Deuteronomium
1-7 Og in de hand van Israël gegeven 8-17 Het deel van de tweeënhalve stam 18-20 Verplichting van de tweeënhalve stam 21-22 Jozua door Mozes bemoedigd 23-25 Mozes’ gebed om genade 26-27 Het antwoord van de HEERE 28-29 Jozua zal het volk in het land brengen
Og in de hand van Israël gegeven

1Daarna keerden wij om en trokken op in de richting van Basan. En Og, de koning van Basan, trok uit ten strijde, hij en heel zijn volk, ons tegemoet bij Edreï. 2Toen zei de HEERE tegen mij: Wees niet bevreesd voor hem, want Ik heb hem, heel zijn volk en zijn land in uw hand gegeven; u moet met hem doen zoals u met Sihon, de koning van de Amorieten, die in Hesbon woonde, gedaan hebt. 3En de HEERE, onze God, gaf ook Og, de koning van Basan, en heel zijn volk in onze hand, zodat wij hem versloegen, tot er niemand van hem was overgebleven. 4Wij namen in die tijd al zijn steden in: zestig steden, heel het gebied Argob, het koninkrijk van Og in Basan. Er was geen stad die wij van hen niet innamen. 5Al die steden waren versterkt met hoge muren, poorten en grendels. Daarnaast [namen wij] zeer veel steden zonder muur [in]. 6Wij sloegen ze met de ban, zoals wij gedaan hadden bij Sihon, de koning van Hesbon. Wij sloegen elke stad met de ban: mannen, vrouwen en kleine kinderen. 7Al het vee en de buit van die steden roofden wij echter voor onszelf.

Og heeft zich door de nederlaag van Sihon niet laten waarschuwen. Vermetel, rekenend op eigen kracht, trok hij Israël tegemoet om er tegen te strijden. Met zijn reusachtige lengte, af te leiden uit de maat van zijn bed (vers 1111Want alleen Og, de koning van Basan, was van de rest van de Refaïeten overgebleven. Zie, zijn bed was een bed van ijzer. Bevindt het zich niet in Rabba van de Ammonieten? De lengte ervan is negen el, en de breedte vier el, [gemeten] naar de elleboog van een man.), moet hij grote indruk op Gods volk hebben gemaakt. Vandaar de bemoediging van de HEERE dat ze niet bang voor hem hoefden te zijn en dat Hij hem en zijn volk en land in hun hand zou geven. De vorige overwinning, die over Sihon, wordt als bewijs aangehaald. Zoals God sprak, zo deed Hij.

De overwinning op Og wordt vaak samen met die op Sihon vermeld (Jz 9:1010en alles wat Hij gedaan heeft aan de twee koningen van de Amorieten die aan de overzijde van de Jordaan [woonden]: Sihon, de koning van Hesbon, en Og, de koning van Basan, die in Astharoth [woonde].; Ps 135:10-1110Hij versloeg vele volken
en doodde machtige koningen:
11Sihon, de koning van de Amorieten,
en Og, de koning van Basan,
en al de koninkrijken van Kanaän.
; 136:19-2019Sihon, de koning van de Amorieten,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig;
20en Og, de koning van Basan,
want Zijn goedertierenheid is voor eeuwig.
)
. De gebieden waarover deze koningen regeerden, zijn de eerste gebieden die Israël heeft veroverd. Ze lagen beide aan de oostelijke kant van de Jordaan, ook wel het Overjordaanse genoemd. Voor de christen stellen zij vijanden voor met wie hij te maken krijgt als hij de zegeningen van het hemelse land in bezit wil nemen. Voordat die strijd begint, moet eerst de vijand overwonnen worden die hij in het leven van elke dag ontmoet.

In Sihon ontmoeten we een mens die trots is en een verhard hart heeft. Bij hem ligt de nadruk op de geest, het verstand van de mens. Hij beziet zijn bezittingen als zijn eigendom, het is van hem. God staat buiten zijn denken. Hij is koning van Hesbon. Over de betekenis van de naam Hesbon, of Chesbon, kreeg ik het volgende van een zuster uit Israël als verklaring:

‘Hier nog een korte uitleg over Chesbon. Ieder Hebreeuws werkwoord bestaat uit een stam van meestal drie letters. In dit geval is dat ch’sh’v (spreek uit chashav) wat betekent denken of nadenken. Het woord chesbon wordt in het dagelijkse Ivriet van nu gebruikt voor rekenles (op de basisschool) maar ook voor een factuur of berekening.’

