Deuteronomium
Inleiding 1-9 Verzoening van onschuldig bloed 10-14 De krijgsgevangen vrouw 15-17 Het eerstgeboorterecht 18-21 De opstandige zoon 22-23 Begrafenis van een gehangene
Inleiding

Dit is een bijzonder hoofdstuk, dat ook een geheel vormt in de vijf perikopen waaruit het bestaat. We vinden hierin de heiligheid van het leven en de persoonlijke rechten, bezien vanuit allerlei gezichtspunten. Tevens ontdekken we een mooi overzicht van de plannen van God met Zijn volk. Ook zijn er geestelijke toepassingen te maken.


Verzoening van onschuldig bloed

1Wanneer in het land dat de HEERE, uw God, u geeft om dat in bezit te nemen, iemand gevonden wordt die gedood is, liggend in het [open] veld, en niet bekend is wie hem doodgeslagen heeft, 2dan moeten uw oudsten en uw rechters eropuit gaan om [de afstand] te meten tot de steden rondom degene die gedood is. 3En [in] de stad die het dichtst ligt bij degene die gedood is, moeten de oudsten van die stad een jonge koe van de runderen nemen, waarmee [nog] niet gewerkt is, die [nog] niet onder een juk [de ploeg] getrokken heeft. 4En de oudsten van die stad moeten de jonge koe brengen naar een dal waar altijd water stroomt, waar niet gewerkt of gezaaid is. Daar in het dal moeten zij de jonge koe de nek breken. 5Daarna moeten de priesters, de zonen van Levi, naar voren komen, want hen heeft de HEERE, uw God, uitgekozen om Hem te dienen en om in de Naam van de HEERE te zegenen, en overeenkomstig hun uitspraak moet elk geschil en elke [zaak van] geweldpleging afgehandeld worden. 6En alle oudsten van die stad die het dichtst ligt bij degene die gedood is, moeten hun handen wassen boven de jonge koe waarvan in het dal de nek gebroken is. 7Zij moeten het woord nemen en zeggen: Onze handen hebben dit bloed niet vergoten en onze ogen hebben het niet gezien. 8Doe verzoening over Uw volk Israël, dat U, HEERE, verlost hebt, en leg geen onschuldig bloed te midden van Uw volk Israël! Dan zal die bloed[schuld] voor hen verzoend zijn. 9Zo moet ú het onschuldige bloed uit uw midden wegdoen. U moet immers doen wat juist is in de ogen van de HEERE.

Het gaat hier om iemand die een gewelddadige dood is gestorven, terwijl de dader niet bekend is. De plaats van het misdrijf is het open veld, niet een stad. De eerste moord gebeurt ook in het open veld (Gn 4:88En Kaïn sprak met zijn broer Abel. En het gebeurde toen zij op het veld waren, dat Kaïn zijn broer Abel aanviel en hem doodde.). Als er geen dader bekend is, gaat in de maatschappij normaal gesproken iedereen vrijuit. Voor God is dat niet zo. Het staat voor Hem vast dat er schuld is en tot dat besef moet het volk komen. Een van hen is een moordenaar. Het volk moet die schuld leren zien als hun schuld.

Het bloed dat is vergoten, is onschuldig bloed (verzen 9-109Zo moet ú het onschuldige bloed uit uw midden wegdoen. U moet immers doen wat juist is in de ogen van de HEERE.10Wanneer u ten strijde trekt tegen uw vijanden, en de HEERE, uw God, geeft hen in uw hand, zodat u hen als gevangenen wegvoert,) in die zin dat men niet weet wie de dader is. Toch is er sprake van schuld omdat het in het midden van het volk is gebeurd. Het hele land wordt erbij betrokken (verzen 1,81Wanneer in het land dat de HEERE, uw God, u geeft om dat in bezit te nemen, iemand gevonden wordt die gedood is, liggend in het [open] veld, en niet bekend is wie hem doodgeslagen heeft,8Doe verzoening over Uw volk Israël, dat U, HEERE, verlost hebt, en leg geen onschuldig bloed te midden van Uw volk Israël! Dan zal die bloed[schuld] voor hen verzoend zijn.). Om de schuld van het land te verzoenen (vers 88Doe verzoening over Uw volk Israël, dat U, HEERE, verlost hebt, en leg geen onschuldig bloed te midden van Uw volk Israël! Dan zal die bloed[schuld] voor hen verzoend zijn.) moet er een offer worden gebracht. God voorziet in een middel waardoor de algemene schuld van volk en land wordt weggedaan. Zolang misdaad niet is gestraft, is er niet voldaan aan de gerechtigheid. Als de dader niet achterhaald kan worden, moet de schuld die op het land en het volk rust op een andere manier worden weggenomen. De algemene schuld door de daad van de enkeling zien we ook in Jozua 7 (Jz 7:11Maar de Israëlieten pleegden trouwbreuk met wat door de ban gewijd was, want Achan, de zoon van Charmi, de zoon van Zabdi, de zoon van Zerah, uit de stam Juda, nam van wat door de ban gewijd was. Toen ontbrandde de toorn van de HEERE tegen de Israëlieten.; vgl. 2Sm 21:1-21Er was een hongersnood in de dagen van David, drie jaar [lang], jaar na jaar, en David zocht het aangezicht van de HEERE. En de HEERE zei: Het is vanwege Saul en vanwege [zijn] huis, [dat beladen is] met bloed[schuld], omdat hij de Gibeonieten gedood heeft.2Toen riep de koning de Gibeonieten en zei tegen hen – nu behoorden de Gibeonieten niet tot de Israëlieten, maar tot het overblijfsel van de Amorieten; en hoewel de Israëlieten hun [een eed] hadden gezworen, had Saul in zijn ijver voor de Israëlieten en Judeeërs [toch] geprobeerd hen te doden –).

