Deuteronomium
Inleiding 1-5 De HEERE komt tot Zijn volk 6 Ruben 7 Juda 8-11 Levi 12 Benjamin 13-17 Jozef 18-19 Zebulon en Issaschar 20-21 Gad 22 Dan 23 Naftali 24-25 Aser 26-29 Wie is aan Israël gelijk?
Inleiding

Na tweeduizend jaar christendom is het verbazingwekkend dat God nog zoveel van de zegeningen laat zien, zoals hier aan Israël. Hij doet dat aan het einde van dit boek waarin het falen zo nadrukkelijk in de laatste hoofdstukken wordt beschreven. De laatste woorden van Mozes, de man Gods, zijn woorden van zegen. Zo neemt hij afscheid van hen, met woorden die tot op deze dag nagalmen.

Er is een vergelijking te maken met de zegen die Jakob over zijn zonen uitspreekt in Genesis 49 (Gn 49:1-281Daarop riep Jakob zijn zonen en zei:
Verzamel jullie, dan maak ik jullie bekend
wat jullie in later tijd overkomen zal.
2Kom bijeen en luister, zonen van Jakob,
luister naar Israël, jullie vader.3Ruben, jij bent mijn eerstgeborene,
mijn kracht en de eerste [vrucht] van mijn mannelijkheid,
de voortreffelijkste in hoogheid
en de voortreffelijkste in sterkte.
4Onstuimig als het water [als je bent],
zul je niet de voortreffelijkste zijn,
want je bent het bed van je vader ingeklommen,
[en] toen heb je [het] geschonden.
Hij is mijn sponde ingeklommen!5Simeon en Levi zijn broers,
hun wapens zijn werktuigen van geweld.
6Laat mijn ziel niet in hun geheim overleg komen,
en mijn eer niet aan hun bijeenkomst deelnemen;
want in hun woede hebben zij mannen doodgeslagen;
en in hun moedwil hebben zij runderen de pezen doorgesneden.
7Vervloekt zij hun woede, want die is hevig,
en hun verbolgenheid, want die is hard.
Ik zal hen verdelen over Jakob
en hen verspreiden in Israël.8Juda, jij bent het,
jou zullen je broers loven!
Je hand zal rusten op de nek van je vijanden;
voor jou zullen de zonen van je vader zich neerbuigen.
9Juda is een leeuwenwelp;
van [je] prooi ben je opgestaan, mijn zoon.
Hij heeft zich gekromd, zich als een leeuw neergelegd,
als een leeuwin; wie zal hem doen opstaan?
10De scepter zal van Juda niet wijken
en evenmin de heersersstaf van tussen zijn voeten,
totdat Silo komt,
en Hem zullen de volken gehoorzamen.
11Hij bindt zijn jonge ezel aan de wijnstok
en het veulen van zijn ezelin aan de edelste wijnstok;
hij wast zijn kleren in wijn
en zijn gewaad in druivenbloed.
12Zijn ogen zijn donker door de wijn
en zijn tanden wit door de melk.13Zebulon zal aan de zeekust wonen,
ja, hij zal wonen aan de kust, [bij] de schepen,
en zijn zijde zal naar Sidon [gericht] zijn.14Issaschar is een ezel met sterke beenderen,
die tussen twee lasten ligt.
15Toen hij de rust zag, dat die goed was,
en het land, dat het lieflijk was,
boog hij zijn schouders om te dragen
en verrichtte slaafse herendienst.16Dan zal over zijn volk rechtspreken,
als een van de stammen van Israël.
17Dan zal een slang zijn op de weg,
een adder op het pad,
die in de hielen van het paard bijt,
zodat zijn berijder achterovervalt.
18Op Uw zaligheid wacht ik, HEERE!19Gad: een bende zal hem aanvallen,
maar híj zal hen op de hielen zitten.20Aser: zijn brood zal overvloedig zijn,
en hij zal koninklijke lekkernijen leveren.21Naftali is een losgelaten hinde;
hij laat schone woorden horen.22Jozef is een jonge vruchtbare [boom],
een jonge vruchtbare [boom] bij een bron.
Elk van [zijn] takken loopt over de muur.
23[Boog]schutters hebben hem verbitterd,
beschoten en hem gehaat,
24maar zijn boog bleef gespannen;
zijn armen en handen bleven soepel
door de handen van de Machtige van Jakob,
– vandaar dat Hij de Herder is, de rots van Israël –
25door de God van je vader, Die je zal helpen,
en [door] de Almachtige, Die je zal zegenen
met zegeningen uit de hemel van boven,
met zegeningen uit de watervloed, die beneden ligt,
met zegeningen van borsten en baarmoeder.
26De zegeningen van je vader
gaan de zegeningen van mijn vaderen te boven,
tot aan de begerenswaardigheid van de eeuwige heuvels.
Zij zullen zijn op het hoofd van Jozef,
ja, op de schedel van de gewijde onder zijn broers.27Benjamin is een verscheurende wolf;
's morgens verslindt hij [zijn] prooi,
en 's avonds deelt hij buit uit.28Dit waren al de stammen van Israël: twaalf. En dit was wat hun vader tot hen sprak toen hij hen zegende. Hij zegende hen, elk met een eigen zegen.
)
. Jakob spreekt over de geschiedenis van Israël zoals die zich door de tijd heen zal ontwikkelen. Die beschrijving van de geschiedenis is een beschrijving van het falen van het volk in hun trouw aan God. Dat komt overeen met het lied van Mozes in het vorige hoofdstuk. In het hoofdstuk dat we nu voor ons hebben, geeft Mozes geen geschiedenis en spreekt daarom niet over falen. Hij beschrijft de toestand van de stammen in de tijd van het vrederijk.

Mozes spreekt niet alleen maar goede wensen uit. Hij heeft het over de zegen van God voor een hersteld volk. Dit hoofdstuk toont alle stammen in het bezit van de belofte, de zegen van het land. In iedere zoon (stam) wordt iets gezien van Gods voornemen met Zijn volk zoals dat in het vrederijk zijn vervulling zal vinden. Het hele volk, elke stam, is nodig om dit voornemen in zijn volheid te zien.

Het is al gezegd, maar het is goed het nog een keer te herhalen en in gedachten te houden, dat we op drie manieren een gedeelte van de Bijbel kunnen uitleggen. Dat geldt ook voor de zegen van Mozes:
1. De eerste uitleg is de letterlijke. Voor wat Mozes van de stammen zegt, betekent het dat elk van de stammen aan het einde van het boek Jozua zijn eigen erfdeel zal hebben.
2. De tweede uitleg is de profetische. Dit houdt in dat de zegen die Mozes hier uitspreekt, zijn volle vervulling in het duizendjarig vrederijk zal vinden, onder de regering van de Messias.
3. De derde uitleg is de geestelijke. Dan gaat over de toepassing voor ons, wat wij hiervan kunnen leren voor ons leven in geloof.


