1 Kronieken
Inleiding 1-5 De nakomelingen van Issaschar 6-12 De nakomelingen van Benjamin 13 De nakomelingen van Naftali 14-19 De nakomelingen van Manasse 20-29 De nakomelingen van Efraïm 30-40 De nakomelingen van Aser
Inleiding

In dit hoofdstuk hebben we een bijna compleet overzicht van de overige stammen. Alleen Dan en Zebulon ontbreken. Deze stammen hebben waarschijnlijk geen werk van de geslachtsregisters gemaakt. Dat geldt ook van Naftali, hoewel die in elk geval enkele namen kan noemen.


De nakomelingen van Issaschar

1De zonen van Issaschar waren Tola, Pua, Jasib en Simron: vier [zonen]. 2De zonen van Tola waren Uzzi, Refaja, Jeriël, Jachmai, Jibsam en Semuel. [Zij waren] familiehoofden van Tola [en] strijdbare helden onder hun afstammelingen. Hun aantal was in de dagen van David tweeëntwintigduizend zeshonderd. 3De zoon van Uzzi was Jizrahja; en de zonen van Jizrahja waren Michaël, Obadja, Joël [en] Jissia. Zij waren alle vijf [familie]hoofden. 4Onder hen waren, [ingedeeld] naar hun afstammelingen en hun families, zesendertigduizend [man aan] gevechtstroepen, want zij hadden veel vrouwen en zonen. 5Hun broeders, uit alle geslachten van Issaschar, strijdbare helden, [telden] zevenentachtigduizend [man], allen in de geslachtsregisters ingeschreven.

Bij drie stammen wordt vermeld dat er “strijdbare helden” en “dappere helden” zijn. Dat is hier bij Issaschar (vers 22De zonen van Tola waren Uzzi, Refaja, Jeriël, Jachmai, Jibsam en Semuel. [Zij waren] familiehoofden van Tola [en] strijdbare helden onder hun afstammelingen. Hun aantal was in de dagen van David tweeëntwintigduizend zeshonderd.), en vervolgens bij Benjamin, tot drie keer toe (verzen 7,9,117De zonen van Bela waren Ezbon, Uzzi, Uzziël, Jerimoth en Iri; vijf familiehoofden, strijdbare helden, in de geslachtsregisters ingeschreven, tweeëntwintigduizend vierendertig [man].9In geslachtsregisters ingeschreven overeenkomstig hun afstamming [en] hun familiehoofden, [telden] dezen twintigduizend tweehonderd [man], strijdbare helden.11Deze allen waren zonen van Jediaël, familiehoofden, dappere helden. [Hun families telden] zeventienduizend tweehonderd [man], die met het leger uittrokken tot de strijd.) en bij Aser (vers 4040Deze allen waren nakomelingen van Aser, familiehoofden, uitgelezen dappere helden, hoofden onder de vorsten. Zij werden in de geslachtsregisters ingeschreven voor het leger in [geval van] oorlog; hun aantal was zesentwintigduizend man.). Onder deze helden valt de naam Tola op omdat we in Richteren lezen van een zekere “Tola … de zoon van Pua, de zoon van Dodo, een man uit Issaschar” (Ri 10:11Na Abimelech stond Tola op om Israël te verlossen. [Hij was] de zoon van Pua, de zoon van Dodo, een man uit Issaschar, en hij woonde in Samir, in het bergland van Efraïm.), die drieëntwintig jaar leiding aan Israël” heeft gegeven (Ri 10:22Hij gaf drieëntwintig jaar leiding aan Israël. Toen stierf hij en werd begraven in Samir.). Het kan zijn dat dit dezelfde is als de Tola die door de kroniekschrijver wordt genoemd.

Er is ook sprake van “gevechtstroepen” (vers 44Onder hen waren, [ingedeeld] naar hun afstammelingen en hun families, zesendertigduizend [man aan] gevechtstroepen, want zij hadden veel vrouwen en zonen.). Dat het er zoveel zijn, is omdat er veel vrouwen en zonen zijn. De vrouwen leveren hun bijdrage door het krijgen van kinderen.