In Deuteronomium 19 is een voorziening getroffen bij doodslag waarbij de doodslager bekend is (Dt 19:1-131Wanneer de HEERE, uw God, de volken uitroeit waarvan de HEERE, uw God, u het land geeft, en u hun [land] in bezit neemt en in hun steden en in hun huizen woont,2dan moet u voor uzelf drie steden afzonderen, in het midden van uw land, dat de HEERE, uw God, u geeft om dat in bezit te nemen.3U moet de weg voor u gereedmaken, en het gebied van uw land, dat de HEERE, uw God, u in erfbezit zal laten nemen, in drieën verdelen. Dit moet gebeuren zodat iedereen die een doodslag begaan heeft, daarheen kan vluchten.4Dit is de zaak [die] iemand [betreft] die een doodslag begaan heeft [en] daarheen vlucht om in leven te blijven: iemand die zijn naaste niet met voorbedachten rade doodgeslagen heeft en die hij tevoren niet haatte5– bijvoorbeeld [iemand] die met zijn naaste het bos ingaat om hout te hakken, en hij maakt met zijn hand een zwaai met de bijl om een boom om te hakken, en het ijzer schiet van de steel en treft zijn naaste, zodat die sterft – die zal naar een van die steden vluchten en in leven blijven.6Anders zou de bloedwreker degene die een doodslag begaan heeft, achtervolgen terwijl zijn hart verhit is, en, als de weg te lang zou zijn, zou hij hem inhalen en hem om het leven brengen, terwijl hij niet de doodstraf [verdiend] heeft, want hij haatte hem tevoren niet.7Daarom gebied ik u: U moet voor uzelf drie steden afzonderen.8En wanneer de HEERE, uw God, uw gebied ruim gemaakt heeft, zoals Hij uw vaderen gezworen heeft, en Hij u heel het land gegeven heeft dat Hij gesproken heeft uw vaderen te zullen geven9– als u heel dit gebod, dat ik u heden gebied, nauwlettend houdt, door de HEERE, uw God, lief te hebben en door alle dagen in Zijn wegen te gaan – dan moet u aan deze drie nog drie steden voor uzelf toevoegen,10zodat er geen bloed van onschuldigen vergoten wordt in het midden van uw land, dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft. Anders zou er bloedschuld op u rusten.11Maar als er iemand is die zijn naaste haat, een hinderlaag voor hem legt, hem aanvalt en om het leven brengt, zodat hij sterft, en [dan] naar een van die steden vlucht,12dan moeten de oudsten van zijn stad [boden] sturen en hem vandaar meenemen, en zij moeten hem in de hand van de bloedwreker geven, zodat hij sterft.13Laat uw oog hem niet ontzien, maar doe het bloed van de onschuldige uit Israël weg, opdat het u goed gaat.). In dit hoofdstuk moet een voorziening worden getroffen als de moordenaar niet bekend is. Om verzoening te bewerken voor het vergoten bloed moet een jonge koe de nek worden gebroken door de oudsten en moeten deze oudsten hun handen wassen boven de jonge koe. Tijdens dit wassen van de handen moeten de oudsten als vertegenwoordigers van het volk verklaren dat zij onschuldig zijn aan dit vergoten bloed. Vervolgens moeten zij de HEERE vragen Zijn verloste volk onschuldig te houden.

Van een verzoening in de gebruikelijke betekenis van het woord is hier geen sprake. Met het bloed van de jonge koe gebeurt niets. Het is eerder een verzoening door gerechtigheid. De jonge koe sterft in plaats van de onbekende moordenaar waardoor het land gereinigd wordt van schuld (vgl. Nm 35:3333U mag het land waarin u woont niet ontheiligen, want het bloed ontheiligt het land. Voor het land kan geen verzoening gedaan worden over het bloed dat erin vergoten wordt, dan door het bloed van degene die dat vergoten heeft.).

De profetische toepassing is wat straks met Israël zal gebeuren. Israël zal zien dat het schuldig staat aan de dood van de Heer Jezus (Zc 12:1010Maar over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik de Geest van de genade en van de gebeden uitstorten. Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Zij zullen over Hem rouw bedrijven, als [met] de rouwklacht over een enig [kind]; en zij zullen over Hem bitter klagen, zoals men bitter klaagt over een eerstgeborene.). Niet degenen die dan leven hebben Hem letterlijk gedood. In letterlijke zin zijn zij onschuldig, maar als volk staan ze schuldig aan het bloed. Zo staat het volk, vertegenwoordigd in de oudsten, in het dal: persoonlijk onschuldig, maar schuldig als geheel. Dat het in een dal moet gebeuren, wijst symbolisch op verootmoediging over wat in hun midden heeft plaatsgevonden.

De jonge koe wordt gebracht naar “een beek waar altijd water stroomt, waar niet gewerkt of gezaaid is”. De steeds stromende beek spreekt van de nooit aflatende genade van God. Dat er niet gewerkt of gezaaid is, wijst op de afwezigheid van enig werk van een mens of enige inspanning van de mens met de hoop op een toekomstig resultaat. Het werk dat God doet tot verzoening, is uitsluitend het gevolg van Zijn genade zonder enige inbreng van de mens.

