Deuteronomium
1-10 Bekering en terugkeer naar het land 11-14 Het gebod is niet te moeilijk en niet ver weg 15-20 Voor de keus gesteld
Bekering en terugkeer naar het land

1Het zal gebeuren, wanneer al deze dingen, de zegen en de vervloeking die ik u voorgehouden heb, over u komen, dat u het weer ter harte zult nemen onder alle volken waarheen de HEERE, uw God, u verdreven heeft. 2En u zult zich bekeren tot de HEERE, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn, u en uw kinderen, met heel uw hart en met heel uw ziel, overeenkomstig alles wat ik u heden gebied. 3Dan zal de HEERE, uw God, een omkeer brengen in uw gevangenschap en Zich over u ontfermen. Hij zal u weer bijeenbrengen uit al de volken waarheen de HEERE, uw God, u verspreid had. 4Al bevonden uw verdrevenen zich aan het einde van de hemel, [toch] zal de HEERE, uw God, u vandaar bijeenbrengen en u vandaar weghalen. 5En de HEERE, uw God, zal u naar het land brengen dat uw vaderen in bezit hadden, en u zult het [weer] in bezit nemen; en Hij zal u goeddoen en u talrijker maken dan uw vaderen. 6De HEERE, uw God, zal uw hart en het hart van uw nageslacht besnijden, om de HEERE, uw God, lief te hebben met heel uw hart en met heel uw ziel, zodat u leven zult. 7De HEERE, uw God, zal al deze vervloekingen op uw vijanden leggen en op hen die u haten [en] die u vervolgd hebben. 8En ú zult zich bekeren, de stem van de HEERE gehoorzaam zijn en al Zijn geboden, die ik u heden gebied, houden. 9De HEERE, uw God, zal u overvloed geven in al het werk van uw handen, in de vrucht van uw schoot, in de vrucht van uw vee en in de vrucht van uw land, ten goede. Want de HEERE zal Zich weer ten goede over u verblijden, zoals Hij Zich over uw vaderen verblijd heeft, 10wanneer u de stem van de HEERE, uw God, gehoorzaam bent door Zijn geboden en Zijn verordeningen, die in dit wetboek geschreven zijn, in acht te nemen; wanneer u zich bekeert tot de HEERE, uw God, met heel uw hart en met heel uw ziel.

Dit hoofdstuk laat zien dat God altijd herstel kan geven. Dat geldt voor Israël en dat geldt ook vandaag voor ons, voor de gemeente. De bekering van Israël zal beginnen als ze in de verstrooiing zijn. God zal in hun hart het verlangen naar de terugkeer naar Hem en Zijn land werken. Ze zullen beseffen dat ze vanwege hun zonden uit het land zijn verwijderd en dat ook met schaamte aan God belijden: Dan zullen onder de volken, naar wier gebied zij gevankelijk zullen zijn weggevoerd, uw ontkomenen aan Mij denken, als Ik hun ontuchtig hart verbroken heb, dat van Mij is afgeweken, en hun ogen die overspelig naar hun afgoden lonkten; dan zullen zij van zichzelf walgen om het kwaad, dat zij in al hun gruwelen gedaan hebben” (Ez 6:99Dan zullen diegenen van u die ontkomen, aan Mij denken onder de heidenvolken waar zij gevangengenomen zijn, omdat Ik gebroken ben door hun hart, dat hoererij bedrijft, dat van Mij afgeweken is, en door hun ogen, die in hoererij achter hun stinkgoden aan gaan. Dan zullen zij van zichzelf walgen om de slechte daden die zij door al hun gruweldaden gedaan hebben.).

