouders gehoorzaam <in [de] Heer>, want dat is terecht.2‘Eer uw vader en uw moeder’, – dit is het eerste gebod met een belofte:3‘opdat het u goed gaat en u lang leeft op de aarde’.). Wie zich van dat gezag niets aantrekt, zal de zegen van het land verspelen, het genot zal verdwijnen.


Zesde gebod

17U zult niet doodslaan.

Het gaat hier om moord, niet om het doden op bevel van God uitgevoerd door de overheid (Gn 9:66Vergiet iemand het bloed van de mens,
door de mens zal diens bloed vergoten worden;
want naar het beeld van God
heeft Hij de mens gemaakt.
)
. Doodslaan betekent iemand de zegen van het land ontnemen. Leven betekent genieten. Bij haat is er geen genieten, geen eeuwig leven (1Jh 3:1515Ieder die zijn broeder haat, is een mensenmoordenaar, en u weet dat geen mensenmoordenaar eeuwig leven in zich heeft wonen.). Dat haat een dodelijke uitwerking heeft, houdt de Heer Jezus Zijn discipelen voor (Mt 5:21-2221U hebt gehoord dat tot de ouden gezegd is: U zult niet doden; en: Wie doodt, zal vervallen aan het gericht.22Maar Ik zeg u, dat ieder die <ten onrechte> op zijn broeder toornig is, zal vervallen aan het gericht, en wie tot zijn broeder zegt: ’Raka!’, zal vervallen aan de Raad, en wie zegt: ’Dwaas!’, zal vervallen aan de hel van het vuur.).

Paulus wijst erop hoe een broeder verloren kan gaan door onze vrijheid (1Ko 8:9-119Maar kijkt u uit, dat dit recht van u niet misschien een struikelblok wordt voor de zwakken.10Want als iemand u, die kennis hebt, in een afgodstempel ziet aanzitten, zal zijn geweten, daar hij zwak is, niet aangespoord worden om de afgodenoffers te eten?11Want de zwakke, de broeder om wie Christus gestorven is, gaat door uw kennis verloren.). Niet doodslaan, maar zorg dragen dat onze broeder de ruimte krijgt voor een optimaal genot van de zegen van het land.


Zevende gebod

18En u zult geen overspel plegen.

Dit gebod handhaaft de unieke verhouding tussen man en vrouw in het huwelijk. Het is de basis van alle andere relaties tussen mensen. Wie in het huwelijk ontrouw is, is in geen enkele andere relatie te vertrouwen, niet in zijn relatie tegenover God en niet in die tegenover de naaste. De huwelijksverhouding moet voor Israël zijn betrekking tot God uitbeelden. God noemt Israël Zijn bruid (Jr 2:22Ga ten aanhoren van Jeruzalem prediken: Zo zegt de HEERE:
Ik denk aan u, aan de genegenheid van uw jeugd,
aan de liefde van uw bruidsdagen,
toen u achter Mij aan ging in de woestijn,
in een land [waarin] niet wordt gezaaid.
)
. In het Nieuwe Testament is het huwelijk het beeld van de verhouding tussen Christus en de gemeente (Ef 5:22-3322Vrouwen, [weest] aan uw eigen mannen [onderdanig] als aan de Heer,23want [de] man is [het] hoofd van de vrouw, evenals ook Christus [het] Hoofd is van de gemeente: Hij is [de] Behouder van het lichaam.24Maar zoals de gemeente aan Christus onderdanig is, zo ook de vrouwen aan hun mannen in alles.25Mannen, hebt uw vrouwen lief, evenals ook Christus de gemeente heeft liefgehad en Zichzelf voor haar heeft overgegeven,26opdat Hij haar zou heiligen, haar reinigend door de wassing met water door [het] Woord,27opdat Hij de gemeente voor Zich zou stellen, heerlijk, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, maar opdat zij heilig en onberispelijk zou zijn.28Zo behoren <ook> de mannen hun eigen vrouwen lief te hebben als hun eigen lichamen. Wie zijn eigen vrouw liefheeft, heeft zichzelf lief.29Want niemand heeft ooit zijn eigen vlees gehaat, maar hij voedt en koestert het, evenals ook Christus de gemeente.30Want wij zijn leden van Zijn lichaam, <van Zijn vlees en van Zijn gebeente>.31‘Daarom zal een man <zijn> vader en <zijn> moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vlees zijn’.32Deze verborgenheid is groot, maar ik doel op Christus en op de gemeente.33In elk geval, ook u, laat ieder van u zijn eigen vrouw zó liefhebben als zichzelf; en de vrouw moet ontzag hebben voor haar man.).