Het opleggen van de handen ziet op de vereenzelviging met de moordenaar die in hun midden aanwezig is, hoewel deze onbekend is. Op grond van het offer wordt het volk bevrijd van de schuld die op hen rust. Het oordeel treft de jonge koe en niet het als geheel schuldige volk. Zij wassen hun handen als blijk van vereenzelviging met het offer (Ps 26:66Ik was mijn handen in onschuld;
ik ga rondom Uw altaar, HEERE,
; 73:1313Ja, voor niets heb ik mijn hart gezuiverd
en mijn handen in onschuld gewassen.
)
en niet als Pilatus, die met het offer niets te maken wilde hebben (Mt 27:2424Toen Pilatus nu zag dat het niets hielp, maar dat er veeleer opschudding ontstond, nam hij water en waste zijn handen ten aanschouwen van de menigte en zei: Ik ben onschuldig aan het bloed van deze <Rechtvaardige>; het is uw zaak!).

Zowel de vermoorde als de jonge koe stelt de Heer Jezus voor. Het vermoorden van de Heer Jezus (Hd 7:5252Wie van de profeten hebben uw vaderen niet vervolgd? En zij hebben hen gedood die tevoren de komst van de Rechtvaardige aankondigden, van Wie u nu de verraders en moordenaars bent geworden,) is het resultaat van Zijn verwerping door de mens. Het geven van Christus als middel tot verzoening is het antwoord van Gods genade. Dit is te zien op het kruis. Daar heeft de mens Christus gebracht en op hetzelfde moment geeft God Hem als verzoening.

Er is ook een toepassing op de gemeente. Kwaad dat in een plaatselijke gemeente aanwezig is, gaat het hele volk van God aan. Landsgrenzen gelden niet voor de gemeente van God. Toch houdt niet het hele volk zich ermee bezig. Dat gebeurt door de ’steden’ die er het dichtstbij liggen en dan ook niet iedereen, maar de oudsten en de rechters die het element van verantwoordelijkheid vertegenwoordigen. Het is belangrijk te weten waar de eerste morele verantwoordelijkheid ligt. Er moet ‘gemeten’ worden wie de eerste verantwoordelijkheid heeft.

Iemand kan zich alleen bezighouden met kwaad als er aan de eigen handen geen schuld kleeft. Pas dan ook kan er vereenzelviging zijn in het besef dat het hele volk schuldig is. Het gaat om broeders die moreel het dichtstbij staan. Zij kunnen zich ermee bezighouden. Het zijn broeders die als priesters gewend zijn in Gods tegenwoordigheid te verkeren. Zij houden zich niet alleen met ernstig kwaad als moord bezig, maar met “elke [zaak van] geweldpleging” (vers 55Daarna moeten de priesters, de zonen van Levi, naar voren komen, want hen heeft de HEERE, uw God, uitgekozen om Hem te dienen en om in de Naam van de HEERE te zegenen, en overeenkomstig hun uitspraak moet elk geschil en elke [zaak van] geweldpleging afgehandeld worden.). Bij zulke gelovigen is het van belang dat het priesterlijke en het rechterlijke element met elkaar in evenwicht zijn.


De krijgsgevangen vrouw

10Wanneer u ten strijde trekt tegen uw vijanden, en de HEERE, uw God, geeft hen in uw hand, zodat u hen als gevangenen wegvoert, 11en u ziet onder de gevangenen een vrouw [die] mooi van gestalte [is], en u vat liefde voor haar op en u neemt haar voor uzelf tot vrouw, 12dan moet u haar uw huis binnenbrengen. Zij moet vervolgens haar hoofd kaalscheren, haar nagels knippen 13en de kleren van haar gevangenschap uittrekken. Zij moet in uw huis gaan wonen en een maand [lang] haar vader en haar moeder bewenen. Daarna mag u bij haar komen en haar man zijn, en zij zal u tot vrouw zijn. 14En als zij u niet [meer] genegen is, moet het [zó] zijn dat u haar laat gaan waarheen zij wil. U mag haar in geen geval voor geld verkopen [of] haar als slavin behandelen, want u hebt haar [al] vernederd.

Dit gedeelte (verzen 10-1410Wanneer u ten strijde trekt tegen uw vijanden, en de HEERE, uw God, geeft hen in uw hand, zodat u hen als gevangenen wegvoert,11en u ziet onder de gevangenen een vrouw [die] mooi van gestalte [is], en u vat liefde voor haar op en u neemt haar voor uzelf tot vrouw,12dan moet u haar uw huis binnenbrengen. Zij moet vervolgens haar hoofd kaalscheren, haar nagels knippen13en de kleren van haar gevangenschap uittrekken. Zij moet in uw huis gaan wonen en een maand [lang] haar vader en haar moeder bewenen. Daarna mag u bij haar komen en haar man zijn, en zij zal u tot vrouw zijn.14En als zij u niet [meer] genegen is, moet het [zó] zijn dat u haar laat gaan waarheen zij wil. U mag haar in geen geval voor geld verkopen [of] haar als slavin behandelen, want u hebt haar [al] vernederd.) en het volgende (verzen 15-1715Wanneer een man twee vrouwen heeft, de een geliefd en de ander minder geliefd, en zowel de geliefde als de minder geliefde baren zonen bij hem, en de eerstgeboren zoon is van de minder geliefde,16dan moet het op de dag dat hij zijn zonen laat erven wat hij heeft [zó] zijn dat hij [het erfdeel van] de eerstgeborene niet aan de zoon van de geliefde geeft, in plaats van de zoon van de minder geliefde, die de eerstgeborene is.17Voorzeker, hij moet de eerstgeborene, de zoon van de minder geliefde, erkennen door hem het dubbele deel te geven van alles wat bij hem aangetroffen wordt. Hij is immers de eerste [vrucht] van zijn mannelijkheid, hij heeft het eerstgeboorterecht.) gaan beide over het huwelijk en de bepaalde betrekking tussen man en vrouw. In beide gedeelten gaat het over de verhouding tussen God en Zijn volk die in de Bijbel als een huwelijksrelatie wordt voorgesteld.

