Deuteronomium
Inleiding 1-8 Pascha en ongezuurde broden 9-12 Het Wekenfeest 13-15 Het Loofhuttenfeest 16-17 Niet met lege handen komen 18-20 Rechtvaardige rechtspraak 21-22 Niets naast en in de plaats van God
Inleiding

Met de verzen 1-171Neem de maand Abib in acht en houd het Pascha voor de HEERE, uw God, want in de maand Abib heeft de HEERE, uw God, u in de nacht uit Egypte geleid.2Dan moet u voor de HEERE, uw God, het paaslam slachten, kleinvee en runderen, op de plaats die de HEERE zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen.3U mag er niets wat gezuurd is bij eten. Zeven dagen moet u er ongezuurd [brood] bij eten, brood van de ellende – want met haast bent u uit het land Egypte vertrokken – om de dag te gedenken dat u uit het land Egypte trok, alle dagen van uw leven.4Er mag bij u zeven dagen [lang] geen zuurdeeg gezien worden, in heel uw gebied; en van het vlees dat u op de avond van de eerste dag slacht, mag niets tot de morgen overblijven.5U mag het paaslam niet slachten binnen een van uw poorten die de HEERE, uw God, u geeft.6Maar op de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam [daar] te laten wonen, daar moet u het paaslam slachten, in de avond, als de zon ondergaat, op het tijdstip dat u uit Egypte trok.7Dan moet u [het] koken en eten op de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen. Daarna, in de morgen, moet u zich omkeren en [terug]gaan naar uw tenten.8Zes dagen moet u ongezuurde [broden] eten. Op de zevende dag is er een bijzondere samenkomst voor de HEERE, uw God; [dan] mag u geen werk doen.9Zeven weken moet u voor uzelf aftellen. U moet de zeven weken beginnen te tellen vanaf [het moment] dat men met de sikkel begint [te oogsten] in het staande koren.10Daarna moet u het Wekenfeest houden voor de HEERE, uw God. Wat u geven moet, is een vrijwillige gave van uw hand, naar de mate waarin de HEERE, uw God, u zegent.11En u moet u verblijden voor het aangezicht van de HEERE, uw God, u, uw zoon en uw dochter, uw slaaf en uw slavin, de Leviet die binnen uw poorten is, en de vreemdeling, de wees en de weduwe die in uw midden zijn, op de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen.12En u moet gedenken dat u een slaaf geweest bent in Egypte en deze verordeningen in acht nemen en houden.13Het Loofhuttenfeest moet u zeven dagen houden, als u [de oogst] van uw dorsvloer en van uw perskuip hebt ingezameld.14Verblijd u op uw feest, u, uw zoon en uw dochter, uw slaaf en uw slavin, en de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe die binnen uw poorten zijn.15Zeven dagen moet u het feest vieren voor de HEERE, uw God, op de plaats die de HEERE zal uitkiezen. Want de HEERE, uw God, zal u zegenen in heel uw opbrengst en in al het werk van uw handen; daarom moet u werkelijk blij zijn.16Drie keer per jaar moet alles wat mannelijk is onder u, verschijnen voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen: op het Feest van de ongezuurde [broden], op het Wekenfeest en op het Loofhuttenfeest. Men mag echter niet [met] lege [handen] voor het aangezicht van de HEERE verschijnen,17[maar] ieders geschenk moet overeenkomen met de zegen van de HEERE, uw God, die Hij u gegeven heeft. van dit hoofdstuk wordt het deel dat in Deuteronomium 12:1 is begonnen, afgesloten. Het is de climax ervan. Het gaat hier niet om de priesters, maar om het volk in verbinding met de plaats die de HEERE heeft uitgekozen om Zijn Naam te doen wonen. Vanaf vers 1818U moet binnen al uw poorten, die de HEERE, uw God, u geeft, rechters en beambten over uw stammen aanstellen. Zij moeten met een rechtvaardig oordeel rechtspreken over het volk. komt meer het staatsrechtelijke aspect van het leven in het land aan de orde, hoewel ook dat in verbinding wordt gebracht met de woonplaats van de HEERE. Die plaats moeten ze zoeken.

Het hoogtepunt voor die plaats is als alle mannen daarheen optrekken, drie keer in het jaar, om daar feest te vieren voor het aangezicht van de HEERE. Deze feesten komen vier keer voor in de boeken van Mozes. Dat gebeurt niet als een loutere herhaling, maar in overeenstemming met het karakter van elk van die boeken.

1. In Exodus 23 en Exodus 34 worden de feesten genoemd
a. in verbinding met de wetten die God aan Mozes heeft gegeven (Exodus 23) en
b. bij de verbondsbevestiging na de geschiedenis met het gouden kalf als God in genade met Zijn volk handelt (Exodus 34).
Ze staan in verband met het verbond.

2. In Leviticus 23 maken de drie feesten deel uit van zeven hoogtijdagen. Ze staan in het priesterboek. De feesten zijn een gelegenheid om offers te brengen tijdens een heilige samenroeping. Daar zien we de feesten ook in hun profetische samenhang. Ze verwijzen naar bepaalde tijdsperioden in het plan van God met Zijn volk.

3. In Numeri 28-29 wordt over de feesten gesproken tot het volk in de woestijn, op weg naar het land. God laat Zijn rechten op het volk gelden. De offers ter gelegenheid van die feesten noemt Hij “Mijn offergave” (Nm 28:22Gebied de Israëlieten en zeg tegen hen: U moet zorg dragen voor Mijn offergave – Mijn voedsel voor Mijn vuuroffers, voor Mij een aangename geur – door Mij [die] op de ervoor vastgestelde tijd aan te bieden.). Dat is om aan te tonen wat God voor Zichzelf verlangt. Dat is mooi, juist in een woestijnsituatie.

4. In Deuteronomium 16 staan de feesten in verbinding met de plaats waar God woont. Het hele volk komt samen, niet bij de ingang van de tent der samenkomst, zoals dat gebeurt in Leviticus en Numeri, maar in Jeruzalem, bij de tempel.

Ons samenkomen kent karaktertrekken van Leviticus. In het samenkomen met de broeders en zusters brengen we de eenheid van Gods volk tot uiting. Het kent ook de karaktertrekken van Deuteronomium. In Deuteronomium staat alles in het enkelvoud. Het gaat er niet in de eerste plaats om dit samen met alle andere Israëlieten te doen, maar om een persoonlijke ontmoeting met de HEERE op die plaats. Zo brengen we, als we samenkomen, allemaal samen, maar ook allen persoonlijk onze offers van lof en dank aan God. God ziet het hart van ieder van de Zijnen.

Het Pascha en het Feest van de ongezuurde broden horen bij elkaar, het is een eenheid. Het Feest van de eerstelingsgarve hoort bij het Wekenfeest. Het Feest van de eerstelingsgarve valt altijd in de week van de ongezuurde broden. Zeven weken later, in de derde maand, wordt het Wekenfeest gevierd. In de zevende maand worden ook drie feesten gevierd. De drie grote feesten vallen zodoende in de eerste, derde en zevende maand.