De HEERE komt tot Zijn volk

1Dit nu is de zegen waarmee Mozes, de man Gods, de Israëlieten gezegend heeft, vóór zijn dood. 2Hij zei:
De HEERE is van Sinaï gekomen,
[als de zon] kwam Hij uit Seïr op.
Hij verscheen blinkend vanaf het gebergte Paran,
Hij kwam met tienduizenden heiligen,
aan Zijn rechterhand was een vurige wet voor hen.
3Ja, Hij heeft de volken lief!
Al Zijn heiligen zijn in Uw hand,
Zíj zitten aan Uw voeten
en vangen [iets] op van Uw woorden.
4Mozes gebood ons de wet,
het erfelijk bezit van de gemeente van Jakob.
5Hij was Koning in Jesjurun,
toen de hoofden van het volk zich verzamelden,
samen met de stammen van Israël.

Mozes wordt drie keer “de man Gods” genoemd (vers 11Dit nu is de zegen waarmee Mozes, de man Gods, de Israëlieten gezegend heeft, vóór zijn dood.; Jz 14:66Toen kwamen de nakomelingen van Juda bij Jozua in Gilgal. En Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keneziet, zei tegen hem: U weet zelf van het woord dat de HEERE tegen Mozes, de man Gods, over mij en over u gesproken heeft in Kades-Barnea.; Ps 90:11Een gebed van Mozes, de man Gods.
Heere, Ú bent ons een toevlucht geweest
van generatie op generatie.
)
. Een man Gods is iemand die in een tijd van verval als enkeling Gods rechten erkent en in zijn leven laat zien. Zo iemand heeft zicht op de actuele situatie van Gods volk en getuigt daartegen om het volk weer op Gods weg te brengen. Zo iemand heeft ook oog voor Gods uiteindelijke doel met Zijn volk en dat is het te zegenen. Daarom kan deze man Gods, voordat hij de Nebo beklimt, afscheid van zijn geliefd volk nemen door elke stam te zegenen. Wat een afscheid!

Met prachtige beeldspraak, geleend van de dageraad en de toenemende glans van de zon, wordt de majesteit van God op een sublieme manier beschreven (Ri 5:4-54HEERE, toen U uittrok uit Seïr,
toen U voortschreed uit het veld van Edom,
beefde de aarde, ook droop de hemel,
ook dropen de wolken van water.
5De bergen vloeiden weg van voor het aangezicht van de HEERE,
zelfs de Sinaï, van voor het aangezicht van de HEERE, de God van Israël.
; Ps 68:7-87een God Die eenzamen in een huis[gezin] plaatst,
Die gevangenen uitleidt in voorspoed;
maar de opstandigen wonen in een dor [land].8O God, toen U voor Uw volk uittrok,
toen U voortschreed door de wildernis, /Sela/
; Hb 3:3-43Want Deze is zoveel groter heerlijkheid waard geacht dan Mozes, als hij die het huis gebouwd heeft, groter eer heeft dan het huis.4Want elk huis wordt door iemand gebouwd, maar Die alles heeft gebouwd is God.)
. God verschijnt als Goddelijk licht van Sinaï en werpt Zijn stralen op de hele omgeving, terwijl Hij Israëls tocht naar Kanaän leidt. In deze beschrijving van de verschijning van God wordt God voorgesteld als komend van het zuiden.

Mozes begint met een indrukwekkende beschrijving van Gods verschijning aan Zijn volk. “Sinaï” is het begin van de reis en “Seïr” geeft het einde ervan aan (Dt 1:22Vanaf de Horeb in de richting van het Seïrgebergte, tot aan Kades-Barnea, is het elf dagen [reizen].). De reis zelf wordt overgeslagen. Alleen het “gebergte Paran” wordt genoemd, het gebied waar zij hun kamp opslaan nadat ze bij Sinaï zijn vertrokken en nog niet hebben gefaald. Alle falen wordt overgeslagen.

De “tienduizenden heiligen” ziet op het volk van God Zelf. God wordt hier te midden van hen gezien. Er is sprake van de wet als “een vurige wet voor hen”. Het geven van de wet op de Sinaï is immers met donder en bliksem gepaard gegaan (Ex 19:16-1816En het gebeurde op de derde dag, toen het morgen werd, dat er op de berg donderslagen, bliksemflitsen en een zware wolk waren, en zeer sterk bazuingeschal, zodat al het volk dat in het kamp was, beefde.17Mozes leidde het volk uit het kamp, God tegemoet. Zij stonden onder aan de berg.18De berg Sinaï was geheel in rook gehuld, omdat de HEERE er in vuur neerdaalde. De rook ervan steeg omhoog als de rook van een oven, en heel de berg beefde hevig.; Dt 1:44nadat hij Sihon, de koning van de Amorieten, die in Hesbon woonde, en Og, de koning van Basan, die in Astharoth woonde, in Edreï verslagen had.).

De HEERE “heeft de volken lief”. ‘De volken’ zijn de stammen van Israël. Gods hand is over hen. Aan Zijn voeten luisteren zij naar Hem (vgl. Lk 10:3939En deze had een zuster, Maria geheten, die ook aan de voeten van de Heer zat en naar Zijn woord luisterde.). De wet, het Woord van God, is de erfenis van het volk (Ps 119:111a111Uw getuigenissen heb ik voor eeuwig in erfelijk bezit genomen,
want zij zijn de vreugde van mijn hart.
)
. God heeft die zegen door Mozes aan hen gegeven. Het land kan niet in bezit genomen en genoten worden als er geen liefde is voor wat God heeft gezegd.

Mozes wordt hier koning van zijn volk genoemd. Hij is een type van de ware Koning, de Heer Jezus, Die in liefde Zijn gezag uitoefent. Daarom kan van de gelovigen van de gemeente worden gezegd dat zij zijn overgebracht “in het koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde” (Ko 1:1313Die ons gered heeft uit de macht van de duisternis en overgebracht in het koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde,). De Zoon is de Heer Jezus als het Voorwerp van de liefde van de Vader. Als zodanig oefent Hij nu gezag uit over de levens van hen die Hem als Heiland en Heer hebben aangenomen.


Ruben

6Moge Ruben leven en niet sterven,
en mogen zijn mannen [groot] in aantal zijn!