De nakomelingen van Benjamin

6[De zonen] van Benjamin waren Bela, Becher en Jediaël: drie [zonen]. 7De zonen van Bela waren Ezbon, Uzzi, Uzziël, Jerimoth en Iri; vijf familiehoofden, strijdbare helden, in de geslachtsregisters ingeschreven, tweeëntwintigduizend vierendertig [man]. 8De zonen van Becher waren Zemira, Joas, Eliëzer, Eljoënai, Omri, Jeremoth, Abia, Anathoth en Alemeth. Deze allen waren zonen van Becher. 9In geslachtsregisters ingeschreven overeenkomstig hun afstamming [en] hun familiehoofden, [telden] dezen twintigduizend tweehonderd [man], strijdbare helden. 10De zoon van Jediaël was Bilhan. De zonen van Bilhan waren Jeüs, Benjamin, Ehud, Kenaäna, Zethan, Tarsis en Ahisahar. 11Deze allen waren zonen van Jediaël, familiehoofden, dappere helden. [Hun families telden] zeventienduizend tweehonderd [man], die met het leger uittrokken tot de strijd. 12Suppim en Huppim waren zonen van Ir, [en] Husim was zoon van Aher.

Van Benjamin wordt in het volgende hoofdstuk een uitvoeriger register van de nakomelingen gegeven (1Kr 8:1-281Benjamin verwekte Bela, zijn eerstgeborene, Asbel, de tweede, Ahrah, de derde,2Naho, de vierde, Rafa, de vijfde.3Bela had deze zonen: Addar, Gera, Abihud,4Abisua, Naäman, Ahoah,5Gera, Sefufan en Huram.6Dit zijn de zonen van Ehud. Zij waren de familiehoofden van de inwoners van Geba, en hij voerde hen weg naar Manahath,7met Naäman, Ahia en Gera. Deze heeft hen weggevoerd; ook verwekte hij Uzza en Ahihud.8En Saharaïm verwekte kinderen in het land van Moab (nadat hij hen weggestuurd had) bij Husim en Baära, zijn vrouwen.9Bij zijn vrouw Hodes verwekte hij Jobab, Zibja, Mesa, Malcam,10Jeüz, Sochja en Mirma. Dit zijn zijn zonen, familiehoofden.11En bij Husim verwekte hij Abitub en Elpaäl.12De zonen van Elpaäl waren Eber, Misam, Semed (hij heeft Ono gebouwd en Lod met de bijbehorende [plaatsen]),13Beria en Sema (zij waren familiehoofden van de inwoners van Ajalon; zij hebben de inwoners van Gath verdreven).14Ahio, Sasak, Jeremoth,15Zebadja, Arad, Eder,16Michaël, Jispa en Joha waren zonen van Beria.17Zebadja, Mesullam, Hizki, Heber,18Jismerai, Jizlia en Jobab waren zonen van Elpaäl.19Jakim, Zichri, Zabdi,20Eljoënai, Zillethai, Eliël,21Adaja, Beraja en Simrath waren zonen van Simeï.22Jispan, Eber, Eliël,23Abdon, Zichri, Hanan,24Hananja, Elam, Antothia,25Jifdeja en Pnuël waren zonen van Sasak.26Samserai, Seharja, Athalja,27Jaäresja, Elia en Zichri waren zonen van Jeroham.28Dezen waren familiehoofden, hoofden over hun afstammelingen. Zij woonden in Jeruzalem.). Het is de inleiding op het geslachtsregister van de eerste koning van Israël, Saul.

