Deuteronomium
Inleiding 1-2 Het erfdeel van de stam Levi 3-5 Het recht van de priesters 6-8 Elke Leviet deelt in het voedsel 9-14 Verbod op occulte praktijken 15-19 De ware Profeet 20 De valse profeet 21-22 De toetssteen: het Woord van God
Inleiding

Op de wet voor de koning in Deuteronomium 17 volgt nu een wet voor de priesters en de aankondiging van de profeet. Bij de drie ambten koning, priester en profeet mogen we denken aan de Heer Jezus. Hij is de ware Koning, Priester en Profeet. Een verschil tussen deze drie is dat een profeet geen erfopvolging kent, terwijl dat bij de koning en de priester wel het geval is.

Ze hebben ook hun betekenis voor ons, gelovigen van het Nieuwe Testament. Wat de positie betreft, is de nieuwtestamentische gelovige een koning, “een koninkrijk” (Op 1:66en ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, tot priesters voor Zijn God en Vader, Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in <alle> eeuwigheid! Amen.; 5:1010en hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters; en zij zullen over de aarde regeren.), een priester (Op 1:66en ons gemaakt heeft tot een koninkrijk, tot priesters voor Zijn God en Vader, Hem zij de heerlijkheid en de kracht tot in <alle> eeuwigheid! Amen.; 5:1010en hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters; en zij zullen over de aarde regeren.; 1Pt 2:55en u wordt ook zelf als levende stenen gebouwd, als een geestelijk huis tot een heilig priesterdom, om geestelijke offeranden te offeren, die voor God aangenaam zijn door Jezus Christus.) en een profeet, dat wil zeggen dat hij of zij een profetische dienst kan verrichten (vgl. 1Ko 11:4-5a4Iedere man die bidt of profeteert met [iets] op zijn hoofd, onteert zijn Hoofd;5en iedere vrouw die bidt of profeteert met ongedekt hoofd, onteert haar hoofd; want het is een en hetzelfde alsof zij geschoren was.). In de praktijk geldt het echter alleen voor hen die ernaar leven.

Dat is wat in de dienst en geschiedenis van Israël in het Oude Testament wordt voorgesteld. Daar zien we niet wat we in beginsel zijn, maar hoe het beginsel van het Nieuwe Testament in de praktijk wordt uitgeleefd. Een onderscheid is nog dat in het Nieuwe Testament alle gelovigen die tot de gemeente behoren, priesters zijn, terwijl in het Oude Testament alleen de nakomelingen van Aäron priesters zijn.


Het erfdeel van de stam Levi

1De Levitische priesters, de hele stam Levi, mogen geen aandeel of erfbezit hebben [samen] met Israël; de vuuroffers van de HEERE en Zijn erfelijk bezit mogen zij eten. 2Daarom mag hij geen erfelijk bezit hebben te midden van zijn broeders; de HEERE, Die is zijn erfelijk bezit, zoals Hij tot hem gesproken heeft.

Er is sprake van twee soorten erfdeel. Er is een erfdeel dat Israël bezit en er is een erfdeel van God. Het erfdeel dat Israël bezit, heeft het van God als zegen gekregen. Daarvan geeft het volk aan Hem terug, zoals David zegt: “Uit Uw hand hebben wij het U gegeven” (1Kr 29:14b14Want wie ben ik, en wat is mijn volk, dat wij de kracht zouden hebben om vrijwillig te geven zoals dit? Want van U is alles, en uit Uw hand hebben wij het U gegeven.). Het voedsel is wat het volk aan God geeft. Dat is tevens ook het voedsel van de priesters. Dit voedsel is eerst als zegen door God aan Zijn volk gegeven. De aanbidding die we aan God brengen, kan alleen zijn, wat wij in een vroeger stadium als voedsel tot ons hebben genomen.

Het erfdeel dat wij bezitten, is wat God in Christus aan ons geschonken heeft. Het erfdeel dat God bezit, is wat wij in Christus aan God geven. Ons erfdeel is het geheel aan geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten, dat is samengevat in: het eeuwige leven. Daarin zijn wij ingeleid in de vorige hoofdstukken. Gods deel is wat wij op onze beurt in Christus aan God geven: de vuuroffers, de tienden en de eerstelingen.