De eerste drie zonen over wie Mozes zijn zegen uitspreekt, zijn van Lea. Simeon ontbreekt. Dat kan zijn omdat zijn erfdeel bij dat van Juda hoort. Ruben, de oudste zoon, wordt het eerst genoemd. Mozes wenst hem het leven toe, terwijl hij zich het leven onwaardig heeft gedragen. Het is een zegen als alles wat Israël van nature is, weggevaagd wordt. Maar er zal een overblijfsel zijn dat leven heeft.

Als er sprake is van een overblijfsel, is dat onlosmakelijk verbonden aan Gods genade. Het geheel had geoordeeld moeten worden, maar God spaart in Zijn genade een rest. Tevens wijst een overblijfsel op een klein aantal, het is niet iets indrukwekkends. [Het woord ’groot’ staat niet in de grondtekst, zoals de vierkante haken aangeven, en moet hier niet worden ingevoegd.] Voor God is dat het gepaste uitgangspunt om iets nieuws te beginnen waarin het leven dat Hij geeft, kan gaan groeien en bloeien.


Juda

7Dit betreft Juda; hij zei:
Luister, HEERE, naar de stem van Juda!
Breng hem terug bij zijn volk,
laten zijn handen [sterk] genoeg voor hem zijn,
en wees [hem] een hulp tegen zijn tegenstanders!

De zegen van Juda geeft aan wat de eerste kenmerken zijn van het leven dat in Ruben gespaard is gebleven. Juda betekent ‘Godlover’. De stem van Juda richt zich tot God om Hem te loven voor het leven dat Hij schonk. Juda verheft zijn stem ook om God aan te roepen als er tegenstanders zijn. En God hoort (2Kr 13:14-1514Toen Juda zich omkeerde, zie, toen was de strijd vóór en achter hen. Zij riepen tot de HEERE, terwijl de priesters op de trompetten bliezen.15Daarop sloegen de mannen van Juda alarm. En zodra de mannen van Juda alarm sloegen, gebeurde het dat God Jerobeam en heel Israël versloeg voor [de ogen van] Abia en Juda.).

Dat Juda een biddende stam is, betekent dat het een strijdende stam is. Daarbij weet hij zich afhankelijk van de hulp van God. De vraag aan God hem tot zijn volk te brengen ziet op het resultaat van de strijd: Juda zal overwinnen en die overwinning zal ten gunste van het hele volk zijn.


Levi

8Over Levi zei hij:
Uw Tummim en Uw Urim zijn bij deze man, Uw gunsteling;
U stelde hem op de proef in Massa,
U riep hem ter verantwoording bij de wateren van Meriba.
9Hij zei over zijn vader en moeder:
Ik zie hen niet.
Hij herkende zijn broers niet,
en zijn zonen kende hij niet.
Zij hielden namelijk Uw woord,
en namen Uw verbond in acht.
10Zij zullen Jakob Uw bepalingen leren
en Israël Uw wet,
zij zullen reukwerk voor Uw neus leggen,
en een offer dat geheel verteerd wordt op Uw altaar.
11Zegen zijn vermogen, HEERE,
en wees het werk van zijn handen goedgezind;
verbrijzel de heupen van wie tegen hem opstaan,
en van hen die hem haten, zodat zij niet meer opstaan!

In de zegen die Mozes over Levi uitspreekt, worden we herinnerd aan een priestervolk, een volk dat Gods wil kent en daarover Gods volk kan onderwijzen. Daarvan spreken de Tummim en Urim. Dat zijn de twee stenen die de hogepriester in de borsttas draagt en waardoor hij de wil van God raadpleegt (Ex 28:3030En u moet in de borsttas van de beslissing de urim en de tummim doen, zodat die op het hart van Aäron zijn, als hij binnenkomt voor het aangezicht van de HEERE. Zo zal Aäron de beslissing voor de Israëlieten voortdurend op zijn hart dragen voor het aangezicht van de HEERE.).

Levi is voor die taak voorbereid. Hier wordt gezegd dat God hem bij Massa en Meriba op de proef heeft gesteld. In Exodus 17 staat dat Israël God op de proef heeft gesteld (Ex 17:77Hij gaf die plaats de naam Massa en Meriba, vanwege de onenigheid van de Israëlieten en omdat zij de HEERE op de proef gesteld hadden door te zeggen: Is de HEERE [nu] in ons midden of niet?). Er is geen water. Dat is een beproeving van God om te zien hoe het volk reageert. Het volk maakt God verwijten over Zijn handelwijze en betwijfelt zelfs Zijn aanwezigheid onder hen.

Levi heeft als deel van het volk daar zichzelf leren kennen. Deze beproevingen zijn voor Levi een opleiding om licht van God te ontvangen. Als later het volk nog een keer als geheel ontrouw wordt, blijft Levi trouw. Zij hebben de ontrouwen op bevel van Mozes gedood (Ex 32:26-2926ging Mozes bij de ingang van het kamp staan en zei: Wie bij de HEERE hoort, [moet] bij mij [komen]. Toen verzamelden al de Levieten zich bij hem.27Hij zei tegen hen: Zo zegt de HEERE, de God van Israël: Ieder moet zijn zwaard aan zijn heup doen, het kamp van poort tot poort door gaan, en ieder moet zijn broeder doden, ieder zijn vriend en ieder zijn naaste.28De Levieten deden overeenkomstig het woord van Mozes en er vielen op die dag van het volk ongeveer drieduizend man.29Toen zei Mozes: U moet zich vandaag aan de HEERE wijden, ja, ieder moet [zich] tegen zijn zoon en tegen zijn broeder [keren], opdat [Hij] vandaag [Zijn] zegen over u zal geven.). Bij de uitoefening van het oordeel hebben zij geen onderscheid gemaakt tussen hen die wel en hen die geen familieleden zijn (Mt 10:3737Wie vader of moeder liefheeft boven Mij, is Mij niet waard; en wie zoon of dochter liefheeft boven Mij, is Mij niet waard;; Lk 14:2626Als iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader, zijn moeder, zijn vrouw, zijn kinderen, zijn broers en zijn zusters, ja, zelfs ook zijn eigen leven, kan hij Mijn discipel niet zijn.).