Overspel is in de geestelijke betekenis een verbinding hebben met de wereld. Het is het gevolg van het verkoelen van de liefde tot de Heer Jezus, waarvoor in de plaats liefde voor andere dingen komt. De “eenvoudigheid … jegens Christus” (2Ko 11:33Maar ik vrees dat wellicht, zoals de slang Eva verleidde door haar sluwheid, uw gedachten bedorven [en afgeweken] zijn van de eenvoudigheid <en de reinheid> jegens Christus.) is verdwenen, dat wil zeggen dat Christus niet meer het enige voorwerp van de liefde is. Hoererij staat tegenover de verhouding van de gemeente ten opzichte van Christus. Paulus zegt daarvan: “Ik heb u aan één man verloofd om u als een reine maagd voor Christus te stellen” (2Ko 11:22Want ik ben na-ijverig over u met een na-ijver van God; want ik heb u aan één man verloofd om u als een reine maagd voor Christus te stellen.). In deze verhouding zien we de genegenheid van een bruid ten opzichte van de bruidegom. Dan kan er geen verbinding met de wereld zijn.


Achtste gebod

19En u zult niet stelen.

Stelen is wegnemen van een ander wat die ander van de Heer heeft ontvangen en voor onszelf gebruiken. Het tast het recht op persoonlijk bezit aan. Het is heel wat anders dan krijgen. Wat je krijgt, is je eigendom. Iemands goede naam kan worden gestolen, weggenomen door het verspreiden van geruchten of ongecontroleerde beweringen. Men kan een broeder ‘stelen’ (Dt 24:77Wanneer er iemand ontdekt wordt die iemand van zijn broeders, [een] van de Israëlieten, ontvoert en hem als slaaf behandelt en hem verkoopt, dan moet de ontvoerder sterven. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen.), dat wil zeggen hem van zijn vrijheid beroven en afhankelijk van zich maken.

Absalom ‘stal’ het hart van de Israëlieten door vleitaal (2Sm 15:5-65Ook gebeurde het, dat als iemand naderde om voor hem te buigen, hij zijn hand uitstak, hem vastgreep en hem kuste.6Op die manier deed Absalom met heel Israël dat naar de koning ging voor recht. Zo stal Absalom het hart van de mannen van Israël.). Stelen is het werk van valse herders, huurlingen (Jh 10:1,101Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie niet binnengaat door de deur in de stal van de schapen, maar van een andere kant naar binnen klimt, die is een dief en een rover;10De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verderven; Ik ben gekomen opdat zij leven hebben, en het overvloedig hebben.; Hd 20:3030en uit uzelf zullen mannen opstaan, die verdraaide dingen spreken om de discipelen achter zich af te trekken.). Zij proberen gelovigen om zichzelf of hun valse leer te vergaderen in plaats van om de Heer Jezus.

Woorden kunnen gestolen worden (Jr 23:3030Daarom zie, Ik zál die profeten! spreekt de HEERE, die Mijn woorden van elkaar stelen.). Dat is het napraten van wat anderen over God hebben gezegd, terwijl we doen alsof we het zelf in Gods Woord hebben ontdekt. Als ik iets lees of hoor van een ander, moet het eerst mijn geestelijk eigendom worden, voordat ik het kan doorgeven. Je kunt van geen enkele waarheid zeggen dat die je eigendom is, als die waarheid niet eerst in je hart is gekomen en in aanbidding teruggekeerd is tot God.

Voor de christen die zijn zegeningen kent, gaat het niet slechts om niet stelen, maar om het doen van het tegenovergestelde ervan, namelijk weldoen: Laat hij die een dief was, niet meer stelen, maar veeleer arbeiden en met zijn <eigen> handen het goede werken, opdat hij kan meedelen aan hem die gebrek heeft” (Ef 4:2828Laat hij die een dief was, niet meer stelen, maar veeleer arbeiden en met zijn <eigen> handen het goede werken, opdat hij kan meedelen aan hem die gebrek heeft.). Dat past bij het leven in het land.


Negende gebod

20En u zult geen vals getuigenis spreken tegen uw naaste.