De strijdmacht van Benjamin wordt gevormd door familiehoofden uit verschillende families (verzen 7,9,117De zonen van Bela waren Ezbon, Uzzi, Uzziël, Jerimoth en Iri; vijf familiehoofden, strijdbare helden, in de geslachtsregisters ingeschreven, tweeëntwintigduizend vierendertig [man].9In geslachtsregisters ingeschreven overeenkomstig hun afstamming [en] hun familiehoofden, [telden] dezen twintigduizend tweehonderd [man], strijdbare helden.11Deze allen waren zonen van Jediaël, familiehoofden, dappere helden. [Hun families telden] zeventienduizend tweehonderd [man], die met het leger uittrokken tot de strijd.). Het zijn “strijdbare helden” (verzen 7,97De zonen van Bela waren Ezbon, Uzzi, Uzziël, Jerimoth en Iri; vijf familiehoofden, strijdbare helden, in de geslachtsregisters ingeschreven, tweeëntwintigduizend vierendertig [man].9In geslachtsregisters ingeschreven overeenkomstig hun afstamming [en] hun familiehoofden, [telden] dezen twintigduizend tweehonderd [man], strijdbare helden.), “dappere mannen” (vers 1111Deze allen waren zonen van Jediaël, familiehoofden, dappere helden. [Hun families telden] zeventienduizend tweehonderd [man], die met het leger uittrokken tot de strijd.).


De nakomelingen van Naftali

13De zonen van Naftali waren Jahziël, Guni, Jezer en Sallum, [klein]zonen van Bilha.

Van de stam Naftali worden alleen de eerste vaders genoemd. Ze worden ook genoemd onder hen die met Jakob naar Jozef in Egypte zijn getrokken (Gn 46:2424De zonen van Naftali: Jahzeël, Guni, Jezer en Sillem.).


De nakomelingen van Manasse

14De zoon van Manasse was Asriël, die [zijn vrouw] hem baarde. [Maar] zijn bijvrouw, de Syrische, baarde Machir, de vader van Gilead. 15Machir nam de zuster van Huppim en van Suppim tot vrouw. Haar naam was Maächa, en de naam van de tweede [zoon] was Zelafead. Zelafead had dochters. 16Maächa, de vrouw van Machir, baarde een zoon, en zij gaf hem de naam Peres. De naam van zijn broer was Seres; zijn zonen waren Ulam en Rekem. 17De zoon van Ulam was Bedan. Dit zijn de nakomelingen van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse. 18Wat zijn zuster Molecheth betreft, zij baarde Ishod, Abiëzer en Mahela. 19De zonen van Semida waren Ahjan, Sechem, Likhi en Aniam.