Dit is een verdere scholing om een geschikte onderwijzer van het volk te zijn. Iemand is alleen geschikt om Gods Woord te onderwijzen als dat Woord absoluut gezag voor en over hemzelf heeft. Levi heeft als beloning voor zijn trouw de eervolle opdracht gekregen Gods wet aan het volk te onderwijzen (2Kr 17:8-98Bij hen waren de Levieten Semaja, Nethanja, en Zebadja, Asaël, Semiramoth, Jonathan, Adonia, Tobia en Tob-Adonia, de Levieten; en de priesters Elisama en Joram waren [ook] bij hen.9Zij gaven onderricht in Juda, en het wetboek van de HEERE was bij hen. Zij gingen alle steden van Juda rond, en gaven onderricht aan het volk.; Ml 2:4-74Dan zult u weten dat Ik dit gebod
tot u gezonden heb,
opdat Mijn verbond met Levi blijven zou,
zegt de HEERE van de legermachten.5Mijn verbond met hem was:
het leven en de vrede.
Die gaf Ik hem, [tot] vrees [voor Mij],
en hij vreesde Mij
en in de tegenwoordigheid van Mijn Naam
was hij verschrikt.6Betrouwbaar [onderwijs in] de wet was in zijn mond,
geen ongerechtigheid werd op zijn lippen gevonden.
In vrede en oprechtheid wandelde hij met Mij
en velen bekeerde hij van ongerechtigheid.
7Voorzeker, de lippen van een priester moeten kennis bewaren,
uit zijn mond moet men [onderwijs in] de wet zoeken,
want hij is een gezant van de HEERE van de legermachten.
)
.

Iemand die zo is gevormd in de praktijk van het leven te midden van Gods volk, mag in het heiligdom gaan. Door het onderwijs dat zij zelf hebben ontvangen, en ook doorgeven, zijn zij bekwaam en ook verlangend om reukwerk en brandoffers te brengen. In het vrederijk zal niets aan die dienst een einde kunnen maken.

Reukwerk is een beeld van de heerlijkheden van Christus die aangenaam zijn voor God. We mogen God alles vertellen wat we aan heerlijkheden in Christus hebben ontdekt. Reukwerk ziet ook op het gebed van de gelovigen (Op 5:8b8En toen Het dat boek had genomen, vielen de vier levende wezens en de vierentwintig oudsten vóór het Lam neer; zij hadden elk een harp en gouden schalen vol reukwerken, welke zijn de gebeden van de heiligen.; Ps 141:22Laat mijn gebed als reukwerk voor Uw aangezicht staan,
laat mijn opgeheven handen [als] het avondoffer zijn.
)
, waaraan Christus de heerlijkheid van Zijn Persoon toevoegt waardoor die gebeden aangenaam zijn voor God (Op 8:3-43En een andere Engel kwam en ging bij het altaar staan met een gouden wierookvat; en Hem werden veel reukwerken gegeven, opdat Hij [kracht] zou geven aan de gebeden van alle heiligen op het gouden altaar dat vóór de troon was.4En de rook van de reukwerken steeg op met de gebeden van de heiligen uit [de] hand van de Engel vóór God.).

Mozes roept over een dergelijk priester- en Levietenvolk Gods zegen af. Wat zij doen, kan op Gods volle instemming en aanvaarding rekenen. Mozes vraagt de HEERE ook om Levi te beschermen tegen hun vijanden door de heupen te verbrijzelen van wie tegen hen opstaan om hen aan te vallen. De heupen symboliseren kracht en sterkte (Ps 69:2424Laat hun ogen verduisterd worden, zodat zij niet zien;
doe hun heupen voortdurend wankelen.
; Jb 40:22Omgord nu als een man uw heupen,
[dan] zal Ik u ondervragen. Maak Mij [eens] bekend:
; Sp 31:1717Zij omgordt haar heupen met kracht, [cheth]
zij maakt haar armen sterk.
)
. Allen die Levi tekort willen doen, zullen niet voorspoedig zijn.


Benjamin

12Over Benjamin zei hij:
De door de HEERE beminde, hij zal onbezorgd bij Hem wonen.
Hij zal hem heel de dag beschermen,
en tussen zijn schouders zal Hij wonen!

Benjamin is een van de twee zonen van Rachel. Na de offeraar Levi komt Benjamin als “de door de HEERE beminde”. Een offeraar weet zich door God aanvaard in het offer. Daardoor woont hij veilig bij Hem (Ps 91:11Wie in de schuilplaats van de Allerhoogste is gezeten,
zal overnachten in de schaduw van de Almachtige.
)
. Jeruzalem ligt op de berg Moria in het erfdeel van Benjamin (Jz 18:2828Zela, Elef en Jebusi (dat is Jeruzalem), Gibath en Kirjath: veertien steden met hun dorpen. Dit is het erfelijk bezit van de nakomelingen van Benjamin, naar hun geslachten.). Hierdoor woont Benjamin bij de tempel en geniet daarvan de bescherming (Ps 125:22Rondom Jeruzalem zijn bergen,
zo is de HEERE rondom Zijn volk,
van nu aan tot in eeuwigheid.
)
. Hij woont tussen Gods schouders, wat het beeld geeft dat God hem draagt (vgl. Dt 1:2929Toen zei ik tegen u: Schrik niet [voor hen] terug en wees niet bevreesd voor hen.).

Zoals Benjamin is het hele volk “de door de HEERE beminde”. Zo zijn de zegeningen van elke afzonderlijke stam van toepassing op het volk in zijn geheel. Voor ons geldt ook persoonlijk en gemeenschappelijk dat we in Christus zijn en dat we behoren tot de “huisgenoten van God” (Ef 2:1919Dus bent u geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar u bent medeburgers van de heiligen en huisgenoten van God,).


Jozef

13Over Jozef zei hij:
Moge zijn land door de HEERE gezegend zijn,
met het beste van de hemel, met dauw,
en [met het beste] van de watervloed die beneden ligt;
14met de beste opbrengst van de zon,
en met het beste wat de maan voortbrengt;
15met het voornaamste van de aloude bergen,
en met het beste van de eeuwige heuvels;
16met het beste van de aarde en haar volheid,
en [met] de goedgunstigheid van Hem Die in de doornstruik woonde.
Laat het komen op het hoofd van Jozef,
ja, op de schedel van de gewijde onder zijn broers!
17Hij heeft de pracht van de eerstgeborene van zijn rund,
en zijn hoorns zijn hoorns van de wilde os;
daarmee zal hij volken stoten, allemaal,
tot aan de einden der aarde.
Dit zijn de tienduizenden van Efraïm,
en dit zijn de duizenden van Manasse!

In Jozef, dat is Efraïm en Manasse, zien we welke grote, onveranderlijke en voortdurende zegeningen aan onze positie, die in Benjamin op grond van het offer is vastgesteld, verbonden zijn. De zegen is allesomvattend. De zegen is door ons niet te omvatten omdat de bron van die zegen, God Zelf, niet te omvatten is.