Het eerste gedeelte gaat over het huwelijk tussen een Israëlitische man en een in de oorlog gevangengenomen vrouw uit een vreemd volk. Dit kan niet een vrouw uit de volken van Kanaän zijn (Dt 20:16-1816Maar van de steden van deze volken die de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft, mag u helemaal niets wat adem heeft, in leven laten.17Voorzeker, u moet hen volledig met de ban slaan: de Hethieten, de Amorieten, de Kanaänieten, de Ferezieten, de Hevieten en de Jebusieten, zoals de HEERE, uw God, u geboden heeft,18opdat zij u niet leren handelen overeenkomstig alle gruwelijke dingen die zij voor hun goden gedaan hebben, zodat u tegen de HEERE, uw God, zou zondigen.), maar uit verderaf gelegen volken (Dt 20:1515Zo moet u met alle steden doen die heel ver bij u vandaan zijn, die niet bij de steden horen van deze volken hier.). Door met haar in het huwelijk te treden wordt hij in plaats van haar meester haar man. Daardoor treedt de vrouw in de rechten van een dochter van Israël. De man mag haar daarom niet zomaar wegsturen als zij hem niet meer bevalt (vgl. Ex 21:88Als zij slecht bevalt in de ogen van haar meester, die haar voor zichzelf bestemd had, moet hij haar laten vrijkopen. Hij heeft niet het recht haar aan een vreemd volk te verkopen, omdat hij haar ontrouw geworden is.). God heeft toegestaan dat iemand zijn vrouw wegzendt, maar dat is wel vanwege de hardheid van het hart van de mens; van [het] begin af is het echter niet zo geweest” (Mt 19:7-87Zij zeiden tot Hem: Waarom heeft Mozes dan geboden een scheidbrief te geven en <haar> te verstoten?8Hij zei tot hen: Mozes heeft om de hardheid van uw harten u toegestaan uw vrouwen te verstoten; van [het] begin af is het echter niet zo geweest.). Hij voorziet deze toestemming tevens van verschillende geboden tot bescherming van de vrouw.

Voordat de Israëliet de gevangengenomen vrouw tot zijn vrouw mag nemen, moet ook aan verschillende voorwaarden worden voldaan. Het mag niet slechts een opwelling van wellust zijn. Thuisgekomen moet zij haar hoofdhaar afscheren, haar nagels knippen en haar vroegere kleding uitdoen. Alles wat haar in haar vorige staat aantrekkelijk heeft gemaakt en haar heeft gekenmerkt, moet worden weggedaan.

Het lange haar van de vrouw geeft de plaats aan die zij in de schepping ten opzichte van de man heeft (1Ko 11:1515Maar als een vrouw lang haar draagt, is het een eer voor haar, omdat <haar> het lange haar tot een sluier gegeven is.). Zij geeft daarmee aan dat zij de man onderdanig en toegewijd wil zijn. Als ze het afknipt, zegt ze daarmee dat ze die plaats niet inneemt. Bij de gevangengenomen vrouw is het afknippen van haar haar het opgeven van de vorige verhouding. Ze laat het groeien in de nieuwe verhouding waarin ze nu gekomen is. Ook mag ze de vorige verhouding waaruit ze is weggehaald een maand lang bewenen. Ze krijgt de tijd ervan los te komen. Ook dat is een genadige voorziening van God.