Op Zelafead wordt nog bijzonder de aandacht gevestigd door te vermelden dat hij dochters heeft (vers 1515Machir nam de zuster van Huppim en van Suppim tot vrouw. Haar naam was Maächa, en de naam van de tweede [zoon] was Zelafead. Zelafead had dochters.). Zijn dochters worden vijf keer in de Schrift genoemd (Nm 26:3333Zelafead, de zoon van Hefer, had echter geen zonen, alleen dochters. De namen van de dochters van Zelafead waren: Machla, Noa, Hogla, Milka en Tirza.; 27:1-111Toen kwamen de dochters van Zelafead, de zoon van Hefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, van de geslachten van Manasse, de zoon van Jozef, naar voren. Dit zijn de namen van zijn dochters: Machla, Noa, en Hogla, Milka en Tirza.2Zij gingen staan voor Mozes en voor Eleazar, de priester, en voor de leiders en heel de gemeenschap, [bij] de ingang van de tent van ontmoeting, [met het verzoek]:3Onze vader is gestorven in de woestijn, hoewel hijzelf niet behoorde tot de aanhang van hen die tegen de HEERE hadden samengespannen, tot de aanhang van Korach; hij is om zijn [eigen] zonde gestorven. Hij had echter geen zonen.4Waarom zou de naam van onze vader uit het midden van zijn geslacht worden weggenomen, [alleen maar] omdat hij geen zoon had? Geef ons bezit te midden van de broers van onze vader.5Mozes bracht hun rechtszaak voor het aangezicht van de HEERE.6En de HEERE sprak tot Mozes:7De dochters van Zelafead hebben gelijk; u moet hun inderdaad een eigen erfelijk bezit geven, te midden van de broers van hun vader, en u moet het erfelijk bezit van hun vader op hen doen overgaan.8En tegen de Israëlieten moet u zeggen: Wanneer iemand sterft en geen zoon heeft, dan moet u zijn erfelijk bezit op zijn dochter doen overgaan.9En als hij geen dochter heeft, moet u zijn erfelijk bezit aan zijn broers geven.10En als hij geen broers heeft, moet u zijn erfelijk bezit aan de broers van zijn vader geven.11Als ook zijn vader geen broers heeft, moet u zijn erfelijk bezit aan zijn bloedverwant geven die uit zijn geslacht het nauwst aan hem verwant is, zodat die het in bezit neemt. Dit is voor de Israëlieten een rechtsverordening, zoals de HEERE Mozes geboden heeft.; 36:3-123Wanneer zij [nu] voor een van de zonen van de [andere] stammen van de Israëlieten tot vrouw zouden worden, dan zou hun erfelijk bezit afgenomen worden van het erfelijk bezit van onze vaderen, en toegevoegd worden aan het erfelijk bezit van de stam waartoe zij zouden gaan behoren; zo zou ons erfelijk bezit, [dat] door het lot [is bepaald, ons] worden afgenomen.4En wanneer de Israëlieten [dan] het jubeljaar zouden hebben, dan zou hun erfelijk bezit [voorgoed] toegevoegd worden aan het erfelijk bezit van de stam waartoe zij zouden behoren, en zou hun erfelijk bezit afgenomen worden van het erfelijk bezit van de stam van onze vaderen.5Toen gebood Mozes de Israëlieten volgens het bevel van de HEERE: De stam van de nakomelingen van Jozef heeft gelijk.6Dit is het woord dat de HEERE met betrekking tot de dochters van Zelafead geboden heeft: Laten zij tot vrouw worden van wie goed is in hun ogen, als zij tenminste tot vrouw worden van [iemand uit] het geslacht van de stam van hun vader.7Dan zal het erfelijk bezit van de Israëlieten niet van de [ene] stam op de [andere] stam overgaan, want de Israëlieten moeten ieder vasthouden aan het erfelijk bezit van de stam van zijn vaderen.8Verder moet elke dochter die een erfelijk bezit uit de stammen van de Israëlieten erft, tot vrouw worden van iemand uit het geslacht van de stam van haar vader, opdat ieder van de Israëlieten het erfelijk bezit van zijn vader zal erven.9Zodoende zal het erfelijk bezit niet van de [ene] stam op de andere stam overgaan, want van de stammen van de Israëlieten moet ieder aan zijn erfelijk bezit vasthouden.10Zoals de HEERE Mozes geboden had, zo deden de dochters van Zelafead;11en Machla, Tirza, en Hogla, Milka en Noa, de dochters van Zelafead, werden voor de zonen van hun oom tot vrouw.12Binnen de geslachten van de nakomelingen van Manasse, de zoon van Jozef, werden zij [een man] tot vrouw; zo bleef hun erfelijk bezit aan de stam van het geslacht van hun vader.; Jz 17:3-63Maar Zelafead, de zoon van Hefer, de zoon van Gilead, de zoon van Machir, de zoon van Manasse, had geen zonen, maar dochters, en dit zijn de namen van zijn dochters: Machla en Noa, Hogla, Milka en Tirza.4Dezen kwamen naar voren, bij Eleazar, de priester, en bij Jozua, de zoon van Nun, en bij de leiders, en zeiden: De HEERE heeft Mozes geboden ons een erfelijk bezit te geven te midden van onze broeders. Daarom gaf hij hun, naar het bevel van de HEERE, een erfelijk bezit in het midden van de broers van hun vader.5En aan Manasse vielen tien delen toe, behalve het land Gilead en Basan, dat aan de andere zijde van de Jordaan ligt.6Want de dochters van Manasse ontvingen een erfelijk bezit te midden van zijn zonen, en het land Gilead was voor de overgebleven nakomelingen van Manasse.; 1Kr 7:1515Machir nam de zuster van Huppim en van Suppim tot vrouw. Haar naam was Maächa, en de naam van de tweede [zoon] was Zelafead. Zelafead had dochters.). In deze vermeldingen wordt gezegd dat Zelafead geen zonen heeft (Nm 26:33a33Zelafead, de zoon van Hefer, had echter geen zonen, alleen dochters. De namen van de dochters van Zelafead waren: Machla, Noa, Hogla, Milka en Tirza.). Juist daarom vragen de dochters een bezit in het land. Zij willen niet dat de naam van hun vader uit de geslachten verdwijnt. De HEERE zegt van hen: “De dochters van Zelafead hebben gelijk” (Nm 27:77De dochters van Zelafead hebben gelijk; u moet hun inderdaad een eigen erfelijk bezit geven, te midden van de broers van hun vader, en u moet het erfelijk bezit van hun vader op hen doen overgaan.). Zelafead en zijn dochters leren ons de les dat Gods kracht in zwakheid wordt volbracht.


