Deuteronomium
Inleiding 1 Oproep om te horen 2 Leer als regen 3-4 Gods grootheid 5-14 Gods zorg voor Zijn volk 15-18 De ondankbaarheid van Israël 19-25 Het oordeel aangekondigd 26-38 De HEERE is de Rots van Zijn volk 39-43 De HEERE bevrijdt Zijn volk 44-47 Dit woord is uw leven 48-52 De HEERE wijst Mozes op zijn einde
Inleiding

Het boek heeft een prachtig slot. Het eindigt met een indrukwekkend lied en een grote zegen. Het lied mondt uit in een jubelzang, omdat God uiteindelijk boven bidden en denken herstel geeft. In dit lied, dat een leerlied is, leren we twee dingen die we al vaak zijn tegengekomen: wie we zelf zijn en Wie God is. We hebben het nodig dat steeds diepgaander te leren. Voor dit onderwijs zijn de vlakten aan het einde van de woestijnreis en voor de grens van het land een ideaal lesterrein.

Mozes beschrijft in dit lied de hele geschiedenis van Israël inclusief de toekomst: zijn schepping en aanneming door de HEERE, zijn ondankbaarheid en afval, zijn overgave aan de heidenen, zijn wederaanneming door de HEERE en de uiteindelijke zegen en verheerlijking in het vrederijk.


Oproep om te horen

1Hoor [mij] aan, hemel, dan zal ik spreken!
Laat de aarde de woorden van mijn mond horen.

Hemel en aarde worden betrokken bij dit lied (vgl. Js 1:2a2Luister, hemel,
neem ter ore, aarde!
Want de HEERE spreekt:
Ik heb kinderen grootgebracht en doen opgroeien,
maar zíj zijn tegen Mij in opstand gekomen.
; Mi 1:22Luister, volken, allemaal!
Sla [er] acht [op], aarde, met al wat u bevat!
En laat de Heere HEERE Getuige tegen u zijn,
de Heere, uit Zijn heilige tempel.
)
omdat de leer die Mozes brengt het hele heelal aangaat. Het uiteindelijke resultaat zal aantonen dat de Heer Jezus zal regeren over alles wat in de hemel en op de aarde is (Ef 1:1010dat Hij Zich had voorgenomen in Zichzelf aangaande [de] bedeling van de volheid der tijden, om alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd samen te brengen in Christus;). Dat is waar het lied naartoe werkt. Het is het terrein waar Zijn gerechtigheid openbaar zal worden.


Leer als regen

2Laat mijn leer neerdruppelen als de regen,
laten mijn woorden stromen als de dauw,
als een zachte regen op het groen,
en als regendruppels op het gewas.

Het lied heeft het karakter van “regen”, “dauw”, “zachte regen” en “regendruppels”. Dat spreekt van verkwikking, bevruchten en leven. Het is Mozes’ verlangen dat dit de uitwerking van zijn lied op de harten van de Israëlieten zal zijn. Zijn leer komt eerst als druppels, druppel na druppel, heel geleidelijk. Het is voor oor en hart zacht en lieflijk als de dauw. Dan gaan de druppels over in een zachte regen, waarna ten slotte het water in stromen van regendruppels neer vloeit.

Het onderwijs van Gods Woord, de leer, is op velerlei wijzen een verkwikking, die wordt ervaren in het gehoor geven aan de vermaning. God heeft meerdere leraren, die allen een eigen, kenmerkende manier hebben waarop zij onderwijs geven. Hij wil ze allen gebruiken tot verkwikking. Wat eerst geen verkwikking lijkt, zoals het wijzen op de ontrouw van de mens, wordt een verkwikking zodra de mens de vermaning erkent. Instemming met Gods waarheid over wie de mens is, verlicht het geweten direct en verkwikt de geest. Het is de regen van de hemel, de regen van zegen (Dt 11:1111Maar het land waar u naartoe trekt om het in bezit te nemen, is een land met bergen en dalen; het drinkt water door de regen uit de hemel.).


Gods grootheid

3Want ik zal de Naam van de HEERE uitroepen;
geef grootheid aan onze God!
4Hij is de rots, Wiens werk volmaakt is,
want al Zijn wegen zijn [een en al] recht.
God is waarheid en geen onrecht;
rechtvaardig en waarachtig is Hij.

Mozes krijgt de woorden van dit lied van de HEERE. Hij staat als het ware naast de HEERE. Hij ziet Hem en ziet het handelen van de mens met de ogen van de HEERE. Als Mozes zo dicht bij Hem is, moet hij noodzakelijk eerst de grootheid van de HEERE (Ps 150:22Loof Hem om Zijn machtige daden,
loof Hem om Zijn geweldige grootheid.
)
in Zijn heerlijke eigenschappen beschrijven. Het maakt het contrast tussen de HEERE en de mens alleen maar groter ten gunste van de majesteit van God, zowel in Zijn Wezen als in Zijn handelen.

Mozes is diep onder de indruk van de HEERE. Hij roept Zijn Naam uit. Dit is geen ijdel gebruik, maar een proclamatie van die Naam. De Naam houdt alles in wat God is. Daaraan kan toch niets worden toegevoegd? Toch roept Mozes uit en op om God grootheid te geven. Dat lijkt op wat Johannes zegt in zijn verhouding tot de Heer Jezus: “Hij moet meer, maar ik minder worden” (Jh 3:3030Hij moet meer, maar ik minder worden.). Aan Gods grootheid kan door ons niets worden toegevoegd, maar wij kunnen er wel een steeds diepere indruk van krijgen en Hem dat ook vertellen.

God is de rots, wij zijn stof. Al onze handelingen brengen geen verandering in de stabiliteit van God en Zijn troon. Dat is de vrede van God. Hij is de rots en Zijn werk is volkomen, er ontbreekt niets aan, zoals de Prediker heeft ontdekt: Ik weet dat alles wat God doet, voor eeuwig blijft; niets is eraan toe te voegen, niets ervan af te doen” (Pr 3:14a14Ik weet dat alles wat God doet, voor eeuwig blijft; niets is eraan toe te voegen, niets ervan af te doen, en God doet [het] opdat men vreest voor Zijn aangezicht.
)
. Al Zijn wegen zijn recht (Hs 14:1010Wie is [zo] wijs, dat hij deze dingen begrijpt,
en [zo] verstandig dat hij ze kent?
De wegen van de HEERE zijn immers recht.
De rechtvaardigen zullen daarop wandelen,
maar de overtreders zullen erop struikelen.
)
. Elk onrecht is Hem vreemd (Ps 92:1616om te verkondigen dat de HEERE waarachtig is;
Hij is mijn rots en in Hem is geen onrecht.
)
.