Deze feesten hangen samen met de oogst. Het Feest van de eerstelingsgarve wordt gevierd als de gerstoogst rijp is geworden. Daarna komt, zeven weken later, de tarweoogst. Dan wordt het Wekenfeest gevierd met de eersteling van de tarweoogst (Ex 34:2222Ook moet u voor uzelf het Wekenfeest houden, [dat is het feest bij] de eerste vruchten van de tarweoogst; en [ook] het Feest van de inzameling, bij de jaarwisseling.) in de vorm van de twee beweegbroden. De volgende fase van de oogst is de wijnoogst. Ten slotte vindt de olijvenoogst plaats.

Als de hele oogst binnen is, wordt het Loofhuttenfeest gevierd, het feest van de hele inzameling. Dan is de oogst ook al bewerkt: het persen van de druiven en het dorsen van de tarwe is gebeurd. Vanaf het allereerste begin tot de laatste fase, van de eerste tot de zevende maand, zijn het oogstmaanden. De feesten markeren het begin en het einde ervan: Ook het Feest van de oogst, van de eerste vruchten van uw werk, van wat u op de akker gezaaid hebt. En het Feest van de inzameling, aan het einde van het jaar, wanneer u [de vruchten] van uw werk van het veld ingezameld hebt” (Ex 23:1616Ook het Feest van de oogst, van de eerste vruchten van uw werk, van wat u op de akker gezaaid hebt. En het Feest van de inzameling, aan het einde van het jaar, wanneer u [de vruchten] van uw werk van het veld ingezameld hebt.).


Pascha en ongezuurde broden

1Neem de maand Abib in acht en houd het Pascha voor de HEERE, uw God, want in de maand Abib heeft de HEERE, uw God, u in de nacht uit Egypte geleid. 2Dan moet u voor de HEERE, uw God, het paaslam slachten, kleinvee en runderen, op de plaats die de HEERE zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen. 3U mag er niets wat gezuurd is bij eten. Zeven dagen moet u er ongezuurd [brood] bij eten, brood van de ellende – want met haast bent u uit het land Egypte vertrokken – om de dag te gedenken dat u uit het land Egypte trok, alle dagen van uw leven. 4Er mag bij u zeven dagen [lang] geen zuurdeeg gezien worden, in heel uw gebied; en van het vlees dat u op de avond van de eerste dag slacht, mag niets tot de morgen overblijven. 5U mag het paaslam niet slachten binnen een van uw poorten die de HEERE, uw God, u geeft. 6Maar op de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam [daar] te laten wonen, daar moet u het paaslam slachten, in de avond, als de zon ondergaat, op het tijdstip dat u uit Egypte trok. 7Dan moet u [het] koken en eten op de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen. Daarna, in de morgen, moet u zich omkeren en [terug]gaan naar uw tenten. 8Zes dagen moet u ongezuurde [broden] eten. Op de zevende dag is er een bijzondere samenkomst voor de HEERE, uw God; [dan] mag u geen werk doen.

“Abib” (vers 11Neem de maand Abib in acht en houd het Pascha voor de HEERE, uw God, want in de maand Abib heeft de HEERE, uw God, u in de nacht uit Egypte geleid.) betekent ‘groene aren’. Dat spreekt van een nieuw begin, het is als het ware de lente. Het begint met het slachten van het Pascha. Daarvan is zes keer sprake in de Bijbel en elke keer vanuit een ander gezichtspunt, dat wil zeggen in overeenstemming met het karakter van het boek waarin het wordt genoemd.

1. In Exodus 12 wordt het Pascha voor de eerste keer genoemd, daar ontstaat het feest (Ex 12:1111En zo moet u het eten: uw middel omgord, uw schoenen aan uw voeten en uw staf in uw hand. U moet het met haast eten, het is Pascha voor de HEERE.). Alle volgende keren zal het een herinneringsfeest zijn, maar de eerste keer is het de werkelijkheid van de verlossing. Het is het eerste feest dat genoemd wordt in verbinding met het ingaan in het land.
In Egypte is het gevierd in de huizen. In het land, en daarover gaat het in dit boek, mag het alleen gevierd worden op de plaats waar de HEERE woont. Wat eens in de huizen van de Israëlieten heeft plaatsgevonden, vindt in het land plaats in verbinding met het huis van God, de tempel.
Het stelt de centrale gedachte voor dat het Gods bedoeling is geweest een volk te verlossen te midden waarvan Hij kan wonen. Hij heeft niet alleen een volk bevrijd van het oordeel, maar dat gedaan met een doel. Dit doel wordt hier voorgesteld, terwijl er teruggedacht wordt aan wat we ‘de geboorte’ van Gods volk kunnen noemen.

2. In Leviticus 23 is het Pascha het uitgangspunt voor het bereiken van de sabbatsrust (Lv 23:1-51De HEERE sprak tot Mozes:2Spreek tot de Israëlieten en zeg tegen hen: De feestdagen van de HEERE, die u moet uitroepen, zijn heilige samenkomsten. Dit zijn Mijn feestdagen:3Zes dagen mag er werk verricht worden, maar op de zevende dag is het sabbat, een dag van volledige rust, een heilige samenkomst. Geen enkel werk mag u doen. Het is in al uw woongebieden een sabbat voor de HEERE.4Dit zijn de feestdagen van de HEERE, de heilige samenkomsten, die u op hun vastgestelde tijd moet uitroepen.5In de eerste maand, op de veertiende [dag] van de maand, tegen het vallen van de avond, is het Pascha voor de HEERE.). Het Pascha is het begin van de maanden (Ex 12:22Deze maand zal voor u het begin van de maanden zijn. Hij zal voor u de eerste zijn van de maanden van het jaar.). In de profetische toepassing van Leviticus 23 ziet de sabbat op de tijd dat God kan rusten in de hele schepping.