God is “de God van de waarheid” (Js 65:1616zodat wie zich zegenen zal op aarde,
zich zal zegenen in de God van de waarheid,
en wie zweren zal op aarde,
zal zweren bij de God van de waarheid,
omdat de benauwdheden van vroeger vergeten zullen zijn,
omdat zij verborgen zullen zijn voor Mijn ogen.
)
. Zijn woorden zijn waarheid (Ps 119:142,151142Uw gerechtigheid is een gerechtigheid voor eeuwig
en Uw wet is waarachtig.
151[Maar] U, HEERE, bent nabij,
en al Uw geboden zijn waarachtig.
)
. Hij haat de valse tong en wie leugens uitblaast (Sp 6:17,1917hoogmoedige ogen, een valse tong
en handen die onschuldig bloed vergieten,
19een valse getuige [die] leugens blaast,
en die tussen broeders twisten teweegbrengt.
)
. Voor de christen gaat het er niet alleen om dat onwaarheid wordt nagelaten. Hij wil juist de waarheid spreken. Hij wil spreken van die dingen waartoe God ons geschapen heeft: Legt daarom de leugen af en spreekt [de] waarheid, ieder met zijn naaste, want wij zijn leden van elkaar” (Ef 4:2525Legt daarom de leugen af en spreekt [de] waarheid, ieder met zijn naaste, want wij zijn leden van elkaar.).

Leden van elkaar zullen niet tegen elkaar liegen, omdat een lid beseft dat hij dan tegen zichzelf liegt. Leden zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Wie de eenheid van het lichaam van Christus kent en waardeert, zal zoeken naar wat de eenheid bevordert.


Tiende gebod

21En u zult niet begeren de vrouw van uw naaste. U zult uw zinnen niet zetten op het huis van uw naaste, noch op zijn akker, noch op zijn slaaf, noch op zijn slavin, noch op zijn rund, noch op zijn ezel, noch op iets wat van uw naaste is.

Dit gebod legt de kiem van de zonde bloot. Het gaat niet om wat de mens doet, om het wegnemen van wat aan een ander toebehoort, iets wat zichtbaar is, maar wat eraan ten grondslag ligt: de begeerte. Dat ziet een ander niet. Door de begeerte wordt de zonde gekenmerkt en gekend (Rm 7:7b-8a7Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Maar ik zou de zonde niet gekend hebben dan door [de] wet; want ook de begeerte zou ik niet gekend hebben, als de wet niet gezegd had: ‘U zult niet begeren’.8Maar de zonde heeft door het gebod aanleiding gevonden en in mij elke begeerte opgewekt; want zonder wet is [de] zonde dood.). Door afgunst, jaloersheid, het niet tevreden zijn met wat de mens heeft gekregen, is de zonde in de wereld gekomen. Bij de begeerte naar wat de naaste heeft, kan het gaan om zijn bezittingen, maar het kan ook zijn geestelijke gave betreffen. Dit gebod maakt iedereen duidelijk dat hij de wet niet kan houden.

Paulus kan zeggen dat hij niemands zilver, goud of kleding heeft begeerd, maar dat hij heeft gewerkt om te kunnen geven (Hd 20:33-3433Niemands zilver, goud of kleding heb ik begeerd.34U weet zelf, dat deze handen in mijn behoeften en in die van hen die bij mij waren, hebben voorzien.). Op het terrein waar alles genade is, is het een slechte zaak om te begeren wat de ander toebehoort. Er zijn trouwens ook goede begeerten of verlangens (Ps 27:44Eén ding heb ik van de HEERE verlangd,
dát zal ik zoeken:
dat ik wonen mag in het huis van de HEERE,
al de dagen van mijn leven,
om de lieflijkheid van de HEERE te aanschouwen
en te onderzoeken in Zijn tempel.
)
.


Een compleet woord

22Deze woorden sprak de HEERE tot heel uw gemeente, op de berg, vanuit het midden van het vuur, de donkere wolken, met luide stem; Hij voegde er niets aan toe. Hij schreef ze op twee stenen tafelen en gaf ze aan mij.

Deze “Tien woorden” (Dt 10:44Toen schreef Hij op de tafelen, overeenkomstig de eerste tekst, de Tien Woorden die de HEERE tot u gesproken had op de berg, vanuit het midden van het vuur, op de dag [dat u daar] bijeenkwam; en de HEERE gaf ze aan mij.) heeft God rechtstreeks tot het volk gesproken en Zelf opgeschreven. De andere woorden heeft Hij Mozes meegedeeld die ze heeft doorgegeven aan het volk (vers 3131Maar blijft u hier bij Mij staan. Dan zal Ik tot u spreken alle geboden, verordeningen en bepalingen die u hun moet leren en die zij moeten doen in het land dat Ik hun geven zal om het in bezit te nemen.). De ‘tien woorden’ bevatten de basisgedragscode voor alle verhoudingen tot God en de naaste en dat niet alleen voor de generatie van het volk tot wie God het woord heeft gericht, maar ook voor alle komende geslachten. Deze korte lijst bevat alles en is dus compleet.