Hij is ”rechtvaardig” in het doen van Zijn beloften en “waarachtig” in de vervulling ervan. Beide eigenschappen zijn te zien op het kruis, waar Christus aan Gods rechtvaardige eisen heeft voldaan en daardoor de weg heeft vrijgemaakt tot een waarachtige vervulling van al Gods beloften. Daarom zijn in Christus al Gods beloften ja en amen (2Ko 1:2020Want hoeveel beloften van God er ook zijn, in Hem is het ja; daarom is ook door Hem het amen, tot heerlijkheid van God door ons.).


Gods zorg voor Zijn volk

5Zij hebben verderfelijk tegen Hem gehandeld;
het zijn Zijn kinderen niet. Een schandvlek!
Het is een slinkse en verdorven generatie.
6Doet u dit de HEERE aan,
dwaas en onwijs volk?
Is Hij niet uw Vader, Die u verworven heeft,
Die u gemaakt heeft en u stand heeft doen houden?
7Denk aan de dagen van vroeger tijd;
let op de jaren van generatie op generatie.
Vraag het uw vader, hij zal het u vertellen,
[vraag het] uw oudsten, zij zullen het u zeggen.
8Toen de Allerhoogste aan de volken het erfelijk bezit uitdeelde,
toen Hij Adams kinderen van elkaar scheidde,
heeft Hij het grondgebied van de volken vastgesteld
overeenkomstig het aantal Israëlieten.
9Want het deel van de HEERE is Zijn volk,
Jakob is het gebied dat Zijn eigendom is.
10Hij vond hem in een woestijngebied,
in een woeste, huilende wildernis.
Hij omringde hem, Hij onderwees hem,
Hij beschermde hem als Zijn oogappel.
11Zoals een arend zijn nest opwekt,
boven zijn jongen zweeft,
zijn vleugels uitspreidt, ze pakt
en ze draagt op zijn vlerken,
12[zo] heeft alleen de HEERE hem geleid,
er was geen vreemde god bij hem.
13Hij liet hem rijden op de hoogten van de aarde,
en hij at de opbrengsten van het veld.
Hij liet hem honing zuigen uit de rots,
en olie uit hard gesteente;
14boter van runderen, en melk van kleinvee,
[samen] met het vet van lammeren,
van rammen die in Basan weiden, en van bokken,
[samen] met het allerbeste van de tarwe,
en druivenbloed, goede wijn, hebt u gedronken.

De houding van het volk is er een van de grootste dwaasheid. In die houding kan God hen niet als Zijn zonen erkennen (vgl. Dt 14:11U bent kinderen van de HEERE, uw God. U mag [uw lichaam] vanwege een dode niet kerven of een kale plek maken tussen uw ogen.). Een goed zoon aardt naar zijn vader, maar in dit volk herkent God niets van Zichzelf. Hij noemt Zijn volk “een slinkse en verdorven generatie”. Deze zelfde woorden gebruikt Paulus als hij over de wereld spreekt (Fp 2:1515opdat u onberispelijk en rein bent, onbesproken kinderen van God te midden van een krom en verdraaid geslacht, waaronder u schijnt als lichten in [de] wereld,). Dat geeft aan dat Gods volk aan de wereld gelijk is geworden.

Hetzelfde zien we in de christenheid. Wereldgelijkvormigheid is de grote kwaal waaraan wij lijden. Dat komt tot uiting in de manier waarop wij praten en met elkaar omgaan en de dingen die we nastreven. Als wij ons zo gedragen, kan God ons niet als Zijn kinderen erkennen (2Ko 6:17-1817Daarom, ‘gaat weg uit hun midden en scheidt u af, zegt [de] Heer, en raakt niet aan wat onrein is,18en Ik zal u aannemen; en Ik zal u tot Vader zijn, en u zult Mij tot zonen en dochters zijn, zegt [de] Heer, [de] Almachtige’.).

De aanklacht van God tegen Zijn volk wordt als een vraag neergelegd. Dat moet hun geweten aanspreken en hen ertoe brengen hierover na te denken. Met dat doel stelt God vaker vragen aan de mens (Gn 3:99En de HEERE God riep Adam en zei tegen hem: Waar bent u?; 4:99En de HEERE zei tegen Kaïn: Waar is Abel, uw broer? En hij zei: Ik weet [het] niet; ben ik de hoeder van mijn broer?) of aan Zijn volk (Mi 6:3-43Mijn volk, wat heb Ik u aangedaan?
Waarmee heb Ik u vermoeid?
Getuig tegen Mij!4Ik heb u immers uit het land Egypte geleid,
u verlost uit het slavenhuis.
Ik heb Mozes, Aäron en Mirjam
vóór u uit gezonden.
)
.

In vers 66Doet u dit de HEERE aan,
dwaas en onwijs volk?
Is Hij niet uw Vader, Die u verworven heeft,
Die u gemaakt heeft en u stand heeft doen houden?
wordt over God als Vader gesproken. Dat gebeurt in het Oude Testament slechts enkele keren (Js 63:1616Toch bent U onze Vader,
want Abraham weet van ons niet
en Israël kent ons niet.
U, HEERE, bent onze Vader;
onze Verlosser van oude tijden af is Uw Naam.
; 64:88Maar nu, HEERE, U bent onze Vader!
Wij zijn het leem en U bent onze Pottenbakker:
wij zijn allen het werk van Uw handen.
; Ml 2:1010Hebben wij niet allen één Vader? Heeft niet één God ons geschapen? Waarom handelen wij [dan] trouweloos, eenieder tegen zijn broeder, door het verbond met onze vaderen te ontheiligen?)
. Steeds gaat het over de verhouding tot Zijn volk als geheel, waarvan Hij dan als de Schepper, de oorsprong wordt voorgesteld. Hij heeft dat volk gevormd. Vanaf de grondlegging van de wereld is Hij met dat volk bezig.

Dat is een groot verschil met God als Vader in het Nieuwe Testament voor de gelovigen van de gemeente. Daar gaat het nadrukkelijk over de persoonlijke verhouding van de gelovige tot God. Wij mogen Hem aanspreken als ‘Abba, Vader’. Dit is voor de individuele Israëliet ondenkbaar.

Het volk wordt opgeroepen terug te denken aan de vroegere tijden, aan wat God toen voor Zijn volk heeft gedaan. Ze moeten het maar vragen aan hun vader en hun oudsten. Die zullen kunnen getuigen van Gods machtige daden in Egypte en Zijn zorg voor hen in de woestijn.

Zij zijn al in Gods gedachten, wanneer Hij door de spraakverwarring bij Babel de volken naar een eigen gebied verdrijft. Van elk volk heeft Hij de grenzen vastgesteld (Hd 17:2626En Hij heeft uit één <bloed> [het] hele mensengeslacht gemaakt om op [het] hele aardoppervlak te wonen, terwijl Hij de bepaalde tijden en de grenzen van hun woonplaats heeft vastgesteld,) en dat gedaan zoals Mozes hier zegt overeenkomstig het aantal Israëlieten” (vers 88Toen de Allerhoogste aan de volken het erfelijk bezit uitdeelde,
toen Hij Adams kinderen van elkaar scheidde,
heeft Hij het grondgebied van de volken vastgesteld
overeenkomstig het aantal Israëlieten.
)
. Er is bij de spraakverwarring nog geen sprake van dat volk, maar het bestaat wel al in Gods raad. En wat in Gods raad bestaat, is voor God even waar alsof het volk al in werkelijkheid bestaat.