“Het beste van de hemel” is de regen, die noodzakelijk is om vrucht te kunnen genieten. Voor het krijgen van vrucht geeft God ook de “dauw” en het beste “van de watervloed die beneden ligt”. Hij heeft voorzien in een overvloed aan mogelijkheden om het land te bevochtigen zodat het rijke vrucht kan voortbrengen (Ps 65:1111U doordrenkt zijn omgeploegde aarde,
U doet [water in] zijn voren dalen,
U doorweekt het met regendruppels,
U zegent zijn gewas.
)
. De beste resultaten ontstaan mede door “de zon” en “de maan” die God heeft gegeven. De zon met zijn weldadige warmte stimuleert het groeiproces. De maan doet haar werk door een periode van afkoeling en verkwikking te geven waardoor dauw ontstaat.

De uitnemende vruchten bevinden zich op de hoogten, “de aloude bergen”, dat ziet op het verleden, en “de eeuwige heuvels”, dat ziet op de toekomst. Voor ons wil dit zeggen dat onze zegeningen van eeuwigheid af in de hemel zijn en dat we ze tot in eeuwigheid zullen genieten. Bergen en heuvels zijn symbolen voor stabiliteit, ze wijzen op wat onveranderlijk is.

Ook in de vlakten, op “de aarde”, zijn rijke zegeningen aanwezig. Wat we tot in eeuwigheid in de hemel mogen genieten, mogen we nu al in volheid op aarde genieten. Voor het genieten van de vrucht is een cyclus van zaaien, groeien en oogsten nodig. Dat vraagt inspanning, zaaien en oogsten, terwijl we toch afhankelijk zijn van God voor het resultaat, want God moet de groei geven (1Ko 3:6-76Ik heb geplant, Apollos heeft begoten, maar God heeft de groei gegeven.7Dus is noch hij die plant iets, noch hij die begiet, maar God Die de groei geeft.).

Bij al die genietingen mogen we als een bijzondere zegen de goedgunstigheid van Hem Die in de doornstruik woonde op ons weten. Meer dan alle gaven is Hij van Wie de gaven afkomstig zijn. En Wie is Hij? Hij is Degene Die bij Zijn volk aanwezig is geweest in de tijd van slavernij en verdrukking. Door die verdrukking heeft God Zijn volk niet willen ombrengen, maar heeft Hij hen willen leren tot Hem te roepen. Dat zien we in het beeld van de doornstruik die niet verbrandt en waarin de HEERE aanwezig is (Ex 3:2a2En de Engel van de HEERE verscheen hem in een vuurvlam uit het midden van een doornstruik. Hij keek toe, en zie, de doornstruik brandde in het vuur, maar de doornstruik werd niet verteerd.).

De Heer Jezus verwijst ook naar de doornstruik als Hij de sadduceeën antwoord geeft op hun strikvraag over de opstanding (Lk 20:37-3837Dat nu de doden worden opgewekt heeft ook Mozes aangeduid bij de braamstruik, als hij [de] Heer noemt ‘de God van Abraham en de God van Izaäk en de God van Jakob’;38Hij nu is niet een God van doden maar van levenden; want voor Hem leven zij allen.). Hij verbindt daarmee Hem, Die door Mozes “de God van Abraham en de God van Izaäk en de God van Jakob” genoemd wordt (Lk 20:3737Dat nu de doden worden opgewekt heeft ook Mozes aangeduid bij de braamstruik, als hij [de] Heer noemt ‘de God van Abraham en de God van Izaäk en de God van Jakob’;). Daardoor wordt de doornstruik verbonden met de beloften aan de vaderen en aan de opstanding. In het aanhalen van dat tafereel toont de Heer Jezus een prachtig verband tussen het lijden op aarde en de heerlijkheid daarna in de opstanding. God vindt er Zijn welbehagen in Zijn voornemens te vervullen langs deze weg van lijden en aan de andere kant van de dood.

God vervult Zijn beloften aan Jozef, de “gewijde” – of “uitverkorene” of “afgezonderde” – onder zijn broers. Uitverkiezing houdt afzondering in. God heeft Zijn volk afgezonderd, dat is apart gesteld onder alle volken, om voor Hem tot Zijn volk te zijn, een volk dat aan Hem toegewijd is. Dat is Zijn verkiezing die op louter genade en liefde van Zijn kant berust. Dat heeft God ook met ons, leden van de gemeente, gedaan, die Hij heeft uitgekozen in Christus (Ef 1:44zoals Hij ons in Hem heeft uitverkoren vóór [de] grondlegging van [de] wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn vóór Hem in [de] liefde,). Dat heeft Hij kunnen doen omdat Hij Zijn Christus gezalfd heeft boven Zijn metgezellen (Ps 45:88U hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid;
daarom heeft Uw God U gezalfd, o God,
met vreugdeolie, boven Uw metgezellen.
; Hb 1:99U hebt gerechtigheid liefgehad en wetteloosheid gehaat; daarom heeft God, Uw God, U gezalfd met vreugdeolie boven Uw metgezellen’.)
.

In zijn beide zonen Efraïm en Manasse krijgt Jozef een dubbel deel, het deel van de eerstgeborene. Het rund en de wilde os die Mozes noemt, spreken van kracht, wat de gedachte aan eerstgeboorte versterkt.


Zebulon en Issaschar

18Over Zebulon zei hij:
Verblijd u, Zebulon, over uw uittocht,
en [u], Issaschar, over uw tenten.
19Volken zullen zij naar de berg roepen.
Daar zullen zij offers van gerechtigheid brengen,
want zij zullen de overvloed van de zeeën opzuigen,
en de dingen die onder het zand bedekt en verborgen zijn.

Zebulon en Issaschar worden samen genoemd. Zij zijn allebei zonen van Lea en hun erfdelen liggen naast elkaar. Elk van deze stammen heeft een eigen bezigheid. Ze worden opgeroepen hun werk met vreugde te verrichten. Zebulon is de reiziger, de handelsman. Issaschar is de man die zijn werk thuis doet. In het vrederijk nodigen zij de volken uit om deel te nemen aan de zegeningen van het land. “De overvloed van de zeeën” kan slaan op de volkenzee. “De berg” is de berg waar de tempel zal staan. Mozes spreekt hier als profeet (vgl. Ex 15:1717       U zult hen brengen en hen planten
                        op de berg [die] Uw eigendom is,
            Uw vaste woonplaats,
                        die U gemaakt hebt, HEERE,
            het heiligdom, Heere,
                        dat Uw handen gesticht hebben.
)
.