In de profetische toepassing gaat dit gedeelte (verzen 10-1410Wanneer u ten strijde trekt tegen uw vijanden, en de HEERE, uw God, geeft hen in uw hand, zodat u hen als gevangenen wegvoert,11en u ziet onder de gevangenen een vrouw [die] mooi van gestalte [is], en u vat liefde voor haar op en u neemt haar voor uzelf tot vrouw,12dan moet u haar uw huis binnenbrengen. Zij moet vervolgens haar hoofd kaalscheren, haar nagels knippen13en de kleren van haar gevangenschap uittrekken. Zij moet in uw huis gaan wonen en een maand [lang] haar vader en haar moeder bewenen. Daarna mag u bij haar komen en haar man zijn, en zij zal u tot vrouw zijn.14En als zij u niet [meer] genegen is, moet het [zó] zijn dat u haar laat gaan waarheen zij wil. U mag haar in geen geval voor geld verkopen [of] haar als slavin behandelen, want u hebt haar [al] vernederd.) aan het vorige gedeelte (verzen 1-91Wanneer in het land dat de HEERE, uw God, u geeft om dat in bezit te nemen, iemand gevonden wordt die gedood is, liggend in het [open] veld, en niet bekend is wie hem doodgeslagen heeft,2dan moeten uw oudsten en uw rechters eropuit gaan om [de afstand] te meten tot de steden rondom degene die gedood is.3En [in] de stad die het dichtst ligt bij degene die gedood is, moeten de oudsten van die stad een jonge koe van de runderen nemen, waarmee [nog] niet gewerkt is, die [nog] niet onder een juk [de ploeg] getrokken heeft.4En de oudsten van die stad moeten de jonge koe brengen naar een dal waar altijd water stroomt, waar niet gewerkt of gezaaid is. Daar in het dal moeten zij de jonge koe de nek breken.5Daarna moeten de priesters, de zonen van Levi, naar voren komen, want hen heeft de HEERE, uw God, uitgekozen om Hem te dienen en om in de Naam van de HEERE te zegenen, en overeenkomstig hun uitspraak moet elk geschil en elke [zaak van] geweldpleging afgehandeld worden.6En alle oudsten van die stad die het dichtst ligt bij degene die gedood is, moeten hun handen wassen boven de jonge koe waarvan in het dal de nek gebroken is.7Zij moeten het woord nemen en zeggen: Onze handen hebben dit bloed niet vergoten en onze ogen hebben het niet gezien.8Doe verzoening over Uw volk Israël, dat U, HEERE, verlost hebt, en leg geen onschuldig bloed te midden van Uw volk Israël! Dan zal die bloed[schuld] voor hen verzoend zijn.9Zo moet ú het onschuldige bloed uit uw midden wegdoen. U moet immers doen wat juist is in de ogen van de HEERE.) vooraf. Zoals gezegd wordt de betrekking tussen God en Israël vergeleken met die van man en vrouw (Ez 16:1-141Het woord van de HEERE kwam tot mij:2Mensenkind, laat Jeruzalem zijn gruweldaden weten,3en zeg: Zo zegt de Heere HEERE tegen Jeruzalem: Uw oorsprong en uw geboorte zijn uit het land van de Kanaänieten. Uw vader was die Amoriet en uw moeder een Hethitische.4Wat uw geboorte betreft, op de dag dat u geboren werd, werd uw navelstreng niet afgesneden, werd u niet met water schoongewassen, werd u ook al niet met zout ingewreven, en al helemaal niet in doeken gewikkeld.5Geen oog zag naar u om, om een van die dingen uit medelijden bij u te doen. U werd weggeworpen op het open veld uit afschuw voor uw leven op de dag dat u geboren werd.6Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u trappelend in uw bloed en Ik zei tegen u in uw bloed: Leef! Ja, Ik zei tegen u in uw bloed: Leef!7Ik heb u even overvloedig gemaakt als het gewas op het veld. U groeide op, u werd groot en u kwam tot grote schoonheid. [Uw] borsten werden stevig, uw haar groeide, maar u was naakt en bloot.8Toen Ik voorbij u kwam, zag Ik u, en zie, uw tijd was de tijd van de liefde. Zo spreidde Ik Mijn vleugel over u uit en bedekte uw naaktheid. Daarop zwoer Ik u [een eed] en ging een verbond met u aan, spreekt de Heere HEERE, en [zo] werd u van Mij.9Daarop waste Ik u met water, spoelde uw bloed van u af en zalfde u met olie.10Ik trok u kleurrijk geborduurde kleding aan, schoeide u met zeekoeien[huiden], omwikkelde u met fijn linnen en bedekte u met zijde.11Ik tooide u met sieraden. Ik deed armbanden om uw polsen en een ketting om uw nek.12[Ook] deed Ik een ring door uw neus, oorbellen aan uw oren en [zette] een sierlijke kroon op uw hoofd.13Zo werd u getooid met goud en zilver. Uw kleding was van fijn linnen en zijde, en [voorzien van] kleurrijk borduurwerk. Meelbloem, honing en olie at u. U werd buitengewoon mooi, en werd geschikt voor het koningschap.14Van u ging een naam uit onder de heidenvolken vanwege uw schoonheid, want die was volmaakt door Mijn glorie, die Ik op u gelegd had, spreekt de Heere HEERE.). Er is in die verhouding sprake van een verlovingstijd, een tijd van loskomen van de oude toestand (hier een maand). Dat is gebeurd toen God Israël uit Egypte heeft verlost en het tot Zijn volk heeft aangenomen (Jr 2:22Ga ten aanhoren van Jeruzalem prediken: Zo zegt de HEERE:
Ik denk aan u, aan de genegenheid van uw jeugd,
aan de liefde van uw bruidsdagen,
toen u achter Mij aan ging in de woestijn,
in een land [waarin] niet wordt gezaaid.
)
.

Maar er is een tijd aangebroken dat God geen behagen meer in haar kon hebben. In vers 1414En als zij u niet [meer] genegen is, moet het [zó] zijn dat u haar laat gaan waarheen zij wil. U mag haar in geen geval voor geld verkopen [of] haar als slavin behandelen, want u hebt haar [al] vernederd. wordt in het midden gelaten wiens schuld het is. In de breuk die er is gekomen tussen God en Zijn volk, is dat geen vraag. Dat God geen behagen meer in haar heeft, ligt volledig aan het gedrag van Israël. Hij heeft haar weggezonden vanwege haar ontrouw die zijn hoogtepunt heeft gevonden in de verwerping van Zijn Zoon, wat in het beeld van de verzen 1-91Wanneer in het land dat de HEERE, uw God, u geeft om dat in bezit te nemen, iemand gevonden wordt die gedood is, liggend in het [open] veld, en niet bekend is wie hem doodgeslagen heeft,2dan moeten uw oudsten en uw rechters eropuit gaan om [de afstand] te meten tot de steden rondom degene die gedood is.3En [in] de stad die het dichtst ligt bij degene die gedood is, moeten de oudsten van die stad een jonge koe van de runderen nemen, waarmee [nog] niet gewerkt is, die [nog] niet onder een juk [de ploeg] getrokken heeft.4En de oudsten van die stad moeten de jonge koe brengen naar een dal waar altijd water stroomt, waar niet gewerkt of gezaaid is. Daar in het dal moeten zij de jonge koe de nek breken.5Daarna moeten de priesters, de zonen van Levi, naar voren komen, want hen heeft de HEERE, uw God, uitgekozen om Hem te dienen en om in de Naam van de HEERE te zegenen, en overeenkomstig hun uitspraak moet elk geschil en elke [zaak van] geweldpleging afgehandeld worden.6En alle oudsten van die stad die het dichtst ligt bij degene die gedood is, moeten hun handen wassen boven de jonge koe waarvan in het dal de nek gebroken is.7Zij moeten het woord nemen en zeggen: Onze handen hebben dit bloed niet vergoten en onze ogen hebben het niet gezien.8Doe verzoening over Uw volk Israël, dat U, HEERE, verlost hebt, en leg geen onschuldig bloed te midden van Uw volk Israël! Dan zal die bloed[schuld] voor hen verzoend zijn.9Zo moet ú het onschuldige bloed uit uw midden wegdoen. U moet immers doen wat juist is in de ogen van de HEERE. naar voren komt.