In Zijn wonderbare verkiezing en genade heeft de HEERE dit volk als Zijn deel genomen (Ps 33:1212Welzalig het volk dat de HEERE tot zijn God heeft,
het volk dat Hij Zich als eigendom verkozen heeft.
)
. Van Hem “is de wereld en al wat zij bevat” (Ps 50:1212Als Ik honger had, Ik zou het u niet zeggen;
want van Mij is de wereld en al wat zij bevat.
)
, maar Israël is op een speciale manier Zijn eigendom. Dat volk is Zijn “gesloten tuin” (Hl 4:1212Een gesloten tuin bent u, Mijn zuster, [Mijn] bruid,
een gesloten bron, een verzegelde fontein.
)
waaraan Hij op bijzondere wijze Zijn liefde heeft gegeven en waarvan Hij een bijzondere liefde mag verwachten. Die verkiezing komt uitsluitend uit Hemzelf voort. Er is niets in dat volk wat Hem daartoe een extra aansporing heeft gegeven (Dt 7:77Niet omdat u groter was dan al de [andere] volken heeft de HEERE liefde voor u opgevat en u uitgekozen, want u was het kleinste van al de volken.). En Hij weet waaraan Hij is begonnen.

Deze bijzondere band heeft God in Christus in deze tijd met de gemeente. Hij heeft de leden van de gemeente uitverkoren met een uitverkiezing van “vóór [de] grondlegging van [de] wereld” (Ef 1:44zoals Hij ons in Hem heeft uitverkoren vóór [de] grondlegging van [de] wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn vóór Hem in [de] liefde,; 3:99en <voor allen> in het licht te stellen wat het rentmeesterschap is van de verborgenheid die van alle eeuwen verborgen was in God, Die alle dingen geschapen heeft;). Hij heeft hen gered “uit de macht van de duisternis en overgebracht in het koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde” (Ko 1:1313Die ons gered heeft uit de macht van de duisternis en overgebracht in het koninkrijk van de Zoon van Zijn liefde,).

Om Zijn voornemen, Zijn uitverkiezing, waar te maken heeft de HEERE Israël bevrijd uit Egypte. Daarna heeft Hij voor hen gezorgd in de woestijn. Hij heeft hen geleerd hoe ze zich in allerlei omstandigheden moesten gedragen (Hs 11:1-41Toen Israël een kind was, had Ik hem lief,
en uit Egypte heb Ik Mijn zoon geroepen.2[Maar hoe meer] zij hen riepen,
hoe [meer] zij van onder hun [ogen] wegliepen.
Aan de Baäls offerden zij
en voor de [afgods]beelden brachten zij reukoffers –3Ik echter leerde Efraïm lopen.
Hij nam hen op Zijn armen,
maar zij erkenden niet dat Ik hen genas.4Ik trok hen met menselijke touwen,
met koorden van liefde.
Ik was voor hen als zij die het juk
[van] op hun kaken omhoogtillen,
en Ik reikte hem voer toe.
)
. Daarvoor heeft Hij hun Zijn goede inzettingen gegeven. Zij zijn voor Hem als de uiterst tere en gevoelige “oogappel” (vers 1010Hij vond hem in een woestijngebied,
in een woeste, huilende wildernis.
Hij omringde hem, Hij onderwees hem,
Hij beschermde hem als Zijn oogappel.
; Zc 2:88Want zo zegt de HEERE van de legermachten:
Nadat [Hij] heerlijkheid [heeft beloofd],
heeft Hij Mij gezonden tot die heidenvolken die u beroven,
want wie u aanraakt,
raakt Zijn oogappel aan.
; Ps 17:88Bewaar mij als [Uw] oogappel,
verberg mij onder de schaduw van Uw vleugels
)
, die Hij voor elke pijnlijke aanraking wil beschermen. Telkens als zij dreigen te struikelen, is Hij bij hen om hen op te vangen zoals een arend zijn jongen beschermt als zij leren vliegen (vers 1111Zoals een arend zijn nest opwekt,
boven zijn jongen zweeft,
zijn vleugels uitspreidt, ze pakt
en ze draagt op zijn vlerken,
; vgl. Ex 19:44U hebt zelf gezien wat Ik met de Egyptenaren gedaan heb en [hoe] Ik u op arendsvleugels gedragen en u bij Mij gebracht heb.)
.

Bij die bescherming, het behoeden en bewaren, is God niet op de hulp van iemand anders aangewezen. Hij bezit alle mogelijkheden in Zichzelf om aan Zijn liefde en Zijn zorg voor Zijn volk uiting te geven. Zo heeft Hij geheel zelfstanding en eigenmachtig gehandeld. Dit is tegelijk een argument om Israël ervoor te bewaren tot andere goden hun toevlucht te nemen.

Dan plaatst Mozes zich in de geest achter de invoering in het land en kijkt terug op Gods handelingen. Hij verhaalt hoe de HEERE het volk op hun hoogten heeft laten rijden, dat wil zeggen machtige vijanden heeft doen overwinnen. Verder genieten ze daar een overvloed aan zegen. Het allerbeste wat bodem, vee en land kunnen opleveren, is hun deel.

De rijkste vrucht, honing en olie, komt als bewijs van Gods werking van de onvruchtbaarste grond die onmogelijk te bewerken is. Het vee is gezond en levert de beste melk, waarvan ook de zuiverste boter kan worden gemaakt. Het vee levert ook het beste vlees. De tarwe is van de fijnste en voedzaamste soort, de wijn is elk jaar van de beste kwaliteit. Het zijn allemaal bewijzen van Gods goedheid die hun uit genade worden geschonken. Wat is hun antwoord?

Hetzelfde geldt voor de gemeente, die ook in overvloedige mate de geestelijke zegening in de hemelse gewesten mag genieten. De heerlijkste zegeningen zijn voor hen. Hun zegeningen gaan die van alle andere geslachten te boven. Wat is hun antwoord?


De ondankbaarheid van Israël

15Maar toen Jesjurun vet werd, trapte hij achteruit
– u bent vet, u bent dik, u bent vetgemest –
toen verliet hij God, Die hem gemaakt heeft,
hij versmaadde de Rots van zijn heil.
16Zij hebben Hem tot na-ijver gebracht met vreemde [goden],
met gruwelijke daden hebben zij Hem tot toorn verwekt.
17Zij hebben geofferd aan de demonen, niet aan God;
aan goden die zij niet kenden,
aan nieuwe [goden], die kortgeleden gekomen zijn,
voor wie uw vaderen niet gehuiverd hebben.
18De Rots Die u verwekt heeft, hebt u veronachtzaamd,
en u hebt de God Die u gebaard heeft, vergeten.