Uit deze verklaring kunnen we de toepassing maken dat in Sihon, die koning is van Hesbon, iemand wordt gezien die steunt op zijn verstand, zijn intellect en God buiten zijn denken sluit. Hij zegt van zijn bezittingen: ‘Ik heb er toch hard voor gewerkt, waarom zou ik God er dan voor danken?’ De vraag mag wel worden gesteld: Hoe bezien wij onze gezondheid en geld en goederen? Als iets waar we recht op hebben en wat wij voor onszelf kunnen gebruiken of als iets waarmee we de Heer kunnen dienen? De Heer wil ons leren ook dit als een erfdeel uit Zijn hand te ontvangen. Daarom zullen we het onder strijd moeten veroveren, dat wil zeggen dat het moeite kost om onze aardse zegeningen zo te gaan zien.

Bij Og ligt de nadruk meer op de ziel, de begeerte. Hij had een groot bed. Dat is de wijze waarop Og geniet van wat hij heeft: in luiheid en gemakzucht. Besteden wij onze vakantie en vrije tijd alsof het iets is wat ons toebehoort? Die dingen moeten we onttrekken aan het machtsgebied van Og om er iets mee te doen voor de Heer. De tijdgeest van de wereld komt ook bij ons. We staan op onze rechten, zonder dat we eraan denken dat God het ons heeft gegeven. Als deze dingen onze dankbaarheid naar God doen gaan, zullen we ons bezig gaan houden met ‘het land’.

We moeten trouwens ook niet doorslaan naar de andere kant. Zo zijn we niet dood voor alles van de natuur. Dan zouden we ook niet meer moeten eten en drinken. De dingen van de aarde zijn ons gegeven door God en wij danken Hem ervoor, maar het zijn niet onze christelijke, hemelse zegeningen.

Og onderging hetzelfde lot als Sihon. De overwinning was groot. Na een trektocht van veertig jaar door de woestijn, waar ze waarschijnlijk geen stad hebben gezien, kwamen ze nu tegenover onneembaar geachte vestingen te staan. Maar voor een volk met God aan zijn zijde is geen obstakel te groot. Maar liefst zestig versterkte steden werden ingenomen en ook alle (“heel veel”) onversterkte steden. Met God is het zwakste volk de machtigste vijand de baas.

Er werd niet gestreden om niet overwonnen te worden en vrij te blijven, er werd gestreden om zelf te overwinnen en in bezit te nemen. De vijanden werden uitgedelgd, niet vanwege een wrede, wrekende God. God is een genadig God. Hij geeft altijd de gelegenheid aan het oordeel te ontkomen. Maar God laat een rechtvaardig oordeel komen over onbekeerlijkheid.


Het deel van de tweeënhalve stam

8Zo namen wij in die tijd het land uit de hand van de twee koningen van de Amorieten, die aan deze zijde van de Jordaan [woonden], vanaf de beek Arnon tot aan de berg Hermon 9– de Sidoniërs noemen de Hermon Sirjon en de Amorieten noemen hem Senir – 10al de steden van de hoogvlakte, heel Gilead en heel Basan, tot aan Salcha en Edreï, steden van het koninkrijk van Og in Basan. 11Want alleen Og, de koning van Basan, was van de rest van de Refaïeten overgebleven. Zie, zijn bed was een bed van ijzer. Bevindt het zich niet in Rabba van de Ammonieten? De lengte ervan is negen el, en de breedte vier el, [gemeten] naar de elleboog van een man. 12Dit land namen wij in die tijd in bezit. Vanaf Aroër, dat aan de beek Arnon ligt, gaf ik het, met de helft van het bergland van Gilead en zijn steden, aan de Rubenieten en de Gadieten. 13De rest van Gilead, en heel Basan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan de halve stam Manasse, heel het gebied Argob. Dat gehele Basan wordt het land van de Refaïeten genoemd. 14Jaïr, de zoon van Manasse, nam heel het gebied Argob in, tot aan het gebied van de Gesurieten en Maächatieten, en hij noemde het, [als] Basan, naar zijn [eigen] naam: dorpen van Jaïr. [Zo heten ze] tot op deze dag. 15Aan Machir gaf ik Gilead. 16Aan de Rubenieten en Gadieten gaf ik [het gebied] vanaf Gilead tot aan de beek Arnon (tot het midden van de beek en het [bijbehorend] gebied) en tot aan de beek Jabbok, het gebied van de Ammonieten; 17verder de Vlakte, de Jordaan en het gebied vanaf Kinnereth tot aan de zee van de Vlakte, de Zoutzee, onder aan de hellingen van de Pisga, waar [de zon] opkomt.