Het erfdeel van de HEERE is ook het erfdeel van de Levieten. De HEERE Zelf is hun erfdeel. Wat wij aanbieden aan God, is Zijn eigen Zoon. Wij mogen dat doen om op die manier priesterdienst uit te oefenen. Hiermee beantwoorden we tevens aan ons zoonschap, want God heeft de erfgenamen “tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd” (Ef 1:55terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van Zijn wil,), tot Zijn eigen vreugde.


Het recht van de priesters

3Van [de gaven van] het volk, van hen die een offer brengen, hetzij een rund of kleinvee, is dit [het deel] waar de priesters recht op hebben: men moet de schouder, de beide kaken en de maag aan de priester geven. 4[Ook] de eerstelingen van uw koren, uw nieuwe wijn en uw olie, en de eerstelingen van de wol van uw kleinvee moet u hem geven, 5want hem heeft de HEERE, uw God, uit al uw stammen uitgekozen om in de Naam van de HEERE te staan [en] te dienen, hij en zijn zonen, alle dagen.

Bij wat in Deuteronomium van de priesters wordt gezegd, staat niet hun dienst of hun kleding voorop, zoals dat wel in Leviticus het geval is waar een volk door de woestijn gaat. In Deuteronomium worden de priesters gezien als een deel van een volk dat in het bezit is van de erfenis en van wie nu hun positie nader moet worden bepaald. Dat verschil zien we ook bij het voedsel van de priesters. In Leviticus lezen we ook over het eten van de priesters, maar daar staat het in verbinding met het allerheiligste. Hier gaat het om offers die het volk brengt en waarvan het volk eet, onafhankelijk van de priesterklasse, maar waarin het volk deelt met de priesters.

De priesters worden door de offers van het volk in leven gehouden, evenals de Levieten. Dat wil zeggen dat priesterdienst in de gemeente, dat wil zeggen: aanbidding, alleen tot zijn recht komt, als ieder lid van de gemeente in zijn dagelijks leven – om zo te zeggen, als lid van het volk – zijn lichaam stelt tot een levende offerande voor God (Rm 12:11Ik vermaan u dan, broeders, door de ontfermingen van God, dat u uw lichamen stelt tot een levende offerande, heilig, voor God welbehaaglijk, [dat is] uw redelijke dienst.). Zonder dagelijkse toewijding aan God zal ook van de priesterdienst niet veel terechtkomen.

Het is goed om het verschil tussen de priester en de Leviet te zien en wat dat voor ons betekent. Priesters zijn offeraars, ze zijn aanbidders. Levieten zijn gegeven tot hulp van de priesters. Priesters dienen God, Levieten dienen de priesters. De Levieten houden de priesterdienst in stand. Levitendienst is alle dienst die erop gericht is de priesterdienst te bevorderen.

Wij zijn zowel priester als Leviet. De gelovige is zowel een aanbidder als iemand die helpt om de priesterdienst te verrichten. Die hulp komt bijzonder in de dienst van het Woord naar voren. De dienst van het Woord is daar speciaal op gericht en niet in de eerste plaats op onze praktische wandel. Onze praktische wandel is het middel waardoor de priesterdienst op een goede manier kan worden uitgeoefend.

Het voedsel en de inkomsten van priesters en Levieten worden in Numeri 18 uitvoerig beschreven. Hier gebeurt het summier, in de lijn van het boek dat niet zozeer over priesters en Levieten gaat, maar over het hele volk. Dat benadrukt het belang van ons dagelijks leven, hoe we ons daarin gedragen. Als we ons daar gedragen op een wijze die past bij iemand die lid is van Gods volk, zal dat zowel de Levitendienst als de priesterdienst versterken. Als we een slordige wijze van leven erop nahouden, komt er van onze dienst als Levieten en priesters niet veel terecht.

Van de slachtoffers die het volk brengt, moeten drie delen aan de priester gegeven worden. Slachtoffers zijn die offers waarvan het volk zelf mag eten. Het enige offer waarvan het volk mag eten, is het vredeoffer. In geestelijke zin heeft voedsel de betekenis dat wat we in ons denken en onze geest opnemen, ons karakter vormt. Anders gezegd: ons karakter wordt mede bepaald door wat we lezen en waarnaar we luisteren.