Een voorvervulling van de terugkeer uit de verstrooiing zien we in de dagen van Ezra en Nehemia, hoewel het daar bijna uitsluitend de terugkeer uit Babel en dus niet uit allerlei volken betreft. We horen in het gebed van Nehemia hoe hij voor het verstrooide Israël pleit bij God op grond van deze belofte (Ne 1:5-115Ik zei: Och, HEERE, God van de hemel, de grote en ontzagwekkende God, Die het verbond en de goedertierenheid in acht neemt voor hen die Hem liefhebben en Zijn geboden in acht nemen.6Laat Uw oor toch opmerkzaam zijn, en Uw ogen open, om te luisteren naar het gebed van Uw dienaar, dat ik heden dag en nacht voor Uw aangezicht bid voor de Israëlieten, Uw dienaren. Ik belijd de zonden van de Israëlieten, die wij tegen U begaan hebben. Ook ik en mijn familie, wij hebben gezondigd.7Wij hebben het grondig bij u verdorven. Wij hebben de geboden, de verordeningen en de bepalingen, die U aan Uw dienaar Mozes geboden hebt, niet in acht genomen.8Denk toch aan het woord dat U Uw dienaar Mozes geboden hebt: [Als] u ontrouw bent, zal Ik u overal onder de volken verspreiden.9Maar [als] u zich tot Mij bekeert en Mijn geboden in acht neemt en die houdt – al bevonden uw verdrevenen zich aan het einde van de hemel, vandaar zal Ik hen bijeenbrengen en hen brengen naar de plaats die Ik gekozen heb om daar Mijn Naam te laten wonen.10Zij zijn toch Uw dienaren en Uw volk, dat U verlost hebt door Uw grote kracht en door Uw sterke hand.11Och, Heere, laat Uw oor toch opmerkzaam zijn op het gebed van Uw dienaar, en op het gebed van Uw dienaren, die er vreugde in vinden Uw Naam te vrezen. Doe Uw dienaar vandaag toch slagen en geef hem barmhartigheid bij deze man. Ik was namelijk de schenker van de koning.). De uiteindelijke vervulling zal gebeuren op grond van Gods belofte aan Zijn Messias (Js 49:6a6Hij zei: Het is te gering dat U voor Mij een Knecht zou zijn
om op te richten de stammen van Jakob
en om hen die van Israël gespaard werden, terug te brengen.
Ik heb U ook gegeven tot een Licht voor de heidenvolken,
om Mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.
)
.

We leven in een tijd van groot verval waardoor de christenheid als geheel wordt gekenmerkt. Op het geheel staat ‘Babel’ – dat betekent ‘verwarring’ – geschreven. De gelovigen zijn in alle windrichtingen verstrooid. Maar voor allen die zich onder deze situatie voor Gods aangezicht buigen, is er terugkeer naar de verloren zegeningen mogelijk.

God heeft ons door dit bijbelboek veel willen laten zien van de zegen van het land en de plaats waar Hij woont. Het zicht op deze dingen kunnen we kwijtraken als we niet bij de Heer blijven. Maar altijd kan Hij herstel geven, zoals hier in vers 22En u zult zich bekeren tot de HEERE, uw God, en Zijn stem gehoorzaam zijn, u en uw kinderen, met heel uw hart en met heel uw ziel, overeenkomstig alles wat ik u heden gebied.. Herstel kan de zaak zijn van de enkeling, maar het kan zich uitbreiden. God wil Zijn hele volk vergaderen rondom Zichzelf. Er is herstel ook van het land.

Bij die zegen van het land hoort een besneden hart (vers 66De HEERE, uw God, zal uw hart en het hart van uw nageslacht besnijden, om de HEERE, uw God, lief te hebben met heel uw hart en met heel uw ziel, zodat u leven zult.). De besnijdenis van het hart is een geestelijke besnijdenis (Rm 2:2929maar hij is een Jood die het in het verborgen is, en [dat is] besnijdenis: [die] van [het] hart, naar [de] Geest, niet naar [de] letter; zijn lof is niet van mensen, maar van God.). Deze besnijdenis kan alleen gebeuren in verbinding met het werk van Christus (Ko 2:1111In Hem bent u ook besneden met een besnijdenis, niet met handen verricht, in het uittrekken van het lichaam van het vlees, in de besnijdenis van Christus,). Voor Israël betekent het de erkenning dat wat de eigen verantwoordelijkheid betreft, elke zegen hopeloos verloren is.

Alleen bij iemand die besneden van hart is, is er liefde tot God. Dan richten hart en ziel van de mens zich op God en krijgt hij oog voor de verborgen dingen. Dat gebeurt als God in genade aan het werk gaat, waar de mens alles in zijn werken heeft verdorven. God werkt de overtuiging daarvan in de harten. De besnijdenis die Hij verricht, is het brengen tot zelfoordeel en het innemen van de plaats van genade. Die houding wordt door Hem met zegen beantwoord.

Het eerste gevolg van een dergelijke oprechte en diepgaande bekering is liefde voor de HEERE, hun God, en dat met hun hele wezen. Dat is tegelijk het uitgangspunt en motief voor hun leven. Een tweede gevolg is dat ze een overvloediger zegen van de HEERE zullen krijgen dan ze zijn kwijtgeraakt. Wat hun vijanden betreft, die zullen omkomen door de plagen die eerst over het volk zijn gekomen.