In de overwinning op de twee koningen van de Amorieten heeft Mozes een voorproef gehad van de overwinningen die het volk in het land zal behalen. Na de overwinning over de Amorieten te hebben verhaald, herinnert hij aan het verdelen van het Overjordaanse onder de tweeënhalve stam (Nm 32:31-4031De nakomelingen van Gad en de nakomelingen van Ruben antwoordden: Wat de HEERE tot uw dienaren gesproken heeft, dat zullen wij doen.32Wij zullen zelf toegerust [voor de strijd] oversteken naar het land Kanaän, voor het aangezicht van de HEERE, maar ons eigen erfelijk bezit zullen wij aan deze kant van de Jordaan hebben.33Toen gaf Mozes aan hen, aan de nakomelingen van Gad, aan de nakomelingen van Ruben en aan de halve stam Manasse, de zoon van Jozef, het koninkrijk van Sihon, de koning van de Amorieten, en het koninkrijk van Og, de koning van Basan, het land met de steden in hun gebieden, de steden van het land rondom.34En de nakomelingen van Gad herbouwden Dibon, Ataroth, Aroër,35Atroth-Sofan, Jaëzer, Jogbeha,36Beth-Nimra en Beth-Haran, versterkte steden en schaapskooien.37En de nakomelingen van Ruben herbouwden Hesbon, Eleale, Kirjathaïm,38Nebo, en Baäl-Meon, waarvan zij de naam hadden veranderd, en Sibma; en zij gaven de steden die zij herbouwd hadden, andere namen.39En de nakomelingen van Machir, de zoon van Manasse, gingen naar Gilead en namen dat in, en zij verdreven de Amorieten die daar woonden.40Zo gaf Mozes Gilead aan Machir, de zoon van Manasse, en hij woonde daarin.). Ook hier zal hij eenzelfde ervaring hebben opgedaan en iets hebben geproefd van de verdeling van het beloofde land als het volk daar zal zijn.


Verplichting van de tweeënhalve stam

18Verder gebood ik u in die tijd: De HEERE, uw God, heeft u dit land gegeven om het in bezit te nemen. Alle dappere mannen moeten echter gewapend verdertrekken, voor uw broeders, de Israëlieten, uit. 19Alleen uw vrouwen, uw kleine kinderen en uw vee (ik weet dat u veel vee hebt) mogen in uw steden blijven, die ik u gegeven heb. 20Pas wanneer de HEERE [ook] aan uw broeders rust gegeven heeft, net als aan u, en ook zij het land in bezit hebben genomen dat de HEERE, uw God, hun geven zal aan de overzijde van de Jordaan, [pas] dan mag u terugkeren, eenieder naar zijn bezit, dat ik u gegeven heb.

Mozes vergeet niet dat deze kant van de Jordaan niet het beloofde land is. Het land waar de zegen van God wordt genoten, ligt nog voor hen. Hij herinnert aan de verplichting die tweeënhalve stam op zich heeft genomen om eerst mee te helpen het land te veroveren.

Wij kunnen hiervan leren dat we niet alleen op onze eigen belangen moeten zien, maar ook op die van anderen (Fp 2:44laat ieder niet [alleen] op zijn eigen [belangen], maar ieder <ook> op die van anderen zien.). Als wij zelf rust hebben, zullen we die ook voor onze broeders zoeken. Wij zijn leden van elkaar en in de zegen van onze medegelovige is ook onze zegen gelegen. Daar zullen we ons voor inzetten.


Jozua door Mozes bemoedigd

21Aan Jozua gebood ik in die tijd: Uw ogen hebben alles gezien wat de HEERE, uw God, met deze twee koningen gedaan heeft; zo zal de HEERE doen met alle koninkrijken waar u naartoe trekt. 22Wees niet bevreesd voor hen, want de HEERE, uw God, Hij is het die voor u strijdt.