De priester krijgt als zijn voedsel “de schouder, de beide kaken en de maag”. “De schouder” van het offer spreekt van geestelijke energie die de Heer Jezus heeft getoond. Hij is doorgegaan onder alle omstandigheden en heeft in gehoorzaamheid aan Zijn God en Vader het werk volbracht. Als de schouder mijn voedsel is, brengt dat deze karaktertrek in mij tot stand. Ik zal dan ook in volhardende gehoorzaamheid mijn weg gaan. Daaruit vloeit priesterdienst voort. Als het alleen priesterdienst is, zonder dat het eerst voedsel is geweest, is het snel alleen vorm. “De beide kaken en de maag” staan in verbinding met de spijsvertering, waardoor het zijn uitwerking gaat krijgen in het karakter.

Deze dingen zijn van toepassing op de Heer Jezus tijdens Zijn leven op aarde. Hij heeft altijd in de weg van Zijn God gewandeld, Hij heeft Gods wet dag en nacht overpeinsd (Ps 1:22maar die zijn vreugde vindt in de wet van de HEERE
en Zijn wet dag en nacht overdenkt.
)
, want Gods wet is in Zijn binnenste (Ps 40:99Ik vind er vreugde in, Mijn God, om Uw welbehagen te doen;
Uw wet [draag Ik] diep in Mijn binnenste.
)
. Hij is altijd in de dingen van Zijn Vader geweest (Lk 2:4949En Hij zei tot hen: Waarom hebt u Mij gezocht? Wist u niet dat Ik in de dingen van Mijn Vader moet zijn?). Er is ook een toepassing voor ons. Als priesters moeten wij altijd in de dingen van God zijn. Het is niet voldoende om het Woord alleen maar aan te horen. Het is van belang dat wij het overdenken, dat we het gehoorde verwerken.

De priester krijgt ook van de eerstelingen te eten. De eerstelingen is dat wat net van het land komt. Het gaat om wat vers en fris is en niet om iets wat al jaren in de schuren ligt. Dat wijst erop hoe belangrijk het is dat we ons elke keer opnieuw voeden met “koren”, dat spreekt van de Heer Jezus als het tarwegraan dat in de aarde gevallen is en gestorven is, waardoor wij eeuwig leven ontvangen hebben (Jh 12:2424Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: als de tarwekorrel niet in de aarde valt en sterft, blijft zij alleen; maar als zij sterft, draagt zij veel vrucht.). We moeten elke keer, elke dag, een nieuwe vreugde, “de nieuwe wijn” in de Heer beleven, door wat we van Hem in het Woord lezen. Elke keer, elke nieuwe dag, moeten we ons voeden met nieuw, vers voedsel en moeten we de nieuwe kracht van de Heilige Geest, “olie”, ervaren.

Als ons geloofsleven zijn frisheid verliest en we teren op oude kennis en ervaringen, ontstaat er dode orthodoxie. In de samenkomsten zal dit zich uiten in het volgen van een gewoontepatroon of zelfs het opstellen van een liturgie. In beide gevallen wordt een menselijke ordening gevolgd en is er van frisheid en spontaniteit in de samenkomst niets te merken. Dan wordt er gegeten uit oude voorraad. Dat is het gevolg als wij de priester in ons niet te eten geven en als we de Leviet vergeten, als we geen oog hebben voor wat hij uitdeelt om de priesterdienst te bevorderen.

Naast koren, most en olie moeten ook “de eerstelingen van de wol” van de schapen aan de priester worden gegeven. De wol van schapen spreekt hier van wat uit de nieuwe natuur voortkomt in de broeders en zusters. Het is de warmte van de gemeenschap van de broeders en zusters. De eerste zegen wordt merkbaar in de priesterdienst. Aan de priesterlijke aanbidding is te merken hoe het met de ‘de eerste wol’ is gesteld. Er is sprake van een koude dienst als de ‘wol’ in de samenkomsten ontbreekt. Dan wordt de priesterdienst uit gewoonte uitgeoefend, zonder het besef dat we als broeders en zusters bij elkaar horen. We komen wel in de samenkomsten bij elkaar, maar door de week hebben we geen boodschap aan elkaar, leven we langs elkaar heen.