Bij bekering doet God voor Zijn volk alles ten goede keren. Bij de verstokte vijanden van Zijn volk doet Hij alles ten kwade keren. Op een volk dat of een persoon die zich bekeert, rust Gods welgevallen. Zij behagen Hem omdat zij God Zijn plaats geven en zij tegenover Hem hun juiste plaats innemen. Er is harmonie ontstaan. De volgende verzen laten zien hoe dat is gebeurd.


Het gebod is niet te moeilijk en niet ver weg

11Want dit gebod, dat ik u heden gebied, is niet te moeilijk voor u en het is niet ver weg. 12Het is niet in de hemel, zodat [u] zou kunnen zeggen: Wie zal voor ons naar de hemel opstijgen om het voor ons te halen en ons te laten horen, zodat wij het kunnen doen? 13Het is ook niet aan de overzijde van de zee, zodat [u] zou kunnen zeggen: Wie zal voor ons oversteken naar de overzijde van de zee om het voor ons te halen en [het] ons te laten horen, zodat wij het kunnen doen? 14Want dit woord is heel dicht bij u, in uw mond en in uw hart, om het te doen.

De bedoeling van deze verzen is om ons te laten zien dat wat God van een mens of van Zijn volk vraagt, niet te zwaar is. Er wordt geen enkele persoonlijke inspanning gevraagd: het is “niet te moeilijk … en … niet ver weg”. Ook wordt Gods gebod in verstaanbare (“in uw mond”) en begrijpelijke (“in uw hart”) taal gegeven. God heeft van Zijn kant alles zo gemaakt, dat de mens zonder enige inspanning kan voldoen aan Zijn geboden en daardoor de zegen kan genieten. Waarom? Omdat elke inspanning van de mens tot mislukken is gedoemd. Waardoor? Doordat de mens van nature verdorven is.

Daarover gaat het in Romeinen 10, waar deze verzen uit Deuteronomium worden aangehaald en uitgelegd: Want Mozes beschrijft de gerechtigheid die op grond van <de> wet is: ‘De mens die <deze dingen> heeft gedaan, zal daardoor leven’. Maar de gerechtigheid die op grond van geloof is, spreekt zo: Zeg niet in uw hart: ‘Wie zal in de hemel opklimmen?’ – dat is Christus doen afdalen; of ‘Wie zal in de afgrond neerdalen?’ – dat is Christus uit [de] doden doen opkomen. Maar wat zegt zij? ‘Het woord is dicht bij u, in uw mond en in uw hart’” (Rm 10:5-85Want Mozes beschrijft de gerechtigheid die op grond van <de> wet is: ‘De mens die <deze dingen> heeft gedaan, zal daardoor leven’.6Maar de gerechtigheid die op grond van geloof is, spreekt zo: Zeg niet in uw hart: ‘Wie zal in de hemel opklimmen?’ – dat is Christus doen afdalen;7of: ‘Wie zal in de afgrond neerdalen?’ – dat is Christus uit [de] doden doen opkomen.8Maar wat zegt zij? ‘Het woord is dichtbij u, in uw mond en in uw hart’. Dit is het woord van het geloof dat wij prediken:).

Paulus spreekt hier over mensen die hebben gejaagd naar een wet van gerechtigheid, zonder echter dat doel te bereiken. Pas als een mens het nutteloze van zijn inspanningen inziet, krijgt hij oog voor Christus als het einde van de wet. Dan is hij klaar met zijn inspanningen en gelooft hij tot gerechtigheid (Rm 10:3-43Want daar zij Gods gerechtigheid niet kennen en hun eigen <gerechtigheid> trachten op te richten, hebben zij zich aan de gerechtigheid van God niet onderworpen.4Want Christus is [het] einde van [de] wet tot gerechtigheid voor ieder die gelooft.). Het einde van de wet wordt niet bereikt als men die houdt, maar als men erkent dat het onmogelijk is de wet te houden. Dan wordt het hart gericht op Christus.

Dan wordt het doel van de wet geciteerd: ‘Doe dit en u zult leven’ (Rm 10:55Want Mozes beschrijft de gerechtigheid die op grond van <de> wet is: ‘De mens die <deze dingen> heeft gedaan, zal daardoor leven’.; Lv 18:55Mijn verordeningen en Mijn bepalingen moet u in acht nemen. De mens die ze houdt, zal erdoor leven. Ik ben de HEERE.). God geeft daarmee aan dat iemand zijn eigen gerechtigheid kan verdienen door zich aan de wet te houden. Maar er is niemand die de wet heeft gehouden. Er is wel een andere manier om gerechtigheid te krijgen en dat is op grond van geloof. Alleen is er dan geen sprake meer van een eigen gerechtigheid.