Dit woord is een compleet woord om de zegen te kunnen genieten, er is niets aan toegevoegd. Zoals ze gesproken zijn, zijn ze op schrift gesteld. God is de sprekende en schrijvende God. Wat Hij spreekt, is altijd waar. Hij schrijft om het voor ons onveranderlijk vast te leggen, zodat we altijd kunnen raadplegen wat Hij heeft gezegd (vgl. Js 30:88Nu [dan], kom, schrijf het in hun bijzijn op een [schrijf]tafel
en teken het op in een boek,
zodat het blijft staan tot de laatste dag,
voor altijd en eeuwig.
)
.


Het volk vreest de HEERE

23En het gebeurde, toen u die stem vanuit het midden van de duisternis hoorde en de berg van vuur brandde, dat u naar voren kwam, naar mij toe, al uw stamhoofden en uw oudsten. 24En u zei: Zie, de HEERE, onze God, heeft ons Zijn heerlijkheid en Zijn grootheid laten zien en wij hebben Zijn stem gehoord vanuit het midden van het vuur; vandaag hebben wij gezien dat God met de mens spreekt en dat deze in leven blijft. 25Maar nu, waarom zouden wij sterven? Want dit grote vuur zou ons verteren; als wij de stem van de HEERE, onze God, nog langer zouden horen, zouden wij sterven. 26Want wie is er van alle vlees, die de stem van de levende God heeft horen spreken vanuit het midden van het vuur, zoals wij, en in leven is gebleven? 27Gaat u naar voren, en luister naar alles wat de HEERE, onze God, zal zeggen. U moet dan alles wat de HEERE, onze God, tegen u zal zeggen, tegen ons zeggen, en wij zullen ernaar luisteren en het doen.

Het volk vreest de HEERE en vraagt Mozes tussen hen en de HEERE plaats te nemen. Daarmee wil God ons voorstellen wat de betekenis van de middelaar is. Een middelaar is niet alleen iemand die tussen ons en God staat, maar hij staat ook garant voor de consequenties van ons falen. Onze Middelaar is de Heer Jezus (1Tm 2:55Want er is één God en één Middelaar tussen God en mensen, [de] Mens Christus Jezus,). Hij heeft Zijn leven gegeven en daarna onophoudelijk gestaan tussen de God en ons, Zijn volk.

Bij de berg vol vuur ontdekken we dat we een middelaar nodig hebben. Dat is te zien op het kruis. Geen plaats is er waar we dat meer ontdekken, want daar heeft God Zich in duisternis en vuur ten opzichte van de zonde geopenbaard.


Het verlangen van de HEERE

28Toen de HEERE uw woorden hoorde, toen u tot mij sprak, zei de HEERE tegen mij: Ik heb de woorden van dit volk, die zij tot u gesproken hebben, gehoord; alles wat zij gezegd hebben, is goed. 29Och, hadden zij maar zo'n hart, om Mij te vrezen en Mijn geboden alle dagen in acht te nemen, opdat het hun en hun kinderen voor eeuwig goed zou gaan! 30Ga, zeg hun: Keer terug naar uw tenten.

De HEERE is verheugd over de houding van het volk. Hij erkent hun woorden en spreekt als Zijn verlangen uit dat zij Zijn geboden zullen bewaren. Zijn hart gaat naar Zijn volk uit en Hij wenst hun geluk, dat alleen te vinden is in het doen van wat Hij zegt. Wij kunnen door de Geest aan Zijn verlangens voldoen.

Nadat God het volk Zijn woorden heeft meegedeeld en na de reactie van het volk die Zijn hart heeft verheugd, mochten ze naar hun tenten gaan. Ze mochten in het leven van elke dag en vooral in hun huiselijke omgeving gaan waarmaken wat God hun heeft gezegd, waarmee ze hebben ingestemd en waarnaar Hij verlangend uitzag.


Mozes ontvangt mededelingen

31Maar blijft u hier bij Mij staan. Dan zal Ik tot u spreken alle geboden, verordeningen en bepalingen die u hun moet leren en die zij moeten doen in het land dat Ik hun geven zal om het in bezit te nemen.

Het volk mocht naar hun tenten, maar Mozes moest nog bij de HEERE blijven. De HEERE deelt Mozes als middelaar alles mee wat hij het volk moet leren.


Bevel om de geboden te houden

32U moet [dus] nauwlettend handelen zoals de HEERE, uw God, u geboden heeft; wijk niet af, naar rechts of naar links. 33Heel de weg die de HEERE, uw God, u geboden heeft, moet u gaan, opdat u leeft, en het u goed gaat, en u [uw] dagen verlengt in het land dat u in bezit zult nemen.

Mozes dringt bij het volk aan op de onderhouding van Gods geboden, want van het onderhouden daarvan hangt hun verblijf en hun welzijn in het land af.


Lees verder