Priesterdienst bestaat vanwege Gods soevereine uitverkiezing. Hij wenst priesters in Zijn tegenwoordigheid, opdat zij in Zijn Naam dienst zullen doen. Geen priester kan daar staan en dienst doen om wie hij zelf is, alsof in hem persoonlijk enige kwaliteit aanwezig is die God kan waarderen. God heeft Zijn Naam op hen gelegd. Daardoor zijn priesters aangenaam voor Hem. Aan die dienst komt nooit een einde. God wil dat dit een voortdurende bezigheid zal zijn (Hb 13:1515Laten wij <dan> door Hem voortdurend een lofoffer brengen aan God, dat is [de] vrucht van [de] lippen die Zijn Naam belijden.).


Elke Leviet deelt in het voedsel

6Verder, wanneer er een Leviet komt, uit een van uw poorten in heel Israël, waar hij als vreemdeling verblijft, en hij naar het volle verlangen van zijn ziel naar de plaats komt die de HEERE zal uitkiezen, 7en hij [daar] dient in de Naam van de HEERE, zijn God, zoals al zijn broeders, de Levieten, die daar voor het aangezicht van de HEERE staan, 8dan moet hij een evenredig deel aan voedsel ontvangen, ongeacht wat hij uit familiebezit verkocht heeft.

De dienst wordt door Levieten in Jeruzalem uitgeoefend, door hen die ‘op dienst’ zijn. Als er een Leviet die ergens in het land woont dat ook wil, mag hij ook dienst gaan doen. Hij mag daarin niet belemmerd worden. Hij zal niet te veel zijn, er is plaats voor hem. Hier is ook een toepassing voor ons te maken. We mogen als gemeente samenkomen in de Naam van de Heer Jezus om naar Gods Woord te luisteren, zoals dat in veel plaatsen op zondag gebeurt. Voor de bediening van het Woord moet aan iedere ‘Leviet’ gelegenheid worden gegeven. Als iemand het op zijn hart heeft door de Geest een dienst te doen, dan moet hij daarvoor de gelegenheid krijgen.

De Levieten in Jeruzalem leven van wat de Israëlieten brengen. Als er nu een nieuwe Leviet komt, moeten ze dat met nog één delen. Bij de Levieten die in Jeruzalem leven, kan de lage gedachte opkomen dat zij daardoor minder krijgen. Aan die lage gedachte mag niet worden toegegeven. Het is ook niet van belang of de nieuwe Leviet nog een andere bron van inkomsten heeft, bijvoorbeeld door de verkoop van het land dat hij in de plaats van herkomst heeft gehad.

Zo is het ook met de ‘Leviet’ in deze tijd. Elke arbeid voor de Heer verdient beloond te worden door Gods volk dat daar nut van heeft (Gl 6:66En laat hij die in het Woord wordt onderwezen, hem die onderwijst van alle goede dingen meedelen.). Het doet er daarbij niet toe of zo’n arbeider nog een andere bron van inkomsten heeft. Er mag geen onderscheid gemaakt worden tussen hen die zogenaamd ‘fulltime’ in het werk van de Heer zijn en zij die naast hun werk in de maatschappij in het werk van de Heer bezig zijn. Als het goed is, is iedere gelovige volledig voor de Heer bezig (1Ko 15:5858Daarom, mijn geliefde broeders, weest standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig in het werk van de Heer, daar u weet, dat uw arbeid niet vergeefs is in [de] Heer.). De Heer bepaalt voor ieder de werkzaamheden en alles behoort te gebeuren voor Hem (Ko 3:1717En al wat u doet, in woord of in werk, [doet] alles in [de] Naam van [de] Heer Jezus, terwijl u God [de] Vader door Hem dankt.).