Mozes, de oudere gelovige, heeft Jozua, de jongere gelovige, bemoedigd. Hij heeft hem gewezen op wat God heeft gedaan en op wat Hij heeft beloofd. Iets met eigen ogen zien maakt de heilshandelingen van God ten aanzien van Zijn volk voor elke generatie actueel. Mozes gebruikt deze uitdrukking vaker in dit boek (Dt 4:3,93Uw ogen hebben gezien wat de HEERE gedaan heeft vanwege Baäl-Peor: dat de HEERE, uw God, iedereen die achter Baäl-Peor aan ging, uit uw midden weggevaagd heeft.9Alleen, wees op uw hoede en neem uzelf zeer in acht! Anders vergeet u de dingen die uw ogen gezien hebben, en anders wijken ze uit uw hart alle dagen van uw leven. U moet ze uw kinderen en uw kleinkinderen bekendmaken:; 7:1919de grote beproevingen die uw ogen gezien hebben, de tekenen, de wonderen, de sterke hand en de uitgestrekte arm waarmee de HEERE, uw God, u uitgeleid heeft. Zo zal de HEERE, uw God, doen met al de volken voor wie u bevreesd bent.; 9:1717Toen pakte ik de twee tafelen, wierp ze uit mijn beide handen weg en brak ze voor uw ogen in stukken.; 10:2121Hij is uw lof en Hij is uw God, Die bij u deze grote en ontzagwekkende dingen gedaan heeft, die uw ogen gezien hebben.; 11:1212[Het is] een land waar de HEERE, uw God, voor zorgt: voortdurend rusten de ogen van de HEERE, uw God, daarop, van het begin van het jaar tot het einde van het jaar.; 34:44En de HEERE zei tegen hem: Dit is het land waarvan Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb: Aan uw nageslacht zal Ik het geven. Ik heb het u met uw [eigen] ogen laten zien, maar u mag daarheen niet oversteken.).

In Mozes zien we hier ook een beeld van de Heer Jezus als Degene Die voor ons gestorven is en is opgestaan. Dat zien we in het beeld van de Rode Zee. Vervolgens zien we hoe Hij ons leidt door de woestijn, die een beeld is van wat de wereld voor het geloof is. Jozua is een beeld van de Heer Jezus als de opgewekte en verheerlijkte Heer Die Zijn volk invoert in en deelgenoot maakt van de zegen van het land.


Mozes’ gebed om genade

23Ook smeekte ik de HEERE in die tijd om genade en zei: 24Heere, HEERE! Ú bent begonnen aan Uw dienaar Uw grootheid en Uw sterke hand te tonen. Want welke god is er in de hemel en op de aarde die zulke werken en machtige daden kan doen als U? 25Laat mij toch oversteken en dat goede land zien, dat aan de overzijde van de Jordaan is, dat goede bergland en de Libanon!

Mozes herinnert eraan hoe hij de HEERE smeekte of hij het land toch nog mocht binnentrekken. Hij spreekt hier niet over zijn falen en de straf van God, maar over zijn verlangen het land in te trekken. Nadat hij Jozua heeft bemoedigd met het oog op het veroveren van het land, zal er bij Mozes weer dat diepe verlangen opgesprongen zijn om ook mee het land binnen te gaan.

Hij heeft zijn vraag niet in opstandigheid uitgesproken. Hij heeft gevraagd niet het land binnen te gaan om er als leider op te treden, om zichzelf te laten gelden. Zijn vraag is niet voortgekomen uit jaloersheid op Jozua. Het is hem om het land zelf gegaan. Hij heeft met grote bewondering gesproken over het erfdeel dat de HEERE voor Zijn volk heeft klaarliggen en het “het goede land” en “dat goede bergland” genoemd. Hij waardeert Gods land ten volle. Net als Mozes heeft de Heer Jezus uitgezien naar dat land. Het was voor Hem “de vreugde die voor Hem lag” (Hb 12:22terwijl wij zien op Jezus, de overste Leidsman en de Voleinder van het geloof, Die om de vreugde die vóór Hem lag, [het] kruis heeft verdragen, terwijl Hij [de] schande heeft veracht, en Die is gaan zitten aan [de] rechterzijde van de troon van God.). Geven wij Hem gelegenheid ons in dat land in te voeren als de ware Jozua?

Mozes heeft een beroep op God gedaan om af te maken waarmee Hij was begonnen. Mozes heeft al zoveel van Hem mogen zien, vooral in de verovering van de koninkrijken van Sihon en Og, nu zou hij graag ook de afronding willen zien. God heeft gezegd dat hij niet mocht overtrekken. Toch heeft hij gevraagd of hij mocht overtrekken. Hij heeft dat niet gedaan omdat hij God kende, maar was de HEERE niet eerder op iets teruggekomen door een gebed van Mozes? Denken we maar aan het voornemen van God om het volk uit te roeien na de zonde met het gouden kalf en na de weigering het land binnen te trekken. Maar op grond van Mozes’ voorbede heeft Hij toen vergeving geschonken (Nm 14:2020De HEERE zei: Op uw woord heb Ik hun vergeven.).