3. In Numeri 9 geeft het Pascha kracht om door de woestijn heen te gaan en het einde van de reis te bereiken (Nm 9:1-141De HEERE sprak tot Mozes in de woestijn Sinaï, in het tweede jaar nadat zij uit het land Egypte vertrokken waren, in de eerste maand:2Laten de Israëlieten het Pascha houden op zijn vastgestelde tijd.3Op de veertiende dag in deze maand, tegen het vallen van de avond, moet u het houden, op zijn vastgestelde tijd; u moet het houden volgens alle bijbehorende verordeningen en bepalingen.4Mozes zei tegen de Israëlieten dat zij het Pascha moesten houden.5Zij hielden het Pascha op de veertiende dag van de eerste maand, tegen het vallen van de avond, in de woestijn Sinaï. Overeenkomstig alles wat de HEERE Mozes geboden had, zo deden de Israëlieten.6Nu waren er mensen die vanwege [het aanraken van] het dode lichaam van een mens onrein waren, en op die dag het Pascha niet konden houden. Daarom kwamen zij die dag naar voren, vóór Mozes en vóór Aäron.7En die mensen zeiden tegen hem: Wij zijn onrein vanwege [het aanraken van] het dode lichaam van een mens. Waarom zouden wij afgehouden worden om de offergave van de HEERE op zijn vastgestelde tijd in het midden van de Israëlieten aan te bieden?8Mozes zei tegen hen: Blijf staan, dan zal ik horen wat de HEERE u gebiedt.9Toen sprak de HEERE tot Mozes:10Spreek tot de Israëlieten en zeg: Iedereen onder u of onder de generaties na u, wanneer hij onrein is vanwege [het aanraken van] een dood lichaam of ver onderweg is, moet [toch] voor de HEERE het Pascha houden.11In de tweede maand, op de veertiende dag, tegen het vallen van de avond, moeten zij het houden; met ongezuurde [broden], en met bittere kruiden moeten zij het eten.12Zij mogen er niets van over laten blijven tot de [volgende] morgen en mogen er geen been van breken; volgens alle verordeningen voor het Pascha moeten zij het houden.13Maar de man die rein is en niet onderweg is, en die nalaat om het Pascha te houden, die persoon moet van zijn volksgenoten worden afgesneden. Hij heeft immers de offergave van de HEERE niet op zijn vastgestelde tijd aangeboden; die persoon moet zijn zonde dragen.14En wanneer er een vreemdeling bij u verblijft, moet [ook] hij het Pascha voor de HEERE houden. Volgens de verordening van het Pascha en de bepaling ervan, zo moet hij het houden. Voor u geldt één verordening, zowel voor de vreemdeling als voor de ingezetene van het land.).

4. In Deuteronomium 16 staat het in verband met het land en het samenkomen bij de HEERE (Dt 16:1-21Neem de maand Abib in acht en houd het Pascha voor de HEERE, uw God, want in de maand Abib heeft de HEERE, uw God, u in de nacht uit Egypte geleid.2Dan moet u voor de HEERE, uw God, het paaslam slachten, kleinvee en runderen, op de plaats die de HEERE zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen.; 2Kr 30:1-51Daarna stuurde Hizkia [boden] naar heel Israël en Juda, en hij schreef ook brieven aan Efraïm en Manasse dat zij naar het huis van de HEERE in Jeruzalem moesten komen om voor de HEERE, de God van Israël, Pascha te houden.2De koning had immers met zijn leiders en heel de gemeente in Jeruzalem overleg gepleegd of [men] het Pascha in de tweede maand zou houden,3want zij hadden het niet op de [vastgestelde] tijd kunnen houden, omdat de priesters zich niet genoeg geheiligd hadden en het volk zich niet in Jeruzalem verzameld had.4Deze zaak was goed in de ogen van de koning en in de ogen van heel de gemeente.5Zo stelden zij vast dat men door heel Israël, van Berseba tot Dan, een oproep zou laten uitgaan dat zij moesten komen om in Jeruzalem het Pascha te houden voor de HEERE, de God van Israël, want zij hadden het lange [tijd] niet gehouden zoals het voorgeschreven was.; 35:1,16-191Daarna hield Josia het Pascha voor de HEERE in Jeruzalem. En zij slachtten het paaslam op de veertiende van de eerste maand.16Zo werd heel de dienst van de HEERE op die dag geregeld om het Pascha te houden en om brandoffers op het altaar van de HEERE te brengen, overeenkomstig het gebod van koning Josia.17De Israëlieten die zich [daar] bevonden, hielden het Pascha op dezelfde tijd, en het Feest van de ongezuurde [broden], zeven dagen [lang].18Een Pascha zoals dit was in Israël niet [meer] gehouden, vanaf de tijd van de profeet Samuel. En geen van Israëls koningen heeft het Pascha gehouden, zoals Josia [nu] hield met de priesters en de Levieten, en heel Juda en Israël dat [daar] aangetroffen werd, en de inwoners van Jeruzalem.19Dit Pascha werd in het achttiende jaar van het koningschap van Josia gehouden.; Ea 6:1919De ballingen vierden het Pascha op de veertiende van de eerste maand,).

5. In Jozua 5 is het volk het land ingegaan en dient het Pascha als een terugblik naar het uitgangspunt (Jz 5:10-1110Terwijl de Israëlieten in Gilgal hun kamp hadden opgeslagen, hielden zij het Pascha op de veertiende dag van die maand, in de avond, op de vlakten van Jericho.11Zij aten de dag na het Pascha van de opbrengst van het land, ongezuurde broden en geroosterd [graan], op diezelfde dag.).

6. In 1 Korinthiërs 5 wordt gezegd dat Christus het Pascha is (1Ko 5:7b7Zuivert het oude zuurdeeg uit, opdat u een nieuw deeg bent; u bent immers ongezuurd. Want ook ons Pascha, Christus, is geslacht.).

Ons feest als christenen bestaat maar uit één feest. Dat ene feest is als wij samenkomen rondom de Heer. Alle feesten, het feestkarakter, komen bij uitstek tot uiting in de eredienst. Christelijke feestdagen komen niet in de Bijbel voor.

Helaas hebben in de loop van Israëls geschiedenis zowel het Pascha als het Loofhuttenfeest voor het volk van God steeds meer hun betekenis verloren. Aan het einde van hun geschiedenis, als koning Josia het Pascha viert, blijkt dat de betekenis van het Pascha al sinds de dagen van Samuel verloren is gegaan: Een Pascha zoals dit was in Israël niet [meer] gehouden, vanaf de tijd van de profeet Samuel” (2Kr 35:18a18Een Pascha zoals dit was in Israël niet [meer] gehouden, vanaf de tijd van de profeet Samuel. En geen van Israëls koningen heeft het Pascha gehouden, zoals Josia [nu] hield met de priesters en de Levieten, en heel Juda en Israël dat [daar] aangetroffen werd, en de inwoners van Jeruzalem.). Voor het Loofhuttenfeest geldt dat zelfs al sinds de dagen van Jozua (Ne 8:1818De hele gemeente van hen die uit de gevangenschap waren teruggekeerd, maakte loofhutten en woonde in [die] loofhutten, want zo hadden de Israëlieten niet [meer] gedaan vanaf de dagen van Jozua, de zoon van Nun, tot op deze dag. Er was zeer grote blijdschap.).

Het Pascha is “voor de HEERE”, dat wil zeggen, in Zijn tegenwoordigheid, bij Hem (verzen 1-21Neem de maand Abib in acht en houd het Pascha voor de HEERE, uw God, want in de maand Abib heeft de HEERE, uw God, u in de nacht uit Egypte geleid.2Dan moet u voor de HEERE, uw God, het paaslam slachten, kleinvee en runderen, op de plaats die de HEERE zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen.). Hij verlangt ernaar dat Zijn volk bij Hem komt. Zo spreekt de Heer Jezus over “Mijn gastverblijf” (Mk 14:1414en waar hij ook naar binnen gaat, zegt tot de heer des huizes: De Meester zegt: Waar is Mijn gastverblijf waar Ik het Pascha met Mijn discipelen kan eten?), een verblijf waar Hij met Zijn discipelen het Pascha wil vieren. De HEERE begeert vurig dat zij voor Hem feestvieren en Hem brengen wat Hem toekomt, een rijke offerdienst van brandoffers en dank- of vredeoffers. Het wordt hier tegen de individuele Israëliet gezegd.