Levieten zijn aan de priesters gegeven om hen te helpen bij hun dienst (1Kr 23:28-3228want hun plaats was naast de nakomelingen van Aäron in de dienst van het huis van de HEERE [met het opzicht] over de voorhoven, over de voorraadkamers en over de reiniging van ieder heilig voorwerp, [over] het dienstwerk in het huis van God,29en over het uitgestalde brood, de meelbloem voor het graanoffer, over de ongezuurde platte koeken, over de bakplaat, over het beslag en over iedere inhoudsmaat en lengtemaat.30Vervolgens [moesten zij] elke morgen, en eveneens in de avond, [gereed]staan om de HEERE te loven en te prijzen,31en [ook] bij het brengen van alle brandoffers voor de HEERE, op de sabbatten, de nieuwemaansdagen en de feestdagen, voortdurend voor het aangezicht van de HEERE [staan] in een aantal zoals voor hen bepaald was.32Zo moesten zij [hun] taak ten behoeve van de tent van ontmoeting vervullen, en [hun] taak ten behoeve van het heiligdom en [hun] taak ten behoeve van de nakomelingen van Aäron, hun broeders, in de dienst van het huis van de HEERE.). Alle dienst van ons in het karakter van de Leviet moet erop gericht zijn dat onze dienst als priesters, het offers brengen aan God, beter tot zijn recht komt. Zij die zich ter wille van die dienst vrijmaken, hebben recht op ondersteuning van Gods volk (1Ko 9:1414Zo heeft de Heer ook verordend voor hen die het evangelie verkondigen, dat zij van het evangelie leven.; 1Tm 5:17-1817Laat de oudsten die goed besturen, dubbele eer worden waard geacht, vooral zij die arbeiden in woord en leer;18want de Schrift zegt: ‘Een dorsende os zult u niet muilbanden’, en: ‘De arbeider is zijn loon waard’.).


Verbod op occulte praktijken

9Wanneer u in het land komt dat de HEERE, uw God, u geeft, mag u niet leren handelen overeenkomstig de gruweldaden van die volken. 10Onder u mag niemand gevonden worden die zijn zoon of zijn dochter door het vuur laat gaan, die waarzeggerij pleegt, die wolken duidt of aan wichelarij doet, die een tovenaar is, 11die bezweringen doet, die een dodenbezweerder of een waarzegger raadpleegt, of die bij de doden onderzoek doet. 12Want iedereen die zulke dingen doet, is een gruwel voor de HEERE. En vanwege deze gruweldaden verdrijft de HEERE, uw God, [deze volken] van voor uw [ogen] uit hun bezit. 13Oprecht moet u zijn tegenover de HEERE, uw God. 14Want deze volken, die ú uit hun bezit verdrijven zult, luisteren naar wolkenduiders en waarzeggers. Maar de HEERE, uw God, heeft dat ú niet toegestaan.

God stelt Zijn volk voor wat ze in het land aan gruwelen zullen ontmoeten. Hij waarschuwt hen zich daar op geen enkele manier mee in te laten of voor open te stellen. De gruwelen komen in verschillende vormen voor. We herkennen hier het occultisme dat vandaag velen in zijn ban heeft en steeds meerderen vallen daaraan ten prooi. Kinderen door het vuur laten gaan komt voor in de hekserij. Waarzeggerij is het met behulp van demonische krachten indringen in dingen die voor ons verborgen zijn om via die weg informatie op te doen (1Sm 28:77Toen zei Saul tegen zijn dienaren: Zoek een vrouw voor mij die geesten van doden kan bezweren, zodat ik naar haar toe kan gaan en door haar raad kan vragen. Zijn dienaren zeiden tegen hem: Zie, er is in Endor een vrouw die geesten van doden bezweert.).

Zowel de waarzegger en andere beoefenaars van occulte praktijken als zij die zich met hen inlaten, zijn de HEERE een gruwel. Iemand kan alleen beïnvloed worden door al deze vormen van demonie als hij zich daarvoor bewust openstelt. Men ledigt zijn geest en geeft zich over aan passiviteit, waardoor de boze geest zijn werkterrein aangeboden krijgt en zijn verderfelijke werk kan doen.

Elke vorm van godsdienst waarbij we onze wil uitleveren behalve aan God, is demonisch. Dit effect kan ook optreden door een valse vorm van stille tijd, een soort mediteren, zonder bewust aan de Heer Jezus te denken. In de zogenaamde ‘stiltecentra’ krijgen demonen een uitstekend middel in de hand om de geest van de mens te vullen met alles behalve God en Zijn Woord. De enige remedie is te luisteren naar Gods Woord dat ons oproept actief en nuchter te zijn (1Pt 4:77Het einde van alles nu is nabij, weest dus bezonnen en nuchter tot gebeden.).