God heeft Zijn volk niet verkocht, maar het laten gaan waarheen het zelf heen is willen gaan. Maar Hij heeft Zijn rechten op Zijn volk niet prijsgegeven. Daarover spreekt het volgende gedeelte (verzen 15-1715Wanneer een man twee vrouwen heeft, de een geliefd en de ander minder geliefd, en zowel de geliefde als de minder geliefde baren zonen bij hem, en de eerstgeboren zoon is van de minder geliefde,16dan moet het op de dag dat hij zijn zonen laat erven wat hij heeft [zó] zijn dat hij [het erfdeel van] de eerstgeborene niet aan de zoon van de geliefde geeft, in plaats van de zoon van de minder geliefde, die de eerstgeborene is.17Voorzeker, hij moet de eerstgeborene, de zoon van de minder geliefde, erkennen door hem het dubbele deel te geven van alles wat bij hem aangetroffen wordt. Hij is immers de eerste [vrucht] van zijn mannelijkheid, hij heeft het eerstgeboorterecht.).


Het eerstgeboorterecht

15Wanneer een man twee vrouwen heeft, de een geliefd en de ander minder geliefd, en zowel de geliefde als de minder geliefde baren zonen bij hem, en de eerstgeboren zoon is van de minder geliefde, 16dan moet het op de dag dat hij zijn zonen laat erven wat hij heeft [zó] zijn dat hij [het erfdeel van] de eerstgeborene niet aan de zoon van de geliefde geeft, in plaats van de zoon van de minder geliefde, die de eerstgeborene is. 17Voorzeker, hij moet de eerstgeborene, de zoon van de minder geliefde, erkennen door hem het dubbele deel te geven van alles wat bij hem aangetroffen wordt. Hij is immers de eerste [vrucht] van zijn mannelijkheid, hij heeft het eerstgeboorterecht.

Het hebben van twee vrouwen is niet naar Gods gedachten. Toch kan God door iets wat door de zonde is ontstaan, ons iets leren over de verhouding die Hij heeft tot de twee volken aan wie Hij Zich verbonden heeft: Israël en de gemeente. Omdat de band van het huwelijk onverbrekelijk is en de verhouding in het huwelijk die van liefde, is het beeld van het huwelijk geschikt om deze relaties te begrijpen.

In het voorbeeld zien we een man die twee vrouwen heeft. De ene vrouw is door hem geliefd, de andere heeft hij minder lief. Ieder van de vrouwen heeft hem zonen gebaard. Het gaat nu om het eerstgeboorterecht. Hierin mag de man zich niet laten leiden door zijn natuurlijke gevoelens. Als de eerstgeboren zoon de zoon van de minder geliefde vrouw is, moet hij hem het eerstgeboorterecht geven. Het dubbele deel van de erfenis komt hem toe. De man mag in dit geval dat dubbele deel niet geven aan de zoon van de geliefde.

Als we dit toepassen op de verhouding waarin God staat tot Zijn aardse volk, Israël, en Zijn hemelse volk, de gemeente, zien we het volgende. God heeft Zijn aardse volk moeten verstoten, zoals vers 1414En als zij u niet [meer] genegen is, moet het [zó] zijn dat u haar laat gaan waarheen zij wil. U mag haar in geen geval voor geld verkopen [of] haar als slavin behandelen, want u hebt haar [al] vernederd. aangeeft. Het heeft de plaats van de minder geliefde gekregen (vgl. Hs 1:6,8-96Zij werd opnieuw zwanger, en zij baarde een dochter. Daarop zei Hij tegen hem: Geef haar de naam Lo-Ruchama, want Ik zal Mij voortaan niet meer ontfermen over het huis van Israël, want Ik zal hen zeker wegvoeren.8Toen zij Lo-Ruchama niet meer de borst gaf, werd zij weer zwanger, en zij baarde een zoon.
9En Hij zei:
Geef hem de naam Lo-Ammi,
want u bent niet Mijn volk
en Ík zal er voor u niet zijn.
)
. Na het verstoten van Zijn aardse volk is daarvoor een ander volk in de plaats gekomen. Dit volk is een volk uit de volken dat niet Gods volk is, maar nu door Hem tot Zijn volk is aangenomen (Rm 9:2525Zoals Hij ook in Hosea zegt: ‘Ik zal niet-Mijn-volk Mijn volk noemen, en de niet-geliefde geliefde’.). Daarmee heeft God soortgelijke betrekkingen aangeknoopt. De gemeente is nu Gods geliefde. Dat wil niet zeggen dat God Israël voorgoed heeft verstoten. De eerstgeborene is de zoon van de minder geliefde en hij krijgt het eerstgeboorterecht. God zal alle beloften die Hij aan dit volk heeft gedaan, ook vervullen. Zij krijgen hun dubbele deel.