Het gedeelte begint met “brood van de ellende”, of ‘brood van verdrukking’, in vers 33U mag er niets wat gezuurd is bij eten. Zeven dagen moet u er ongezuurd [brood] bij eten, brood van de ellende – want met haast bent u uit het land Egypte vertrokken – om de dag te gedenken dat u uit het land Egypte trok, alle dagen van uw leven. en eindigt met “werkelijk blij zijn” in vers 1515Zeven dagen moet u het feest vieren voor de HEERE, uw God, op de plaats die de HEERE zal uitkiezen. Want de HEERE, uw God, zal u zegenen in heel uw opbrengst en in al het werk van uw handen; daarom moet u werkelijk blij zijn.. Als we bij Hem komen, spreken we niet alleen over de heerlijkheden van de Heer Jezus, maar ook over onze ellende. Dat mogen we niet vergeten, of denken dat het iets minderwaardigs is. Aan het einde van zijn leven spreekt de grote apostel Paulus, die over zoveel zegeningen heeft gesproken, over zichzelf als de grootste van de zondaren (1Tm 1:1515Het woord is betrouwbaar en alle aanneming waard, dat Christus Jezus in de wereld is gekomen om zondaars te behouden, van wie ik de voornaamste ben.). En hét hoofdstuk over aanbidding in dit boek, Deuteronomium 26, spreekt daar ook over (Dt 26:5-85Dan moet u voor het aangezicht van de HEERE, uw God, betuigen en zeggen: Mijn vader was een verloren Syriër. Hij trok naar Egypte en verbleef daar als vreemdeling met weinig mensen, maar hij werd daar tot een groot, machtig en talrijk volk.6Maar de Egyptenaren deden ons kwaad, onderdrukten ons en gaven ons harde slavenarbeid [te verrichten].7Toen riepen wij tot de HEERE, de God van onze vaderen; en de HEERE verhoorde onze stem en Hij zag onze ellende, onze moeite en onze onderdrukking.8En de HEERE leidde ons uit Egypte, met een sterke hand, met een uitgestrekte arm, met grote ontzagwekkende daden, met tekenen en met wonderen.). We moeten nooit vergeten waar we vandaan komen.

Er is geen verheven niveau zonder dat er ook ‘brood van de ellende’ aan verbonden is. We zien dat ook in Efeziërs 1 waar we lezen over het zoonschap, maar verbonden met “de verlossing … door Zijn bloed” en “de vergeving van de overtredingen” (Ef 1:5-75terwijl Hij ons tevoren door Jezus Christus tot [het] zoonschap voor Zichzelf bestemd heeft, naar het welbehagen van Zijn wil,6tot lof van [de] heerlijkheid van Zijn genade, waarmee Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde,7in Wie wij de verlossing hebben door Zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom van Zijn genade,). Dit is het ‘Pascha-aspect’ van de dag van de Heer als we samenkomen als gemeente om het avondmaal te vieren aan de tafel van de Heer.

Pascha is wat God voor mij geweest is, hoe Hij het oordeel afwendde en mij verloste uit Egypte en mij bracht in het land. Het avondmaal heeft te maken met de vraag van de Heer Jezus Hem te gedenken in wat Hij heeft gedaan. In het avondmaal gedenken wij Hem Die het Lam is en Zich in overeenstemming met de wil van de Vader heeft overgegeven. De Heer wil trouwens dat dit gedenken niet alleen bij Zijn avondmaal gebeurt, maar “alle dagen van uw leven” (vers 33U mag er niets wat gezuurd is bij eten. Zeven dagen moet u er ongezuurd [brood] bij eten, brood van de ellende – want met haast bent u uit het land Egypte vertrokken – om de dag te gedenken dat u uit het land Egypte trok, alle dagen van uw leven.). We mogen nooit vergeten dat Hij ons ten koste van Zichzelf heeft verlost en ons tot Zijn eigendom heeft gemaakt.

De periode van “zeven dagen” (vers 44Er mag bij u zeven dagen [lang] geen zuurdeeg gezien worden, in heel uw gebied; en van het vlees dat u op de avond van de eerste dag slacht, mag niets tot de morgen overblijven.) stelt ons hele leven voor. Ons hele leven lang mag er “in heel uw gebied”, dat is op alle terreinen van het leven, niets ongezuurds, dat is iets van de zonde, aanwezig zijn. Dat moet ik bedenken op de plaats waar de Heer Jezus woont. In het hele land mag niets zijn wat de gedachten en harten verontreinigt. Vandaar dat er steeds dat ‘brood van de ellende’ bij moet. Dat zal ertoe leiden dat we telkens opnieuw van onze verlossing onder de indruk komen en dat we niet teren op oude gevoelens.

Het Pascha mag niet worden gevierd naar eigen inzicht of op een plaats naar eigen verkiezing (vers 55U mag het paaslam niet slachten binnen een van uw poorten die de HEERE, uw God, u geeft.). De eerste brief aan de Korinthiërs is de enige brief die in de volle zin van het woord aan een plaatselijke gemeente is gericht (1Ko 1:1-21Paulus, geroepen apostel van Christus Jezus door [de] wil van God, en Sósthenes, de broeder,2aan de gemeente van God die in Korinthe is, aan [de] geheiligden in Christus Jezus, geroepen heiligen, met allen, in elke plaats, die de Naam van onze Heer Jezus Christus aanroepen, zowel hun als onze [Heer]:). In die brief wordt gesproken over de viering van het avondmaal aan de tafel van de Heer (1Ko 10:14-1714Daarom, mijn geliefden, ontvlucht de afgodendienst.15Ik spreek als tot verstandigen; beoordeelt u wat ik zeg.16De drinkbeker der zegening die wij zegenen, is die niet [de] gemeenschap van het bloed van Christus? Het brood dat wij breken, is dat niet [de] gemeenschap van het lichaam van Christus?17Want wij, de velen, zijn één brood, één lichaam; want wij allen nemen deel aan het ene brood.; 11:23-2623Want ik heb van de Heer ontvangen, wat ik u ook heb overgegeven, dat de Heer Jezus in de nacht waarin Hij overgeleverd werd, brood nam;24en nadat Hij gedankt had, brak Hij het en zei: ‘Dit is Mijn lichaam, dat voor u is; doet dit tot Mijn gedachtenis’.25Evenzo ook de drinkbeker na de maaltijd, en Hij zei: ‘Deze drinkbeker is het nieuwe verbond in Mijn bloed; doet dit, zo dikwijls u die drinkt, tot Mijn gedachtenis’.26Want zo dikwijls u dit brood eet en de drinkbeker drinkt, verkondigt u de dood van de Heer, totdat Hij komt.). Die viering hoort dan ook bij de plaatselijke openbaring van het lichaam van Christus. Daar komen gelovigen samen, niet zomaar in hun eigen steden, maar op de grondslag van de ene gemeente. Daar is Hij in het midden.