God wenst dat Zijn volk “oprecht” of onberispelijk tegenover Hem staat (vers 1313Oprecht moet u zijn tegenover de HEERE, uw God.). Dit komt overeen met het onderwijs van de brief aan de Efeziërs. Daarin lezen we dat God ons, gelovigen die tot de gemeente behoren, heeft uitverkoren opdat we “heilig en onberispelijk zouden zijn vóór Hem in [de] liefde” (Ef 1:44zoals Hij ons in Hem heeft uitverkoren vóór [de] grondlegging van [de] wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn vóór Hem in [de] liefde,). Het is ondenkbaar dat Hij, Die de Zijnen tot een zo bijzondere positie heeft uitverkoren, kan toelaten dat zij zich voor verderfelijke invloeden openstellen.

Toch worden ook de gelovigen in Efeze, en over hun hoofden heen ook wij, daarvoor gewaarschuwd (Ef 4:17-1917Dit nu zeg en betuig ik in [de] Heer, dat u niet meer moet wandelen evenals de volken wandelen in [de] vruchteloosheid van hun denken,18verduisterd in hun verstand, vreemd aan het leven van God, wegens de onwetendheid die in hen is, wegens de verharding van hun hart.19Afgestompt in hun gevoelens hebben zij zich overgegeven aan de losbandigheid om alle onreinheid gretig te bedrijven.). Tegenover de wandel van de volken, waaraan zij niet mogen deelhebben, wordt gesteld wat hun geleerd is aangaande Christus (Ef 4:20-2420Maar zo hebt u Christus niet geleerd,21waar u Hem immers hebt gehoord en in Hem bent onderwezen, zoals [de] waarheid in Jezus is:22dat u, wat uw vroegere wandel betreft, de oude mens hebt afgelegd, die ten verderve gaat overeenkomstig zijn bedrieglijke begeerten,23en vernieuwd bent in de geest van uw denken,24en de nieuwe mens hebt aangedaan, die overeenkomstig God geschapen is in ware gerechtigheid en heiligheid.). Vervolgens verbindt Paulus daaraan de praktische gevolgen die hun nieuwe positie met zich mee behoort te brengen, zowel in woord als in daad (Ef 4:25,2825Legt daarom de leugen af en spreekt [de] waarheid, ieder met zijn naaste, want wij zijn leden van elkaar.28Laat hij die een dief was, niet meer stelen, maar veeleer arbeiden en met zijn <eigen> handen het goede werken, opdat hij kan meedelen aan hem die gebrek heeft.).


De ware Profeet

15Een Profeet uit uw midden, uit uw broeders, zoals ik, zal de HEERE, uw God, voor u doen opstaan; naar Hem moet u luisteren, 16overeenkomstig alles wat u van de HEERE, uw God, bij de Horeb gevraagd hebt, op de dag [dat u daar] bijeenkwam, toen u zei: Ik wil de stem van de HEERE, mijn God, niet langer horen en dit grote vuur wil ik niet meer zien, anders zal ik sterven. 17Toen zei de HEERE tegen mij: Het is goed wat zij gesproken hebben. 18Ik zal een Profeet voor hen doen opstaan uit het midden van hun broeders, zoals u. Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en alles wat Ik Hem gebied, zal Hij tot hen spreken. 19En [met] de man die niet naar Mijn woorden luistert, die Hij in Mijn Naam spreekt, zal [het zó] zijn: Ík zal [rekenschap] van hem eisen.