God bepaalt van ieder het terrein van zijn bezigheden (2Ko 11:13,16b13Want zulke [mensen] zijn valse apostelen, bedrieglijke arbeiders, die zich voordoen als apostelen van Christus.16Nogmaals zeg ik: Laat niemand menen dat ik onwijs ben; of anders, neemt mij aan zelfs als een onwijze, opdat ook ik een beetje mag roemen.). In die verschillende bezigheden is een gemeenschappelijk doel aanwezig. We mogen anderen uitnodigen in de zegeningen te komen delen. Een volk dat in het bezit van de zegeningen is gesteld, wordt ook een evangeliserend volk dat anderen tot die zegeningen aantrekt. Sommigen mogen daarvoor naar andere volken gaan, anderen mogen thuisblijven om ervan aan hun buren te vertellen.

Het doel van deze uitnodiging is offers te brengen in overeenstemming met Gods verlangen. Het zijn “offers van gerechtigheid”, dat wil zeggen dat ze overeenkomstig Gods inzettingen worden gebracht, maar ook dat ze in de juiste gezindheid worden gebracht (Ps 51:1919De offers voor God zijn een gebroken geest;
een verbrijzeld en verslagen hart zult U, o God, niet verachten.
)
. Als mensen tot bekering komen, is dat om aanbidders (offeraars) van de Vader te worden (Jh 4:2323Maar er komt een uur, en het is er, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest en waarheid; immers, de Vader zoekt zulke [personen] die Hem aanbidden.). Daarbij wil God wel dat het op de juiste wijze en in de juiste gezindheid gebeurt: in geest en in waarheid (Jh 4:2424God is een geest, en wie Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.).

Om daartoe bekwaam te zijn zullen zij gezoogd worden – wat doet denken aan de borst vol moedermelk (Js 60:16a16U zult de melk van de heidenvolken zuigen,
ja, u zult aan de borst van koningen zuigen;
dan zult u weten dat Ik, de HEERE, uw Heiland ben,
en uw Verlosser, de Machtige van Jakob.
)
– met “overvloed van de zeeën … en de dingen die onder het zand” aan de oever van de zee “bedekt en verborgen” zijn (vgl. Js 60:55Dan zult u het zien en stralen,
uw hart zal diep ontzag hebben en zich verruimen,
want de menigte van de zee zal zich naar u toekeren,
het vermogen van de heidenvolken zal naar u toe komen.
; Js 66:11-1211opdat u mag zuigen en verzadigd worden
aan haar vertroostende borst,
opdat u zich met volle teugen mag laven
aan de overvloed van haar luister.12Want zo zegt de HEERE:
Zie, Ik doe de vrede naar haar toestromen
als een rivier,
en de luister van de heidenvolken
als een [alles] overstromende beek.
Dan zult u zuigen, u zult op de heup gedragen
en op de knieën vertroeteld worden.
)
. ‘De overvloed van de zeeën’ kan ook slaan op de ervaringen met de Heer. De zee is een beeld van de beproevingen van het leven. In die beproevingen doet de gelovige vaak een schat aan ontdekkingen op Wie de Heer Jezus voor hem is.

Het zand aan de oever van de zee kan slaan op het ontelbare gezelschap van de gelovigen. Al die zegeningen zijn bedekt en verborgen om door ons te worden opgegraven. Om ze te ontdekken, zullen we ons moeten inspannen. Het resultaat is dat alles ons een steeds grotere kijk op de heerlijkheid van de Heer Jezus geeft.


Gad

20Over Gad zei hij:
Gezegend is Hij Die ruimte geeft aan Gad!
[Gad] woont als een leeuwin
en verscheurt de arm, ja zelfs de schedel.
21Hij heeft zich van het beste voorzien,
omdat daar het deel van de wetgever [voor hem] weggelegd was;
hij kwam met de hoofden van het volk,
hij voerde het recht van de HEERE uit,
en Zijn bepalingen, [samen] met Israël.

Bij Gad zien we het element van de strijd. Voordat Mozes zijn zegen over hem uitspreekt, prijst hij eerst de HEERE. Gad is een van de stammen die in het Overjordaanse is gebleven. Hier denkt Mozes niet aan de onwil om een erfdeel in het land in bezit te gaan nemen. Gad is namelijk wel meegetrokken het land in om het voor anderen in bezit te nemen. Hier benadert God dit positief.

Gad is als een aanvoerder (leeuwin) opgetreden (vgl. 1Kr 12:88Ook van de Gadieten scheidden [sommigen] zich af [en voegden zich] bij David in de bergvesting in de woestijn, strijdbare helden, soldaten [gereed] voor de strijd, uitgerust met schild en speer. Hun aanblik was als de aanblik van een leeuw en [zij waren] in snelheid als gazellen op de bergen.). Daardoor heeft hij ruimte van de HEERE gekregen om er te wonen. Ruimte, bewegingsvrijheid, is een groot goed voor de gelovige. Pas op voor valse broeders die gelovigen weer onder de wet willen brengen en hen daardoor weer van hun vrijheid beroven (Gl 2:44en [dat] vanwege de binnengeslopen valse broeders, die zich hadden binnengedrongen om onze vrijheid te bespieden die wij in Christus Jezus hebben, met het doel ons tot slavernij te brengen.)!

“Het beste” is hier verbonden met “het deel van de wetgever”, dat ziet op regeren, heersen. Gad heeft zich bij de hoofden van het volk gevoegd om zijn belofte in te lossen mee te gaan om het land Kanaän te veroveren (Jz 1:12-1812En tegen de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse zei Jozua:13Denk aan het woord dat Mozes, de dienaar van de HEERE, u geboden heeft: De HEERE, uw God, geeft u rust, en Hij geeft u dit land.14Uw vrouwen, uw kleine kinderen en uw vee zullen in het land blijven dat Mozes u aan deze zijde van de Jordaan gegeven heeft. Maar ú moet in slagorde oversteken, voor uw broeders uit, alle strijdbare helden, en u moet hen helpen,15totdat de HEERE aan uw broeders rust geeft zoals aan u, en ook zij het land in bezit nemen dat de HEERE, uw God, hun geeft. Dan mag u terugkeren naar het land van uw bezit en mag u het in bezit nemen, [namelijk het land] dat Mozes, de dienaar van de HEERE, u gegeven heeft, aan deze zijde van de Jordaan, waar de zon opkomt.16Toen antwoordden zij Jozua: Alles wat u ons geboden hebt, zullen wij doen, en overal waar u ons heen zult sturen, zullen wij gaan.17Zoals wij in alles naar Mozes hebben geluisterd, zo zullen wij naar u luisteren. Alleen, moge de HEERE, uw God, met u zijn, zoals Hij met Mozes geweest is!18Iedereen die aan uw bevel ongehoorzaam is en niet luistert naar uw woorden in alles wat u hem gebieden zult, moet gedood worden. Alleen, wees sterk en moedig!; 4:1212De Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse staken in slagorde over voor [de ogen van] de Israëlieten, zoals Mozes tegen hen gezegd had.). Hij zal zich hierbij onderscheiden hebben, want Mozes geeft hem hier een vooraanstaande plaats onder het volk van de tweeënhalve stam.