De nakomelingen van Efraïm

20De zoon van Efraïm was Sutelah; diens zoon was Bered, diens zoon Tahath, diens zoon Elada, diens zoon Tahath, 21diens zoon Zabad, diens zonen Sutelah, Ezer en Elad. De mannen van Gath, die in het land geboren waren, doodden hen, want zij waren gekomen om hun vee weg te nemen. 22Daarop rouwde Efraïm, hun vader, vele dagen en zijn broers kwamen om hem te troosten. 23Daarna kwam hij bij zijn vrouw, en zij werd zwanger en baarde een zoon; hij gaf hem de naam Beria, omdat zij in [een tijd van] onheil in zijn huis was. 24Zijn dochter was Seëra, die bouwde Laag-Beth-Horon, Hoog-[Beth-Horon] en Uzzen-Seëra. 25Refah was zijn zoon, evenals Resef; diens zoon was Telah, diens zoon Tahan, 26diens zoon Ladan, diens zoon Ammihud, diens zoon Elisama, 27diens zoon Non [en] diens zoon Jozua. 28Hun bezit en hun woongebied was Bethel met de bijbehorende [plaatsen], in het oosten Naäran, in het westen Gezer met de bijbehorende [plaatsen], en [ook] Sichem met de bijbehorende [plaatsen], tot aan Ajja met de bijbehorende [plaatsen]. 29In handen van de zonen van Manasse waren Beth-Sean met de bijbehorende [plaatsen], Taänach met de bijbehorende [plaatsen], Megiddo met de bijbehorende [plaatsen, en] Dor met de bijbehorende [plaatsen]. Daarin hebben de nakomelingen van Jozef, de zoon van Israël, gewoond.

Mannen van het Filistijnse Gath doden zonen van Efraïm (vers 2121diens zoon Zabad, diens zonen Sutelah, Ezer en Elad. De mannen van Gath, die in het land geboren waren, doodden hen, want zij waren gekomen om hun vee weg te nemen.). Deze mannen voelen zich de baas van het land, want zij zijn de inheemse bevolking. Ze zien de Israëlieten als indringers en trekken zich niets aan van wat God heeft bepaald. Ze eigenen zich het vee toe dat zich in ‘hun’ land bevindt en doden de eigenaars ervan. In het volgende hoofdstuk worden de inwoners van het Filistijnse Gath door de Benjaminieten verdreven (1Kr 8:1313Beria en Sema (zij waren familiehoofden van de inwoners van Ajalon; zij hebben de inwoners van Gath verdreven).).

We zien in de mannen van Gath en hun handelwijze een beeld van ons zondige vlees. Daarmee zijn we geboren en wordt daarom ook wel ‘erfzonde’ genoemd. Ouders geven bij de geboorte van hun kinderen deze macht van de begeerten van het vlees aan hun kinderen mee.

Als de lusten van het vlees niet worden gehouden in de dood, zullen die ons doden en groot verdriet over ons brengen (vers 2222Daarop rouwde Efraïm, hun vader, vele dagen en zijn broers kwamen om hem te troosten.). Dan wordt Beria geboren (vers 2323Daarna kwam hij bij zijn vrouw, en zij werd zwanger en baarde een zoon; hij gaf hem de naam Beria, omdat zij in [een tijd van] onheil in zijn huis was.). Beria betekent ‘ongelukkige’ en wordt verbonden aan een tijd van “onheil in zijn huis”, dat is het huis van Efraïm. We kunnen de ‘ongelukkige’ begeerten van het vlees negeren als we door de Geest wandelen: “Wandelt door [de] Geest, en u zult [de] begeerte van [het] vlees geenszins volbrengen” (Gl 5:1616Maar ik zeg: wandelt door [de] Geest, en u zult [de] begeerte van [het] vlees geenszins volbrengen.).