Het Feest van de ongezuurde broden vieren we in de huizen. Wij mogen leven, zeven dagen, vanuit het Pascha. Die periode is tegelijk weer een voorbereiding voor een volgend Pascha.

De plaats waar de HEERE woont, is een heerlijk aantrekkingspunt voor het hele volk. Dit leeft in het hart van Hizkia. Hij laat de uitnodiging uitgaan naar alle twaalf stammen (2Kr 30:11Daarna stuurde Hizkia [boden] naar heel Israël en Juda, en hij schreef ook brieven aan Efraïm en Manasse dat zij naar het huis van de HEERE in Jeruzalem moesten komen om voor de HEERE, de God van Israël, Pascha te houden.). Het hele volk moet welkom zijn op die plaats. Enkelen komen naar Jeruzalem (2Kr 30:1111Maar toch vernederden sommigen van Aser, Manasse en van Zebulon zich en kwamen naar Jeruzalem.). Dan kan hij het feest vieren, ondanks dat velen niet zijn gekomen.

Het Pascha wordt gevierd aan het einde van de dag (vers 66Maar op de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam [daar] te laten wonen, daar moet u het paaslam slachten, in de avond, als de zon ondergaat, op het tijdstip dat u uit Egypte trok.). Het symboliseert dat de dood van de Heer Jezus een afsluiting is. Het oude is voorbij. De boze machten zijn overwonnen. De bevrijding is een feit.

In vers 77Dan moet u [het] koken en eten op de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen. Daarna, in de morgen, moet u zich omkeren en [terug]gaan naar uw tenten. lijkt het erop alsof het volk naar hun tenten terugkeert, nadat ze het Pascha hebben gegeten. Maar het Feest van de ongezuurde broden hoort er helemaal bij. Op de laatste dag is er nog een bijzondere samenkomst (vers 88Zes dagen moet u ongezuurde [broden] eten. Op de zevende dag is er een bijzondere samenkomst voor de HEERE, uw God; [dan] mag u geen werk doen.). Daarna is het feest afgelopen, dat wil zeggen na zeven dagen, en keert het volk terug naar hun tenten (2Kr 30:2121Zo hielden de Israëlieten die zich in Jeruzalem bevonden, zeven dagen lang met grote blijdschap het Feest van de ongezuurde [broden]. En de Levieten en de priesters prezen de HEERE dag aan dag met luid klinkende instrumenten voor de HEERE.; 35:1717De Israëlieten die zich [daar] bevonden, hielden het Pascha op dezelfde tijd, en het Feest van de ongezuurde [broden], zeven dagen [lang].).


Het Wekenfeest

9Zeven weken moet u voor uzelf aftellen. U moet de zeven weken beginnen te tellen vanaf [het moment] dat men met de sikkel begint [te oogsten] in het staande koren. 10Daarna moet u het Wekenfeest houden voor de HEERE, uw God. Wat u geven moet, is een vrijwillige gave van uw hand, naar de mate waarin de HEERE, uw God, u zegent. 11En u moet u verblijden voor het aangezicht van de HEERE, uw God, u, uw zoon en uw dochter, uw slaaf en uw slavin, de Leviet die binnen uw poorten is, en de vreemdeling, de wees en de weduwe die in uw midden zijn, op de plaats die de HEERE, uw God, zal uitkiezen om Zijn Naam daar te laten wonen. 12En u moet gedenken dat u een slaaf geweest bent in Egypte en deze verordeningen in acht nemen en houden.

De eerste maaislag in het staande koren is voor de eerstelingsgarve van de gerstoogst. Daarna moet er geteld worden, zeven weken. De sikkel heeft voor ons zijn eerste slag gemaakt op de opstandingsmorgen van de Heer Jezus, een nieuw begin voor ons. Wij moeten rekenen vanaf de opstanding van de Heer Jezus en niet vanaf Zijn geboorte.

Het Wekenfeest of Pinksterfeest – naar de Septuaginta, de Griekse vertaling van het Oude Testament, afgeleid van het woord pentecoste, dat is ‘vijftig’ (Lv 23:1616Tot de dag na de zevende sabbat moet u vijftig dagen tellen. Dan moet u de HEERE een nieuw graanoffer aanbieden.) – mogen we ook elke eerste dag van de week vieren. Daarom moet dat tellen eraan vooraf zijn gegaan; we moeten leren rekenen naar de opstanding van de Heer Jezus. Dan komt de werking van de Heilige Geest – Pinksterfeest – als genot in ons leven. Hij kan Zich bij ons thuis voelen als wij de opstanding en verheerlijking van de Heer Jezus hebben leren waarderen.

In Handelingen 1 zien we de discipelen tijdens deze zeven weken, dat wil zeggen tot aan de hemelvaart van de Heer Jezus. De Heer toont Zich als de Opgestane en spreekt over het koninkrijk. Verder is er een verwachten van de belofte van de Vader en het leren een getuige in de wereld te zijn. Mijn positie is er een van een getuige. Ik ben ook op weg naar de plaats waar de Heer naartoe is gegaan. Ook ga ik naar de bovenzaal, die de Heer Jezus ‘Mijn gastverblijf’ noemt, om daar met Zijn discipelen te zijn. Daar zijn ze volhardend in het gebed en houden ze zich aan Zijn woord. De gevolgen zien we in Handelingen 2: de Heilige Geest komt (Hd 2:1-41En toen de dag van het Pinksterfeest werd vervuld, waren zij allen gemeenschappelijk bijeen.2En er kwam plotseling uit de hemel een geluid als van een geweldige, voortgedreven wind en deze vulde het hele huis waar zij zaten.3En er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen.4En zij werden allen vervuld met [de] Heilige Geest en ze begonnen in andere talen te spreken, zoals de Geest hun gaf uit te spreken.).

Het resultaat is een “vrijwillige gave” die de HEERE, hun God wordt aangeboden (vers 1010Daarna moet u het Wekenfeest houden voor de HEERE, uw God. Wat u geven moet, is een vrijwillige gave van uw hand, naar de mate waarin de HEERE, uw God, u zegent.). Dat zien we in de gelovigen die de Heilige Geest hebben ontvangen: “Zij nu bleven volharden in de leer van apostelen en in de gemeenschap, in de breking van het brood en in de gebeden” (Hd 2:4242Zij nu bleven volharden in de leer van de apostelen en in de gemeenschap, in de breking van het brood en in de gebeden.). Ze kunnen afstand doen van aardse zegeningen: Allen nu die geloofden, waren bijeen en hadden alle dingen gemeenschappelijk, en zij verkochten hun goederen en bezittingen en deelden ze uit aan allen, naardat iemand nodig had” (Hd 2:44-4544en> allen nu die geloofden, waren bijeen en hadden alle dingen gemeenschappelijk,45en zij verkochten hun goederen en bezittingen en deelden ze uit aan allen, naardat iemand nodig had.). Ze geven wat de Heer toekomt en wat arme leden van de gemeente toekomt (vgl. 1Ko 16:22Laat ieder van u op [de] eerste [dag] van [de] week bij zichzelf [iets] terzijde leggen en opsparen naardat hij welvaart heeft, opdat de inzamelingen niet pas gebeuren wanneer ik kom.).