Het veroveren van het land houdt in dat over de inwoners ervan het oordeel van God wordt voltrokken. Door dit te doen heeft Gad de gerechtigheid van God uitgeoefend. Van de tweeënhalve stam zal Gad ook wat het aantal betreft veruit de belangrijkste zijn. Ruben zal gering in aantal zijn (vers 66Moge Ruben leven en niet sterven,
en mogen zijn mannen [groot] in aantal zijn!
)
, evenals Manasse waarvan slechts de helft van de stam in het Overjordaanse zal wonen.

De tijd van heersen is voor de gelovigen nog niet gekomen (1Ko 4:88Reeds bent u verzadigd, reeds bent u rijk geworden, zonder ons hebt u geregeerd; en ik zou wel willen dat u regeerde, opdat ook wij met u regeerden.). Maar er kunnen zich in de gemeente zaken voordoen, waarbij recht moet worden gesproken. Daarvoor zijn geen intelligente gelovigen nodig, maar geestelijk gezinde gelovigen die gekenmerkt worden door eenvoud en wijsheid (1Ko 6:4-54Als u dan rechtszaken hebt over de dingen van dit leven, stelt dan daarover hen die in de gemeente niet geacht zijn!5Ik zeg het tot uw beschaming. Is er dan onder u niet één wijze, ook niet één, die uitspraak zal kunnen doen tussen zijn broeders?). Zij kunnen met moreel gezag optreden. Het is een grote genade van God als zulke mannen in een plaatselijke gemeente aanwezig zijn. Laten we God ervoor danken en hun het leven niet moeilijk maken, maar hun gehoorzaam en onderdanig zijn (Hb 13:1717Weest aan uw voorgangers gehoorzaam en weest hun onderdanig, want zij waken over uw zielen als degenen die rekenschap zullen afleggen, opdat zij dit met vreugde en niet zuchtend doen, want dat is voor u niet nuttig.).


Dan

22Over Dan zei hij:
Dan is een leeuwenwelp,
hij springt uit Basan tevoorschijn.

De naam Dan betekent ‘rechter’. Evenals Gad wordt hij vergeleken met een leeuw. Het enige wat van hem wordt gezegd, is dat hij tevoorschijn springt. Hij lijkt te wijzen op de plotselinge verschijning van de Heer Jezus tot oordeel van hen die zich volhardend tegen Hem verzetten. Daarmee wordt de weg naar de volle zegen vrijgemaakt.


Naftali

23Over Naftali zei hij:
Naftali, wees verzadigd met goedgunstigheid,
en vol van de zegen van de HEERE;
neem het westen en het zuiden in bezit.

Naftali krijgt, evenals Aser, een rijk deel. In Naftali zien we iemand die volledig verzadigd is vanwege die rijke zegen van de HEERE. In Naftali ligt Kapernaüm, waar de Heer Jezus heeft gewoond (Mt 9:11En nadat Hij aan boord van een schip was gegaan, voer Hij over en kwam in Zijn eigen stad. En zie, zij brachten bij Hem een verlamde die op een bed lag.; Mk 2:11En na [enige] dagen kwam Hij opnieuw in Kapernaüm, en men hoorde dat Hij in huis was.). Zijn aanwezigheid is de grootst denkbare zegen. Het betekent een verhoging tot de hemel (Mt 11:2323En u, Kapernaüm, zult u soms tot [de] hemel verhoogd worden? Tot [de] hades zult u worden neergestoten! Want als in Sodom de krachten waren gebeurd die in u zijn gebeurd, het zou tot op heden zijn gebleven.).

In Naftali zien we iemand die vol is van Christus en daarin rust. Dat is waar de Heilige Geest iedere gelovige toe wil brengen: om voldoende te hebben aan Christus en daarnaast niets meer te verlangen. Dat betekent niet dat we dan uitgeleerd zijn en er niets meer in bezit te nemen is. Vandaar de aansporing tot het in bezit nemen van het westen en het zuiden.


Aser

24Over Aser zei hij:
Moge Aser gezegend zijn met zonen;
laten zijn broers hem goedgezind zijn
en hij zijn voet in olie dompelen.
25Uw grendels zullen van ijzer en brons zijn;
laat uw kracht zijn overeenkomstig uw dagen!

Mozes wenst Aser vijf zegeningen toe. De eerste zegen is dat hij gezegend zal worden met zonen. Hier zien we het zoonschap. Zonen zijn er voor God en zij zijn erfgenamen. Die zegen betekent voor ons dat wij ons bewust zijn dat wij er voor Gods vreugde zijn en dat God ons tot onze vreugde een erfdeel heeft gegeven.

De tweede zegen is dat zijn broers hem goedgezind zullen zijn. Als zonen zijn we niet alleen aangenaam voor God, maar ook voor onze broeders en zusters. Gelovigen zijn zonen van God en broeders van elkaar. We zijn een familie, en aan het samenwonen en samenleven in dat bewustzijn verbindt de Heer Zijn zegen (Ps 133:1-31Een pelgrimslied, van David.
Zie, hoe goed en hoe lieflijk is het
dat broeders ook eensgezind samenwonen.
2Het is als de kostelijke olie op het hoofd,
die neerdaalt op de baard, de baard van Aäron,
die neerdaalt op de zoom van zijn priesterkleed.
3Het is als de dauw van de Hermon
die neerdaalt op de bergen van Sion.
Want daar gebiedt de HEERE de zegen
[en] het leven tot in eeuwigheid.
)
.

De derde zegenwens, “zijn voet in olie dompelen”, ziet op zijn wandel. Het is een zegen als de wandel wordt gekenmerkt door de Heilige Geest (Gl 5:16,2516Maar ik zeg: wandelt door [de] Geest, en u zult [de] begeerte van [het] vlees geenszins volbrengen.25Als wij door [de] Geest leven, laten wij ook door [de] Geest wandelen.), waarvan de olie het bekende beeld is. Zoonschap gaat samen met de Geest van zoonschap (Gl 4:66En omdat u zonen bent, heeft God de Geest van Zijn Zoon in onze harten uitgezonden, Die roept: Abba, Vader!).