Het antwoord op zoveel goedheid is schokkend – als we onszelf niet enigszins kennen. Ondanks al Gods zorgen, voorzieningen en zegeningen, verwerpt het volk Hem. Ze zakken steeds dieper weg in hun opstand tegen God. Na het achteruit trappen naar Hem is er sprake van verlaten, versmaden, veronachtzamen en ten slotte vergeten. Opstand tegen God voert uiteindelijk in een toestand waarin Hij niet meer bestaat. Elke binding met Hem, de Rots Die hen heeft verwekt, is betekenisloos voor hen. Zelfs de gedachte aan de God Die hen heeft voortgebracht, is verdwenen. Door te spreken over “verwekt” vergelijkt Mozes God hier met een vader en door te spreken over “gebaard” vergelijkt hij Hem met een moeder.

Deze vrije val van Gods volk begint met het genieten van de zegeningen zonder God ervoor te danken. De zegeningen worden genoten, maar de Gever wordt er niet bij betrokken. Zelfvoldaanheid komt op. Het is de taal van de gemeente in Laodicéa: “Ik ben rijk en verrijkt en heb aan niets gebrek” (Op 3:1717Omdat u zegt: Ik ben rijk en verrijkt en heb aan niets gebrek, en u weet niet dat u de ellendige, jammerlijke, arme, blinde en naakte bent,). Maar de Heer is buiten komen te staan: “Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop” (Op 3:2020Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop; als iemand Mijn stem hoort en de deur opent, zal Ik <ook> bij hem binnenkomen en de maaltijd met hem houden en hij met Mij.).

Mozes noemt het volk “Jesjurun”, dat betekent ‘oprecht’ of ‘rechtvaardig’. God heeft aan Zijn volk Zijn eigen kenmerken gegeven. Maar in plaats van een weerspiegeling van God te zijn is het volk zich gaan beroemen op hun eigen gerechtigheid. Ze hebben alle eer naar zichzelf toe getrokken.

Omdat een mens niet zonder voorwerp van aanbidding kan, zijn ze aan afgoderij ten prooi gevallen. In plaats van Hem trouw te blijven Die Zich zo trouw tegenover hen heeft betoond, hebben ze zich tot vreemde goden gewend. Dit is buitengewoon krenkend voor Hem. De offers die ze aan die goden brengen, worden door demonen in ontvangst genomen. Een afgod van hout of steen is niets, maar achter deze dode materialen gaan werkelijk levende boze geesten schuil (1Ko 10:19-2019Wat wil ik hiermee dan zeggen? Dat een afgodenoffer iets is of dat een afgod iets is?20[Nee], maar dat wat <de volken> offeren, zij dat aan [de] demonen <offeren> en niet aan God; en ik wil niet, dat u gemeenschap hebt met de demonen.; Ps 106:36-3736Zij dienden hun afgoden,
die hun tot een valstrik werden.
37[Bovendien] offerden zij hun zonen
en hun dochters aan de demonen.
)
.


Het oordeel aangekondigd

19Toen de HEERE [dat] zag, verwierp Hij hen,
uit toorn tegen Zijn zonen en Zijn dochters.
20Hij zei: Ik zal Mijn aangezicht voor hen verbergen;
Ik zal zien wat hun einde is,
want zij zijn een totaal verdorven generatie,
kinderen in wie geen [enkele] trouw is.
21Zíj hebben Mij tot na-ijver gebracht met wat geen God is;
zij hebben Mij tot toorn verwekt door hun nietige [afgoden].
Ík zal hen daarom jaloers maken door wat geen volk is,
door een dwaas volk zal Ik hen tot toorn verwekken.
22Want een vuur is aangestoken in Mijn toorn,
het zal branden tot onder in de hel,
het zal het land met zijn opbrengst verteren
en de fundamenten van de bergen in vlam zetten.
23Ik zal verschrikkelijke dingen over hen ophopen;
al Mijn pijlen schiet Ik op hen af.
24Uitgeteerd door honger, verteerd door pest
en bitter verderf zullen zij zijn;
tanden van [wilde] dieren zal Ik op hen afsturen,
met vurig vergif van [slangen] die in het stof kruipen.
25Buiten berooft het zwaard,
en binnenskamers de verschrikking,
zowel de jongen als het meisje,
de zuigeling [samen] met de grijsaard.

Als Gods volk God vergeet, moet Hij hen verwerpen. Daarover gaat het in deze verzen. Hij is trouw aan Zichzelf en moet hen daarom oordelen. Hij zegt zulke harde woorden juist omdat zij Zijn geliefde kinderen zijn. Hij verwerpt Zijn volk omdat Zijn volk Hem eerst heeft verworpen.

In vers 55Zij hebben verderfelijk tegen Hem gehandeld;
het zijn Zijn kinderen niet. Een schandvlek!
Het is een slinkse en verdorven generatie.
heeft Hij ontkend dat zij Zijn zonen zijn. Daar beziet de HEERE hen als onverbeterlijk en onbereikbaar. Hier wordt gesproken over “Zijn zonen en Zijn dochters”, niet als een erkenning van Zijn kant dat zij dit zijn, maar omdat zij zelf zeggen dit te zijn. Maar Hij kan hen niet als zodanig erkennen. Hij verbergt Zijn aangezicht voor hen, dat wil zeggen dat Hij niet in gunst op hen neerziet. Hij ziet in toorn op hen neer en wil zien hoe het met hen afloopt.

Toen Hij de verbinding met Zijn volk is aangegaan, heeft Hij hen kinderen genoemd die niet trouweloos zullen handelen (Js 63:88Want Hij zei: Zij zijn immers Mijn volk,
kinderen [die] niet zullen liegen!
Zo werd Hij hun tot een Heiland.
)
. Dat is echter niet zo gebleven. Ze hebben zich tot de afgoden gewend, wat God tot na-ijver of jaloersheid heeft verwekt. Gods antwoord daarop is dat Hij Zijn volk ook tot jaloersheid zal verwekken. God gebruikt omringende volken om hen te tuchtigen en terug te brengen, maar Hij gebruikt die volken ook, opdat zij jaloers worden. Daarom laat God de behoudenis uitgaan naar de volken. Niet het oordeel dat Hij door middel van de volken over hen brengt, maar de genade die Hij voor de volken heeft, is bedoeld om Zijn volk tot inkeer te brengen (Rm 10:1919Maar ik zeg: Heeft Israël het niet verstaan? In de eerste plaats zegt Mozes: ‘Ik zal uw jaloersheid opwekken door wat geen volk is; door een onverstandig volk zal Ik uw toorn opwekken’.).