Het antwoord van de HEERE

26Maar de HEERE was verbolgen op mij, vanwege u, en Hij luisterde niet naar mij. En de HEERE zei tegen mij: Laat het u genoeg zijn; spreek niet meer tot Mij over deze zaak. 27Klim naar de top van de Pisga, sla uw ogen op naar het westen, het noorden, het zuiden en waar [de zon] opkomt, en bekijk [het land] met eigen ogen; want u zult deze Jordaan niet oversteken.

De HEERE is verbolgen op Mozes geworden, maar wel vanwege van het volk. Zijn daad was het gevolg van de zonde van het volk (Ps 106:32-3332Zij maakten [Hem] zeer toornig bij het water van Meriba,
het verging Mozes slecht omwille van hen.
33Want zij tergden zijn geest,
zodat hij met zijn lippen ondoordachte [woorden] sprak.
)
. Als wij denken aan het erfdeel, denken wij dan ook aan de wijze waarop wij het hebben gekregen: omdat God verbolgen was op de Heer Jezus vanwege ons?

Het antwoord van de HEERE op de smeekbede van Mozes is geen verwijt. Het is een gebed naar Gods hart. Zo heeft de Heer Jezus driemaal gebeden of de beker die Hij moest drinken van Hem kon worden weggenomen (Mt 26:39-4439En Hij ging iets verder, viel op Zijn aangezicht en bad aldus: Mijn Vader, als het mogelijk is, laat deze drinkbeker Mij voorbijgaan; echter niet zoals Ik wil, maar zoals U [wilt].40En Hij kwam bij de discipelen en vond hen in slaap, en Hij zei tot Petrus: Je was dus niet in staat één uur met Mij te waken?41Waakt en bidt, opdat u niet in verzoeking komt; de geest is wel gewillig, maar het vlees is zwak.42Opnieuw, voor [de] tweede keer ging Hij weg en bad aldus: Mijn Vader, als deze niet kan voorbijgaan tenzij Ik hem drink, moge Uw wil gebeuren.43En opnieuw, toen Hij kwam, vond Hij hen in slaap, want hun ogen waren zwaar geworden.44En Hij verliet hen, ging opnieuw weg en bad voor [de] derde keer, terwijl Hij opnieuw hetzelfde woord sprak.). Zijn volmaaktheid blijkt uit dat gebed en uit Zijn overgave aan Gods wil: “Niet zoals Ik wil, maar zoals U [wilt].”

Ook Paulus heeft driemaal gebeden dat een engel van de satan die hem met vuisten sloeg van hem zou wijken: En opdat ik mij door de uitnemendheid van de openbaringen niet verhef, is mij een doorn voor het vlees gegeven, een engel van satan, om mij met vuisten te slaan, <opdat ik mij niet verhef>. Hierover heb ik de Heer driemaal gebeden dat hij van mij zou wijken” (2Ko 12:7-87En opdat ik mij door de uitnemendheid van de openbaringen niet verhef, is mij een doorn voor het vlees gegeven, een engel van satan, om mij met vuisten te slaan, <opdat ik mij niet verhef>.8Hierover heb ik de Heer driemaal gebeden dat hij van mij zou wijken;). Hij kreeg een antwoord dat lijkt op het antwoord dat Mozes kreeg: “Mijn genade is u genoeg” (2Ko 12:99en Hij zei tegen mij: Mijn genade is u genoeg; want de kracht wordt in zwakheid volbracht. Heel graag zal ik dus veeleer roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus op mij woont.).

God kan een behagen hebben in ons gebed zonder ons te geven waar we om vragen. Hij wil ons leren ons aan Zijn wil toe te vertrouwen. God en Zijn vrede als ons deel is meer dan alles waar we om kunnen vragen. Als Hij zegt dat we Hem over een bepaalde zaak niet meer moeten vragen, moeten we leren dat wat Hij niet geschikt acht ons te geven, voor ons niet geschikt is om te vragen.