Het resultaat is blijdschap voor het aangezicht van God met allen die daar ook zijn. De herinnering aan de afkomst – “u bent slaaf geweest in Egypte” – vervaagt niet. Het besef daarvan en van wat ze nu zijn, maakt de vreugde en dankbaarheid alleen maar groter. Ze moeten de overvloedige zegen die God hun heeft geschonken, delen met de minderbedeelden in hun omgeving, zodat ook dezen zich zullen verheugen.


Het Loofhuttenfeest

13Het Loofhuttenfeest moet u zeven dagen houden, als u [de oogst] van uw dorsvloer en van uw perskuip hebt ingezameld. 14Verblijd u op uw feest, u, uw zoon en uw dochter, uw slaaf en uw slavin, en de Leviet, de vreemdeling, de wees en de weduwe die binnen uw poorten zijn. 15Zeven dagen moet u het feest vieren voor de HEERE, uw God, op de plaats die de HEERE zal uitkiezen. Want de HEERE, uw God, zal u zegenen in heel uw opbrengst en in al het werk van uw handen; daarom moet u werkelijk blij zijn.

Het Loofhuttenfeest is de climax. Helaas lijkt het vieren ervan maar van tijdelijke aard geweest te zijn, in elk geval wordt het niet lang gevierd op de wijze die God heeft bedoeld. Pas in Nehemia 8 horen we er weer van (Ne 8:14-1814De volgende dag verzamelden zich de familiehoofden van heel het volk, de priesters en de Levieten bij Ezra, de schriftgeleerde, en dat om inzicht te krijgen in de woorden van de wet.15Zij vonden in de wet geschreven dat de HEERE door de dienst van Mozes had geboden dat de Israëlieten in loofhutten zouden wonen tijdens het feest in de zevende maand,16en dat zij [het overal] zouden doen horen en een boodschap zouden laten gaan door al hun steden en in Jeruzalem, en [zouden] zeggen: Ga naar buiten, naar de bergen en breng loof van de olijfboom, loof van de olijfwilg, loof van de mirte, loof van de palmboom, en loof van [andere] dicht bebladerde [bomen], om loofhutten te maken overeenkomstig wat voorgeschreven is.17Toen ging het volk eropuit en ze haalden [loof] en ze maakten loofhutten voor zichzelf, ieder op zijn dak, en in hun voorhoven en in de voorhoven van het huis van God, en op het plein van de Waterpoort en op het plein van de Efraïmpoort.18De hele gemeente van hen die uit de gevangenschap waren teruggekeerd, maakte loofhutten en woonde in [die] loofhutten, want zo hadden de Israëlieten niet [meer] gedaan vanaf de dagen van Jozua, de zoon van Nun, tot op deze dag. Er was zeer grote blijdschap.). Dan wordt het gevierd door een zwak overblijfsel, zoals het sinds Jozua niet gevierd is. Het zijn de feesten van de HEERE, daarom worden ze zo vlug vergeten.

Na vier maanden is de volledige oogst binnengehaald. Aan het einde van het jaar, alsof er geen maanden meer volgen, wordt er geoogst. In geestelijke zin wordt het gevierd als gelovigen geleerd hebben de hele oogst binnen te halen, wat er ook maar op het land is om binnen te halen. Daarom wordt het Loofhuttenfeest zo gemakkelijk vergeten. Er is geestelijke groei voor nodig om dat feest te vieren. Het gaat niet alleen om ingezameld voedsel, maar ook om voedsel dat kant-en-klaar is gemaakt voor consumptie.

Dorsvloer en perskuip stellen Gods uiteindelijke handelingen in oordeel voor (Op 14:14-2014En ik zag en zie, een witte wolk, en op de wolk zat [Iemand, de] Zoon des mensen gelijk, Die op Zijn hoofd een gouden kroon en in Zijn hand een scherpe sikkel had.15En een andere engel kwam uit de tempel en riep met luider stem tegen Hem Die op de wolk zat: Zend Uw sikkel en maai, want het uur om te maaien is gekomen, want de oogst van de aarde is overrijp geworden.16En Hij Die op de wolk zat, sloeg Zijn sikkel op de aarde en de aarde werd gemaaid.17En een andere engel kwam uit de tempel die in de hemel is, en ook hij had een scherpe sikkel.18En een andere engel, die macht had over het vuur, <kwam> uit het altaar; en hij riep met luider stem tegen hem die de scherpe sikkel had en zei: Zend uw scherpe sikkel en oogst de trossen van de wijnstok van de aarde, want zijn druiven zijn rijp.19En de engel sloeg zijn sikkel op de aarde en oogstte van de wijnstok van de aarde en wierp het in de grote wijnpersbak van de grimmigheid van God.20En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden en er kwam bloed uit de wijnpersbak tot aan de tomen van de paarden, zestienhonderd stadiën ver.). De dorsvloer ziet op het oordeel waarbij het kaf gescheiden wordt van het koren; de perskuip ziet op het niets sparende oordeel van de oogst van de aarde, waarbij de oogst alle holle, menselijke godsdienst is. Hierna komt de volle tijd van zegen voor de aarde. Zegen komt nadat God het terrein ervoor heeft gezuiverd.

Niet iedere Israëliet heeft een even rijke oogst. Daarom moeten de anderen, die meer hebben ingezameld, delen met de armen. In de toepassing gaat het om broeders en zusters die uit Gods Woord hebben ingezameld, waarbij we zeker niet in de eerste plaats moeten denken aan hen die een openbare dienst hebben, zoals broeders die met het Woord dienen.

Als we zien dat een broeder of zuster geestelijk weinig heeft, moeten we daarover niet gaan klagen. Het is veel beter – en dat is ook Gods bedoeling – ze te zien als een gelegenheid om hen te laten delen in de verzamelde rijkdom. Dat kan in de huizen, in de onderlinge contacten en ook in de samenkomst van de gelovigen. De samenkomst is niet alleen voor rijke gelovigen, die om zo te zeggen een geweldige oogst hebben binnengehaald, maar voor rijk en arm.

Het gevolg is dat zij ‘werkelijk’ of ‘volkomen’ blij kunnen zijn (vers 1515Zeven dagen moet u het feest vieren voor de HEERE, uw God, op de plaats die de HEERE zal uitkiezen. Want de HEERE, uw God, zal u zegenen in heel uw opbrengst en in al het werk van uw handen; daarom moet u werkelijk blij zijn.). Dat doet denken aan wat Johannes in zijn eerste brief schrijft: “Deze dingen schrijven wij <u>, opdat onze blijdschap volkomen is” (1Jh 1:44En deze dingen schrijven wij <u>, opdat onze blijdschap volkomen is.). De apostel Johannes is zo'n rijke broeder. Hij spreekt over het eeuwige leven als de vrucht van het land. Johannes heeft dat geoogst en deelt daarvan in zijn brieven uit, hij zoekt daarin gemeenschap met anderen, armere gelovigen, en dat geeft die volkomen blijdschap.