Mozes vermeldt daarnaast hoe verterend vuur als symbool van Gods oordeel zijn verterend werk zal doen. Het zal de opbrengst van het land, waardoor ze vet en dik geworden zijn, verteren. Natuurrampen zullen hun verwoestend werk doen. Met Zijn pijlen zal Hij hen die trachten te ontkomen achterhalen en treffen. Honger, koorts en ziekte zullen hun slachtoffers maken. Ook de wilde dieren hebben hun aandeel in het uitvoeren van Gods toorn. Er zal geen enkele plek zijn die veiligheid biedt en met niemand zal medelijden zijn.


De HEERE is de Rots van Zijn volk

26Ik zei: Ik zal hen naar alle kanten verspreiden,
Ik zal de gedachtenis aan hen onder de stervelingen doen ophouden,
27ware het niet dat Ik beducht was voor de toorn van de vijand.
Hun tegenstanders zouden het verdraaien
en zeggen: Ónze hand is verheven,
het is niet de HEERE Die dit alles gedaan heeft.
28Want zij zijn een volk dat door raadgevingen verloren gaat,
er is geen inzicht bij hen.
29Waren zij maar wijs, dan zouden zij dit opmerken.
Zij zouden op hun einde letten.
30Hoe zou één [man] er duizend kunnen achtervolgen,
en twee [mannen] er tienduizend laten vluchten,
tenzij hun Rots hen verkocht
en de HEERE hen uitleverde?
31Want hun rots is niet zoals onze Rots,
zelfs onze vijanden kunnen [hierover] oordelen.
32Want hun wijnstok is uit de wijnstok van Sodom
en uit de velden van Gomorra;
hun druiven zijn giftige druiven,
bittere trossen hebben zij.
33Hun wijn is slangenvergif,
en een venijnig gif van adders.
34Is dat niet bij Mij opgeborgen,
verzegeld in Mijn schatkamers?
35Aan Mij komt de wraak en de vergelding toe,
op het tijdstip dat hun voet wankelt.
Voorzeker, de dag van hun ondergang is dichtbij,
en spoedig komen de dingen die hen te wachten staan.
36Want de HEERE zal Zijn volk recht verschaffen,
Hij zal berouw hebben over Zijn dienaren.
Want Hij zal zien dat [hun] kracht is vergaan,
en dat het met de gebondene en de vrije gedaan is.
37Dan zal Hij zeggen: Waar zijn [nu] hun goden,
de rots tot wie zij de toevlucht namen,
38van wie zij het vet van de offers aten,
van wie zij de wijn van de plengoffers dronken?
Laten zij opstaan en u helpen,
laat [daar] een schuilplaats voor u zijn.

Als er niet sprake zou zijn van een Goddelijk ingrijpen, zou niemand ontkomen. Dit ingrijpen van God, waardoor een omkeer tot stand komt, wordt in vers 2727ware het niet dat Ik beducht was voor de toorn van de vijand.
Hun tegenstanders zouden het verdraaien
en zeggen: Ónze hand is verheven,
het is niet de HEERE Die dit alles gedaan heeft.
aangegeven met de woorden ”ware het niet”. Twee motieven liggen aan deze omkeer ten grondslag:
1. de Naam van God in deze wereld, het getuigenis daarvan te midden van de volken (vers 2727ware het niet dat Ik beducht was voor de toorn van de vijand.
Hun tegenstanders zouden het verdraaien
en zeggen: Ónze hand is verheven,
het is niet de HEERE Die dit alles gedaan heeft.
; Jz 7:99Als de Kanaänieten en alle inwoners van het land [dit] zullen horen, zullen zij ons omsingelen en onze naam van de aarde uitroeien. Wat zult U dan voor Uw grote Naam doen?)
en
2. de grootheid van God Zelf (vers 3939Zie nu [in] dat Ik, Ik Die ben,
er is geen God naast Mij.
Ík dood en Ik maak levend,
Ik verwond en Ík genees
en er is niemand die uit Mijn hand redt!
)
.

Als God Zijn volk zou verdelgen, zouden zijn vijanden zich op hun eigen kracht beroemen en de HEERE onvermogend achten Zijn volk te beschermen. In hun vermetelheid hebben zij geen oog voor de ware toestand van Gods volk, net zomin als zij dat voor hun eigen toestand hebben. Het ongeloof is altijd aanmatigend en blind.

Helaas is dit ook van toepassing op Gods volk. Het begrijpt niet dat het alleen door Gods kracht zijn vijanden heeft kunnen verslaan. Het mist het inzicht dat een enkeling een grote overmacht op de vlucht heeft doen slaan omdat hun Rots dat heeft bewerkt. De kracht van Gods volk ligt niet in zelfvertrouwen, maar in vertrouwen op God (Js 30:1515Want zo zegt de Heere HEERE, de Heilige van Israël:
Door terugkeer en rust zou u verlost worden,
in stilheid en vertrouwen zou uw sterkte zijn,
maar u hebt niet gewild.
)
. Door hun zelfvertrouwen zullen de rollen worden omgedraaid (Js 30:17a17Duizend [zullen vluchten] voor het dreigen van één;
voor het dreigen van vijf zult u allen op de vlucht slaan,
tot u bent overgebleven
als een paal op een bergtop,
en als een banier op een heuvel.
)
.

“Hun wijnstok is uit de wijnstok van Sodom” lijkt te slaan op Israëls vijanden die rijp zijn voor het verderf. De maat van hun ongerechtigheid is vol (Gn 15:1616De vierde generatie zal hier terugkeren, want [de maat] van de ongerechtigheid van de Amorieten is tot nu toe niet vol.). God geeft hen daarom over aan het zwaard van Israël dat hen gemakkelijk overwint. De rots van de vijand zijn hun goden. Daarin is geen enkele kracht. De wijnstok geeft hun oorsprong aan. Die ligt in de zondigheid van Sodom en Gomorra. De vrucht is ermee in overeenstemming.