In vers 2424Zijn dochter was Seëra, die bouwde Laag-Beth-Horon, Hoog-[Beth-Horon] en Uzzen-Seëra. wordt een vrouw, Seëra, als stedenbouwster genoemd. Vrouwen hebben een groot aandeel in de bouw van het koninkrijk van God, dat uit gezinnen bestaat. Zij besturen gezinnen, voeden de kinderen op en bepalen de sfeer in het gezin. Dat de geïnspireerde kroniekschrijver haar vermeldt, mag zeker een bemoediging zijn voor iedere vrouw die mee wil helpen aan de bouw van het koninkrijk van God. Haar inspanningen worden door God genoteerd.

Jozua, de zoon van Nun, hier Non genoemd (vers 2727diens zoon Non [en] diens zoon Jozua.), is de man die door de HEERE als opvolger van Mozes aan Zijn volk is gegeven om dat volk in het beloofde land te brengen.


De nakomelingen van Aser

30De zonen van Aser waren Jimna, Jisva, Jisvi en Beria; Sera was hun zuster. 31De zonen van Beria waren Heber en Malchiël, dat is de vader van Birzavith. 32Heber verwekte Jaflet, Somer, Hotham, en Sua, hun zuster. 33De zonen van Jaflet waren Pasach, Bimhal en Asvath. Dit waren de zonen van Jaflet. 34De zonen van Semer waren Ahi, Rohega, Jehubba en Aram. 35De zonen van zijn broer Helem waren Zofah, Jimna, Seles en Amal. 36De zonen van Zofah waren Suah, Harnefer, Sual, Beri, Jimra, 37Bezer, Hod, Samma, Silsa, Jithran en Beëra. 38De zonen van Jether waren Jefunne, Pispa en Ara. 39De zonen van Ulla waren Arah, Hanniël en Rizja. 40Deze allen waren nakomelingen van Aser, familiehoofden, uitgelezen dappere helden, hoofden onder de vorsten. Zij werden in de geslachtsregisters ingeschreven voor het leger in [geval van] oorlog; hun aantal was zesentwintigduizend man.

De nakomelingen van Aser worden “allen” als “familiehoofden, uitgelezen dappere helden, hoofden onder de vorsten” aangeduid (vers 4040Deze allen waren nakomelingen van Aser, familiehoofden, uitgelezen dappere helden, hoofden onder de vorsten. Zij werden in de geslachtsregisters ingeschreven voor het leger in [geval van] oorlog; hun aantal was zesentwintigduizend man.). Zij zijn dus niet zomaar “dappere helden”, zoals dat geschreven staat van de nakomelingen van Issaschar (vers 22De zonen van Tola waren Uzzi, Refaja, Jeriël, Jachmai, Jibsam en Semuel. [Zij waren] familiehoofden van Tola [en] strijdbare helden onder hun afstammelingen. Hun aantal was in de dagen van David tweeëntwintigduizend zeshonderd.) en van de nakomelingen van Benjamin (verzen 7,9,117De zonen van Bela waren Ezbon, Uzzi, Uzziël, Jerimoth en Iri; vijf familiehoofden, strijdbare helden, in de geslachtsregisters ingeschreven, tweeëntwintigduizend vierendertig [man].9In geslachtsregisters ingeschreven overeenkomstig hun afstamming [en] hun familiehoofden, [telden] dezen twintigduizend tweehonderd [man], strijdbare helden.11Deze allen waren zonen van Jediaël, familiehoofden, dappere helden. [Hun families telden] zeventienduizend tweehonderd [man], die met het leger uittrokken tot de strijd.). Zij steken daar nog bovenuit. Het zijn bijzonder dappere en bekwame mannen tegen wie ook anderen hoog opkijken.


Lees verder