In deze verzen wordt het verschil duidelijk tussen het luisteren naar wie de volken luisteren en het luisteren naar de Profeet Die de HEERE zal geven. Tegenover al de demonische invloeden van de vorige verzen staat het Woord. Bewaring voor de invloeden van demonen ligt hierin dat we gesloten zijn voor alles wat in de verzen 9-149Wanneer u in het land komt dat de HEERE, uw God, u geeft, mag u niet leren handelen overeenkomstig de gruweldaden van die volken.10Onder u mag niemand gevonden worden die zijn zoon of zijn dochter door het vuur laat gaan, die waarzeggerij pleegt, die wolken duidt of aan wichelarij doet, die een tovenaar is,11die bezweringen doet, die een dodenbezweerder of een waarzegger raadpleegt, of die bij de doden onderzoek doet.12Want iedereen die zulke dingen doet, is een gruwel voor de HEERE. En vanwege deze gruweldaden verdrijft de HEERE, uw God, [deze volken] van voor uw [ogen] uit hun bezit.13Oprecht moet u zijn tegenover de HEERE, uw God.14Want deze volken, die ú uit hun bezit verdrijven zult, luisteren naar wolkenduiders en waarzeggers. Maar de HEERE, uw God, heeft dat ú niet toegestaan. wordt genoemd en dat we open staan voor alles wat in de verzen 15-1815Een Profeet uit uw midden, uit uw broeders, zoals ik, zal de HEERE, uw God, voor u doen opstaan; naar Hem moet u luisteren,16overeenkomstig alles wat u van de HEERE, uw God, bij de Horeb gevraagd hebt, op de dag [dat u daar] bijeenkwam, toen u zei: Ik wil de stem van de HEERE, mijn God, niet langer horen en dit grote vuur wil ik niet meer zien, anders zal ik sterven.17Toen zei de HEERE tegen mij: Het is goed wat zij gesproken hebben.18Ik zal een Profeet voor hen doen opstaan uit het midden van hun broeders, zoals u. Ik zal Mijn woorden in Zijn mond geven, en alles wat Ik Hem gebied, zal Hij tot hen spreken. staat.

De Profeet over Wie het in deze verzen gaat, is de Heer Jezus (Hd 3:19-2319Hebt dan berouw en bekeert u, opdat uw zonden worden uitgewist, opdat [de] tijden van verkwikking komen van [het] aangezicht van de Heer20en Hij de voor u voorbestemde Christus, Jezus, zendt,21Die [de] hemel moet opnemen tot op [de] tijden van [de] herstelling van alle dingen, waarvan God heeft gesproken door [de] mond van Zijn heilige profeten van oudsher.22Mozes heeft immers gezegd: ‘Een Profeet zal [de] Heer uw God u verwekken uit uw broeders, zoals Hij mij [verwekte]: naar Hem zult u horen overeenkomstig alles wat Hij tot u zal spreken;23en het zal gebeuren, dat elke ziel die niet hoort naar die Profeet, zal worden uitgeroeid uit het volk’.; 7:3737Dit is de Mozes die tot de zonen van Israël heeft gezegd: ‘Een Profeet zal God u verwekken uit uw broeders, zoals Hij mij [verwekte]’.). Mozes is een beeld van Hem. Dat Hij “uit uw broeders” is, geeft aan dat de Heer Jezus, om die Profeet te kunnen zijn, Mens is geworden. In de evangeliën staan meerdere verwijzingen naar het feit dat Hij de Profeet is Die hier door Mozes wordt aangekondigd. Soms is het slechts een gevoel (Jh 6:1414Toen nu de mensen het teken hadden gezien dat <Jezus> had gedaan, zeiden zij: Deze is waarlijk de Profeet Die in de wereld zou komen.; 7:4040[Sommigen] dan uit de menigte die deze woorden hoorden, zeiden: Deze is waarlijk de Profeet.), een andere keer een uiting van geloof (Jh 1:4646Filippus vond Nathanaël en zei tot hem: Wij hebben Hem gevonden van Wie Mozes in de wet geschreven heeft, en de profeten: Jezus, de Zoon van Jozef, van Nazareth.). Ook is het wel vervat in woorden die de Heer heeft gesproken (Jh 5:4646Want als u Mozes geloofde, zou u Mij geloven, want hij heeft over Mij geschreven.). Het karakter van de dienst van de Heer Jezus als Profeet lijkt op dat van Mozes, maar Hij is ver boven Mozes verheven, hoe bijzonder Mozes als profeet ook is (Dt 34:1010En er is in Israël geen profeet meer opgestaan zoals Mozes, die de HEERE kende van aangezicht tot aangezicht,). Hij is de geliefde Zoon.