Als het om geloof gaat, is juist alle eigen inspanning om in de hemel te komen, uitgesloten. Dat bedoelt Paulus als hij uit dit gedeelte in Deuteronomium citeert en zegt: “Zeg niet in uw hart: ‘Wie zal in de hemel opklimmen?’” In het woord ‘opklimmen’ ligt die gedachte van op eigen kracht de hemel bereiken. Zolang dat gedacht wordt, wordt tekortgedaan aan het werk van Christus en wordt Hij weer naar beneden gehaald.

Paulus voegt eraan toe ook niet in het hart te zeggen: “Wie zal in de afgrond neerdalen?” Daarmee geeft hij aan dat men ook niet zelf in de afgrond hoeft neer te dalen om in een soort boetedoening de eigen schuld uit te wissen. Dat is ook onmogelijk. Wie kan ooit afdalen in de diepten van ellende waarin Christus is afgedaald? Wie dat toch probeert, laat Christus als het ware uit de doden opkomen. Eigen pogingen tot boetedoening zijn een bewijs dat het overbodig wordt gevonden dat Hij is gestorven, want wie dit doet, meent zelf zijn schuld te kunnen uitboeten.

Mozes spreekt nog over het oversteken naar de overkant van de zee. Alsof ergens op aarde, op een ver verwijderde plaats, het gebod verkrijgbaar is. Als enig mens het van daar zou kunnen ophalen, zouden wij het kunnen volbrengen. Maar het is niet nodig stad en land af te reizen of bedevaarten te maken om vervolgens te menen dat we daarmee hebben voldaan aan Gods geboden. Zo zijn bijvoorbeeld veel mensen naar het oosten gereisd om hun heil in oosterse godsdiensten te vinden.

Mozes spreekt tot het overblijfsel dat in den vreemde tot bekering is gekomen en geleerd heeft dat het volslagen afhankelijk is van de genade van God. De wet hebben ze niet kunnen volbrengen, wat moeten ze dan doen? Hoe kunnen ze hersteld worden? Moeten ze die genade in de hemel gaan halen of aan de andere kant van de zee gaan halen? Deze vragen zijn zonder de sleutel van Romeinen 10 niet te begrijpen en daarom zeker niet op te lossen.

Als het volk eenmaal zijn Messias, Christus, heeft aangenomen, zal God Zijn wetten in hun verstand geven en in hun harten schrijven (Hb 8:1010Want dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël zal maken, zegt [de] Heer: Ik zal Mijn wetten in hun verstand geven en Ik zal ze in hun harten schrijven; en Ik zal hun tot een God en zij zullen Mij tot een volk zijn.). Dan zullen alle door God gedane beloften vervuld worden aan een volk dat Hem kent. Tegenover hun ongerechtigheden is Hij genadig en hun zonden zal Hij niet meer gedenken (Jr 31:31-3431Zie, er komen dagen, spreekt de HEERE, dat Ik met het huis van Israël en met het huis van Juda een nieuw verbond zal sluiten,32niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb op de dag dat Ik hun hand vastgreep om hen uit het land Egypte te leiden – Mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ík hen getrouwd had, spreekt de HEERE.33Voorzeker, dit is het verbond dat Ik na die dagen met het huis van Israël sluiten zal, spreekt de HEERE: Ik zal Mijn wet in hun binnenste geven en zal die in hun hart schrijven. Ik zal hun tot een God zijn en zíj zullen Mij tot een volk zijn.34Dan zullen zij niet meer eenieder zijn naaste en eenieder zijn broeder onderwijzen door te zeggen: Ken de HEERE, want zij zullen Mij allen kennen, vanaf hun kleinste tot hun grootste toe, spreekt de HEERE. Want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en aan hun zonde niet meer denken.).

Hoe kan God genade bewijzen aan een volk dat het volkomen heeft verknoeid? Dat kan alleen door Christus. Voor hen die door geloof met Christus verbonden zijn, zijn de geboden van God niet onbereikbaar en niet onuitvoerbaar. Voor hen werkt God in de mond en in het hart, zo dichtbij. Het hart gelooft, de mond belijdt. Het gaat om Christus. Wie Hem heeft, heeft de behoudenis, heeft het herstel.

Voor ons begint de weg van herstel als wij weer Jezus als Heer gaan belijden. Dat wil zeggen dat ieder lid van het volk de rechten van de Heer Jezus op zijn leven gaat erkennen. Voor zulke gelovigen zijn de geboden van God niet zwaar (1Jh 5:33Want dit is de liefde van God, dat wij Zijn geboden bewaren; en Zijn geboden zijn niet zwaar.). Die geboden zijn niet de geboden van de wet van Mozes, want die geboden zijn gegeven aan de zondige mens en zijn door hem niet te houden. De geboden waarover Johannes schrijft, zijn geboden die volledig passen bij het nieuwe leven, het eeuwige leven.