Niemand van ons heeft alles persoonlijk ingezameld. Wij hebben veel mogen ontvangen van rijkere broeders. Paulus is ook zo'n schatrijke broeder. Hij verlangt ernaar om aan de Filippenzen, die niet zo rijk zijn als hij, uit te delen (Fp 1:2525En in dit vertrouwen weet ik dat ik zal blijven en bij u allen zal blijven tot uw vordering en blijdschap van het geloof;). Zo wil hij ook met een volheid van zegen bij de gelovigen in Rome komen, om aan hen uit die volheid mee te delen en dat zal ook blijdschap geven (Rm 15:2929En ik weet, dat als ik tot u kom, ik in een volheid van zegen van Christus zal komen.).


Niet met lege handen komen

16Drie keer per jaar moet alles wat mannelijk is onder u, verschijnen voor het aangezicht van de HEERE, uw God, op de plaats die Hij zal uitkiezen: op het Feest van de ongezuurde [broden], op het Wekenfeest en op het Loofhuttenfeest. Men mag echter niet [met] lege [handen] voor het aangezicht van de HEERE verschijnen, 17[maar] ieders geschenk moet overeenkomen met de zegen van de HEERE, uw God, die Hij u gegeven heeft.

Ieder komt met een geschenk voor de HEERE naar de maat waarmee de HEERE hem heeft gezegend. Er is geen verontschuldiging om niet te komen op die plaats. Er zijn altijd broeders en zusters die veel ingezameld hebben en anderen die minder hebben ingezameld. Nooit mag iemand met lege handen komen. Het is ondenkbaar dat iemand niets heeft ingezameld, want God zegent ieder van de Zijnen.


Rechtvaardige rechtspraak

18U moet binnen al uw poorten, die de HEERE, uw God, u geeft, rechters en beambten over uw stammen aanstellen. Zij moeten met een rechtvaardig oordeel rechtspreken over het volk. 19U mag het recht niet buigen. U mag niet partijdig zijn en geen geschenk aannemen, want een geschenk verblindt de ogen van wijzen en verdraait de woorden van rechtvaardigen. 20Gerechtigheid, gerechtigheid moet u najagen, opdat u leeft en het land dat de HEERE, uw God, u geeft, in bezit neemt.

Hier begint een nieuw gedeelte, dat wel verband houdt met de voorgaande hoofdstukken omdat het nog steeds gaat om de plaats waar de HEERE woont. Hij is het middelpunt. Vanaf deze verzen tot en met Deuteronomium 19 gaat het over het burgerlijke, politieke leven, terwijl het in de voorgaande hoofdstukken meer over het godsdienstige leven gaat. Het vorige gedeelte gaat over aanbidding, dit gedeelte gaat over het in standhouden van de aanbidding naar het recht van God.

In de letterlijke zin hebben wij niet met deze voorschriften te maken, maar wel in geestelijke zin. Aan ons samenkomen is niet alleen het aspect van priesterdienst verbonden, maar ook de rechtspraak is erbij betrokken. Het gaat om het leven van de gemeente in haar juridische aspecten, om zaken die onenigheid geven en hoe die moeten worden opgelost.

Deze verzen gaan over de rechtspraak. In de woestijn zijn de rechters aangewezen over een aantal personen (Ex 18:2525Mozes koos daarom uit heel Israël bekwame mannen en stelde hen aan als hoofd over het volk: leiders over duizend, leiders over honderd, leiders over vijftig en leiders over tien.). Hier gebeurt het in verband met de steden (vgl. 2Kr 19:5,85En hij stelde rechters aan in het land, in alle versterkte steden van Juda, van stad tot stad.8Bovendien stelde Josafat in Jeruzalem [enkelen] van de Levieten en de priesters, en [enkelen] van de familiehoofden van Israël aan voor de rechtspraak van de HEERE en voor de rechtszaken van de inwoners van Jeruzalem.) waarin ze, verstrooid over het land, zullen wonen. In het land wordt recht gesproken in de poorten van de stad. Het aantal rechters zal ook afhangen van het aantal inwoners per stad.

Mozes schrijft voor hoe de lagere rechtbanken moeten worden ingesteld. Niet elke kwestie tussen leden van het volk moet voor het hoogste gerecht behandeld worden. In ons leven als gemeente is er ook verschil in geschillen die om een uitspraak van de hele gemeente vragen en individuele kwesties. Niet elke kwestie moet voor de hele gemeente worden gebracht, zoals niet elk geschil tussen de Israëlieten in Jeruzalem moet worden beslecht. God verwacht dat gelovigen zaken onder elkaar kunnen regelen. Ieder gelovige kan een ‘rechter’ zijn als hij geestelijk gezind is (Gl 6:11Broeders, zelfs als iemand door een overtreding overvallen wordt, brengt u die geestelijk bent zo iemand terecht in een geest van zachtmoedigheid, ziende op uzelf, opdat ook u niet in verzoeking komt.), zoals iedere gelovige priester kan zijn als hij geestelijk gezind is.

In de verzen 18-2018U moet binnen al uw poorten, die de HEERE, uw God, u geeft, rechters en beambten over uw stammen aanstellen. Zij moeten met een rechtvaardig oordeel rechtspreken over het volk.19U mag het recht niet buigen. U mag niet partijdig zijn en geen geschenk aannemen, want een geschenk verblindt de ogen van wijzen en verdraait de woorden van rechtvaardigen.20Gerechtigheid, gerechtigheid moet u najagen, opdat u leeft en het land dat de HEERE, uw God, u geeft, in bezit neemt. staan de normen die rechters moeten hanteren. Die normen worden door God bepaald. De nadruk ligt op gerechtigheid, een woord in vers 2020Gerechtigheid, gerechtigheid moet u najagen, opdat u leeft en het land dat de HEERE, uw God, u geeft, in bezit neemt. dat twee keer achter elkaar wordt genoemd. De hoofdzaak is dat er rechtvaardig recht wordt gesproken, dat wil zeggen zoals God is en de dingen ziet. Een bewuste afwijking van de norm die God heeft gegeven, is een buigen van het recht.

Er moet door de rechter naar de aangeklaagde worden gekeken als iemand die hij nog nooit heeft gezien en niet kent. Dat voorkomt dat de rechtspraak door persoonlijke vooroordelen wordt beïnvloed (Sp 18:55Het is niet goed een goddeloze voor te trekken
en [het recht van] een rechtvaardige te buigen in het gericht.
; 24:2323Ook deze [spreuken] zijn voor de wijzen:
Het is niet goed partijdig te zijn in een rechtszaak.
)
. De rechter moet niet om te kopen zijn (Ex 23:88U mag geen geschenk aannemen, want het geschenk maakt zienden blind en verdraait de woorden van de rechtvaardigen.). Het leven in en het bezit van het land hangt voor henzelf en voor hun nakomelingen af van een rechtvaardige rechtspraak.