De omstandigheden waaronder de belofte van de Profeet zoals Mozes wordt gedaan, maken duidelijk dat die Profeet een Middelaar zal zijn. De belijder die niet naar Zijn woorden luistert, zal sterven (Hb 12:2525Kijkt u uit dat u Hem Die spreekt, niet afwijst. Want als zij niet ontkomen zijn, die Hem afwezen Die op aarde Goddelijke aanwijzingen gaf, hoeveel te minder wij, als wij ons afwenden van Hem Die van [de] hemelen [spreekt].). Wij als gelovigen die tot de gemeente behoren, worden gewaarschuwd de profetieën, het woord dat namens God in de gemeente tot ons komt, niet te verachten (1Th 5:20a20Veracht [de] profetieën niet,).


De valse profeet

20Maar de profeet die overmoedig handelt door een woord in Mijn Naam te spreken dat Ik hem niet geboden heb te spreken, of die in de naam van andere goden spreekt, die profeet zal sterven.

Er zijn vele valse profeten opgestaan in de geschiedenis van Israël die hebben gezegd in de Naam van God te spreken (Jr 23:2525Ik heb gehoord wat de profeten zeggen die in Mijn Naam leugen profeteren door te zeggen: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd!; Ez 13:66Zij schouwen valse [visioenen] en leugenachtige waarzeggerij, zij die zeggen: De HEERE spreekt. Hoewel de HEERE hen niet gezonden heeft, verwachten zij dat het woord zal uitkomen!; 1Kn 22:66Toen riep de koning van Israël de profeten bijeen, ongeveer vierhonderd man, en zei tegen hen: Zal ik tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken, of zal ik [ervan] afzien? Zij zeiden: Trek op, want de Heere zal hen in de hand van de koning geven.). Zij zijn de voorlopers van dé valse profeet, de antichrist, de nietswaardige herder. De antichrist zal niet alleen doen alsof hij namens God spreekt, maar zal doen alsof hij zelf God is (2Th 2:44die zich verzet en zich verheft tegen al wat God heet of een voorwerp van verering is, zodat hij in de tempel van God gaat zitten en zichzelf vertoont dat hij God is.). Het is het toppunt van overmoed.

Een valse profeet kan ook zeggen namens andere goden te spreken. Hij past zijn godsbeeld aan bij het publiek dat hij voor zich heeft. Wie niet vertrouwd is met het Woord van God, zal ten prooi vallen aan zijn misleidende taal en onder hetzelfde oordeel delen dat deze valse profeet zal treffen.


De toetssteen: het Woord van God

21Wanneer u dan in uw hart zegt: Hoe kunnen wij het woord herkennen dat de HEERE niet gesproken heeft? 22Wanneer die profeet in de Naam van de HEERE spreekt, en het gebeurt niet en het komt niet uit, [dan] is dat een woord dat de HEERE niet gesproken heeft. In overmoed heeft die profeet dat gesproken; wees niet bevreesd voor hem.

De toetssteen is en blijft het Woord van God. Wat vals is, wordt altijd openbaar door het te vergelijken met wat waar is. Gods Woord is de waarheid. Wonderen en tekenen die niet gegrond zijn op het Woord van God, komen uit een verkeerde bron.

De ware profeet staat tegenover de valse profeten, die vooral in de eindtijd zullen optreden. Valse profeten doen, onder aansturing van de satan, in de eindtijd krachten en tekenen en wonderen, zoals de Heer Jezus dat heeft gedaan tijdens Zijn leven op aarde (vgl. Hd 2:2222Mannen van Israël, hoort deze woorden: Jezus de Nazoreeër, een Man, door God aan u bevestigd door krachten, wonderen en tekenen die God door Hem in uw midden heeft gedaan, zoals u zelf weet, met 2Th 2:99hem, wiens komst naar [de] werking van de satan is met allerlei kracht en tekenen en wonderen van [de] leugen,). De echte profeet is iemand die het Woord van God spreekt. Niet de tekenen en wonderen zijn overtuigend of iets van God komt, maar of het in overeenstemming is met het Woord.

Daarom moeten we niet onder de indruk raken van vage niet te controleren wonderen, of van halve wonderen of wonderen van beperkte duur. Denk aan genezingen of spreken in talen of andere wonderlijke uitingen die aan de Geest worden toegeschreven, maar die van de mens vragen dat hij willoos wordt en zich overgeeft aan een wonderdoener. We moeten niet bang zijn om zulke profeten, hoewel ze zelfs van zichzelf durven te beweren dat zij mannen Gods zijn, Gods oordeel aan te zeggen.


Lees verder