In Jakob en zijn twee vrouwen – Lea en Rachel – zien we een illustratie. Jakob werkt voor Rachel en krijgt Lea. Daarna werkt hij voor Rachel en krijgt ook haar. Zo is de Heer Jezus voor Israël gekomen en heeft Hij de gemeente gekregen. Maar Hij zal ook, zoals Jakob Rachel heeft gekregen, straks Israël krijgen. Israël heeft de oudste rechten. Het volk is nu de minder geliefde vrouw, maar straks zal het volk weer de geliefde vrouw worden en de rechten krijgen die in verbinding staan met de Eerstgeborene, de Heer Jezus, Die uit haar geboren is.

De gemeente is nu verbonden met de Heer Jezus (2Ko 11:22Want ik ben na-ijverig over u met een na-ijver van God; want ik heb u aan één man verloofd om u als een reine maagd voor Christus te stellen.). Kan Hij in ons Zijn behagen vinden? God laat het christelijk getuigenis ook op zijn eigen weg gaan, Hij heeft er als geheel geen behagen meer in. Toch blijft God in dat christelijk getuigenis erkennen wat dit beginsel van eerstgeboorte vertegenwoordigt: te midden van dit christelijk getuigenis bevindt zich “[de] gemeente van [de] eerstgeborenen” (Hb 12:2323[de] algemene vergadering; en tot [de] gemeente van [de] eerstgeborenen, die in [de] hemelen staan opgeschreven, en tot God, [de] Rechter van allen; en tot [de] geesten van [de] tot volmaaktheid gekomen rechtvaardigen;). God zal altijd blijven erkennen wat Hij daarin Zelf heeft bewerkt.


De opstandige zoon

18Wanneer iemand een opstandige, ongehoorzame zoon heeft die niet naar de stem van zijn vader en naar de stem van zijn moeder luistert, en hij, [ook] als zij hem gestraft hebben, niet naar hen luistert, 19moeten zijn vader en zijn moeder hem grijpen en naar buiten brengen, naar de oudsten van zijn stad, naar de poort van zijn [woon]plaats. 20Zij moeten tegen de oudsten van zijn stad zeggen: Deze zoon van ons is opstandig en ongehoorzaam, hij luistert niet naar onze stem, hij gaat zich te buiten en is een dronkaard. 21Dan moeten alle mannen van zijn stad hem met stenen stenigen, zodat hij sterft. Zo moet u het kwaad uit uw midden wegdoen. Laat heel Israël het horen en bevreesd zijn.

Zowel bij Israël als bij de gemeente zal het gaan om een overblijfsel. Dat overblijfsel zal boetedoen en de zegen van de eerstgeborene ontvangen. Het geheel zal het karakter hebben van “een opstandige, ongehoorzame zoon”. Zij willen niet gehoorzamen en zullen het oordeel ondergaan. Zoals de ouders met de opstandige zoon moeten doen, zo handelt God met weerspannige belijders.

Het gaat in dit gedeelte om een buitengewone verachting van Gods gebod om de ouders te eren. Alle mannen van de stad moeten de opstandige zoon doden. Deze zoon is een beeld van de goddeloze massa van het volk die in het oordeel zal omkomen.

Het overblijfsel, dat ellendig en arm is, wordt verzoend, terwijl het geheel van de eens door God uit Egypte geroepen eerstgeboren zoon (Ex 4:2222Dan moet u tegen de farao zeggen: Zo zegt de HEERE: Mijn zoon, Mijn eerstgeborene, is Israël.) zal omkomen. Toegepast op de gemeente geldt hetzelfde. Zij die tot de gemeente behoren, dragen de naam ‘zoon’, maar God kan hen niet zo erkennen als zij zich niet afzonderen van het kwaad (2Ko 6:17-1817Daarom, ‘gaat weg uit hun midden en scheidt u af, zegt [de] Heer, en raakt niet aan wat onrein is,18en Ik zal u aannemen; en Ik zal u tot Vader zijn, en u zult Mij tot zonen en dochters zijn, zegt [de] Heer, [de] Almachtige’.).


Begrafenis van een gehangene

22Verder, wanneer iemand een zonde begaan heeft [waarop] de doodstraf [staat], en hij gedood wordt, en u hem aan een paal hangt, 23dan mag zijn dode lichaam niet aan de paal overnachten, maar moet u hem beslist diezelfde dag [nog] begraven. Een gehangene is namelijk door God vervloekt. U mag uw land, dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft, niet onrein maken.