Wie gelooft in het rechtvaardige handelen van God, weet dat God in Christus heel dichtbij is gekomen. Hij is zó dichtbij gekomen, dat Hij Zijn woord “in uw mond en in uw hart” heeft gelegd. We zijn behouden geworden omdat het woord van het geloof aan ons is gepredikt. De inhoud van de prediking is: Jezus als Heer belijden met de mond en geloven met het hart dat God Hem uit de doden heeft opgewekt (Rm 10:99dat, als u met uw mond Jezus als Heer zult belijden en met uw hart geloven dat God Hem uit [de] doden heeft opgewekt, u behouden zult worden.).

De volgorde is wel opmerkelijk: eerst de mond en dan het hart. De mond wordt het eerst genoemd omdat ons geloof door anderen alleen waar te nemen is door wat men van ons hoort en ziet. Je kunt van iemand niet zeggen dat hij behouden is als je daarvan niets merkt in zijn spreken en gedrag.


Voor de keus gesteld

15Zie, ik heb u heden het leven en het goede voorgehouden, maar [ook] de dood en het kwade. 16Want ik gebied u heden de HEERE, uw God, lief te hebben, in Zijn wegen te gaan en Zijn geboden, Zijn verordeningen en Zijn bepalingen in acht te nemen. Dan zult u leven en talrijk worden, en zal de HEERE, uw God, u zegenen in het land waar u naartoe gaat om het in bezit te nemen. 17Maar als uw hart zich afkeert en u niet luistert, en u zich laat verleiden om u voor andere goden neer te buigen en die te dienen, 18dan verkondig ik u heden dat u zeker zult omkomen; u zult [uw] dagen niet verlengen in het land waarvoor u de Jordaan oversteekt om er te komen [en] het in bezit te nemen. 19Ik roep heden de hemel en de aarde tot getuigen tegen u: het leven en de dood heb ik u voorgehouden, de zegen en de vloek! Kies dan het leven, opdat u leeft, u en uw nageslacht, 20door de HEERE, uw God, lief te hebben, Zijn stem te gehoorzamen en u aan Hem vast te houden – want Hij is uw leven en de verlenging van uw dagen – om te blijven in het land dat de HEERE uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft hun te geven.

Mozes vat de hele inhoud van zijn toespraak over de wet samen in de begrippen “het leven en het goede … de dood en het kwade” (vgl. Dt 11:2626Zie, ik houd u heden zegen en vloek voor:). De liefde is de voorwaarde om de geboden te kunnen vervullen (Dt 6:55Daarom zult u de HEERE, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw kracht.). De keus die Mozes hun voorhoudt, heeft ook gevolgen voor hun nageslacht. Ouders die ervoor kiezen de Heer van harte te volgen, mogen er in het algemeen op rekenen dat hun kinderen hen in hun keus zullen volgen. Hetzelfde geldt bij een keus voor het kwade.

Bij de keus die Mozes hier aan het volk voorhoudt, staan we aan het begin van de geschiedenis van het volk in het land. Aan het einde van de geschiedenis van het volk in het land zal Jeremia het volk nog een keer die keus voorhouden, vlak voordat het in ballingschap zal gaan: En tegen dit volk moet u zeggen: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik houd u de weg naar het leven en de weg naar de dood voor” (Jr 21:88En tegen dit volk moet u zeggen: Zo zegt de HEERE: Zie, Ik houd u de weg naar het leven en de weg naar de dood voor.). De keus is daar om vrijwillig de plaats van het oordeel in te nemen en de stad uit te gaan en zich over te geven aan de door God gezonden vijand.

Liefde is het motief, gehoorzaamheid is de uiting en aan Hem vasthouden geeft de kracht om vol te houden (vers 2020door de HEERE, uw God, lief te hebben, Zijn stem te gehoorzamen en u aan Hem vast te houden – want Hij is uw leven en de verlenging van uw dagen – om te blijven in het land dat de HEERE uw vaderen, Abraham, Izak en Jakob, gezworen heeft hun te geven.). Als dat aanwezig is, zal het leven geleefd kunnen worden zoals God het heeft bedoeld. De uitdrukking “Hij is uw leven” kan ook worden vertaald als ‘dat is uw leven’.


Lees verder