Deze verzen kunnen ook slaan op Israël zelf (Ps 80:99U hebt een wijnstok uit Egypte uitgegraven,
de heidenvolken verdreven en hém geplant.
)
. Zij zijn geplant als een edele wijnstok, een geheel getrouw zaad, maar door de zonde zijn zij veranderd in verbasterde ranken van een vreemde wijnstok (Jr 2:2121Ík had u evenwel geplant, een edele wijnstok,
een volkomen betrouwbare stek.
Hoe bent u tegenover Mij dan veranderd [in] wilde [ranken]
van een uitheemse wijnstok?
)
. Zij hebben de zonde en ongerechtigheid van Sodom overgenomen en die zelfs overtroffen (Jr 23:1414Maar bij de profeten van Jeruzalem
heb Ik iets afschuwelijks gezien:
zij plegen overspel, met leugen gaan zij [hun weg]
zij bemoedigen de kwaaddoeners,
zodat niemand zich bekeert
van zijn slechtheid.
Zij allen zijn voor Mij als Sodom,
en zijn inwoners als Gomorra.
; Ez 16:4848[Zo waar] Ik leef, spreekt de Heere HEERE, Sodom, uw zuster, zij en haar dochters hebben niet zo gedaan als u en uw dochters gedaan hebben!)
. God heeft hen Zijn wijngaard genoemd, een plant van Zijn verlustiging. Hij heeft goede vruchten verwacht, maar Zijn wijngaard heeft stinkende vrucht voortgebracht (Js 5:1-71Ik wil graag voor mijn Beminde zingen,
een lied van mijn Geliefde over Zijn wijngaard.
Mijn Beminde had een wijngaard
op een vruchtbare heuvel.
2Hij spitte hem om en zuiverde hem van stenen,
Hij beplantte hem met edele wijnstokken.
In het midden ervan bouwde Hij een toren,
en hakte ook een perskuip daarin uit.
Hij verwachtte dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
maar hij bracht stinkende druiven voort.
3Nu dan, inwoners van Jeruzalem
en mannen van Juda,
oordeel toch tussen Mij
en Mijn wijngaard.
4Wat is er nog meer te doen aan Mijn wijngaard,
dan wat Ik eraan gedaan heb?
Waarom heb Ik verwacht dat hij [goede] druiven zou voortbrengen,
terwijl hij [slechts] stinkende druiven voortbracht?
5Nu dan, Ik wil u graag bekendmaken
wat Ik met Mijn wijngaard ga doen:
Ik zal zijn omheining wegnemen, zodat hij verwoest zal worden;
Ik zal een bres slaan in zijn muur, zodat hij vertrapt zal worden.
6Ik zal er een wildernis van maken.
Hij zal niet gesnoeid worden of geschoffeld,
maar dorens en distels zullen er opschieten.
En Ik zal de wolken gebieden
geen regen erop te laten neerkomen.
7Want de wijngaard van de HEERE van de legermachten is het huis van Israël,
en de mannen van Juda zijn Zijn lievelingsplant.
Hij verwachtte goed bestuur, maar zie, [het werd] bloedbestuur,
gerechtigheid, maar zie, [het werd] geschreeuw.
)
.

Ze zullen de vrucht ervan zelf drinken en erdoor omkomen. Op welke wijze dat gebeurt, houdt God bij Zichzelf verborgen. Hij vergeet niets van alle zonden die bedreven zijn (Ps 90:88U stelt onze ongerechtigheden voor Uw [ogen],
onze verborgen [zonden] in het licht van Uw aangezicht.
)
, of dat nu de zonden zijn van de volken of die van Zijn eigen, onboetvaardige volk. Hij houdt een register bij dat op de door Hem bepaalde tijd zal worden geopend (Op 20:1212En ik zag de doden, de groten en de kleinen, voor de troon staan; en er werden boeken geopend. En een ander boek werd geopend, namelijk dat van het leven. En de doden werden geoordeeld volgens wat in de boeken geschreven was, naar hun werken.).

Omdat God niet direct oordeelt, gaan mensen rustig door met zondigen (Pr 8:1111Omdat het vonnis over een slechte daad niet snel geveld wordt, daarom blijft het hart van de mensenkinderen in hen vervuld van kwaaddoen.). Maar Zijn wraak zal komen, zowel over de vijanden van Zijn volk (Js 59:1818Naar de daden, daarnaar zal Hij vergelden,
grimmigheid aan Zijn tegenstanders,
vergelding aan Zijn vijanden.
Aan de kustlanden zal Hij vergelden wat [zij] verdienen.
)
als over Zijn eigen afvallige volk (Hb 10:3030Want wij kennen Hem Die gezegd heeft: ‘Aan Mij [de] wraak, Ik zal vergelden’. En opnieuw: ‘[De] Heer zal Zijn volk oordelen’.). Het wankelen van de voet is het beeld van een beginnende val of neerstorting (Ps 38:1717Want ik zei: Laten zij zich toch over mij niet verblijden!
Zou mijn voet wankelen, zij zouden zich tegen mij verheffen.
; 94:1818Toen ik zei: Mijn voet wankelt,
ondersteunde Uw goedertierenheid mij, HEERE.
)
.

Tegelijk met het recht doen aan Zijn volk zal Hij Zich ontfermen over Zijn dienaren (vers 3636Want de HEERE zal Zijn volk recht verschaffen,
Hij zal berouw hebben over Zijn dienaren.
Want Hij zal zien dat [hun] kracht is vergaan,
en dat het met de gebondene en de vrije gedaan is.
)
, dat zijn de getrouwen onder Zijn als geheel ontrouwe volk. Deze getrouwen hebben dubbel te lijden: van de vijandschap van volken om hen heen en van hun goddeloze volksgenoten.

Nog een keer wijst Hij op het einde van alle goddelozen. Er is in hen geen kracht overgebleven. Spottend roept God hen op zich tot hun rots, hun afgoden, te wenden om redding en bescherming: Ga weg en roep tot de goden die u verkozen hebt. Laten die u verlossen ten tijde dat u in nood verkeert!” (Ri 10:1414Ga weg en roep tot de goden die u verkozen hebt. Laten die u verlossen ten tijde dat u in nood verkeert!). Met deze wijze van spreken wil de HEERE Zijn volk van de nietigheid van de afgoden en de dwaasheid van de afgodendienst overtuigen en tot de erkenning brengen van Zijn alleen ware Godheid in vers 3939Zie nu [in] dat Ik, Ik Die ben,
er is geen God naast Mij.
Ík dood en Ik maak levend,
Ik verwond en Ík genees
en er is niemand die uit Mijn hand redt!
.


De HEERE bevrijdt Zijn volk

39Zie nu [in] dat Ik, Ik Die ben,
er is geen God naast Mij.
Ík dood en Ik maak levend,
Ik verwond en Ík genees
en er is niemand die uit Mijn hand redt!
40Want Ik hef Mijn hand op naar de hemel
en zeg: [Zo waar] Ik in eeuwigheid leef:
41Als Ik Mijn glinsterend zwaard wet,
Mijn hand [het] grijpt voor het oordeel,
zal Ik de wraak laten terugkomen op Mijn tegenstanders,
en het hun die Mij haten, vergelden.
42Ik zal Mijn pijlen dronken maken van bloed,
en Mijn zwaard zal vlees eten
van het bloed van de gesneuvelde en de gevangene,
van het hoofd van de vijand [met zijn] loshangende haar.
43Juich, heidenen, [met] Zijn volk!
Want Hij zal het bloed van Zijn dienaren wreken.
Hij zal de wraak laten terugkomen op Zijn tegenstanders,
en Zijn land [en] Zijn volk verzoenen!