In deze verzen hebben we een derde aspect van het kruis van Golgotha: de dood van de Heer Jezus als de Vervloekte, want er staat geschreven: ‘Vervloekt is ieder die aan een hout hangt’” (Gl 3:1313Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek van de wet door voor ons een vloek te worden (want er staat geschreven: ‘Vervloekt is ieder die aan een hout hangt’),). Het kruis openbaart:
1. De schuld van de mens, want die bracht Hem naar het kruis (verzen 1-91Wanneer in het land dat de HEERE, uw God, u geeft om dat in bezit te nemen, iemand gevonden wordt die gedood is, liggend in het [open] veld, en niet bekend is wie hem doodgeslagen heeft,2dan moeten uw oudsten en uw rechters eropuit gaan om [de afstand] te meten tot de steden rondom degene die gedood is.3En [in] de stad die het dichtst ligt bij degene die gedood is, moeten de oudsten van die stad een jonge koe van de runderen nemen, waarmee [nog] niet gewerkt is, die [nog] niet onder een juk [de ploeg] getrokken heeft.4En de oudsten van die stad moeten de jonge koe brengen naar een dal waar altijd water stroomt, waar niet gewerkt of gezaaid is. Daar in het dal moeten zij de jonge koe de nek breken.5Daarna moeten de priesters, de zonen van Levi, naar voren komen, want hen heeft de HEERE, uw God, uitgekozen om Hem te dienen en om in de Naam van de HEERE te zegenen, en overeenkomstig hun uitspraak moet elk geschil en elke [zaak van] geweldpleging afgehandeld worden.6En alle oudsten van die stad die het dichtst ligt bij degene die gedood is, moeten hun handen wassen boven de jonge koe waarvan in het dal de nek gebroken is.7Zij moeten het woord nemen en zeggen: Onze handen hebben dit bloed niet vergoten en onze ogen hebben het niet gezien.8Doe verzoening over Uw volk Israël, dat U, HEERE, verlost hebt, en leg geen onschuldig bloed te midden van Uw volk Israël! Dan zal die bloed[schuld] voor hen verzoend zijn.9Zo moet ú het onschuldige bloed uit uw midden wegdoen. U moet immers doen wat juist is in de ogen van de HEERE.),
2. Gods genade (verzen 10-1310Wanneer u ten strijde trekt tegen uw vijanden, en de HEERE, uw God, geeft hen in uw hand, zodat u hen als gevangenen wegvoert,11en u ziet onder de gevangenen een vrouw [die] mooi van gestalte [is], en u vat liefde voor haar op en u neemt haar voor uzelf tot vrouw,12dan moet u haar uw huis binnenbrengen. Zij moet vervolgens haar hoofd kaalscheren, haar nagels knippen13en de kleren van haar gevangenschap uittrekken. Zij moet in uw huis gaan wonen en een maand [lang] haar vader en haar moeder bewenen. Daarna mag u bij haar komen en haar man zijn, en zij zal u tot vrouw zijn.), maar ook
3. dat God Hem moet verlaten wanneer Hij Hem tot een vloek maakt (verzen 22-2322Verder, wanneer iemand een zonde begaan heeft [waarop] de doodstraf [staat], en hij gedood wordt, en u hem aan een paal hangt,23dan mag zijn dode lichaam niet aan de paal overnachten, maar moet u hem beslist diezelfde dag [nog] begraven. Een gehangene is namelijk door God vervloekt. U mag uw land, dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft, niet onrein maken.).

Het overblijfsel heeft niets verdiend. Het bestaat “naar [de] verkiezing van [de] genade” van God (Rm 11:55Zo is er dan ook in de tegenwoordige tijd een overblijfsel naar [de] verkiezing van [de] genade.). In zichzelf is het niets beter dan de goddeloze massa. Het heeft alles te danken aan Hem Die tot een vloek is geworden. Ze zullen zien op Hem “Die zij doorstoken hebben” (Zc 12:1010Maar over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem zal Ik de Geest van de genade en van de gebeden uitstorten. Zij zullen Mij aanschouwen, Die zij doorstoken hebben. Zij zullen over Hem rouw bedrijven, als [met] de rouwklacht over een enig [kind]; en zij zullen over Hem bitter klagen, zoals men bitter klaagt over een eerstgeborene.) en dat is hun redding.

Vers 2323dan mag zijn dode lichaam niet aan de paal overnachten, maar moet u hem beslist diezelfde dag [nog] begraven. Een gehangene is namelijk door God vervloekt. U mag uw land, dat de HEERE, uw God, u als erfelijk bezit geeft, niet onrein maken. geeft het voorschrift dat een gehangene moet worden begraven. Dat is ook met de Heer Jezus gebeurd. De geestelijke toepassing daarvan op ons is belangrijk. Onze oude mens moet worden begraven. Daarvan leggen we getuigenis af in de doop (Rm 6:4a4Wij zijn dan met Hem begraven door de doop tot de dood, opdat, zoals Christus uit [de] doden is opgewekt door de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwheid van leven zouden wandelen.). Daarmee moeten we voortdurend rekening houden in ons hele leven. De vraag is: Maken wij waar wat wij in de doop hebben beleden? Er mag niets meer van de oude mens in ons leven zichtbaar worden (Rm 6:66daar wij dit weten, dat onze oude mens met [Hem] gekruisigd is, opdat het lichaam van de zonde tenietgedaan zou zijn, opdat wij niet meer de zonde dienen.). God wil niets meer zien van de vloek. Het graf is boven ons toegesloten en er mag niets meer van ons oude leven zichtbaar worden.

God wil in ons leven het nieuwe zien, dat wij in nieuwheid van leven wandelen (Rm 6:4b4Wij zijn dan met Hem begraven door de doop tot de dood, opdat, zoals Christus uit [de] doden is opgewekt door de heerlijkheid van de Vader, zo ook wij in nieuwheid van leven zouden wandelen.). God heeft meer behagen in ons als wij ons gedragen als echte eerstgeboren zonen, wat het geval is als wij meer zouden begrijpen van de vloek die door God is uitgesproken over en is voltrokken aan de Heer Jezus.


Lees verder