Het gaat hier om mensen die de juiste gezindheid bezitten om tussen broeders een uitspraak te doen. Dat is een moeilijke zaak. Je bent niet zomaar een rechter, je bent er niet zomaar aan toe om naar een broeder of zuster te gaan om hem of haar op iets verkeerds te wijzen. Het ‘rechtspreken’ in de gemeente, is iets wat iedere gelovige moeten kunnen doen: Of weet u niet, dat de heiligen de wereld zullen oordelen? En als door u de wereld wordt geoordeeld, bent u dan onwaardig voor [de] geringste rechtszaken? Weet u niet, dat wij engelen zullen oordelen? Hoeveel te meer [de] dingen van dit leven? Als u dan rechtszaken hebt over de dingen van dit leven, stelt dan daarover hen die in de gemeente niet geacht zijn! Ik zeg het tot uw beschaming. Is er dan onder u niet één wijze, ook niet één, die uitspraak zal kunnen doen tussen zijn broeders?” (1Ko 6:2-52Of weet u niet, dat de heiligen de wereld zullen oordelen? En als door u de wereld wordt geoordeeld, bent u dan onwaardig voor [de] geringste rechtszaken?3Weet u niet, dat wij engelen zullen oordelen? Hoeveel te meer [de] dingen van dit leven?4Als u dan rechtszaken hebt over de dingen van dit leven, stelt dan daarover hen die in de gemeente niet geacht zijn!5Ik zeg het tot uw beschaming. Is er dan onder u niet één wijze, ook niet één, die uitspraak zal kunnen doen tussen zijn broeders?).

Het behandelen van zulke zaken in de gemeente is een voorbereiding op de dienst in het vrederijk, waar we engelen zullen oordelen, wat betekent dat wij zullen zeggen wat zij moeten doen (1Ko 6:33Weet u niet, dat wij engelen zullen oordelen? Hoeveel te meer [de] dingen van dit leven?). We kunnen slechts regering uitoefenen, nadat we onszelf hebben leren kennen zoals Hij ons altijd heeft gekend. Die kennis krijgen we ten volle als we “geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus” (2Ko 5:1010Want wij allen moeten geopenbaard worden voor de rechterstoel van Christus, opdat ieder ontvangt wat in het lichaam is [gedaan], naardat hij heeft bedreven, hetzij goed hetzij kwaad.).

Het gaat om de balk en de splinter (Mt 7:3-53En wat ziet u de splinter in het oog van uw broeder, maar de balk in uw eigen oog merkt u niet?4Of hoe zult u tot uw broeder zeggen: Laat mij de splinter uit uw oog wegdoen, en zie, de balk is in uw oog?5Huichelaar, doe eerst de balk uit uw oog weg, en dan zult u helder zien om de splinter uit het oog van uw broeder weg te doen.). De splinter is niet goed, die moet eruit. Helpen bij het verwijderen van de splinter uit het oog van de broeder kan pas als de balk uit het eigen oog is weggedaan. Als iemand iets over de splinter zegt, moet niet verwezen kunnen worden naar een balk in zijn eigen oog. De ‘rechter’ moet niet zelf aan te klagen zijn.


Niets naast en in de plaats van God

21U mag bij het altaar van de HEERE, uw God, dat u voor uzelf zult maken, geen gewijde paal plaatsen van wat voor geboomte dan ook. 22Ook mag u geen gewijde steen voor uzelf oprichten, want dat haat de HEERE, uw God.

Het eerste waar de rechters mee te maken zullen krijgen, is het vertrappen van de rechten van God (vers 2121U mag bij het altaar van de HEERE, uw God, dat u voor uzelf zult maken, geen gewijde paal plaatsen van wat voor geboomte dan ook.). Dat komt in het gedeelte van Deuteronomium 16:21 tot Deuteronomium 17:7 aan de orde. De rechten van God komen altijd op de eerste plaats, voordat het gaat om de broeder die tekort wordt gedaan. Als Gods rechten worden vertreden, heeft dat zijn gevolgen voor de verhoudingen binnen Gods volk, tussen de leden ervan onderling; dan worden ook de rechten van de naaste vertreden.

Onreine praktijken in de aanbidding moeten door de rechter veroordeeld worden. Het betekent ook dat een rechter hier zelf niet in te veroordelen moet zijn. Een rechter die in zijn leven vormen van aanbidding gebruikt die hun oorsprong in de wereld hebben, is niet geschikt om rechter te zijn. Hij moet het recht van God hierin kennen en handhaven.

Naast de vorm is ook de inhoud van wezenlijk belang (vers 2222Ook mag u geen gewijde steen voor uzelf oprichten, want dat haat de HEERE, uw God.). Er mag alleen aan God geofferd worden en niet aan onszelf. In de aanbidding mag geen enkele gedachte aan onze eigen belangrijkheid zijn. Er mag op geen enkele wijze eer worden gebracht aan onszelf. Dat kan gebeuren als we vinden dat onze bijdrage toch wel heel fraai is, bijvoorbeeld in de gebruikte woorden of bewoordingen, of het lied dat we hebben opgegeven. Als Gods Geest ons leidt, zal alles alleen tot eer van de Heer Jezus zijn. Als we door het vlees worden geleid, zal het tot onze eigen verheerlijking zijn. Dit laatste is hatelijk voor Hem, dat “haat de HEERE, uw God”.

Gods voorschriften voor het offer moeten de zorg van de rechter zijn. In geestelijke zin gaat het om kennis van de Heer Jezus en Zijn werk. Aan de heerlijkheid en volmaaktheid van Zijn persoon mag niet tekort worden gedaan. Een rechter deelt in de waardering die God voor het offer van Zijn Zoon heeft. Hij waakt erover dat het alleen om de Heer Jezus gaat en dat alle eer voor het werk dat Hij heeft volbracht alleen aan God wordt gebracht.

In de verzen 21-2221U mag bij het altaar van de HEERE, uw God, dat u voor uzelf zult maken, geen gewijde paal plaatsen van wat voor geboomte dan ook.22Ook mag u geen gewijde steen voor uzelf oprichten, want dat haat de HEERE, uw God. zien we de zorg voor het altaar van de HEERE, dat is voor ons de tafel van de Heer. Aan de dienst aan de tafel van de Heer mogen we geen elementen toevoegen die er niet thuishoren, we mogen er niets naast plaatsen. Dit geldt het meest voor broeders die zich uiten. De vraag is: wat brengen wij de offerdienst binnen? Het mag niets zijn wat aantrekkelijk is voor het vlees. Het mag ook zeker niets zijn wat tot verheerlijking is van onszelf. Als we met deze dingen geen rekening houden, verachten we de Heer Jezus in Zijn rechten.


Lees verder