Een wandel in de Geest kan alleen in de weg van afzondering. Daarvan spreekt de vierde zegen. “IJzer en koper” zijn de “grendels”, waarmee deuren worden gesloten om het kwaad buiten de deur te houden. De zegeningen kunnen alleen worden genoten zonder vermenging met wereldse beginselen. Afzondering is niet negatief. Ware afzondering is afzondering tot God en maakt sterk als ijzer en glanzend als koper.

Als er ware afzondering is, kan de zegen tot in lengte van dagen worden genoten. Dat is de vijfde zegen. Afzondering bewaart ervoor dat kracht wordt verspild aan zondige dingen, wat weer als gevolg heeft dat de zegen niet wordt genoten.

Aser is de enige stam van de tien – die niet met het huis van David zijn verbonden –, die in het Nieuwe Testament wordt genoemd (Lk 2:36-3836En er was een profetes, Anna, een dochter van Fanuël, uit [de] stam van Aser; deze was op zeer hoge leeftijd gekomen, nadat zij na haar maagdelijke staat zeven jaar met [haar] man had geleefd.37En zij was een weduwe van ongeveer vierentachtig jaar, die niet uit de tempel week, terwijl zij met vasten en bidden [God] diende, nacht en dag.38En zij kwam op datzelfde ogenblik daarbij en loofde God en sprak over Hem tot allen die [de] verlossing van Jeruzalem verwachtten.). In dat gedeelte is sprake van Anna, die tot de stam Aser behoort. Wat van haar wordt gezegd, maakt duidelijk dat zij een echte Aseriet is.


Wie is aan Israël gelijk?

26Niemand is er als God, Jesjurun!
Hij rijdt op de hemel om u te helpen,
en in Zijn majesteit op de wolken.
27De eeuwige God is [voor u] een woning,
en onder u zijn eeuwige armen.
Hij verdrijft de vijand voor u uit,
en zegt: Vaag [hem] weg!
28Israël zal veilig wonen [en] alleen;
het oog van Jakob zal gericht zijn
op een land van koren en nieuwe wijn;
ja, zijn hemel zal dauw laten neerdruppelen.
29Welzalig bent u, Israël! Wie is zoals u?
U bent een volk dat door de HEERE verlost is.
[Hij] is een schild [en] een hulp voor u,
Hij is uw majesteitelijke zwaard;
daarom zullen uw vijanden zich geveinsd aan u onderwerpen,
en ú zult hun hoogten betreden!

Het einde van deze zegen komt overeen met het begin ervan. In het begin heeft Mozes gesproken over het glorierijke feit van de vestiging van het koningschap van de HEERE als de vaste grondslag van het heil van Zijn volk. Hij besluit met de verwijzing naar de HEERE als de eeuwige bescherming en toevlucht en met het gelukkig prijzen van Israël dat op zo’n God kan vertrouwen.

De allerlaatste woorden die Mozes heeft geschreven, beschrijven de onvergelijkbare God en Zijn onvergelijkbaar volk. Niemand is aan God gelijk en in vers 2929Welzalig bent u, Israël! Wie is zoals u?
U bent een volk dat door de HEERE verlost is.
[Hij] is een schild [en] een hulp voor u,
Hij is uw majesteitelijke zwaard;
daarom zullen uw vijanden zich geveinsd aan u onderwerpen,
en ú zult hun hoogten betreden!
staat dat niemand aan Zijn volk gelijk is. De God van Israël en het Israël van God horen helemaal bij elkaar.

Het rijden langs de hemel en over de wolken is een beeld van de onbegrensde almacht waarmee God vanuit de hemel de wereld bestuurt en de Helper van Zijn volk is. Hij is de eeuwige God, in tegenstelling tot alle afgoden die ergens in de tijd hun oorsprong hebben en dus onlangs zijn ontstaan. Deze God is een woning, wat betekent dat God de Zijnen alles biedt wat de geborgenheid van een woning maar bieden kan. Een woning is niet alleen een schuilplaats en toevlucht bij de stormen van het leven, maar spreekt ook van het vredige, onbezorgde genieten van rust en gemeenschap.

Hij Die in de hemel boven troont, is tegelijk de God Die bij Zijn volk op aarde beneden is en het in Zijn armen houdt en draagt. Eeuwige armen zijn armen die het nooit aan kracht zal ontbreken. Het geeft onbegrensde en onoverwinnelijke kracht aan, waardoor Zijn volk voor eeuwig veilig zal zijn. Daar komt nog bij dat van de vijand geen spoor meer te bekennen is. Hij heeft ze verdreven en verdelgd.

Te midden van alle volken zal Israël “veilig wonen [en] alleen” (vers 2828Israël zal veilig wonen [en] alleen;
het oog van Jakob zal gericht zijn
op een land van koren en nieuwe wijn;
ja, zijn hemel zal dauw laten neerdruppelen.
; vgl. Nm 23:99Want vanaf de top van de rotsen zie ik hem,
vanaf de heuvels neem ik hem waar;
zie, dat volk woont afgezonderd,
onder de heidenvolken rekent het zich niet.
)
. Het volk zal niet in een ander volk ingelijfd worden. Het zal als voorwerp van Gods speciale beloften alles krijgen wat beloofd is en te midden van alle zegeningen een uitdeler van zegeningen zijn aan alle volken op aarde.

Israël is ook Jakob. Jakob is de naam van de man die heeft moeten leren dat hij in alles God nodig heeft. Dat heeft het volk ook moeten leren. Hun oog wordt gericht op de zegen van het land. Als ze in het bezit van de zegen zijn, zal hun oog daar onafgebroken op gericht zijn. Ze zullen ongestoord verblijven in het land van zegen waarop de zegen van de HEERE neerdaalt.

Er is geen volk als Israël. Er is geen verlossing als de verlossing die aan Israël is geschied, want de HEERE heeft dat volk verlost. En de HEERE heeft Israël niet alleen verlost uit Egypte, Hij heeft het ook uit talloze moeilijkheden verlost. Hij is ook Israëls hulp. Die hulp is een schild, een bescherming tegen alles wat schade aan dat volk kan toebrengen. Hij helpt door Zijn zwaard, dat is Zijn Woord. Door Zijn Woord heeft Hij dit volk hoogverheven gemaakt.

Tegen een dergelijk volk is door geen enkele vijand iets te beginnen. Hoewel de vijanden niet in hun geweten overtuigd zijn van zonden en dat ze het oordeel verdienen, zullen ze zo verstandig zijn zich aan dit volk te onderwerpen. Ze zullen, hoewel veinzend, dit volk eren, dit volk, dat door de HEERE boven alle volken verheven is.


Lees verder