In het lied is nu het moment aangebroken dat God Zichzelf aan Zijn volk voorstelt in Zijn verhevenheid en macht. Het contrast met de voorgaande verzen is enorm. Hier zien we dat God de Eeuwige is, de Zijnde, zonder oorsprong, altijd aanwezig op elk denkbaar tijdstip in de eeuwigheid. Hij is ook de volstrekt Enige, buiten Hem is niemand God, met Hem is niemand te vergelijken (Js 43:10b-1110U bent Mijn getuigen, spreekt de HEERE,
en Mijn dienaar die Ik verkozen heb,
opdat u het weet en Mij gelooft,
en begrijpt dat Ik Dezelfde ben:
vóór Mij is er geen God geformeerd
en na Mij zal er geen zijn.
11Ik, Ik ben de HEERE,
buiten Mij is er geen Heiland.
)
.

Evenmin als Hij in Zijn Persoon is te evenaren, is Hij dat in Zijn daden. Hij handelt in volstrekte vrijmacht, zonder dat Hij daarvan aan iemand verantwoording hoeft af te leggen (Js 45:77Ik formeer het licht en schep de duisternis,
Ik maak de vrede en schep het onheil;
Ik, de HEERE, doe al deze dingen.
; Kl 3:37-3837Wie zegt iets en het gebeurt, /mem/
[als] de Heere [het] niet gebiedt?
38Komt niet uit de mond van de Allerhoogste voort /mem/
het kwade en het goede?
)
. Wie zou trouwens zo vermetel zijn Hem ter verantwoording te roepen (Rm 9:2020Ja maar, mens, wie bent u, dat u tegen God het woord opneemt? Zal het maaksel tegen zijn maker zeggen: Waarom hebt u mij zo gemaakt?)? Met onbetwist gezag beschikt Hij over al Zijn schepselen. Dat doet Hij nooit naar willekeur. Zijn handelen heeft altijd een volmaakt rechtvaardige grondslag en is erop gericht te zegenen. Hij doodt, maar Hij doet ieder herleven die Zijn oordeel erkent. Zo zal het met het volk gaan (1Sm 2:66De HEERE doodt en maakt levend,
Hij doet in het graf neerdalen en Hij doet [daaruit] opkomen.
; Js 26:1919Uw doden zullen leven – [ook] mijn dood lichaam – zij zullen opstaan.
Ontwaak en juich, u die woont in het stof,
want Uw dauw zal zijn [als] dauw op jong, fris groen
en de aarde zal de gestorvenen baren.
Hs 5:15-6:215Ik ga en keer terug naar Mijn woonplaats,
totdat zij zich schuldig weten en Mijn aangezicht zoeken.
In hun benauwdheid zullen zij Mij ernstig zoeken.
)
. Wie gelooft, “is uit de dood overgegaan in het leven” (Jh 5:2424Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: wie Mijn woord hoort en gelooft Hem Die Mij heeft gezonden, die heeft eeuwig leven en komt niet in [het] oordeel, maar is uit de dood overgegaan in het leven.).

Hij zweert bij Zichzelf dat Hij al Zijn tegenstanders, allen die voortgaan zich tegen Hem te verzetten, zal oordelen (Ps 7:13-1413Als men zich niet bekeert,
dan zal Hij Zijn zwaard scherpen,
Zijn boog spannen, en aanleggen.
14Hij heeft dodelijke wapens voor Zich gereedgemaakt,
Hij richt Zijn pijlen op de felle achtervolgers.
)
. Dit oordeel zal vreselijk, niets sparend zijn. Het bloed zal in grote hoeveelheden vloeien (Op 14:2020En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden en er kwam bloed uit de wijnpersbak tot aan de tomen van de paarden, zestienhonderd stadiën ver.). De harige hoofden spreken van een hoofdtooi die een volheid van kracht en overmoed in de vijand tot uitdrukking brengt (vgl. Ps 68:2222Ja, God zal de kop van Zijn vijanden verpletteren,
de harige schedel van wie met zijn schuldige wandel doorgaat.
)
. Hun overmoed zal in Gods oordeel geen standhouden. God is genadig en geduldig, maar er komt een ogenblik dat langer geduldig zijn een aantasting van Zijn gerechtigheid zou betekenen. Er komt een einde aan Zijn verdraagzaamheid. Dat is als de mens heeft bewezen een verhard en onbekeerlijk hart te hebben (Rm 2:55Maar naar uw hardheid en onbekeerlijk hart hoopt u voor uzelf toorn op in [de] dag van [de] toorn en van [de] openbaring van [het] rechtvaardig oordeel van God,).

Na de uitvoering van het oordeel worden de naties opgeroepen om te jubelen met Zijn volk. Zijn volk is bevrijd. De vijanden zijn verslagen. De tijd van vrede is aangebroken. Het volk kan gerust wonen en genieten van alle beloofde zegeningen. Groot en eindeloos is de vrede. De Messias regeert. Dat betekent niet alleen zegen voor Israël, maar ook voor de volken. Daarom haalt Paulus vers 43a43Juich, heidenen, [met] Zijn volk!
Want Hij zal het bloed van Zijn dienaren wreken.
Hij zal de wraak laten terugkomen op Zijn tegenstanders,
en Zijn land [en] Zijn volk verzoenen!
in de brief aan de Romeinen aan (Rm 15:1010En verder zegt hij: ‘Weest vrolijk, volken, met Zijn volk’.). Hij toont daarmee aan dat God ook in het Oude Testament al heeft gesproken over barmhartigheid voor de volken.

Die barmhartigheid is niet iets nieuws, iets wat pas in het Nieuwe Testament is geopenbaard. Het gaat niet om de gemeente. Die is in het Oude Testament wél een verborgenheid. Waar het hier om gaat, is duidelijk te maken dat Gods hart in het Oude Testament ook uitgaat naar de volken buiten Israël. Om dat te bewijzen haalt Paulus onder andere dit vers uit Deuteronomium aan, waarin de volken worden opgeroepen om vrolijk te zijn met Gods volk.

De geweldige vrede waarin Israël binnengaat en waarin de volken mogen delen, is het gevolg van de verzoening die God heeft bewerkt. Verzoening kan alleen geschieden door voldoening. Voldoening aan Gods heilige eisen ten aanzien van de zonde en de zonden is door Christus aan het kruis bewerkt. Zondaren die de dood schuldig zijn, heeft Hij met God verzoend door het storten van Zijn bloed. Het land en de schepping, waarop bloedschuld rust (Nm 35:3333U mag het land waarin u woont niet ontheiligen, want het bloed ontheiligt het land. Voor het land kan geen verzoening gedaan worden over het bloed dat erin vergoten wordt, dan door het bloed van degene die dat vergoten heeft.), zullen op grond van datzelfde werk verzoend worden (Ko 1:19-2019Want het behaagde de hele Volheid in Hem te wonen20en door Hem alle dingen tot Zichzelf te verzoenen, na vrede gemaakt te hebben door het bloed van Zijn kruis, <door Hem,> hetzij de dingen op de aarde, hetzij de dingen in de hemelen.).