Toch heeft Mozes antwoord op zijn gebed gekregen. God heeft hem op een plaats laten staan, waar vandaan hij het hele land in zijn lengte en breedte heeft kunnen overzien (Nm 27:12-1412Daarna sprak de HEERE tot Mozes: Klim deze berg Abarim op, en bezie het land dat Ik de Israëlieten gegeven heb.13Wanneer u het gezien hebt, zult ook u met uw voorgeslacht verenigd worden, net als uw broer Aäron [daarmee] verenigd is.14Dat is omdat u Mijn bevel ongehoorzaam bent geweest in de woestijn Zin, tijdens de twist van de gemeenschap, door Mij voor hun ogen niet te heiligen bij het water. Dat is het water van Meriba, [ter hoogte] van Kades, in de woestijn Zin.; Dt 34:1-41Toen beklom Mozes, vanuit de vlakten van Moab, de berg Nebo, de top van de Pisga, die recht tegenover Jericho ligt. En de HEERE liet hem heel het land zien: [van] Gilead tot Dan,2heel Naftali, het land van Efraïm en Manasse, heel het land van Juda tot aan de zee in het westen,3het Zuiderland, de vlakte van de vallei van Jericho, de palmstad, tot aan Zoar.4En de HEERE zei tegen hem: Dit is het land waarvan Ik Abraham, Izak en Jakob gezworen heb: Aan uw nageslacht zal Ik het geven. Ik heb het u met uw [eigen] ogen laten zien, maar u mag daarheen niet oversteken.). God heeft hem daarbij in staat gesteld verder te kijken dan met natuurlijke ogen denkbaar is. Hij heeft meer te zien gekregen dan enige Israëliet ooit zou zien. Zijn blik is niet alleen niet verduisterd (Dt 34:77Mozes nu was honderdtwintig jaar oud toen hij stierf; zijn oog was niet dof geworden en zijn kracht was niet vervlogen.), God heeft zijn blik zodanig verhelderd, dat hij het hele land heeft kunnen zien. Als God ons iets onthoudt en wij vertrouwen Hem daarin, geeft Hij daarvoor iets in de plaats wat verder gaat dan waar wij om hebben gevraagd.


Jozua zal het volk in het land brengen

28Geef Jozua bevelen, rust hem toe en bemoedig hem; want híj zal voor dit volk uit [de Jordaan] oversteken en hij zal hun het land dat u zien zult, in erfbezit laten nemen. 29Zo bleven wij in dit dal tegenover Beth-Peor.

Versterkt door wat de HEERE hem zal laten zien, moest hij Jozua zijn bevelen geven en hem sterken en bemoedigen. Mozes wist waarover hij sprak toen hij het leiderschap aan Jozua overdroeg en hem wees op wat hem te doen stond. Het moet voor Mozes ook een bemoediging zijn dat het werk dat de HEERE met hem is begonnen door Jozua zal worden voltooid. Dit is al de derde keer dat de overdracht van het leiderschap van Mozes op Jozua ter sprake komt (Dt 1:3838Jozua, de zoon van Nun, die in uw dienst staat, die zal erin komen; rust hem ervoor toe, want hij zal het Israël in erfbezit laten nemen.; 3:21-2221Aan Jozua gebood ik in die tijd: Uw ogen hebben alles gezien wat de HEERE, uw God, met deze twee koningen gedaan heeft; zo zal de HEERE doen met alle koninkrijken waar u naartoe trekt.22Wees niet bevreesd voor hen, want de HEERE, uw God, Hij is het die voor u strijdt.). Het is belangrijk voor Mozes, voor Jozua en voor het volk.

Op de plaats waar het volk verblijft, “tegenover Beth-Peor”, houdt Mozes zijn toespraken (Dt 4:45-4645Dit zijn de getuigenissen, de verordeningen en de bepalingen die Mozes tot de Israëlieten sprak, toen zij uit Egypte vertrokken waren,46aan deze zijde van de Jordaan, in het dal tegenover Beth-Peor, in het land van Sihon, de koning van de Amorieten, die in Hesbon woonde [en] die Mozes en de Israëlieten verslagen hadden, toen zij uit Egypte kwamen.). Daar wordt hij ook begraven (Dt 34:66En Hij begroef hem in een dal in het land van Moab, tegenover Beth-Peor. En niemand weet [waar] zijn graf [is], tot op deze dag.).

Na het lezen van Deuteronomium 2-3 is een algemene conclusie: Gods daden in het verleden zijn een bemoediging voor de toekomst.


Lees verder