Voor zondaren is er alleen verzoening als zij zich van hun boze weg bekeren met berouw en belijdenis van hun boze daden, hun zonden. Voor Israël zal dat gebeuren onder de werking van Gods Geest, waardoor ze zullen zien op Hem, “Die zij doorstoken hebben” (Zc 12:1010Maar over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik de Geest van de genade en van de gebeden uitstorten. Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Zij zullen over Hem rouw bedrijven, als [met] de rouwklacht over een enig [kind]; en zij zullen over Hem bitter klagen, zoals men bitter klaagt over een eerstgeborene.). Over verzoening van land en volk lezen we in Daniël 9 (Dn 9:24-2724Zeventig weken zijn er bepaald
over uw volk en uw heilige stad,
om de overtreding te beëindigen,
de zonden te verzegelen,
de ongerechtigheid te verzoenen,
om een eeuwige gerechtigheid [tot stand] te brengen,
om visioen en profeet te verzegelen,
en om de Heiligheid van heiligheden te zalven.25U moet weten en begrijpen:
vanaf [de tijd dat] het woord uitgaat
om te laten terugkeren en om Jeruzalem te herbouwen
tot op Messias, de Vorst, [verstrijken] er zeven weken en tweeënzestig weken.
Plein en gracht zullen opnieuw gebouwd worden,
maar [wel] in benauwde tijden.26Na de tweeënzestig weken
zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hemzelf zijn.
Een volk van een vorst, [een volk] dat komen zal,
zal de stad en het heiligdom te gronde richten.
Het einde ervan zal zijn in de [overstromende] vloed
en tot het einde toe zal er oorlog zijn,
verwoestingen [waartoe] vast besloten is.27Hij zal voor velen het verbond versterken,
één week [lang].
Halverwege de week
zal hij slachtoffer en graanoffer doen ophouden.
Over de gruwelijke vleugel zal een verwoester zijn, zelfs tot aan de voleinding, die, vast besloten, uitgegoten zal worden over de verwoeste.
)
.


Dit woord is uw leven

44En Mozes kwam en sprak al de woorden van dit lied ten aanhoren van het volk, hij en Hosea, de zoon van Nun. 45Toen Mozes geëindigd had al die woorden tot heel Israël te spreken, 46zei hij tegen hen: Neem al de woorden waarmee ik u heden waarschuw, ter harte, zodat u uw kinderen gebiedt al de woorden van deze wet nauwlettend te houden. 47Want het is geen woord zonder inhoud voor u, maar het is uw leven. En door dit woord zult u de dagen verlengen in het land waarvoor u de Jordaan oversteekt om het in bezit te nemen.

Deze verzen vormen een overgang tussen de regering van God in het lied en de plannen van God in de zegen voor elke stam waarover we in het volgende hoofdstuk horen. De inhoud van het lied is het herstel van verloren zegeningen. Na het zingen van het lied dringt Mozes er bij het volk op aan alles ter harte te nemen. Ook moeten zij hun kinderen dit alles inprenten.

Het Woord van God is geen leeg Woord. Het heeft leven in zich en geeft leven aan wie hoort. Wie dit leven bezit, leeft voortdurend door Gods Woord tot zich te nemen. Het luisteren naar Gods Woord is van levensbelang. Niet alleen omdat anders de dood wacht. Het is hun leven in tweeërlei zin. Het ter harte nemen is zowel het leven voor hun ziel als de ware inhoud van hun leven. Dit leven te leven is het echte leven dat tot in lengte van dagen genoten kan worden in het land waar overvloed van zegen is.


De HEERE wijst Mozes op zijn einde

48Vervolgens sprak de HEERE tot Mozes, op diezelfde dag: 49Beklim het Abarimgebergte, dat is de berg Nebo, die in het land van Moab ligt [en] die zich tegenover Jericho bevindt, en zie het land Kanaän, dat Ik aan de Israëlieten in bezit geef. 50En sterf [dan] op de berg die u beklimmen zult, en word verenigd met uw voorgeslacht, zoals uw broer Aäron gestorven is op de berg Hor en met zijn voorgeslacht verenigd is. 51Daarom, omdat u Mij ontrouw bent geweest te midden van de Israëlieten, bij het water van de twist van Kades, in de woestijn Zin, omdat u Mij niet geheiligd hebt te midden van de Israëlieten. 52Want van een afstand zult u het land zien, maar er binnengaan, in het land dat Ik de Israëlieten geef, [dat] mag u niet.

Nadat Mozes het lied heeft uitgesproken en toegepast op de gewetens van de hoorders, zit zijn taak als leidsman van het volk erop. Hij mag nog op dezelfde dag de Nebo beklimmen om vanaf die berg het land te zien waar hij zo naar verlangt, maar dat hij niet binnen mag gaan vanwege een daad van ontrouw (Nm 27:12-1412Daarna sprak de HEERE tot Mozes: Klim deze berg Abarim op, en bezie het land dat Ik de Israëlieten gegeven heb.13Wanneer u het gezien hebt, zult ook u met uw voorgeslacht verenigd worden, net als uw broer Aäron [daarmee] verenigd is.14Dat is omdat u Mijn bevel ongehoorzaam bent geweest in de woestijn Zin, tijdens de twist van de gemeenschap, door Mij voor hun ogen niet te heiligen bij het water. Dat is het water van Meriba, [ter hoogte] van Kades, in de woestijn Zin.). Om zijn pijn hierover te verzachten gunt God in Zijn genade Zijn trouwe dienaar deze blik.

God is een God van medelijden. Hij verzacht het sterven van Mozes ook door hem te herinneren aan het sterven van zijn broer Aäron. Daarbij is hij aanwezig geweest (Nm 20:2828En Mozes trok Aäron zijn kleding uit, en hij trok ze zijn zoon Eleazar aan. En Aäron stierf daar, op de top van de berg. Mozes daalde van de berg af, met Eleazar.). Het moet een waardig afscheid zijn geweest, dat indruk op hem heeft gemaakt.

Het sterven van geliefden die uitzien naar het zijn bij de Heer, is een bemoediging voor ieder die op het punt staat op die manier de aarde te verlaten. Dan zien we niet op wie en wat we achterlaten, maar naar Hem Die we zullen ontmoeten. Met het oog op die ontmoeting zegt Paulus dat we elkaar, als een geliefde ontslaapt, kunnen vertroosten: “Vertroost daarom elkaar met deze woorden” (1Th 4:1818Vertroost daarom elkaar met deze woorden.)).

Mozes is in zijn leven een illustratie van wat het volk zal overkomen. Hij heeft God niet geheiligd en komt niet in het land. De beginselen die hij het volk heeft voor gehouden, gelden ook voor hem, en wel in nog sterkere mate vanwege zijn verantwoordelijke positie.


Lees verder